Waar vandaan: Gezond leven > Gezondheid > Non-Hodgkin Lymfomen
Non-Hodgkin Lymfomen
Het lymfestelsel
Het is bekend datwij in ons lichaam een heel systeem van bloedvaten
hebben. Minder bekend is dat er nog zo'n systeem is : het lymfestelsel.
Hieronder is schematisch weergegeven, hoe het lymfestelsel in elkaar
zit.
Dit stelsel bestaat hoofdzakelijk uit lymfeweefsel en lymfevaten.
Zijn hoofdfuncties zijn die van afvoer- en verdedigingssysteem.
![]() 1. middenrif |
Het lymfeweefsel bevindt zich onder meer in de lymfeklieren. Deze lymfeklieren zitten in de hals (A), in de oksels (B), langs de luchtpijp (C), bij de longen (D), bij de darmen en achter de buikholte (E), in de bekkenstreek (E) en in 'de liezen (G), en ook op andere plaatsen in ons lichaam. Lymfeweefsel bevindt zich verder in onder meer de amandelen, de milt (H), de darmwand en in beenmerg.
De lymfevaten vormen de kanalen van het systeem. Ze worden vanuit het weefsel gevuld met weefselvocht: de lymfe. Via steeds grotere kanalen komt de lymfe uiteindelijk in de bloedbaan terecht. Lymfe is een kleurloze vloeistof, die onder andere witte bloedcellen en allerlei afvalstoffen uit het weefsel bevat.
De lymfeklieren zijn de zuiveringsstations van het
lymfestelsel. Voordat de lymfe in het bloed komt, passeert zij tenminste
één lymfeklier.
In de lymfeklieren worden ziekteverwekkers, met name bacteriën
en virussen, onschadelijk gemaakt. Verder wordt daar de lymfe gezuiverd
van afvalstoffen.
Bepaalde witte bloedlichaampjes, de lymfocyten, spelen een belangrijke rol bij de bestrijding van ziekteverwekkers en de productie van afweerstoffen. Deze bloedlichaampjes worden gevormd in het beenmerg en in het lymfeweefsel.
Non-Hodgkin Lymfomen
In het lymfestelsel kan kanker ontstaan. Eén van de
vormen van kanker van het lymfestelsel is de ziekte van Hodgkin. Deze
ziekte werd in 1832 voor het eerst beschreven door de Engelse arts
Thomas Hodgkin. Later zijn nog verschillende andere vormen van kanker
van het lymfestelsel ontdekt. Deze ziekten lijken wel sterk op de
ziekte van Hodgkin maar wijken daar toch van af. Ze worden daarom
Non-Hodgkin lymfomen genoemd (lymfomen betekent gezwellen van het
lymfestelsel).
Evenals bij de andere soorten kanker, is er bij kanker van het lymfestelsel
sprake van abnormale celgroei. Door de abnormale celgroei worden de
lymfeklieren groter. De abnormale cellen verdringen de gezonde cellen
in de lymfeklier. Het gevolg is een verstoring van de functie van
de lymfocyten. Daardoor verliest het lichaam een deel van zijn afweer
tegen virussen en bacteriën en ontstaan gemakkelijker infecties.
Non-Hodgkin lymfomen ontstaan meestal in de lymfeklieren, maar de
ziekte kan ook ontstaan in het lymfeweefsel van maag-darmkanaal, longen,
lever of beenmerg. Via de lymfevaten en het bloed kunnen de zieke
cellen zich door het hele lichaam verspreiden. Over de oorzaken van
de non-Hodgkin lymfomen kunnen we kort zijn : daarover is weinig met
zekerheid bekend. Er zijn geen aanwijzingen dat deze vormen van lymfeklierkanker erfelijk zouden
zijn. Evenals andere vormen van kanker zijn non-Hodgkin lymfomen niet
besmettelijk.
Non-Hodgkin lymfomen komen tamelijk weinig voor: per jaar krijgen in ons land ongeveer 11 op 100.000 mensen één van deze vormen van lymfeklierkanker (Nationaal Kankerregister 1996). Deze ziekten komen verhoudingsgewijs iets vaker voor bij mannen dan bij vrouwen en vooral bij mensen van boven de 50 jaar.
Symptomen
Meestal is het eerste symptoom van een non-Hodgkin lymfoom een voelbare
zwelling van één of meer lymfeklieren in de hals, in
een oksel of in één van de liezen. Over het algemeen
zijn deze zwellingen niet pijnlijk. Soms zijn ze gevoelig als er op
wordt gedrukt. Wanneer de ziekte niet in de lymfeklieren begint zijn
de eerste symptomen vaak minder duidelijk.
Bijkomende verschijnselen kunnen zijn:
-
koorts
-
vermagering
-
sterke vermoeidheid
-
hevige transpiratie (vooral 's nachts)
-
bloedarmoede
-
verminderde weerstand tegen infecties.
