Waar vandaan: Reisverhalen > Europa ( 520 ) > VenetiŽ

VenetiŽ

Het was al donker buiten. Maar wat ons meer zorgen baarde was dat het binnen ook donker was. Zelfs na een paar keer schellen (aanbellen doe je niet bij een villa) viel er geen teken van leven te bespeuren. Daar stonden we dan in Venetië, 300 kilometer van huis, met het vooruitzicht dat we wellicht ergens op een bankje in het park zouden moeten overnachten.

Een week of wat geleden hadden we het plan opgevat om een paar dagen naar Venetië te gaan. Het is niet naast de deur, maar ook weer niet zo ver weg. Tweeënhalf uur rijden van Pavia en je bent er. Guido Guidi, de meteo-kolonel van RaiUno had zonnig weer voorspeld. Na wat zoeken op Internet vonden we in Venetië-Mestre, op het vasteland dus, Villa Gardenia dat zich op haar website zelfs in het Nederlands presenteert! Voor de zekerheid had ik toch maar in mijn beste Italiaans een kamer gereserveerd, terecht zo bleek later, want de kennis van onze moedertaal bestond bij Villa Gardenia alleen virtueel.

Met een weekendtas met schone onderbroeken en sokken, een tas vol spulletjes voor het hondje gingen we op pad. Op de autostrada scheurden we lekker door, net als iedereen want niemand houdt zich hier aan de maximumsnelheid van 130 km per uur, zodat we al na twee uur Padova binnen reden. Padova (wij kennen de stad als Padua) is vooral bekend van de Heilige Antonius, waarvoor je een kaarsje opsteekt als je iets kwijt bent. Zijn graf trekt veel pelgrims, die kennelijk wel iets kwijt zijn maar niet de weg naar het heiligdom. Wij kwamen niet voor Antonius, onze hersenen zijn nog bij de tijd en we vergeten nooit iets, ik kan me tenminste niet herinneren iets vergeten te hebben. Onze belangstelling ging uit naar de middeleeuwse schilder Giotto, die vooral bekend is van de fresco’s die hij in de grafkerk van Fransiscus van Assisi heeft geschilderd. In het latijn schijnt hij te worden aangeduid als ’Iottum’, zoals we in een brief van Petrarca konden lezen.

In Padova heeft Giotto in opdracht van een berouwvolle zoon van een afperser en potentaat (de heer Scrovegni) diens privé-kapel versierd met de meest prachtige fresco’s die je kunt voorstellen. Omdat de fresco’s zo kwetsbaar zijn, moet je een dag van tevoren een bezoek reserveren. Maximaal vijfentwintig personen mogen per keer een kwartier de kapel in om de fresco’s bewonderen. Voordat je naar binnen mag, moet je eerst nog vijftien minuten in een wachtkamer onder een luchtdouche plaatsnemen om alle ongerechtigheden van de stadse atmosfeer weg te spoelen. Honden mogen niet mee en dus hadden we het zo geregeld dat ik eerst naar binnen zou gaan en Nico twee shifts daarna zou volgen. Het was lang wachten, maar allemaal de moeite meer dan waard.

Toen we buiten weer verenigd waren, was de zon al bijna onder en werd het alweer behoorlijk kil. Daarom gingen we maar snel naar de auto. Binnen twintig minuten reden we Venetië-Mestre binnen, de industrie- en havenstad die aan de lagune ligt. Na wat heen en weer gereden te zijn, vonden we Villa Gardenia. En toen bleek het er dus verdacht donker te zijn. Waren we wel aan het juiste adres? Was het geen ’truffa’? Je las hier wel vaker over Italianen die een hotel boekten dat bij aankomst helemaal niet bleek te bestaan. Zo dom! dachten wij dan met Noord-Europese arrogantie. En waren we zelf zo stom. Of niet? Gelukkig kwamen er na een minuut of tien een jonge man en vrouw aanlopen. “Siete ospiti qui?” vroegen wij in onze wanhoop. “I don’t understand. Do you speak English?”, was het antwoord, dat met een onvervalst Nederlands accent doorspekt was. Het bleek een Nederlands stel dat in de Villa logeerde en gelukkig de sleutel van de buitendeur had. Met hen stapten we de donkere hal binnen. Niemand aanwezig. Ook na wat roepen ... alleen stilte. Dan toch het telefoonnummer dat we thuis hadden genoteerd maar gedraaid. En ja, warempel, de telefoon in de kamer ernaast ging over! Maar werd niet opgenomen. Geen reactie. Stilte in het spookhuis.

