Waar vandaan: Gezond leven > Gezondheid > Persoonlijkheidsstoornissen

Persoonlijkheidsstoornissen

Wat is een persoonlijkheidsstoornis?

Een persoonlijkheidsstoornis is algemene term voor een star patroon van persoonlijkheidstrekken, waardoor het individu onvoldoende in staat is zijn gedrag aan te passen aan wisselende omstandigheden. Dit heeft leidt tot omvangrijke en terugkerende problemen in relaties, werk en sociale leven functioneren.
De persoon in kwestie voelt vaak niet meer de vrijheid om flexibel te reageren op de eisen van alledag. Het denken en waarnemen kunnen daarbij sterk gekleurd zijn. Zo kunnen vervormingen ontstaan in de wijze waarop iemand kijkt naar zichzelf en zijn omgeving. De beleving en uiting van gevoelens kunnen eveneens verstoord zijn, zoals bijvoorbeeld bij sterk wisselende of te intense emoties. Vaak gaan zulke verstoringen samen met terugkerende moeilijkheden in de beheersing van de eigen impulsen. Alle mensen met persoonlijkheidsstoornissen ervaren moeilijkheden in contact met anderen en lopen vaak vast op verschillende terreinen van hun leven.

Ontstaan
Er is geen eenduidige oorzaak; er is steeds sprake van een ingewikkeld samenspel van factoren.

  1. Biogenetische factoren
    Mensen verschillen in aanleg, in temperament en wilskracht.
  2. Sociale factoren
    Sociaal-culturele omstandigheden kunnen een bijdrage leveren aan het ontstaan van een persoonlijkheidsstoornis. Voorbeelden zijn: de inbedding van het gezin in de omgeving, de levensstandaard, gevolgen van emigratie en verschuivingen op de sociale ladder.
  3. Psychologische factoren
    Het verleden (geschiedenis) is van grote invloed op hoe iemand denkt, voelt en handelt, wat zijn of haar normen en waarden zijn, hoe hij of zij met zichzelf en anderen omgaat.
    Persoonlijkheidsstoornissen worden soms wel "'ontwikkelingsstoornissen" genoemd. Hiermee wordt bedoeld dat in iemands ontwikkeling van jong kind tot volwassene reeds problemen aanwijsbaar zijn. Soms houden deze verband met duidelijke trauma's als vroege verlatingen of seksueel misbruik. Ook kunnen er moeilijke gezinsomstandigheden zijn die hebben geleid tot onvoldoende veiligheid, aandacht, begrenzing of begeleiding. Het gebeurt ook wel dat zulke duidelijk aanwijsbare redenen ontbreken, en dat mensen toch een sterke onvrede met zichzelf en/of anderen hebben. Bij nader onderzoek blijkt dan bijvoorbeeld dat iemand zich zo sterk aan zijn omgeving heeft aangepast, dat hij vervreemd is geraakt van de eigen behoeften en gevoelens. Met als negatieve gevolgen: een negatief gevoel over zichzelf, depressiviteit, moeite met intieme relaties, eenzaamheidsgevoelens en/of zich gemakkelijk buitengesloten voelen.
  4. Organische factoren
    Sommige lichamelijke aandoeningen (bijvoorbeeld epilepsie of een schedeltrauma) kunnen een persoonlijkheidsstoornis veroorzaken.


Indeling persoonlijkheidsstoornissen

  • Cluster A
    Patiënten met een persoonlijkheidsstoornis uit deze cluster worden wel getypeerd als "vreemd" en/of "excentriek". Het kenmerk is een ernstig verstoord mentaal evenwicht en/of ernstige gedragsproblemen. Er kan sprake zijn van psychotische symptomen zoals wanen of hallucinaties; onsamenhangende spraak of gedachtegang; bizar, chaotisch of overactief gedrag; ernstig vervlakt en apathisch gedrag. Het gedrag kan hinderlijk zijn en soms onhanteerbaar of gevaarlijk, zowel voor de patiënt als diens omgeving. Ook wanneer er geen psychotische symptomen zijn, kan er nog sprake zijn van ongewone overtuigingen, waarnemingen, ervaringen en gedragingen die het dagelijks persoonlijke en sociale functioneren beperken. * Paranoïde (achterdochtige) persoonlijkheidsstoornis
    • Schizoïde (sociaal teruggetrokken) persoonlijkheidsstoornis
    • Schizotypische (zonderlinge, randpsychotische) persoonlijkheidsstoornis
  • Cluster B
    Patiënten met een persoonlijkheidsstoornis uit deze cluster worden wel getypeerd als "flamboyant" en/of "theatraal". Zij kampen vaak met forse moeilijkheden in de interactie met anderen en hebben vaak moeite met de beheersing van hun impulsen en een uiterst instabiele identiteit.
    • Antisociale (gewetensloze, driftmatige) persoonlijkheidsstoornis
    • Borderline (identiteitszwakke en impulsieve) persoonlijkheidsstoornis
    • Theatrale (egocentrische en aandachtvragende) persoonlijkheidsstoornis
    • Narcistische (opgeblazen en exploiterende) persoonlijkheidsstoornis
  • Cluster C
    Patiënten met een persoonlijkheidsstoornis uit deze cluster worden wel getypeerd als getypeerd als "angstig" en "kwetsbaar". De stoornissen uit deze cluster zijn in het algemeen milder van aard en de patiënten zijn vaak beter in staat zich aan te passen aan de eisen van de realiteit. Toch zijn de verschillen binnen deze cluster aanzienlijk en kan er bijvoorbeeld sprake zijn van een ernstige verstoorde identiteitsontwikkeling of basiswantrouwen.
    • Ontwijkende (sociaal angstige en geremde) persoonlijkheidsstoornis
    • Afhankelijke (aan zichzelf twijfelende en onderdanige) persoonlijkheidsstoornis
    • Obsessieve-compulsieve (dwangmatige) persoonlijkheidsstoornis
      Niet behorend tot een cluster
    • * Persoonlijkheidsstoornis Niet Anders Omschreven (NAO)
      Vaak wordt de diagnose Persoonlijkheidsstoornis NAO gesteld, waarbij kenmerken van verschillende persoonlijkheidsstoornissen worden genoemd: bijvoorbeeld, "met afhankelijke en borderline kenmerken".
  • Overige persoonlijkheidsstoornissen
    • Fantasy prone personalitiy
    • Passief-agressieve persoonlijkheid


