De zon schijnt ietwat bescheten over het water beneden aan mijn balkon, als op een Turner, William Turner, maar fletser, herfstiger. Suf staar ik dwars door al wat zich zichtbaar aan het oog opdringt in een niets. Ik maak een balans op, en complimenteer mezelf met wat ik bereikt heb, in mijn leven tot hier toe. Mijn huwelijk is een sterfhuis. Onze kinderen zitten bij haar, in een huis dat voor mij geen thuis nog is, en gaan hun voor mij, op afstand, soms niet meer te doorgronden of te volgen wegen. Een sociaal statuut heb ik niet, niet meer. Zicht op inkomsten is vooralsnog als kijken in een glazen bol, één van melkglas. De verhuisdozen staan goeddeels nog onuitgepakt, nóg. De littekens van de tekenbeten die ik in de loop der jaren opdeed, speelden de laatste dagen op, jeuken nu onophoudelijk. De koppeling van mijn coupé is –meer dan vijf maal de wereld rond- tot wegsleepwaardig versleten. Ik word geplaagd door oogmigraine, met regelmaat. Officieel heb ik nog één dag om me in te schrijven op mijn nieuw adres. Ik zou naar de kapper moeten. Mijn sigaretten zijn op. Alles lijkt me in te halen, en dat is niets voor mij. Niets, maar wel nieuw. Ik vervloek mijzelf, dan haar, verwens haar regelrecht naar de hel, maar vraag me af hoe ze daar ooit zal kunnen geraken als ze zo zielsdiep in mijn hart zit? Ik prijs me dat ik geen alcoholica in huis heb.
'Als je ooit bij me weggaat, mag ik dan met je mee?' heb ik laten graveren in haar horlogeAls mijn ring valt –ik speel er vaak mee; het is een tic- slaat mijn hart over. Nét niet tussen de naden van het balkonplankier. Behoedzaam raap ik het kleinood op en schuif dat weer veilig om mijn vinger, waar het –getuige ook de diepe moet in het vel- thuishoort. Een trouwring mag niet knellen, maar toch draag ik hem nog. Zij ook. Het waren onze geschenken aan elkaar voor de eeuwigheid, alhoewel de ringen die we nu dragen al van een tweede generatie zijn. Mijn eerste was tot flinterdun versleten. Die van haar had ze al eens dubbel geplooid, wat later kapotgeslagen met een hamer (…). Toch voelden we ons naakt zonder. Ook in de nieuwe ringen lieten we onze namen en de trouwdatum graveren. Zo wilde zij het, en haar wil geschiedde. De inscriptie die ik had laten zetten in de achterplaat van het horloge dat ze voor haar veertigste kreeg, was meer mijn ding: ‘Als je ooit bij me weggaat, mag ik dan met je mee?’
Begin vorige maand heeft ze me ontslagen. Ongeoorloofde afwezigheid, althans te willekeurig aanwezig, naar haar believen. En insubordinatie. Het was te verwachten. Ik kan slecht functioneren binnen een vast stramien, of in een gezagsverhouding. Maar chique was haar optreden allerminst. Nog geen half jaar geleden werd mijn uittreding uit ons beider bvba een feit. Bij die gelegenheid ondertekenden we tevens mijn arbeidsovereenkomst, voor halftijds, als overgangsperiode, of tot ik ander emplooi had gevonden. Na maximaal twee jaar zou ze van mij af zijn. Dan zou ik in elk geval recht hebben op iets van een uitkering, pensioen. De kans daarop is dus verkeken. Dat steekt, te meer nu onlangs gebleken is dat ik, na meer dan vijftien jaar als zelfstandige werkzaam te zijn geweest, überhaupt nergens voor in aanmerking kom. Volgens welk principe van broederlijk delen die norm tot stand gekomen is? Hier heeft iemand toch echt iets over het hoofd gezien. Soit, met niets kan ik het voortaan doen, met nul, nada. Dit is dus de dank voor mijn bijdrage aan onze economie, voor het opzetten van een bedrijf, uit het niets, en werk genereren, belastingen betalen, premies afdragen, werkgelegenheid creëren, mensen aan het werk houden, personeel en toeleveranciers, en dat jaar in, jaar uit, om me dan met een opgestoken middelvinger de verdommenis en de verkommering in te laten bonjouren … Ik voel me een wegwerpartikel; geslachtofferd door haar, uitgemolken en misbruikt door ‘het systeem’, met dank aan haar. Een mens zou van minder een anarchist worden, niet?