Bij sommige patiënten treden deze verschijnselen al bij het begin van de ziekte op, bij andere later of nooit. Daarom dient men gezwollen lymfeklieren altijd te laten onderzoeken , ook al zijn er verder geen klachten.
Diagnose
Als er klachten zijn, moet men bedenken dat gezwollen lymfeklieren
ook kunnen ontstaan in de buurtvan een ontsteking. Symptomen als koorts,
sterke vermoeidheid en hevige transpiratie zeggen op zichzelf nietzoveel:
iemand met bijvoorbeeld griep, heeft zulke verschijnselen ook. Meestal
gaan deze klierzwellingen of de algemene klachten na enige tijd "vanzelf"
over.
Wanneer dat niet gebeurt is er reden tot nader onderzoek.
De huisarts zal een algemeen lichamelijk onderzoek doen, waarbij hij
onder meer nagaat of de lever of de milt vergroot zijn. Dat is bij
lymfeklierkanker namelijk ook wel eens het geval. Gewoonlijk worden
ook bloed en urine onderzocht.
Vaak zal uit de eerste onderzoeken blijken dat het niet gaat om een
non-Hodgkin lymfoom, maar dat een andere aandoening de klachten veroorzaakt.
Als dit niet duidelijk wordt, is het nodig cellen of een stukje weefsel
van de vergrote lymfeklieren of van ander lymfeweefsel, onder een
microscoop te onderzoeken. Daartoe wordt - onder verdoving - een vergrote
lymfeklier of ander lymfeweefsel door een chirurg verwijderd. Een
dergelijk onderzoek heet biopsie. Een andere arts, de anatomo-patholoog,
beoordeelt het verwijderde lymfeweefsel onder een microscoop: hij
kan op grond van dit onderzoek vaststellen of er sprake is van een
non-Hodgkin lymfoom, en zo ja van welk type.
De behandeling van de diverse typen van non-Hodgkin lymfomen kan sterk
verschillen.
Aanvullend onderzoek
Als de biopsie uitwijst dat er sprake is van een non-Hodgkin lymfoom,
wordt aanvullend onderzoek verricht. Dit onderzoek is nodig om vast
te stellen in welk stadium de ziekte verkeert en welke behandeling
gewenst is.
-
Algemeen onderzoek.
Doorgaans wordt hetalgemeen lichamelijk onderzoek herhaald. Daarbij bevoelt de dokter de lymfeklieren, de lever en de milt en, heeft u die nog, dan bekijkt hij ook de amandelen. -
Róntgenonderzoek.
Verder kunnen de volgende röntgenonderzoeken worden uitgevoerd: thoraxfoto en lymfangiografie, dan wel computer-tomografie. -
Thoraxfoto.
Meestal wordt er een röntgenfoto van de borstkas gemaakt. Dit gebeurt om vast te stellen of de lymfeklieren in de borstholte vergroot zijn. -
Lymfangiografie.
Bij dit onderzoek wordt eerst een blauwe vloeistof onder de huid van de voeten ingespoten. Hierdoor worden de lymfevaten in de voeten zichtbaar. Vervolgens wordt een sneetje in de voet gemaakt, zodat de contrastvloeistof rechtstreeks in een lymfevat kan worden gespoten. Dit gebeurt onder plaatselijke verdoving.
Vanuit de voeten verspreidt de vloeistof zich naar de lymfeklieren en -vaten van de buik. Hierdoor zijn deze op röntgenfoto's duidelijk te zien. Het onderzoek is verdeeld over twee dagen. Op de eerste dag worden, enige uren na inspuiting van de contrustvloeistof, foto's gemaakt van de lymfevaten. Tot zolang moet de patiënt blijven liggen. Na 24 uur heeft de vloeistof ook de lymfeklieren bereikt en worden opnieuw foto's gemaakt. De avond van de eerste dag kan men zich wat ziek voelen en last hebben van misselijkheid, koorts of hoesten. De urine is groen-blauw van kleuren meestal ziet men zelf ook wat blauw. Al deze verschijnselen zijn tijdelijk, ze verdwijnen binnen enkele dagen. -
Computer-tomografie.
Onderdeel van het onderzoek kan zijn, dat met behulp van een CT-scanner dwarsdoorsnedefoto's van het lichaam worden gemaakt. De CT-scanner maakt deze foto's met behulp van röntgenstralen en een computer. Wordt een CT-scan van de buik gemaakt dan krijgt de patiënt in de regel contrastvloeistof toegediend of te drinken. Tijdens het onderzoek wordt de patiënt langzaam door een "tunnel" geschoven. De doorsnedefoto's kunnen een goed beeld geven van waar zich eventueel gezwollen lymfeklieren bevinden. Tevens levert dit onderzoek informatie op over de toestand van de milt en de lever. -
Beenmerg-onderzoek.
