Waar vandaan: Gezond leven > Gezondheid > Persoonlijkheidsstoornissen
Persoonlijkheidsstoornissen
Wat is een persoonlijkheidsstoornis?
Een persoonlijkheidsstoornis is algemene term voor een star patroon
van persoonlijkheidstrekken, waardoor het individu onvoldoende in
staat is zijn gedrag aan te passen aan wisselende omstandigheden.
Dit heeft leidt tot omvangrijke en terugkerende problemen in relaties,
werk en sociale leven functioneren.
De persoon in kwestie voelt vaak niet meer de vrijheid om flexibel
te reageren op de eisen van alledag. Het denken en waarnemen kunnen
daarbij sterk gekleurd zijn. Zo kunnen vervormingen ontstaan in de
wijze waarop iemand kijkt naar zichzelf en zijn omgeving. De beleving
en uiting van gevoelens kunnen eveneens verstoord zijn, zoals bijvoorbeeld
bij sterk wisselende of te intense emoties. Vaak gaan zulke verstoringen
samen met terugkerende moeilijkheden in de beheersing van de eigen
impulsen. Alle mensen met persoonlijkheidsstoornissen ervaren moeilijkheden
in contact met anderen en lopen vaak vast op verschillende terreinen
van hun leven.
Ontstaan
Er is geen eenduidige oorzaak; er is steeds sprake van een ingewikkeld
samenspel van factoren.
-
Biogenetische factoren
Mensen verschillen in aanleg, in temperament en wilskracht. -
Sociale factoren
Sociaal-culturele omstandigheden kunnen een bijdrage leveren aan het ontstaan van een persoonlijkheidsstoornis. Voorbeelden zijn: de inbedding van het gezin in de omgeving, de levensstandaard, gevolgen van emigratie en verschuivingen op de sociale ladder. -
Psychologische factoren
Het verleden (geschiedenis) is van grote invloed op hoe iemand denkt, voelt en handelt, wat zijn of haar normen en waarden zijn, hoe hij of zij met zichzelf en anderen omgaat.
Persoonlijkheidsstoornissen worden soms wel "'ontwikkelingsstoornissen" genoemd. Hiermee wordt bedoeld dat in iemands ontwikkeling van jong kind tot volwassene reeds problemen aanwijsbaar zijn. Soms houden deze verband met duidelijke trauma's als vroege verlatingen of seksueel misbruik. Ook kunnen er moeilijke gezinsomstandigheden zijn die hebben geleid tot onvoldoende veiligheid, aandacht, begrenzing of begeleiding. Het gebeurt ook wel dat zulke duidelijk aanwijsbare redenen ontbreken, en dat mensen toch een sterke onvrede met zichzelf en/of anderen hebben. Bij nader onderzoek blijkt dan bijvoorbeeld dat iemand zich zo sterk aan zijn omgeving heeft aangepast, dat hij vervreemd is geraakt van de eigen behoeften en gevoelens. Met als negatieve gevolgen: een negatief gevoel over zichzelf, depressiviteit, moeite met intieme relaties, eenzaamheidsgevoelens en/of zich gemakkelijk buitengesloten voelen. -
Organische factoren
Sommige lichamelijke aandoeningen (bijvoorbeeld epilepsie of een schedeltrauma) kunnen een persoonlijkheidsstoornis veroorzaken.
Indeling persoonlijkheidsstoornissen
-
Cluster A
Patiënten met een persoonlijkheidsstoornis uit deze cluster worden wel getypeerd als "vreemd" en/of "excentriek". Het kenmerk is een ernstig verstoord mentaal evenwicht en/of ernstige gedragsproblemen. Er kan sprake zijn van psychotische symptomen zoals wanen of hallucinaties; onsamenhangende spraak of gedachtegang; bizar, chaotisch of overactief gedrag; ernstig vervlakt en apathisch gedrag. Het gedrag kan hinderlijk zijn en soms onhanteerbaar of gevaarlijk, zowel voor de patiënt als diens omgeving. Ook wanneer er geen psychotische symptomen zijn, kan er nog sprake zijn van ongewone overtuigingen, waarnemingen, ervaringen en gedragingen die het dagelijks persoonlijke en sociale functioneren beperken. * Paranoïde (achterdochtige) persoonlijkheidsstoornis-
Schizoïde (sociaal teruggetrokken) persoonlijkheidsstoornis
-
Schizotypische (zonderlinge, randpsychotische) persoonlijkheidsstoornis
-
-
Cluster B
Patiënten met een persoonlijkheidsstoornis uit deze cluster worden wel getypeerd als "flamboyant" en/of "theatraal". Zij kampen vaak met forse moeilijkheden in de interactie met anderen en hebben vaak moeite met de beheersing van hun impulsen en een uiterst instabiele identiteit.-
Antisociale (gewetensloze, driftmatige) persoonlijkheidsstoornis
-
Borderline (identiteitszwakke en impulsieve) persoonlijkheidsstoornis
-
Theatrale (egocentrische en aandachtvragende) persoonlijkheidsstoornis
-
Narcistische (opgeblazen en exploiterende) persoonlijkheidsstoornis
-
-
Cluster C
Patiënten met een persoonlijkheidsstoornis uit deze cluster worden wel getypeerd als getypeerd als "angstig" en "kwetsbaar". De stoornissen uit deze cluster zijn in het algemeen milder van aard en de patiënten zijn vaak beter in staat zich aan te passen aan de eisen van de realiteit. Toch zijn de verschillen binnen deze cluster aanzienlijk en kan er bijvoorbeeld sprake zijn van een ernstige verstoorde identiteitsontwikkeling of basiswantrouwen.-
Ontwijkende (sociaal angstige en geremde) persoonlijkheidsstoornis
-
Afhankelijke (aan zichzelf twijfelende en onderdanige) persoonlijkheidsstoornis
-
Obsessieve-compulsieve (dwangmatige) persoonlijkheidsstoornis
Niet behorend tot een cluster -
* Persoonlijkheidsstoornis Niet Anders Omschreven (NAO)
Vaak wordt de diagnose Persoonlijkheidsstoornis NAO gesteld, waarbij kenmerken van verschillende persoonlijkheidsstoornissen worden genoemd: bijvoorbeeld, "met afhankelijke en borderline kenmerken".
