Waar vandaan: Reisverhalen > AziŽ ( 223 ) > SyriŽ en JordaniŽ, over koninklijke wegen

SyriŽ en JordaniŽ, over koninklijke wegen

Vrijdag 2 april 2010 – Brussel - Damascus

 Brussel: bewolkt, 10°

Samenkomst VTB luchthaven 14.30 uur met reisleider Luc Van Meerbeeck

Nog even een hapje en een drankje in de lounge.

Opstijgen : een kwartiertje later dan voorzien (17.45 uur) neemt Turkish Airlines ons mee naar Istanbul

Aankomst in Istanbul rond 22.00 uur.

Verdere vlucht naar Damascus 23.40 uur

Aankomst Damascus: 01.45 uur

Bagage ophalen en overbrenging naar hotel in Damascus

Rond 03.30 uur een ‘goede maar korte nacht’ gewenst.

 

Zaterdag 3 april 2010 – Krak des Chevaliers – Kasteel Saladin - Lattakia


Damascus  25° -26°

We worden om 08.00 gewekt voor onze eerste dag in Syrië.

Het zonlicht dat we in België al een tijdje misten voorspelt hier een mooie dag.

Rond 09.30 uur gaan we dan van start in een moderne bus met airco.

Eerst moeten we nog even terug naar de luchthaven want een medereiziger heeft bij aankomst deze morgen de verkeerde koffer meegenomen. Gelukkig komt alles terecht.

10.15 uur De echte start richting Homs, op weg naar… de Krak des Chevaliers

de kruisvaardersburcht (40 km ten westen van Homs), beroemd en vooral berucht om zijn rol in de historie van de kruisvaarders. De naam 'Krak' komt uit het Syrisch, een oude vorm van Aramees en betekent 'burcht'. Het ligt op een 650 meter hoge heuvel en controleert de destijds enige weg van Antiochië naar Beiroet.  Het wordt door Lawrence beschreven als "perhaps the best preserved and most wholly admirable castle in the world".

En het moet gezegd, de burcht is prachtig gerestaureerd in de dertiger jaren van vorige eeuw nadat ze eeuwenlang bewoond werd door de plaatselijke bevolking. Die bevolking krijgt een onderkomen in de omliggende heuvels van ‘de Christelijke Vallei’, nu ‘Spring Valley’ genoemd.

Vooraleer we de burcht bezoeken, krijgen we de lunch aangeboden in een restaurant met zicht op de burcht. De ‘garçon’ is van het iets te enthousiaste type die de toeristengeluiden  overroept met “more chicken, more chicken…”

Bij onze tocht door de burcht worden we begeleid door ‘Amat’, onze Syrische gids.

Kruisvaarders onder leiding van Tancred van Antiochië vallen het kurdisch garnizoen aan dat tot dan de burcht op de rots bewoont.

Ze nemen het kasteel in 1110 in bezit en versterken het tot een bijna onneembare vesting. Het komt via, via in handen van de Hospitaalridders. Zij geven trouwens de naam ‘Chevaliers’ aan deze vesting. Deze ‘Maltezer Orde’ orde herbouwde het tot een machtig kasteel, de grootste kruisvaardersburcht van het Midden-Oosten, met een binnengebouw en daaromheen een losstaande buitenmuur van drie meter dik, voorzien van zeven torens. In één van de torens woonde de Grootmeester van de Hospitaalridders, en in het kasteel was plaats voor een zestigtal volledig uitgeruste ridders en zo'n 2000 soldaten.

130 jaar lang blijft de burcht in hun bezit en biedt intussen weerstand aan twee moslimaanvallen (o.m. een aanval van Saladin in 1188) tot het in 1271 met behulp van katapulten veroverd wordt door de Mamelukken onder leiding van sultan Baibars. Jeruzalem was toen al gevallen, en het kasteel was een van de laatste Christelijke buitenposten. In plaats van 2000 man, werd het verdedigd door slechts 200. De kruisvaarders hebben zich uiteindelijk overgegeven, nadat een veilige aftocht naar Tripoli was onderhandeld. Sultan Baibars heeft het kasteel nog verder versterkt en verving de kapel door een moskee.