I
k ben werkloos. Een schande, zelfs al is het maar een halve. Ik ben immers slechts een deeltijdse loser. Juist voor mijn ontslag heb ik me ingeschreven als zelfstandige in bijberoep, om aldus mijn vroegere activiteiten weer op te pakken, in de communicatie. Maar feitelijk is van een bijberoep nu geen sprake meer. Met dit ontslag dreig ik geklasseerd te worden als zelfstandige in hoofdberoep, met alle kosten en lasten en miserie van dien. Een job vinden, op mijn leeftijd, is verre van evident. Mijn atypisme werkt ook niet mee; niet voor niets ben ik altijd zelfstandige geweest. Nu dus weer, maar als steunpilaar onder mijn bestaan is dat statuut zo broos als gerecycleerd glas. Contacten heb ik jarenlang verslonsd om me, inderdaad, te concentreren op juist haar bedrijvigheid. Ik mag, opnieuw, van nul af aan beginnen. Weeral de markt op, leuren; opdrachtgevers komen nu eenmaal niet op gouden schaaltjes. ‘Kop op! Ellende stoot af, en angst maakt de wolf alleen maar groter.’ Ik weet, wolven zijn demonen. Maar wat zou een man zijn zonder zijn demonen, zonder zijn kwellingen? Een vrouw misschien? Of erger? Een feeks dan, een Furie? Iets onderwereldlijks in elk geval. Medusa?
Zij was de verpersoonlijking van mijn ideaal, niet alleen in mijn stoute of natte dromen. Ze leefde!Iets ondenkbaarders dan wat zij van zichzelf liet zien, op het moment dat ze het ontslag gaf, is nauwelijks denkbaar. Hoe ze er toen uitzag … Ronduit huiveringwekkend! Heel surrealistisch ook; haar voorkomen had immers altijd nog dat verschrikkelijk intrigerende. Geen wonder, haar verschijning heeft me altijd getroffen, vanaf het eerste moment. Eigenlijk daarvoor al, want ik wist al veel langer van haar bestaan. Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat ik haar alleen maar hoefde te hérkennen in plaats van te léren kennen. Naadloos paste zij dan ook in het archetypisch beeld zoals dat sinds Plato op mijn netvlies geëtst staat: de esthetiek van een vrouw op de perfecte maat, van de vrouw als zodanig, van die vrouw aan mijn zijde. Sinds ons begin heb ik me daarover verwonderd, niet alleen dat ze inderdaad bleek te bestaan, mijn ideaal, vooral hoe werkelijk zij als de verpersoonlijking daarvan in levenden lijve was, dus niet alleen in mijn stoute of natte dromen, noch in de sculpturen die ik ooit maakte. Ze leefde bovendien! Ze wilde, dacht en deed van alles. Sterker nog: niets menselijks bleek haar vreemd. En met de dag vond ik haar adembenemender, begeerlijker. Onvoorwaardelijk mooi. Zo zag ik dat, zo zie ik dat nog. Van een lelijk bord heb ik nooit kunnen eten.
Daarom, en uit respect voor haar ambities en hart voor haar als persoon, heb ik me altijd graag voor haar ingezet, ook tijdens mijn opzegperiode, ook toen zij twee weken met vakantie was, met de kinderen, en daarna. Ook nu blijf ik haar al die non-creatieve, doodsaaie, energiewegzuigende, gekmakende rotklussen uit handen nemen. Dankbaar is het in de zin dat ze afgehandeld worden, maar bedankt wordt er zelden. Stiekem denk ik dat het niet louter het werk is dat ik verzet, maar dat mijn Dasein iets doet, iets bijdraagt. De geruststellende gedachte dat ze er niet alleen voor staat, dat ik er voor haar ben, haar terzijde sta. Liefst ga ik daar gewoon mee door, maar het vooruitzicht om vrijwel dagelijks met de persoon in kwestie geconfronteerd te worden? En dan, ik werk voor niets, zonder tegenprestatie. Ook dat kan ik niet volhouden. Lang mag deze situatie niet voortduren. Ik teer al genoeg op mijn reserves, emotioneel en financieel.
Het ontslag was die ene druppel die twee emmers tegelijkertijd deed overlopen, de zakelijke én de echtelijke. Wrang; moeten beide wegen hier dan doodlopen? Maken we het onszelf anders niet hopeloos ingewikkeld? Van het werk, kantoor een krampachtig gekunsteld gremium waarin we tot elkaars aanwezigheid veroordeeld zijn? En, tegelijkertijd en daarmee, van onze harten nog diepere moordkuilen? Ik vroeg haar gisteren om zich eens meer in mijn positie te verplaatsen, en zich mee in te zetten om tot een oplossing te komen, in ons beider belang, belangen; meervoud. Stelde dat wij hier op wel heel korte termijn een ei over moesten leggen. Ze gaat daar dit weekeinde over nadenken. Maandag praten we erover. Of dinsdag.
Verdiend of niet, ik ben aan vakantie toe.
Auteur: Willem van Ringelensteijn
0 reacties