We hebben het elkaar beloofd
De vraag hield me al meer dan een half leven bezig. Misschien had ik haar die al veel eerder moeten stellen. Maar dat juist wij het ooit zo ver zouden laten komen, dat was destijds niet mijn vertrekpunt, geenszins. En toch, na ruim dertig jaar samen zijn we nu in een structurele impasse beland. Erger zelfs. We lijken het over nagenoeg niets nog eens, irriteren ons aan vrijwel alles van de ander, ontlopen elkaar bij voorkeur om vooral aan niets onnodige woorden te hoeven verspillen. Zelfs 'goedemorgen' blijkt soms een woord teveel: de Koude Oorlog in huis-tuin-en-keuken-formaat. Wetend dat de nood hoog is maar hopend dat het misschien nog niet te laat hoeft te zijn, durf ik dan toch die klemmende vraag te stellen, per e-mail. 'Als we straks definitief afscheid van elkaar moeten nemen, op mijn sterfbed, wil je dan dat ik ginder op je wacht, waar dat ook moge zijn? Zodat we dan weer, opnieuw, van daar uit, samen verder kunnen gaan, waarheen ook? Zou je dat willen?'
De verstandhouding was gaandeweg zo ijselijk geworden dat het thuisgebeuren er danig onder leed. Praten? Praten… Uitstellen hadden we al te lang gedaan. Van afstel kon geen sprake meer zijn. Dus zijn we gaan wandelen, die zondag namiddag, met de hond. Zoeken naar antwoorden op de vraag hoe het tot hier had kunnen komen, is een gepasseerd station, zo weten we. Het ‘hoe verder?’ zal, neen, moet onze eerstvolgende halte zijn. En daar geraken we snel, razendsnel. Afstand nemen, van elkaar, voorlopig althans, om tot onszelf te komen, ieder van ons, om te zien of ontberen inderdaad tot waarderen zal leiden, of juist tot een herwaarderen. Afwaarderen? Na een tien, vijftien minuten nog met wat flarden van verwijten te hebben gesmeten, zijn de hoge woorden eruit. Daarmee blijkt, tot onze opperste verbazing, plots de druk van de ketel, àlle druk. Stomverbaasd kijken we elkaar in de ogen, blauw in bruin en terug. Diep, zielsdiep. Kort verwerken we deze volstrekt onverwachte wending, een hink-stap-sprong die als een tsunami over ons heen denderde. We zwijgen, stil. Dan vallen we elkaar in de armen en bezegelen we ‘ons akkoord’ met een oprechte, kleffe zoen. We wandelen verder, en verder, en verdwalen een paar maal bijna omdat we één en al oog en oor zijn voor elkaar. Hand in hand, soms tegen elkaar aan leunend. Teder. Warm, warmer zelfs dan de augustuszon.
We vallen elkaar in de armen en bezegelen ‘ons akkoord’ met een oprechte, kleffe zoenHalverwege de terugtocht laten we de kinderen via sms weten dat we die avond opeisen, prioritair, voor familieraad. Aldus geschiedt, zonder tegensputteren. Een paar uur later, aan het apéritief, vertellen we hen van ons wandelgesprek, en schetsen we een beeld van onze toekomst als echtelieden die als enige zekerheid heeft dat ik binnenkort elders zal gaan wonen, voorlopig voor een jaar. Die conclusie blijkt voor hen een net zo grote opluchting als die voor ons eerder die namiddag al was geweest. Wij twee zijn er, hier en nu, het levend bewijs van: de rust zelve, eensgezind, en bloedserieus.
Tijdens het avondeten kan er weer gelachen worden, spontaan en joviaal, als vanouds. Dan wordt het plan geopperd om het zondagdiner, ooit een vaste traditie maar de laatste jaren nauwelijks nog realiseerbaar, in ere te herstellen. Was dit niet een gelegenheid bij uitstek, met voorrang boven ieders besognes en beslommeringen, om papa dan toch nog met enige regelmaat te zien? Een vast moment om elkaar te spreken en bij te praten, het ganse gezin bijeen? Het verdict is unaniem: beloofd!
Zijn we te hard van stapel gelopen? Te snel beslist? Te drastisch? Tijdens de afwas zoenen we, raken we elkaar aan en –ik voelde hem toen al opkomen- seksen we zelfs die avond en nacht. Godzalig, als die eerste keer met haar.