Psychodynamische diagnostiek

In 1990 publiceerde Leidse hoogleraar R. Abraham een ontwikkelingsprofiel dat is gebaseerd op de psychoanalytische ontwikkelingspsychologie. Dit profiel geeft een overzicht van gedragspatronen die kenmerkend zijn voor de verschillende fasen van de psychologische ontwikkeling. Al deze fasen worden door iedereen in weliswaar dezelfde volgorde doorlopen, maar er zijn grote individuele verschillen in de benodigde tijd en mate van succes. Een patiënt wordt getypeerd door aan te geven in welke mate hij volgens deze patronen functioneert. Het ontwikkelingsprofiel gaat uit van de veronderstelling dat de meeste habituele gedragingen ontstaan door ervaringen in het verleden. Storend gedrag kan op die manier vaak worden begrepen als het persisteren van gedragspatronen die ooit passend of functioneel waren, maar dat nu niet meer zijn. In principe heeft iedere volwassene kenmerken van het kind dat hij is geweest. Het ontwikkelingsprofiel laat zien in welke mate dit het geval is.
De informatie wordt verkregen door een semi-gestructureerd interview dat anderhalf tot maximaal drie uur duurt. De vragen beogen het verkrijgen van een gedetailleerde beschrijving van het gedrag van de patiënt met betrekking tot de klachten, leefsituatie, opleiding of het werk, de verschillende relaties, religieuze of politieke activiteiten, hobby's en reacties op stressvolle gebeurtenissen. Met dit ontwikkelingsprofiel worden op een gestandaardiseerde wijze, klinisch relevante persoonlijkheidskenmerken geïnventariseerd, met als doel het gedrag van de patiënt inzichtelijk en daardoor beter beïnvloedbaar te maken. Het bijzondere van dit instrument in de persoonlijkheidsdiagnostiek is, dat naast de pathologische of minder ontwikkelde aspecten van de persoonlijkheid evenzeer de sterke en rijpe kanten van iemands persoonlijkheid in kaart worden gebracht.
Het uitgangspunt van het ontwikkelingsprofiel wordt gevormd door de fasegewijze ontwikkeling van het gedrag.
Het ontwikkelingsprofiel omvat tien ontwikkelingsniveaus met als centrale thema's: Structuurloosheid, Fragmentatie, Egocentriciteit, Symbiose, Verzet, Rivaliteit, Individuatie, Verbondenheid, Generativiteit en Rijpheid. Elk niveau wordt gekarakteriseerd door bepaalde gedragscategorieën. De manifestaties hiervan op de verschillende ontwikkelingsniveaus vormen de zogenaamde ontwikkelingslijnen. Deze betreffen: Sociale Attitudes, Objectrelaties, Zelfbeelden, Normen, Behoeften, Cognities, Probleemoplossend Gedrag en Diverse thema's.
Het ontwikkelingsprofiel kan op twee manieren worden gebruikt: Als referentiekader voor het onderkennen en begrijpen van gedragspatronen en als een gestandaardiseerd instrument voor het inventariseren van deze gedragspatronen. Als referentiekader is het relevant voor professionals die inzicht moeten hebben in de functionele mogelijkheden en beperkingen van mensen.

Behandeling

In het algemeen geldt dat zorgvuldige diagnostiek nodig is om een goede indicatie voor behandeling te kunnen stellen.

  • Cluster A
    Kern van de behandeling is stabilisatie, leren voorkomen van crises en verbetering van de sociale vaardigheden.
  • Cluster B
    Behandeling varieert van geen tot intensieve klinische therapie. Factoren van belang zijn: draagkracht, impulsbeheersing, mate van wantrouwen, ziektebesef, ziekte-inzicht, sociale aanpassing en dreiging voor anderen.
  • Cluster C
    Behandeling bestaat in de meeste gevallen uit poliklinische of dagklinische therapie.

 


E-mail deze pagina | Afdrukken | In favorieten opslaan In favorieten opslaan | Share/Bookmark

Je mening is belangrijk! Was deze pagina nuttig?



Een vraag of een probleem op SeniorenNet?
Kijk dan in het Helpcentrum (klik hier). Als je het daar niet kan vinden, helpen we je via e-mail op support@seniorennet.be.

Zoek binnen SeniorenNet:

Anoniem (51) uit 3500

Gebruiksvriendelijk, overzichtelijk, uitgebreid. Deze website heeft me geholpen een persoon terug te ontdekken die ik 40 jaar niet meer gehoord of gezien heb!

Meer over de bezoeker :
  • Bediende
  • 51 jaar
  • Bezoekt ons wekelijks
  • Getrouwd
  • 4 kinderen
  • Hobby's: lezen

Poll

De energiemarkt is volop in beweging. Bij welke energieleverancier zit jij momenteel?