Ik merk dat ik toch wat nerveus ben, slecht op mijn gemak. Zou hoogverraad plegen zo aanvoelen? Geen idee. Het mag dan lijken alsof ik lees, maar de tekst krijgt geen kans om mijn netvlies te bereiken. Dat ik mijn leesbril in de auto heb laten liggen, heeft daar niets mee van doen. Het netvlies is bezet, dient als projectiescherm. Ik zie mezelf, van op afstand, maar niet aan de tafel waar ik aanzit, niet in het immokantoor waarin ik mij nu bevind, maar ver van hier, qua plaats en in de tijd. Ik zie me samen met haar, jong en romig. Ik leun voorover, tot vlak bij haar. Ik kijk haar aan, diep in de ogen, en zie recht in haar wezen, recht in haar alles, dat ik weerspiegeld weet in die extatische blik, juist op het ogenblik dat die prachtige helblauwe kijkers volschieten met tranen.
We kenden elkaar nu een paar maanden. We wisten al ongeveer wat we aan elkaar hadden en konden hebben. Toch ging zij alleen met vakantie, die zomer, vlak na mijn afstuderen. Haar ouders hadden een villa gehuurd in de buurt van Saint-Tropez, voor de familie plus aanhang en vrienden. Zij kwam daar, als enige, zonder. Na een week belde ze. Ze had mijn post ontvangen: een enveloppe maar geen brief. Tja, die had ik niet nodig geacht. De inhoud, een karrenvracht aan gedroogde rode rozenblaadjes, moest toch kunnen uitdrukken wat ik zeggen wilde? In het holst van de nacht daarop werd ik, nog compleet daas van de lange, schier eindeloze rit, schandalig verkracht…
Terug noordwaarts hielden we een stop in de Auvergne, aan een non-descript beekje. Even heb ik daar gevist, in privé-water; pêche interdite. Ik ving er truites sauvages aan een kleine, droge vlieg. 'Ça mouche!' Zij keek toe, af en toe, luierde wat in de zon, en prepareerde de lunch, terwijl de frisse beek de witte wijnen koelde. Het dessert … dat waren wij zelf. Als konijnen hebben we gevreeën, daar aan die oever, onder de volle zon, in onze eigen naaktheid en in die van een pas gemaaid weiland – waarschijnlijk ook privé, en vast een zône baise interdite. Drijvend in elkaars vochten, afgemat door de inspanningen, hijgde ik, geenszins al op adem, dat feitelijk slechts één ding nog ontbrak aan ons avontuur, zeker op een epische dag als deze. Terug in de bewoonde wereld, die avond, belde ik naar mijn ouders: 'Je mag me, pardon, ons feliciteren!'
Het beeld vervaagt. Ik zit weer aan tafel, of nog. Ik voel me opgelaten, heb immers geen idee hoe lang ik de contractbespreking heb opgehouden. Desondanks neem ik de tijd. Voor wat? Plots, met een resoluut gebaar kras ik mijn hanepotige handtekening meer door de huurovereenkomst dan eronder, en weet daarmee mijn lot bezegeld. Formeel gezien. 'Alleen wonen', wat houdt dat straks in? Anders zal het zijn dan tijdens mijn studietijd, dat is zeker. Dan, het kwam niet eerder voor, nooit, laten mijn voorstellingsvermogen en fantasie me in de steek, zomaar. Het beeld van de ruimtes die ik bezichtigd heb, blijft blanco, leeg, kaal, oningericht, niet bewoond, en zeker niet door mij. Zou dat ooit veranderen? Als bureel misschien? Als werkplek? Atelier? 'Héla! Terugkrabbelen? Zak!! Je hebt het zo afgesproken, jij!' Maar of ik deze stek ooit als een thuis zal ervaren … Laat ik daarvoor niet wat veel achter op het adres van vertrek?
Toen de sfeer in huis echt explosief begon te worden, ben ik me toch wat gaan voorbereiden op de niet te vermijden knal. Te vaak was immers al gedreigd met ‘spullen pakken en wegwezen’, tot in de meest platte varianten. Een brute uitzetting wilde ik vóór zijn, en de eer aan mijzelf houden. Wat ook telde, was de behoefte om weer eens mezelf te kunnen zijn, en niet constant te hoeven horen wie zij dacht dat ik was of moest zijn. Weg ook onder de knoet, het juk, die molensteen van ‘het huishouden’, dat mij als (veel) thuiswerkend zelfstandige tot in het merg begon uit te wonen. Weg uit mijn rol als ongekroonde koning van de bezemwagens, als à la carte restaurateur, taxichauffeur, thuishulp, wekker, kuisploeg, boodschappendienst, koerier, vuilnisman, …, en dat haast 24 op 7, zonder dat iemand daar ooit bij stil stond of besefte, laat staan daar oog voor had. En, om eerlijk te zijn, de charmes van ‘kwalitijd’ voor mezelf, voor mijn eigenste bezigheden en interesses, zonder zelfs het risico van commentaar daarop of op de tijd die ik eraan wilde spenderen, lonkten natuurlijk ook. Een paar goede vrienden wonen alleen; ik heb ze al eens benijd om hun status, stiekem, soms toch.