Na lang wachten kwam er uiteindelijk een oude heer tevoorschijn, die we duidelijk in zijn slaapje hadden gestoord, en van wie we zowaar onze kamersleutel kregen. Was dat de vader van de eigenaresse? Was hij verantwoordelijk voor het ontvangen van de gasten maar had hij zowel de bel als de telefoon niet gehoord? Was hij doof? Later die avond maakten we alsnog kennis met de eigenaresse, die ons meteen een pizzeria in de buurt aanbeval. Ook die konden we maar met moeite vinden. Misschien hadden we toch bij Antonius op bezoek moeten gaan, want de weg waren we bij voortduring kwijt. Het restaurant was “buono e non caro!”, had de eigenaresse gezegd en daarin had ze blijkbaar gelijk want er zaten veel Italianen waaronder ambulancepersoneel, maar ook de wijkagenten.

We werden in een hoekje geplaatst van waaruit we onze medegasten goed konden observeren, altijd een leuke bezigheid als je tussen de vele portate van een Italiaanse cena zit te wachten. Aan het tafeltje naast het onze namen twee mannen plaats, een wat oudere, nogal gezette Maori en een slanke, jonge Maleisiër. We keken elkaar aan en wisten dat we allebei hetzelfde dachten: als die twee niet bij de ’club’ cq. ’familie’ hoorden dan waren wij allebei hetero. We papten aan en leerden dat zij op het schip de ’Queen Victoria’ in de catering werkten. De ’Queen’ was een gloednieuw cruiseschip waaraan op de werf in Mestre de laatste hand werd gelegd. Over één à twee weken zou ze op haar maidentrip naar Southampton varen, waar de gasten aan boord kwamen voor de eerste reis om de wereld. De hele bemanning voor het schip verbleef al een tijdje in Mestre, want de oplevering van de Queen was vertraagd. Wat later kwamen er nog een paar personeelsleden het restaurant binnen, ook onvervalste nichten, de meesten van Aziatische afkomst, en allemaal in de bediening van het restaurant op het cruiseschip. Hoe kan het ook anders met een schip dat als een ’queen’ om de wereld gaat ’cruisen’!

Net toen we wilden gaan afrekenen, kwam de eigenaar van het restaurant naar ons toe en vertelde dat hij zojuist zo’n geweldige mozzarella binnen had gekregen, dat we die echt moesten proberen. We zaten al aardig vol maar de man was zo enthousiast ... Even later stond er een grote schaal voor ons met een witte, draderige, natte massa. Het zag er niet uit maar eenmaal in je mond, wowowow, zo lekker! Supervers. Niet te vergelijken met de rubberen bolletjes uit het koelvak van de supermarkt.

De volgende dag vroeg de eigenaresse van Villa Gardenia ons na het ontbijt heel kordaat wat ’de plannen’ waren. Nadat we van onze eerste verbazing over deze overrompeling bekomen waren, bekenden we dat we niet naar Venetië zelf wilden, maar dat we de eilanden Murano, Burano en Torcelli gingen verkennen. “Allora”, zei onze zelfbenoemde reisleidster meteen, “dan is het nu tijd om te vertrekken”. Ze gaf ons gelijk allerlei adviezen mee: welke bus en vaporetti te nemen, wat het zou kosten, hoe we terug moesten komen, etc. Een wat vervelender mededeling had ze nog wel: honden moeten in het openbaar vervoer gemuilkorfd worden! Hoe kwamen we aan een muilkorf? Konden we dat onze lieveling wel aandoen? We besloten het er maar gewoon op aan te laten komen en af te wachten en te zien of onze viervoeter door een chauffeur of schipper geweigerd zou worden. Uiteindelijk, zoals het met alle voorschriften in Italie gaat, bleek dat er niet gecontroleerd werd en dat (dus) niemand zich aan het gebod hield: we hebben geen enkele hond met een muilkorf gezien!