In juli 2006 werd deze nog altijd bijzonder imposante burcht door UNESCO op de lijst van het Werelderfgoed geplaatst samen met het complex op 40 km van Lattakia, het kasteel van Saladin dat we vandaag nog bezoeken.

 Wanneer de interne dreigingen afnemen, verliest de burcht aan militaire betekenis en wordt ze geleidelijk aan ‘ingenomen’ door de plaatselijke bevolking.

Het is pas in 1934 dat de Fransen die dit gebied onder hun bewind hadden, de Krak als ‘een Frans monument’ uitroepen en meteen aan de restauratiewenken beginnen.

Vanop de burchtmuren kijken we over de ‘Christelijke Vallei’, waarin een christelijk-orthodox klooster gevestigd is en een orthodoxe kerk bovenop de heuvel uitsteekt.

Dat de naam van de vallei ‘Spring Valley’ werd, heeft te maken met het feit dat men af wilde van de ‘christelijke’ connotatie en men een naam bedacht waar alle geloofsstrekkingen achter konden staan.

 

Na de middag gaat het verder richting Lattakia (nog 175 km) waar in de late namiddagzon de burcht van Saladin op ons wacht. Dit kasteel zo’n 40 km ten oosten van Lattakia, is gedeeltelijk tot een ruïne verworden maar maakt een sfeervolle indruk.

De Feniciërs zouden dit strategisch punt reeds ingenomen hebben in het 1e millennium voor onze tijdrekening. De Byzantijnen bouwden hier in de 10de eeuw een eerste verdedigingsconstructie. In het begin van de 12de eeuw - tijdens de kruistochten - werd de burcht ingenomen door de kruisridders en verder uitgebouwd. Na een belegering van 48 dagen en de vergiftiging van de watervoorraden vanop de tegenoverliggende heuvel werd het kasteel in 1188 veroverd door Saladin. Het bleef daarna in moslimhanden. Saladin en zijn opvolgers, de Ajjoebiden, breidden het kasteel opnieuw verder uit.

 Rond 19.30 uur arriveren we bij het zeer verzorgde Meridienhotel (*****) in Lattakia waar we overnachten.


Zondag 4 april 2010 – Ugarit – Serjilla – Apamea

 Een zonovergoten dag – 30° - 33°

Ugarit, de site waar we vandaag eerst bezoeken, ligt op een kwartiertje rijden van ons hotel.

Het is een archeologische site in West-Syrië, op enkele kilometers van de Middellandse zeekust. Archeologische boringen hebben aangetoond dat de plaats bewoond was in het neolithicum omstreeks 7.000 jaar vóór onze tijdrekening. Ugarit was zo’n 3000 jaar voor Christus waarschijnlijk een Kanaänitische stad. Ze had een bloeiende zeehaven, die de verbinding met Cyprus verzekerde. Er werd handel gedreven met Egypte en Mesopotamië.

Ugarit beleefde zijn tweede en belangrijkste bloeiperiode rond de 14de eeuw vóór Chr.

In deze periode was Ugarit een stadstaat met een koning aan het hoofd. De koningslijsten zijn bewaard gebleven.

 In het tweede millennium vóór onze tijdrekening kwam Ugarit onder invloed van de oud-feniciërs. Er werden kunstvoorwerpen uit deze zuidelijke culturele traditie teruggevonden.

In dezelfde periode was er ook beïnvloeding vanuit Egypte. Er zijn voorwerpen ontdekt die verwijzen naar de namen van farao's uit het Middenrijk.

Vermoedelijk werd de stad in de 14de eeuw geteisterd door een vloedgolf of een aardbeving. Paleis en stad werden voor een deel vernield maar korte tijd later terug opgebouwd.