Bij beenmerg-onderzoek wordt door middel van een punctie wat beenmerg van de patiënt weggenomen. Eerst wordt een plekje op het bekken met een injectie verdoofd. Vervolgens prikt de specialist met een speciale holle naald tot in het beenmerg om daaruit een kleine hoeveelheid merg op te zuigen. Dit veroorzaakt even pijn en meestal ook een eigenaardig trekkerig gevoel. Het beenmerg ziet er wat bloederig uit; dat is echter normaal. Met dezelfde naald wordt daarna meestal- nog een klein dun pijpje merg weggehaald. Het beenmerg wordt vervolgens onder de microscoop bekeken.
De vier stadia
Op grond van het hiervoor beschreven onderzoek kan men vaststellen
hoe ver de ziekte zich heeft ontwikkeld. Bij iedere patiënt
wordt vastgesteld, in welk stadium van de ziekte hij verkeert. Er
worden vier stadia onderscheiden.
-
Stadium 1
De aandoening is beperkt tot één lymfekliergebied, bijvoorbeeld de lymfeklieren in één van de oksels, of tot één orgaan. -
Stadium 2
De aandoening is beperkt tot twee of meer kliergebieden aan dezelfde kant van het middenrif, of tot één orgaan en één of meer kliergebieden, eveneens aan dezelfde kant van het middenrif. -
Stadium 3
De aandoening bevindt zich in klier en/of een onder orgaan. -
Stadium 4
De aandoening heeft zich uitgebreid naar diverse delen van het lichaam, zoals longen, lever en skelet.
Het vaststellen van het stadium is nodig voor het bepalen van de behandeling.
Behandeling
Er zijn twee therapieën waarmee non-Hodgkin lymfomen behandeld worden:
- radiotherapie (bestraling)
- chemotherapie (behandeling met celgroeiremmende medicijnen).
Soms wordt een combinatie van radiotherapie en chemotherapie toegepast. Welke behandeling (of welke combinatie van deze behandelingen) de artsen zullen voorstellen, hangt onder meer af van het type non-Hodgkin lymfoom, het stadium van de ziekte, de leeftijd en de algemene lichamelijke conditie van de patiënt. De behandeling kan daarom van patiënt tot patiënt verschillen. Het kan soms gebeuren, dat de artsen voorstellen de ziekte nog niet te behandelen, maar af te wachten of zij zich verder ontwikkelt. Bij sommige soorten non-Hodgkin lymfomen komt het namelijk voor, dat zij zich jarenlang niet verder ontwikkelen.
- Radiotherapie
Radiotherapie wordt vooral toegepast wanneer de uitbreiding van de ziekte nog beperkt is; daarnaast ook als ondersteuning van een eventuele chemotherapie. - Chemotherapie
Behandeling met celgroeiremmende medicijnen (cytostatica) wordt vooral toegepast wanneer de ziekte in een meer uitgebreid stadium is, of als de ziekte na bestraling weer terugkomt. - Bijwerkingen
Veel mensen hebben last van allerlei bijwerkingen als ze met radiotherapie of chemotherapie worden behandeld. De behandelende arts kan u daarover inlichten.
Vooruitzichten
Over de kans dat iemand met een non-Hodgkin lymfoom geneest kunnen geen
algemene uitspraken worden gedaan. Over het algemeen geldt: hoe eerder
de ziekte is ontdekt, hoe groter de kans op genezing. Verder zijn bij
sommige typen non-Hodgkin lymfomen de genezingskansen groter dan bij
andere. De patiënt kan hierover best inlichtingen vragen aan de
behandelende arts. Wanneer iemand volledig genezen is, valt moeilijk
precies te zeggen. In elk geval is de kans dat de ziekte terug zal komen
kleiner, naarmate men langer ziekte-vrij is geweest. In sommige gevallen
treedt geen compleet herstel op, maar kan de ziekte wel jarenlang tot
rust worden gebracht. Wanneer na behandeling herstel optreedt, spreekt
men van een remissie. Als de ziekte daarna de kop weer opsteekt, wordt
dat een recidief genoemd.
Vaak kan een nieuwe behandeling de ziekte opnieuw voor lange tijd tot
rust brengen. De aard van de ziekte brengt met zich dat de patiënt
jarenlang onder controle van de behandelende arts moet blijven.
Bron: Vlaamse Liga tegen Kanker
| | | | | In favorieten opslaan | | |
|
Een vraag of een probleem op SeniorenNet? Kijk dan in het Helpcentrum (klik hier). Als je het daar niet kan vinden, helpen we je via e-mail op support@seniorennet.be. |






