Het uur van vertrekken naderde, met een onverbiddelijkheid die de tijd eigen is. We dronken een laatste cappuccino, aan de Atlantique, haast een spiegel, schuchter brekend op het zandstrand voor ons. We hoefden elkaar niet aan te kijken om die coup de foudre van 31 jaar geleden weer te zien. Vandaag, de hele voorbije week. We hadden veel geleerd, niet alleen van het spelletje dat golf heet. De afgelopen dagen bekrachtigden wat we hadden, dus nog konden hebben, met onze harten als kompas. Dat wil zeggen, wanneer we zakelijk niet al te veel uitgewoond en privé niet constant gekinderd werden door onze hinderen. Die notie leek bij haar geland. Er klonk zelfs overtuiging in haar stem toen ze zelf, in haar eigen woorden, formuleerde dat het inderdaad tijd werd dat ons kroost hun eigen weg ging, te beginnen met vertrekken uit het thuis, dat ze hun verantwoordelijkheden opnamen, zonder dat één van ons weer een onbestemd eindje oppakte dat ergens lag te slingeren, of –in haar geval- zonder dat zij hun zaken à priori regisseerde, organiseerde, regelde, opvolgde, en hun brokken lijmde. Er is tenslotte een tijd en een plaats voor alles en iedereen, zoals er ook momenten zijn dat dit per se niet zo is. Jaren geleden waarschuwde ik er al voor: ‘Als je niet oplet, moet je hen op hun tachtigste nog een nieuwe luier omdoen.’ Dat ze er tegen dan hopelijk aan beginnen te denken ons eens te soigneren? Pamperen hoeft nu niet direct …
Het leven misleidt, corrumpeert. Het kan één foute beslissing laten uitgroeien tot de kanker in de hele boom.
Kunnen we alleen de mooist herinnerde belevenissen meenemen in onze rugzak? We willen toch verder, vooruit? En gelukkig zijn? Waarom heeft ze me anders ooit willen liefhebben, als dat niet moet leiden tot waar we vanaf het begin af aan in hebben geloofd, en elkaar vrij kort daarna plechtig hebben beloofd? Of moet wat er tussen ons, met ons is gebeurd, niet nog een keer gebeuren? Misschien alleen niet op de manier waarop dat ging? De omstandigheden zijn nu toch compleet verschillend van die van toen? Het leven misleidt, corrumpeert. Het kan één foute beslissing laten uitgroeien tot de kanker in de hele boom. Konden we maar, bij elke keuze die we maakten, twee universa doen ontstaan, één recht zo die gaat, en een ander vanuit een alternatieve gemoedstoestand. Dan was ik jaren geleden al bij haar weggeweest, zou nu met een ander zijn, met honderden, duizenden anderen die zich ook kwalificeerden, tegelijkertijd nog gewoon bij haar, onder andere in het meest gelukzalige scenario denkbaar. Hoeveel keuzes maakt een mens in zijn leven? Zou zo’n mens zich, te midden van al die ontelbare universa, kunnen handhaven? Als zichzelf? In elk universum, op hetzelfde ogenblik? En onderwijl het totale complex ervan beheren, managen? Zonder daar gestichtsrijp van te worden? Alleen al een dubbelleven leiden leek me altijd al zo verschrikkelijk ingewikkeld.
We waren thuis laat aangekomen. De jeugd vierde de zaterdagavond in de tuin, hoorbaar vanop de oprit, met verzamelde vrienden. Eenmaal binnen werden we begroet door de getuigenissen van een week lang dolce far niente, van bar weinig ambitie om orde op zaken en zaken op orde te houden. Naar buiten? Ik volgde. Haar welkom was kort, kortaf, de douche met opmerkingen en terechtwijzingen koud. Sussend zei ik haar nog om haar vuur, nu, geen zuurstof nog te geven. Ze capituleerde, met tegenzin, en kwam mee naar bed. Buiten was nota bene ons optreden hét onderwerp van gesprek geworden, van het voltallig gezelschap; luid, verstaanbaar. Geïrriteerd stuurde zij nog een sms: ‘Morgen vóór elf uur wil ik álles opgeruimd hebben. En nu wil ik slapen, dus wees stil!’ De tijdslimiet bleek te krap. Op het uur U katerde men nog uit. Tijdens ons ontbijt besloot zij haar sms-woorden kracht bij te zetten, en stormde de trappen op. Salvo’s, aan elke deur, harde woorden. Verwensingen. Dreigende sancties. Over en weer. Het verstand op nul, de blik op oneindig, ben ik maar begonnen om de keet weg te werken. Halverwege kwam onze oudste helpen. Met een anderhalf uur was de klus zowat geklaard, met z’n drieën. Zij weer naar boven. Een herhaling van zetten volgde, nu met nog gespierder taal. Toen –uit welk blauw dit kwam, was een raadsel- ik plotseling het mikpunt van alle geharrewar der laatste twee wakker gewordenen dreigde te worden, was ik weg. Linea recta, met een immens verdriet om ieder die zich weeral mistroostigheid had moeten laten overkomen. Lacrimae rerum! De verwachting, veelbelovend als die was, zoals die al zo vaak was geweest, had zich weer ongekend ontluisterend gemanifesteerd. Adeus Portugal …
Ik had me het afscheid van mijn kinderen anders voorgesteld. Dag.