 Documenten uit Ugarits laatste dagen melden ernstige hongersnood in Anatolië aan het eind van de 13de eeuw v.C. De stad werd onder de voet gelopen door horden vandalen en piraten, de zogenaamde ‘Zeevolkeren’ (een van die horden waren de Bijbelse Filistijnen) die alles vernielden wat op hun weg lag.

Cyprus werd toen eveneens onder de voet gelopen. Ugarit werd tenslotte omstreeks 1190 v.C. verwoest in een brand. De stad werd na haar teloorgang verlaten.

 Ugarit is in 1928 bij toeval herontdekt.

Een boerin ontdekte bij het ploegen van haar veld toevallig een graf. Dit leidde tot de ontdekking van de necropool van Ugarit.

In de 14de eeuw v.C. stond de stad Ugarit onder leiding van de Adath (betekent "Vrouwe" als tegenhangster van Adon, Heer), de belangrijke Vrouwe van het koninklijk huis.

Uit teksten op kleitabletten blijkt dat Adath een actief aandeel had in de politieke aangelegenheden. De sociale status van de vrouwen, bijzonder van de moeders, was hoog in Ugarit. De vrouw behield haar bezittingen bij echtscheiding of weduwschap en gaf die door aan haar kinderen. Kinderen kregen ook de naam van hun moeder. Dit alles wijst op een oorspronkelijk matriarchale samenleving.

De gegoeden, de "patriciërs" van Ugarit woonden in mooie huizen en konden zich allerlei luxevoorwerpen veroorloven. In hun graven zijn vazen - van Myceense makelij - van grote kwaliteit terug gevonden. Op deze vazen staan dikwijls afbeeldingen van een stel paarden en een strijdwagen. Blijkbaar beschikten de "patriciërs" ook werkelijk over paarden en wagens. In hun huizen vond men in de kelderruimte ook urnen met de assen van de vroegere (vooraanstaande) bewoners.

Onderaan de hiërarchie stonden de boeren. Uit deze groep werden de soldaten voor het leger geronseld. Het systeem was feodaal. De koning was zelf bij de handel betrokken. Het paleis hief taksen, in zilver, op onroerend goed en op transit.

De hele site is nauw verbonden met de historie van de god Baäl die samen met zijn zus Anath streden voor de suprematie over Yam (de zee) en Mot (de dood). Baäl bekloeg zich bij zijn vader El (oppergod met 72 kinderen) over het feit dat hij geen paleis had. El bezorgde zijn zoon een paleis in… Ugarit. Hij was vooral de grote tegenhanger van de ‘God van de Israëlieten’ en wordt in de Bijbel vaak genoemd. Baäl was de god van de donder en de oorlog, maar ook de god van de vruchtbaarheid.

Eerbare vrouwen werden vaak geacht een tijdje te werken als prostituee voor de god Baäl.

Het geld dat ze daarmee verdiende kwam ten goede aan de tempeldienst. De vrouwelijke ‘dienst aan de tempel’ eindigde meestal wanneer de vrouw voor het eerst zwanger werd en zo haar vruchtbaarheid had bewezen. Wie onvruchtbaar bleek, moest haar hele leven in dienst van de tempel blijven omdat ze geen man kon vinden die haar als vrouw wilde aannemen.

Bovenop de acropolis - de plaats waar de god Baäl vereerd werd - zijn resten van tempels gevonden die teruggaan tot het achtste millennium v.C.,.

 Ugarit is uitaard bekend door zijn kleitabletten. Franse archeologen vonden tabletten met spijkerschrift met de plannen van het paleis. Sommige van die tabletten zijn amper zo groot als een vingernagel en beschrijven de stadsadministratie en de handelstransacties met overzeese gebieden. Dit laat bronstijd-alfabet bestond uit 30 tekens, 27 voor consonanten, 3 voor a i o wat uitzonderlijk was in het Semitische systeem. Ze vormde een bron om andere talen te vergelijken en zijn de basis voor de ontwikkeling van ons later Grieks en Latijns alfabet. Er werden teksten ontdekt in het Ugarit, maar ook in het Fenicisch, vroeg-Hebreeuws en Akkadisch, de taal voor de diplomatieke correspondentie.