-
-
Overige persoonlijkheidsstoornissen
- Fantasy prone personalitiy
-
Passief-agressieve persoonlijkheid
Psychodynamische diagnostiek
In 1990 publiceerde Leidse hoogleraar R. Abraham een ontwikkelingsprofiel
dat is gebaseerd op de psychoanalytische ontwikkelingspsychologie.
Dit profiel geeft een overzicht van gedragspatronen die kenmerkend
zijn voor de verschillende fasen van de psychologische ontwikkeling.
Al deze fasen worden door iedereen in weliswaar dezelfde volgorde
doorlopen, maar er zijn grote individuele verschillen in de benodigde
tijd en mate van succes. Een patiënt wordt getypeerd door aan
te geven in welke mate hij volgens deze patronen functioneert. Het
ontwikkelingsprofiel gaat uit van de veronderstelling dat de meeste
habituele gedragingen ontstaan door ervaringen in het verleden. Storend
gedrag kan op die manier vaak worden begrepen als het persisteren
van gedragspatronen die ooit passend of functioneel waren, maar dat
nu niet meer zijn. In principe heeft iedere volwassene kenmerken van
het kind dat hij is geweest. Het ontwikkelingsprofiel laat zien in
welke mate dit het geval is.
De informatie wordt verkregen door een semi-gestructureerd interview
dat anderhalf tot maximaal drie uur duurt. De vragen beogen het verkrijgen
van een gedetailleerde beschrijving van het gedrag van de patiënt
met betrekking tot de klachten, leefsituatie, opleiding of het werk,
de verschillende relaties, religieuze of politieke activiteiten, hobby's
en reacties op stressvolle gebeurtenissen. Met dit ontwikkelingsprofiel
worden op een gestandaardiseerde wijze, klinisch relevante persoonlijkheidskenmerken
geïnventariseerd, met als doel het gedrag van de patiënt
inzichtelijk en daardoor beter beïnvloedbaar te maken. Het bijzondere
van dit instrument in de persoonlijkheidsdiagnostiek is, dat naast
de pathologische of minder ontwikkelde aspecten van de persoonlijkheid
evenzeer de sterke en rijpe kanten van iemands persoonlijkheid in
kaart worden gebracht.
Het uitgangspunt van het ontwikkelingsprofiel wordt gevormd door de
fasegewijze ontwikkeling van het gedrag.
Het ontwikkelingsprofiel omvat tien ontwikkelingsniveaus met als centrale
thema's: Structuurloosheid, Fragmentatie, Egocentriciteit, Symbiose,
Verzet, Rivaliteit, Individuatie, Verbondenheid, Generativiteit en
Rijpheid. Elk niveau wordt gekarakteriseerd door bepaalde gedragscategorieën.
De manifestaties hiervan op de verschillende ontwikkelingsniveaus
vormen de zogenaamde ontwikkelingslijnen. Deze betreffen: Sociale
Attitudes, Objectrelaties, Zelfbeelden, Normen, Behoeften, Cognities,
Probleemoplossend Gedrag en Diverse thema's.
Het ontwikkelingsprofiel kan op twee manieren worden gebruikt: Als
referentiekader voor het onderkennen en begrijpen van gedragspatronen
en als een gestandaardiseerd instrument voor het inventariseren van
deze gedragspatronen. Als referentiekader is het relevant voor professionals
die inzicht moeten hebben in de functionele mogelijkheden en beperkingen
van mensen.
Behandeling
In het algemeen geldt dat zorgvuldige diagnostiek nodig is om een goede indicatie voor behandeling te kunnen stellen.
-
Cluster A
Kern van de behandeling is stabilisatie, leren voorkomen van crises en verbetering van de sociale vaardigheden. -
Cluster B
Behandeling varieert van geen tot intensieve klinische therapie. Factoren van belang zijn: draagkracht, impulsbeheersing, mate van wantrouwen, ziektebesef, ziekte-inzicht, sociale aanpassing en dreiging voor anderen. -
Cluster C
Behandeling bestaat in de meeste gevallen uit poliklinische of dagklinische therapie.
| | | | | In favorieten opslaan | | |
|
Een vraag of een probleem op SeniorenNet? Kijk dan in het Helpcentrum (klik hier). Als je het daar niet kan vinden, helpen we je via e-mail op support@seniorennet.be. |