Het weer was ons, met dank aan Guido, gunstig gezind. De ochtendmist was opgetrokken en een het beloofde een heldere dag te worden. Prima weer voor een boottochtje. We namen na aankomst op Piazza Roma, het busstation, direct de eerste de beste vaporetto naar Murano, wat een soort kleinere versie van Venetië bleek te zijn. Het eiland is vooral bekend van de glasblazerijen, en er zijn dan ook véél, heel véél winkeltjes waar je glas in allerlei vormen en voor allerlei gebruik kunt kopen. Voor een deel valt de aangeboden waar onder noemer ’kitsch’ maar heel veel is echt absoluut de moeite waard, zij het wel erg duur. Er zijn bijvoorbeeld prachtige wijnglazen bij die ik zo zou willen meenemen, als ze niet zo prijzig waren geweest. Of die prachtige lampen! We zwierven in alle rust (’s zomers kan je hier ongetwijfeld over de hoofden lopen) langs de waterkant en waren na een tussensprintje nog net op tijd om de basilica van het eiland te bezoeken. Er was een prachtig byzantijns mozaïek van de Maagd Maria in de koepel te bewonderen evenals prachtige mozaïekvloeren. De koster bonjourde ons om twaalf uur de deur uit.

Aan de overkant van het kanaal was er ergens achter in een steegje een osteria waar heel veel werklui naartoe liepen. Het is altijd een goed idee om te kijken waar de autochtonen hun magen vullen, zo bleek ook nu weer: voor een luttel bedrag aten we er een fantastische lasagna. Na een caffè macchiato (het blijft een heerlijk bonbonnetje!) om de lunch af te sluiten, liepen naar Murano Faro (de vuurtoren) om de vaporetto naar Burano te halen. Een half uur later stapten we daar aan wal om meteen verder te varen op de boot naar Torcello. Torcello was eens belangrijker dan Venetië zelf maar onderging hetzelfde lot als Stavoren en Gent: de haven slibde dicht en de neergang van de plaats begon. Het in de buurt gelegen Venetië nam het initiatief over en de rest is geschiedenis. Vandaag de dag is Torcello een oase van rust. Het is landelijk met slechts een paar huizen, maar er staat nog wel een prachtige kathedraal met fresco’s en mozaïeken uit de 11e en de 12e eeuw. Het licht van de late middagzon zette dit alles in een mystiek licht.

Terwijl we terug voeren naar Venetië ging de zon onder en eenmaal aan wal was de duisternis al ingevallen. Toen bleek dat Venetië erg donker kan zijn en dat je al snel verdwaalt in de vele stegen en doorgangen (”Antonioooo”!). Je denkt op weg te zijn naar het San Marcoplein en voor je er erg in hebt, sta je op een andere campo voor een andere kerk. Venetië in de winter is wel een ideale plek voor honden. Er zijn geen auto’s of ander gemotoriseerd verkeer, dus ze kunnen heerlijk los lopen, snuffelen en lastige toeristen voor de voeten lopen. Bij het San Marcoplein, dat tot onze grote teleurstelling ook al in duister was gehuld (”San Marco non è illuminato”, zei de eigenaresse van de Villa later ten overvloede), stapten we op de vaporetto die door het Canal Grande naar het busstation voer.

 

Reisverhaal ingestuurd door Stef Smulders () op 18-03-16 (ID 1449)