De tabletten van Ugarit hebben ook een grote betekenis voor de studie van het Oude Testament en de Tenach (de joodse heilige boeken), omdat veel historische en mythologische verwijzingen in Ugarit teruggevonden werden.

Er is ook een tablet gevonden met de eerste muzieknotaties, een tablet dat door Amerikaanse archeologen ontcijferd is.

 De rit naar Serjilla (Serjella, Sarjalleh) voert ons door het groene Syrië, de vallei van de Orontes. Hier groeit alles wat Syrië nodig heeft. Na een tweetal uur rijden staan we bij de ‘dode stad’ Serjilla. Het is oorspronkelijk een Byzantijnse stad maar zonder colonnades, zonder theater en redelijk overzichtelijk.

Je vindt er wel de resten van huizen, openbare thermen, een kerk en een andron. Een “andron” was een soort vergader- en ontspanningsruimte voor de mannelijke bewoners van de stad. Je zou het nu een café of taverne noemen. Het gebouw is één van best bewaarde Romeinse gebouwen wereldwijd. Het heeft twee verdiepingen en een dubbele zuilengang van drie kolommen op elk verdiep. De eerder kleine kerk heeft drie beuken en dateert van het einde van de 4de eeuw.

Dat in deze ‘dode stad’ een kathedraal, een bisschoppelijk paleis, een ‘verblijf’ voor vreemdelingen en een badinrichting gevonden is, wijst erop hoe welvarend de mensen hier toen leefden. Ook mooi sarcofagen, een wijn- en een olijfpers zijn restanten van een tijd dat de stad veel aanzien genoot. De stad is door de bewoners verlaten na een aardbeving en nooit meer echt heropgebouwd. De schrale stenige grond was enkel geschikt voor het aanleggen van olijfgaarden.

Serjilla behoorden in 4de tot 6de eeuw tot het achterland van Antiochië.

Een uur verder en meer noordelijk ligt Apamea, de stad die we vandaag nog zullen aandoen aan de oostkant van de Orontes.

Apamea was de tweede hoofdstad na Antiochië en een belangrijke militaire basis. In de derde eeuw v.C. wordt ze gesticht door Seleucus, de opvolger van Alexander de Grote die de stad de naam van zijn vrouw Apame naliet.

Het militaire belang van de stad blijkt uit het feit dat hier 500 olifanten en 30.000 paarden ter beschikking waren van de strijdkrachten.

Een aardbeving verwoest de stad maar het is Pompeus die in 64 v.C. de stad toevoegt aan het Romeinse Rijk en ze weer opbouwt. De stad krijgt zelfs een bisschopszetel.

In de vijfde eeuw is Apamea het theologisch centrum van de regio. Hier wordt de basis van de Syrische-orthodoxe leer verkondigd.

Perzische aanvallers staken in 573 de stad in brand en een aardbeving eind 6de eeuw deed de rest. De stad is niet meer heropgebouwd.

Het zijn de moslims die in 634 heer en meester worden in dit gebied.

We rijden de oude stad binnen langs de restanten van de citadel die tot op vandaag een goedkoop onderkomen vormt voor de plaatselijke bevolking die er woninkjes en hokjes aan en bij bouwde.

Hoofddoel van ons bezoek is uiteraard de archeologische site waarvan slecht 10% is blootgelegd. Maar dat is al meer dan voldoende om ons in een idee te geven van de machtige bouwwerken en de glorie van de Romeinse heersers vooral in de tweede eeuw n.C.

