Tussen wetenschappers, filosofen inbegrepen, zijn er grote meningsverschillen over (de mogelijkheid van) artificiele intelligentie. De discussie erover heeft mogelijk ook grote gevolgen over de visie op 'gewone' intelligentie.
Een denkrichting zegt dat er sprake is van artificiele intelligemtie als een machine de Turing-test doorstaat. Die test is ontworpen door de betreurde Alan Turing en is geniaal in zijn eenvoud: als je communiceert met een machine en je kan dat gesprek niet onderscheiden van een gesprek met een mens, dan is die machine intelligent.
Aan de andere kant heb je de aanhangers van de 'Chinese kamer', een gedachtenexperiment ontworpen door John Searl. Het idee was dat je een Chinees-onkundig persoon in een afgesloten kamer zet. Een stelletje Chinezen schrijft vragen -in het Chinees- op stukjes papier die door een spleet in de kamer gebracht worden. De persoon in de kamer heeft een lijstje met codes: als er bepaalde symbolen op een papiertje staan, moet hij een welbepaald ander stukje papier terug naar buiten steken. Nu is de vraag: als dit systeem de Turing-test doorstaat, is dit dan 'intelligent' te noemen? De persoon in de kamer kent tenslotte geen Chinees maar volgt enkel instucties op, voert een programma uit, is zelf niet 'intelligent'.
Mogelijke antwoorden zijn dat je niet enkel naar de uitvoerder van de instructies moet zien, maar naar het volledige systeem, de instructies inbegrepen.
En de hamvraag: in welke zin is ons brein intelligent? Tenslotte is het brein ook niets anders dan een -zeer complex- machientje dat bepaalde instructies uitvoert.
Vraag: is ons brein een Turing-machine? Een machine die continu de Turing test doorstaat?