In de dagen en weken die volgen, staan we beiden vaak stil bij het fenomeen dat er geen onvertogen woord meer valt, nooit, nergens over, en zetten we vraagtekens bij onze nieuwe modus vivendi. Het is vreemd, maar voelt o zo vertrouwd, en dat maakt zo’n ‘time-out’ alleen maar nog onwezenlijker dan die al is. We zijn immers écht bij elkaar, tot elkaar. Zijn we misschien te hard van stapel gelopen? Hebben we niet te snel beslist, te drastisch, te rigoureus? Of hoort deze fase hier juist bij? Ontkennen om nog niet te willen wennen aan het ontwennen? Vasthouden aan wat ooit was uit vrees voor wat gaat komen? En wat niet? Of is haar plotse tederheid gespeeld? Om de lieve vrede te bewaren en mijn vertrek in pais en vree te laten verlopen? Stilte voor een storm die mag losbarsten na mijn vertrek uit huis? Een slim geplande afleidingsmanoeuvre om, in alle rust, een echtscheidingsprocedure voor te bereiden? Zou ze inderdaad al besloten hebben tot een definitief exit-scenario, heimelijk, voor zichzelf? Ik heb, zij het een eeuwigheid geleden, al eens een concept zien passeren. Of wil ze misschien tijd en ruimte vrijmaken voor ‘een ander’, fysiek of relationeel, maar nog even niet, nog even inhouden om daarna volop het avontuur aan en in te kunnen gaan? Ook dergelijke strapatsen van haar moesten al eens gepareerd. Zou ze wellicht ergens al een scharrel opgescharreld hebben? Het zal toch niet waar zijn? Maar wie? Zou ik hem kennen? Vast niet, haar kennende. En hoe lang is dat al gaande? Wel?! Dju, een mens kan zich wat in het getergde hoofd halen…
En al die tijd blijft die ene, nog immer onbeantwoorde vraag door mijn hoofd spoken. Ik stuur een rappel, weeral per e-mail. Haar reactie (eindelijk dan toch): 'Hij zit nog in mijn mapje, je bent een deel van mij. Xx.' En daar kan ik het vervolgens mee doen. Tja, met emoties heeft ze altijd al behoorlijk moeite gehad, net als met persoonlijke gedachten en gevoelens. Zij houdt die liever voor zich, kropt ze op. Ik uit ze juist wat graag, te pas en vast ook te onpas, het hart op de tong. Ik zie het zo weer voor me. Ooit kwam ze er, na lang trekken tijdens een seminarie van een hippe Vlaamse ego-ontwikkelingsgoeroe (…), met veel snikken en snotteren voor uit dat het haar grootste angst was om alleen te moeten sterven. Frappant, we bleken die angst te delen. Alleen wilde ik dat bijzondere, unieke moment in het leven niet meemaken zonder haar. Zij alleen maar ‘niet alleen’. Maar misschien is dat een kwestie van semantiek. Intussen zal het echt bevlogen antwoord nog wat op zich laten wachten, zeker?
Wat er ook van zij, de hoop die onze huidige verstandhouding in zich bergt, doet mij leven, hopend dat het geen valse is. Onderwijl geniet ik van het momentum, met volle teugen, van ons, van haar. Van de vamp die ze nog steeds is, die ik ruim drie decennia geleden in een menigte ontwaarde, en vrijwel meteen voorstelde en voorspélde de moeder van mijn kinderen te worden… Ik hoor het me nog zeggen, woord na woord. Waar ik de durf en de arrogantie vandaan haalde, is me nog steeds een raadsel, maar ik was –intuïtief en instinctief- overtuigd van mijn zaak, en blijkbaar minstens zo overtuigend in mijn pleit, kort en staccato als dat was. Nog geen half jaar later woonden we samen. Vijf maanden daarna trouwden we, stapelgek, vooral van elkaar. En die kinderen? Ze kwamen er. Drie. Hun moeder zal ze altijd blijven, net als ik hun vader. Mijn ex-kinderen of ex-onze-kinderen zullen zij ook nooit worden. Maar hoe ‘ex’ wij twee straks zullen zijn? De tijd zal het ons alvast niet leren. Integendeel, we zullen ons moeten bewijzen, wij, een jaar lang om mee te beginnen.
Met een maand, anderhalf, ben ik vertrokken. Zo gaat het gebeuren, en niet anders. We hebben dat tenslotte zo afgesproken. Beloofd zelfs. Aan elkaar, aan de kinderen.
3 reacties