De Cardo Maximus, de hoofdlaan van de stad, dateert uit de tweede eeuw. Het is een imponerend bouwwerk dat Marcus Aurelius ons naliet. Ze is 1850 meter lang en 37 meter breed. De colonnade langs de cardo bestond uit 1200 korinthische zuilen waarvan een deel met spiraalvormige cannelures. Langs de Cardo Maximus lagen de winkelpanden en werkplaatsen. De gaanderijen tussen de zuilen en de winkel waren overdekt en hoger gelegen, zodat de mensen niet met natte voeten hoefden rond te lopen. Centraal in de cardo staat de Memorial zuil. Deze colonnade werd gedeeltelijk verwoest door aardbevingen in 1157 en 1170. Van de vroegere gebouwen naast de cardo is haast niets over.

De agora wordt nog aangegeven. Bepaalde reststenen vertellen over een Bacchustempel en tonen ons de god Pan.

Verderop zijn er ruïnes van Romeinse en Byzantijnse residenties en kerken. Buiten de Cardo vinden we restanten van de oude badinrichting (gebouwd in de tijd van Trajanus 117 AD) en zelfs een stukje van een aquaduct.

Justinianus herbouwde in de tweede eeuw de stadsmuur die door een aardbeving in puin lag.

In de originele straatstenen merk je ook nog de sporen van Romeinse strijdwagens.

Apamea is voor een groot deel opgegraven door Belgische archeologen. Er werden schitterende mozaïeken gevonden, die nu in diverse musea zijn tentoongesteld onder meer in het Museum van Apamea zelf maar ook in het museum van Damascus en zelfs in het Jubelparkmuseum te Brussel.

Het is pas in 1980 dat reconstructies begonnen zijn, voor een groot deel door privé-initiatief.

 Vanavond overnachten we in het Apamea Cham hotel in Hama.

(1 biertje en een grote fles water kosten ongeveer 400 Syrische pond = ongeveer 7 €)

 

Maandag 5 april 2010  Hama – Ebla – Aleppo

 Prachtig weer, 30° en meer

08.00 uur: We vertrekken naar Ebla (1 uurtje rijden), de site die nog maar 40 jaar blootgelegd is door Italiaanse archeologen.

De geschiedenis van Ebla gaat terug tot een paar millennia voor onze tijdrekening. De stad wordt vermeld als belangrijke stadstaat door de Egyptenaren die – met Ramses II – in een strijd verwikkeld waren met de Hittieten (slag om Kadesh) aan de Orontesrivier.

Ebla was een van de belangrijkste stadstaten die met Mari wedijverde om de controle over de belangrijke karavaanroute van Mesopotamië naar het dal van de Orontes. De val van Mari leverde Ebla een goudschat van 65 kg op en 1052 kg zilver.

In het derde millennium v.C. was de heerschappij van de koningen van Ur zo groot dat ze de invloed van Egypte konden terugdringen.

Het duurt tot in 1975 vooraleer men Ebla terug op het spoor komt. Sonderingen wijzen naar overblijfselen van gebouwen. Het zijn Italiaanse archeologen die de wereldpers halen wanneer ze in een paleis 17.000 kleitabletten met spijkerschrift vinden. Op de tabletten teksten in het Eblaïtisch, een tot dan toe nergens gedocumenteerde Semitische taal. Bij de opgravingen wordt een terrein van 60 hectaren blootgelegd. Slechts een deel is nader onderzocht.

Het ‘noordpaleis’ uit de Oud-Syrische periode (1800 v.C.) is blootgelegd en ook de tempel van de zonnegod Shamash. Hier vinden de archeologen op de akropolis ook een Ishtartempel. Ishtar is de godin van de liefde en de oorlog

Rondom liggen weilanden waarop de herders rondtrekken. Ze laten zich gewillig in beeld brengen. Door het weiland loopt een pad naar de zuidwestpoort, de Damascuspoort, bekleed met steenplaten en de knik die de doorgang maakt, garandeerde een optimale verdediging tegen invasies.