De charmes van 'kwalitijd' voor mezelf lonkten natuurlijk ookHet appartement was de eerste optie waar ik tegenaan liep. Toeval bestaat niet, dus heb ik niet verder gezocht. Dat hoefde ook niet; mijn kandidatuur werd snel aanvaard. Dit alles speelde zich af in een periode nog voor we tot ons ‘akkoord’ kwamen, op die gedenkwaardige zondag in augustus. Toen wílde ik weg, écht weg, moest. Des te meer stoort het me nu, ma-te-loos, dat ik het plaatje niet voor ogen kan toveren. Waar ben ík, verdorie hoofdpersoon in dit onverwachte, nieuwe hoofdstuk van mijn eigen leven?
Ik moest me in dat elders gaan inrichten, hoe ook, dus beter goed, en goed doordacht. De vraag diende zich aan wat ik dan mee zal nemen, anders gezegd: mee zou mogen nemen. Vrijwel alle inventaris stond immers op naam van de firma. Dat kon niet à volonté verplaatst, wellicht alleen de boekhoudkundig al lang afgeschreven meubels? Nieuwe kopen, voor dat ene jaar, kwam me voor als onverantwoorde geldwegsmijterij. Dan waren er die erfstukken, een stuk of wat, waarvan sommige in bedenkelijke, andere in abominabele staat. Soit. Er restte me weinig anders dan die onder handen te nemen, om daar toch iets te hebben. Repareren en restaureren. Geen nood: dat was wel aan mij besteed. Ik kom nog uit een tijd dat we probeerden te herstellen wat kapot gegaan was, in plaats van afdanken en nieuw aanschaffen. Dat gold ook steevast voor mijn huwelijk, voor de band met mijn levensgezellin, en dat geldt nog steeds, overigens.
Gaande de weken bespreken we wat ik verder nog mee kan hebben. Het voelt goed om te horen dat dit meer blijkt te zijn dan ik had durven denken. Zelfs biedt ze haar hulp aan bij het maken van gordijnen. Maar eerst wil ze het appartement zien, met eigen ogen. Een afspraak voor tweede bezichtiging is snel gearrangeerd. Het pand en zijn situering vallen direct in de smaak. Ik krijg de complimenten voor mijn keuze; het had die van haar kunnen zijn. Eigenlijk ziet ze zichzelf hier ook wel wonen. Ja ja, zij wel…
Ik gevlogen, zij op het nest; de kloek met de kuikensRuilen?! Zíj zou inderdaad degene moeten zijn om hier die time-out uit te zitten. Zij. Hier. Niet ik. Al sinds heugenis klaagt ze dat ze nooit tijd heeft voor zichzelf (quod non). Wel, hier kan ze die hebben, zeeën van tijd zelfs, oceanen, stel ik me zo voor. Het zou haar enorm goed doen om eens niet continu allerhande volk om zich heen te hebben, om weer eens te leven met en te leren luisteren naar zichzelf. Om na te kunnen denken over wie en wat ze nu feitelijk is, is geworden, en wat ze daarmee wil. Wat ze met ‘ons’ wil. Met mij. En waarom. Om zelf tot conclusies te komen in plaats van een instant surrogaat te laten aanpraten of na te papegaaien. Tussen ons: zou ze dat kunnen? Ik vermoed dat ze zoiets zou ervaren als een verbanning naar iets onvoorstelbaar meelijwekkend zieligs, desolater dan de zevende laag van Dante’s inferno. Nee, dat zou, beslist, een averechts effect hebben op het proces dat we moesten doormaken. Dan is deze oplossing toch de betere. Ik gevlogen, zij op het nest; de kloek met de kuikens.
Samen nemen we her en der nog wat afmetingen op. Hardop denkend is ze het appartement zelfs aan het inrichten. Welke kamer krijgt welke functie? Wat komt waar? Wat ontbreekt nog? Wat moet nieuw gekocht? In gedachten (welke?) verzonken, maakt ze een laatste toer. Als ze de deur van ‘de slaapkamer’ achter zich dicht trekt, zegt ze graag eens te komen logeren. Waarvan acte! Op z’n vroegst zal dat over een week of drie zijn. Dan gaat het huurcontract officieel in. Dan…
Auteur: Willem van Ringelensteijn
6 reacties