Deur toe. Baf!! Een pint, om even te bekomen. De was in het machine. De post gesorteerd. Planten gewaterd. Een tweede, met wat nootjes erbij. Neus gesnoten. Paperassen geklasseerd. Acht stekebeesten geplet, tot moes geslagen, haast door de muren heen. Het beddengoed verschoond, met wat zachter hand. Linker kleine teen gestoten. De e-mailbox geopend. Meer dan zeshonderd berichten; om suïcidaal van te worden. Ik stond op het punt om die alle te wissen, integraal, ongelezen, toen de meest recente mijn aandacht trok, vroeg, onvoorwaardelijk. Lezen. Een hartekreet, een lange, van onze tweede. Herlezen. Een Irish! Het duurde twee volle bellen voordat ik mijn antwoord, recht uit mijn alles, zou versturen. Dan een sms, naar allen, dat ik vanavond niet kwam eten. Punt. Sprong nog een bericht in het oog. Van haar, aan het kroost, met mij in cc.: ‘Ik had me het afscheid van mijn kinderen anders voorgesteld. Dag.’ Verdoemme, da’s na wel nen iel straffe, wa’? Telefoon. Onze oudste. De ruzie was geëscaleerd. Ik luister, en slik. Er was geduwd, gekrabd. Broer en zus waren juist vertrokken, samen naar het kot van ons mademoiselleke. Perplex haakte ik in. Er was iets gigantisch ontploft, overviel me. Wie van die drie ik ook probeerde te contacteren, nul respons. Telefoon! Hij, opnieuw, was geschrokken dat ik het contact zo abrupt verbroken had. Ik vertelde hem dat ik steeds meer het gevoel kreeg dat alles wat ik deed, gedaan had, voor niets was geweest. Dat dit verschrikkelijk voelde. Dat ik me ‘ons’ zo anders had voorgesteld, ooit, altijd, maar hier niet tegenop kon. Niet. Dat ik het niet meer wist. Dat ik … De woorden, ik vond ze niet meer. Haakte weeral in. Drukte daarna zijn oproepen tot twee maal toe weg. Dan een sms: ‘Ik begrijp het. Als je morgen maar gewoon je gsm weer opneemt als ik je bel? Papa!’
Er staan bochtschilden (vier stuks RVV BB12r, om precies te zijn) in de bocht onder mijn domicilie. Normaal zijn de metalen buispalen waaraan die zijn bevestigd vanboven afgedekt met een plastieke ‘losse dop’. Op één van die palen ontbreekt die. Het werd een obsessie: peuken in die verleidelijke opening proberen te schieten, van twee hoog, plus een tien, twaalf meter ver. Vandaag lukte het me, voor het eerst, als een volleerde kyūdōka. Rokers, dinosauriërs als ze zijn, tot aan hun laatste rochel hebben ook zij af en toe behoefte aan een opkikker. Ik koester mijn nieuwe hobby, rook meer dan voorheen, maar niet louter om redenen van ammunitie.
Al twee dagen heb ik niets van haar gehoord. Ik begin me zorgen te maken. Het ‘Dag.’ gonst onophoudelijk door mijn hoofd. Wat bedoelde ze daarmee? Waar is ze? Bij haar ouders in Frankrijk? Haar zusje? Een stiekeme ander? Met de lunch ben ik langs huis gegaan. Haar auto stond er. Ik durfde niet naar binnen te gaan, onzeker, ongewis wat ik daar zou aantreffen. Bel aan. De voordeur gaat open. Een schim. Van haar. Ze ziet me, ziet de blik in mijn ogen. Deinst terug. Maakt ruimte om me binnen te laten. Snikt. Weifelt, cartesiaans. Dan werpt ze zich tegen me aan, totaal ontredderd. Weent. Schokt. Lijkt alle windrichtingen kwijt. Ze komt niet naar kantoor, wil het bedrijf verkopen, en het huis, gaat een job zoeken, ergens, of naar het buitenland, daar iets op haar maat huren, of kopen, zonder de kinderen. Ze weet van geen ophouden, is niet te kalmeren. Emotie, iets van gevoelens borrelen aan de oppervlakte; eindelijk! Maar met wie ze nu zoveel medelijden heeft? Tussen de bedrijven door stuurt ze, grimmig, naar de kinderen: ‘Van mij hoef je niets meer te verwachten.’ Terwijl ze scandeert wat ze typt, zie ik haar kaalblote vingers. Haar ringen, ook onze trouwring, heeft ze niet om. Ik stel er een vraag over. Val haast achterover van haar botte reactie. Ik stamel nog iets als: ‘Dit heb ik niet verdiend. Is niet eerlijk. Niet tegenover mij. Niet ik …’ En vertrek dan, terug naar dat zielloos kantoor. Waar mijn hart nog ligt, weet ik op dat moment niet. Mijn ziel heb ik wel bij me, onder één van de armen. Ik, guillotinevlees.
1 reactie
kinderen en kleinkinderen
heb gelezen in een adem
we nemen tijd voor onszelf
we nemen tijd voor samen dingen te doen
ik verstik mijn echtgenote niet
zij geeft mij de mogelijkheid om alleen naar zee te rijden met een gewone fiets (10u) onderweg
waarom zijn we samen
waarom zijn we niet uiteen
niet iedereen lukt
niet iedereen heeft fout aan uiteengaan
en als het misloopt blijf dan voor mekaar zorgen
zet samen dingen op een rij
wees open voor 99% tegenover mekaar
laat je niet afleiden door de weide naast die van jou
jou weide is ook niet altijd even mooi en verbleekt door de leeftijd
verstik mekaar niet
blijf liefhebben
gemakkelijker gezegd dan gedaan
toch de moeite
ikke
wil niemand op z'n tenen trappen (:-))²dwz zonnetje kwadraat