Teksten op de tabletten berichten onder meer dat de stad behalve door een koning ook door een raad van ouden bestuurd werd, dat wol het belangrijkste handelsproduct was en dat de agglomeratie Ebla 260.000 inwoners had van wie er 11.700 functionarissen waren. Vrouwen speelden een rol in de handel en hadden zekere voorrechten.

 11.00 uur

We rijden naar Aleppo voor een bezoek aan het imposante museum met zijn prachtige façade (een replica van de ingang van het Aramese tempelpaleis van Tell Halaf) dat spijtig genoeg niet echt veel informatie bezorgt aan de toerist. Nochtans herbergt het de belangrijkste archeologische vondsten van het Nabije Oosten. De kleitabletten van Ebla net als andere voorwerpen van de vondsten van Hama en Ugarit zijn hier te bewonderen. Fotograferen is niet toegestaan maar er is weinig controle en een paar beeldjes schieten is niet zo moeilijk.

 14.30  - Lunch vlakbij de Citadel van Aleppo.

 15.30

Al jaren wedijvert de Aleppo met Damascus om de titel van ‘oudste altijd-bewoonde stad.’

Bezoek aan de Citadel waarvan een groot deel gebouwd is in de 12de eeuw. Op deze plek is eigenlijk al meer dan 2000 jaar gebouwd. De gracht en het met steenblokken beklede glacis (schuine ophoging) is van de 15de eeuw. Het poortgebouw is een meesterwerk van vestingbouw.

De gangen maken 6 keer een hoek van 90 graden; kwestie van het de aanvallers moeilijk te maken. De draken- en leeuwenfiguren (de lachende en de treurende leeuw) boven de poortbogen moeten al te overmoedige indringers afschrikken. Aan deze burcht hebben sommige gevangen kruisvaarders wellicht geen beste herinnering, want vanuit deze burcht werd strijd geleverd tegen de kruisvaarders. Binnenin staat een kleine moskee op de plek waar Abraham zou gezeten hebben. Vroeger werd hier het hoofd van Zacharias bewaard, maar dat moet je nu in de Omajjadenmoskee van Aleppo zoeken. Een grote moskee wat verderop is gebouwd op de plaats waar Abraham zijn geiten en schapen zou gemolken hebben (aldus de legende)

Van boven op de burchtmuren heb je een prachtig zicht over de stad. De troonzaal, een bouwwerk van sultan Qait Bey (die we ook bij de vesting in Alexandrië ontmoetten) heeft een prachtig gerestaureerd houten plafond. Die zaal wordt momenteel gebruikt voor concerten en recepties. Op een van de muren vinden we een steen waarop de naam van Mohammed staat; die kan gelezen worden in vier richtingen.

Hogerop vinden we een madrasse, een koranschool (Nuredin ijverde ervoor om de soennitische leer te doen herleven). Hier wordt niet alleen de koran onderwezen maar ook het Arabisch, filosofie, muziek, logica en later nog andere wetenschappen (anatomie, astronomie).

De citadel is ook geen onbekende voor Reinoud De Châtillon, de beruchte heer die de bedevaarders op weg naar Mekka beroofde en het leven zuur maakte. Dat was helemaal niet naar de zin van Nuredin die De Châtillon 14 jaar lang in de gevangenis opsluit. Wanneer Reinoud belooft zijn wandaden achterwege te laten, krijgt hij weer de vrijheid.

Toch hervalt De Châtillon is zijn oude gewoonten en schaakt de zus van Nuredin. Nuredin zweert bij Allah dat hij niet zal rusten voor hij het hoofd van De Châtillon onder het zwaard ziet. En dat lukt hem bij een aanval op Jeruzalem.

 We eindigen ons bezoek op het plein voor de citadel op een terrasje.

Rond 17.00 uur stappen we binnen in het Sheraton *****hotel. Zeer mooi (en prijzig).

Voor het diner maken we nog een wandelingetje door de stad samen met Brigitte, Christel, Rita en … De ‘zeepstraat’ is vooral voor Brigitte een niet te missen attractie.

In de Aramese wijk stappen we een kerk van de ammonieten binnen en passeren langs winkeltjes waar Brigitte – alweer zij – zich laat bewonderen in een lange overjas. Hij staat haar beeldig, maar kopen doet ze niet.

Diner in het hotel.

Hier slapen we twee nachten.

 

Dinsdag 6 april 2010  Aleppo – Sint-Simeon – Omajjadenmoskee – Soeks

Alweer een stralende dag. 30°

08.30 uur.

De heilige Simeon verwacht ons in zijn klooster, zowat 40 km van Aleppo.

Op 15-jarige leeftijd is Simeon in het klooster ingetreden. Hij wil een streng ascetisch leven leiden, zoals anderen die het voorbeeld van Jezus willen navolgen (tot en met zijn kruisdood.)

Door vasten, boetedoening en ascese, wil hij de terugkomst van Christus bespoedigen.

Met keizer Constantijn was het christendom staatsgodsdienst geworden en voelden deze streng ascetische volgelingen zich ietwat voorbijgelopen. Daarom wilde Simeon het leven in een gemeenschap ontvluchten en met een extreme vorm van zelfkastijding en leven in afzondering zijn Heer volgen. Hij trok zich terug op een 18 m hoge pilaar, 42 jaar lang. Vrouwelijk gezelschap was totaal uit den boze. Hier op zijn heuvel kreeg hij een heel stel aanhangers.

Toen een koningsdochter met lepra haar heil zocht bij Simeon en ze naar zijn zuil toe kwam, spuwde hij op haar… en meteen was ze van haar lepra genezen.

Velen bewonderden Simeon en lieten zich dopen in het baptisterium even verderop de heuvel.

Tot het jaar 1000 wordt hier aan de lopende band gedoopt. Gelovigen gaan aan de ene kant in de doopvont en stappen er langs de andere kant (gedoopt) weer uit.

Byzantijnse keizers bouwen op die plek een klooster en op een terras vier basilieken in een kruisvorm. Rond 580 stort de koepel van de 8-hoekige basiliek in.

In de 10de eeuw wordt het heiligdom ommuurd. Het is een bescherming tegen de islamitische aanvallers die de omgeving onveilig maken.

Aanvankelijk ligt Simeon begraven aan de voet van zuil. Later wordt hij overgebracht naar Istanbul. Je kunt hem terugvinden in de Agia Sofia.

Het succesverhaal van de pilaarzitter eindigt rond het jaar duizend en van zijn 18 m hoge zuil blijft nu nog amper anderhalve meter over.

Even buiten de basiliek is de monnikennecropool nog steeds zo goed als intact.

Vanop deze heuvel kijken we over de vlakte ten noorden van Aleppo en zien we de heuvelrug die de grens vormt met Turkije. In dit gebied wonen vooral veel koerden.

 13.00 uur

We zijn terug in het Sheratonhotel in Aleppo voor de lunch. We lunchen in het ‘Italiaans restaurant’ (kippensoep – koude groenteschotel met rijst en ‘fricassee en gebak met fruit).

Na de middag bezoeken we de Ommayadenmoskee. Deze plek heeft een bewogen verleden.

Net als de oorspronkelijke moskee, ging ook de tweede moskee in de vlammen op.

Sjiieten willen met vuur hun woede bekoelen omdat Nu red Din te veel de kant kiest van de soennieten. Enkel de toren bleef overeind.

Het grote binnenplein is geplaveid met geel-bruine marmer. Binnenin schuiven de gelovigen aan,

bij de relikwie van de profeet Zacharias, de vader van Johannes de Doper, links de dames, rechts de heren.

Vlakbij de moskee ligt ook de khan, de soek. Het is een wirwar van kleine winkelstraatjes

met een mengeling van geuren, kleuren en geluiden. Alles wat te koop is, staat uitgestald in en voor de stalletjes. En voor een drankje moet je niet eens ver lopen: bij een theeverkoper met rinkelende koperen schaaltjes kun je een ‘schaaltje’ thee bestellen. Nadat hij het schaaltje even uitspoelt met water, tapt hij zijn drankje uit een mooi versierde kruik.

Een paar kronkelstraatjes verder is de karavanserai. In het gebouw is iedereen welkom, welke ook je religie is. Dit wordt in de raamomkadering op de eerste verdieping duidelijk:joden (stervorm), christenen (  ), moslims (  )

We slenteren verder door de smalle straatjes, langs winkels met kledij, tapijten, ijzerwaren, zeep… Elk product heeft zowat zijn eigen straatje. Wel gemakkelijk als je ‘gericht’ inkopen doet.

De zeepstraat neemt wel een hele wijk in beslag. Zeep van Aleppo is trouwens wereldberoemd.

In het koninkrijk Aleppo is de zeep koning. Al eeuwen lang is zeep van Aleppo een begrip.

De enige twee bestanddelen zijn olijfolie en laurierextract. Ze is 100 % ecologisch en houdt ook motten uit je kleerkast. Brigitte is een zeer geïnteresseerde zeepliefhebber.

Aleppo is een tolerante kosmopolitische stad. Oude vrouwen in het zwart, jonge meisjes met kleurige hoofddoekjes en moderne westerse etalagepoppen die duidelijk niet op de koran geënt zijn,…het is de Syrische realiteit in het Aleppo anno 2010. De tegenstelling is erg groot. Sommige – ook jonge – vrouwen lopen helemaal gesluierd. Zelfs hun ogen zijn bedekt. Andere

zien er erg westers uit en willen graag een praatje maken met ons.

Met een paar mensen van ons reisgezelschap laten we ons opnemen in de drukte van een stad.

We voelen ons heel op ons gemak. Nergens merken we vijandige blikken. Verkopers zijn helemaal niet opdringerig en klampen je niet aan zoals in Egypte of Turkije. We krijgen zelfs mierzoete lekkernijen (zoetigheid met nougat en noten) zomaar aangeboden.

 19.30 uur

We ‘reppen’ ons naar het hotel. Oversteken is niet zo eenvoudig in het hectische stadsverkeer dat vijf rijen dik door de hoofdstraten raast. Wanneer een hoflijke chauffeur ons wil laten oversteken, gieren de banden van de achteropkomende auto’s.

 20.00 uur

We stappen samen naar de Aramese wijk voor het diner in een plaatselijk restaurant.

 Vanavond sturen we nog een paar mailtjes naar het thuisfront. Helemaal niet moeilijk en… we krijgen als gast van het Sheratonhotel 1 uur gratis internetgebruik.


Woensdag 7 april 2010  Aleppo – Assadmeer – Resafa – Palmyra

 Ook vandaag is de zon van de partij, alhoewel iets minder warm dan de vorige dagen (25° à 30°).

 08.30 uur

We laten het gastvrije Aleppo achter ons en rijden meer en meer richting woestijngebied.

Twee uren duurt de rit naar het Assadmeer. Om water wordt in het Midden-Oosten vaak een spelletje stratego gespeeld.

De Eufraat die over Syrië naar Irak stroomt, wordt hier afgedamd. De turbines op de dam voorzien in 60% van het Syrische elektriciteitsverbruik en het water van het meer is belangrijk voor de waterhuishouding en de irrigatie van de landbouwgebieden. We houden hier een korte pauze.

 11.00 uur

Verder de woestijn in naar de verlaten stad Resafa. Hier staan de restanten van Romeinse en Ottomaanse bouwwerken. Een stevige woestijnwind jaagt over de geel-br

Reisverhaal ingestuurd door Josťop 18-03-11 (ID 1223)