Uit de bundel 'Verhalen I', zeven verhalen van Stefaan Van Laere, uitgeverij Partizaan, ISBN 9789464076233, 156 pagina's
Werenfried is groot en lomp, en hij weet dat zelf maar al te goed. Niets aan de hand. Met het onafscheidelijke jeneverglaasje in zijn stevige hand kan hij uren voor het raam staan kijken, en hij telt de boten. Veel meer kan je hier eigenlijk niet doen. Vooral de Rusticana draagt zijn aandacht weg. Het houtwerk moet dringend eens geschilderd worden. Hij denkt er ineens aan dat zijn voordeelbons van de supermarkt vandaag vervallen.
Het staat op zijn Niet Te Vergeten-lijstje dat aan de ijskast hangt. En Anja heeft er hem al drie keer aan herinnerd. Telkens antwoordde hij haar heftig dat ze zijn werkster en niet zijn oppas is, maar dat jong pront ding laat niet op haar kop zitten.
Hij heeft heel wat overredingskracht nodig gehad, aan de telefoon. Die ze nooit beantwoordt, zodat hij dat toch maar begon te sms’en. Wat hij nooit van zichzelf gedacht had te doen, zijn vingers zijn in feite veel te dik voor die belachelijk kleine toetsjes op zijn smartphone. Nog zoiets, hij had gezworen nooit zo’n rotding in huis te halen maar uiteindelijk kon hij tegen de overmacht niet op. En zit hij nu meermaals per dag te vloeken omdat dat mobiel monstertje een eigen leven lijkt te leiden.
Anja, dat blijkt duidelijk uit haar korte maar directe berichtjes, komt maar terug als ze eindelijk die beloofde loonsverhoging krijgt. Ze belt er hem warempel zelfs eens voor. ‘Hulp gevraagd!’ hoorde hij haar vrijer op de achtergrond roepen, en de baby krijste.
Anja heeft de centen nodig, dus dat geeft Werenfried een zeker gevoel van macht. 's Namiddags was ze er weer, en ze had zelfs een bosje rozen voor mevrouw Werenfried mee. Zo noemt ze Leonie, en ze doet niet eens de moeite om naar haar naam te vragen.
Werenfried is het bij wijze van grap beginnen herhalen, ‘mevrouw Werenfried’. Het heeft wel iets, het klinkt alsof ze zijn bezit is.
Op de straat ontvouwt zich als vanzelf het vertrouwde beeld. De jongens op hun brommers rijden doelloos rond, de oudste pocht dat hij volgend jaar tijdens de grote vakantie in Ankara gaat trouwen. Hij toont een pasfoto van zijn bruid. Zijn jongere broer die nooit naar school gaat kijkt naar hem op. Ze hebben een importwinkel van tapijten en andere rommel.
Bijna rijden de Turkse jongelui frontaal op een klas van de bewaarschool in. Het kwezeltje dat de kwebbelende kinderen begeleidt hapt naar adem, maar vindt de gepaste scheldwoorden niet.
Werenfried heeft zin om zijn tandeloze mond wijd open te sperren, om de verschrikte reacties van de mensen te zien. Hij wacht al drie dagen op zijn nieuw gebit. De botsing met de vrouw van de bakker was misschien niet helemaal haar schuld. Hij had in het voorbijgaan net iets te veel naar de covers van de boekjes in de etalage van de krantenwinkel lopen kijken. En de verkoopster had nogal schunnig naar hem gelachen.
Hij is toch ook maar een man. De botsing was onvermijdelijk geweest. Gelukkig had de bakkersvrouw nog kunnen remmen, maar hij was toch met zijn gezicht op de stoep gesmakt.
Een van de schoolkinderen, een dik meisje met dikke brillenglazen, blijft staan en kijkt nieuwsgierig naar Werenfried. Dat valt meteen op, want de anderen gaan gewoon verder. En het duurt een hele tijd voor de schooljuf het ziet.
Heb ik iets van je aan, zou Werenfried willen schreeuwen. Of wil je een snoepje? Heeft je moeder je nooit gezegd mannen zonder tanden te mijden? Want zij kunnen je niet bijten en sabbelen dan maar op je tot je voldoende week bent om stukje voor stukje in te slikken, met die heerlijk malse vette billetjes die je hebt.
Hij wenkt haar om dichterbij te komen. De juf staat te roepen dat ze terug in de rij moet. Het meisje gaat pardoes op de stoep zitten, haar rok is meteen vuil.
Werenfried weet zich niet zo onmiddellijk een houding aan te meten. Hij knijpt per ongeluk zijn jeneverglas stuk in zijn hand, vloekt en vlucht naar binnen. Met zijn postzegelpincet haalt hij twee stukjes glas uit zijn handpalm, er zit nog een derde in dat hij maar moeizaam weet los te peuteren. Hij zuigt de wondjes schoon.
Dat verdient een opkikkertje. Hij vindt nergens nog een glaasje, en drinkt dan maar uit een eierdopje. Het smaakt nog lekker ook. Vroeger meende hij dat jenever alleen maar in het juiste glas tot zijn recht kwam, net zoals whisky in zo'n vierkant J.R.-glas hoort. Dacht hij. Maar gaandeweg is hij zijn geloof in al die heisa verloren.
Zonder dat dit zijn goed humeur bederft. 's Ochtends schopt hij nog altijd welgezind met beide voeten vooruit het laken van zich af, zeer tot ongenoegen van mevrouw Werenfried die dan helemaal bloot ligt. Haar lumbago is bepaald hardnekkig. Drie jaar nu al moet ze het bed houden.
Mevrouw Werenfried heeft er zich allang bij neergelegd dat ze nooit meer paard zal rijden, zij die in de manege van haar neef lessen nam. Normaal konden de Werenfrieds dat nooit betalen, maar de neef wil op die manier zijn dank tonen voor de maanden dat ze belangeloos op zijn zieke vrouw gelet heeft. En ook Werenfried heeft zich in het noodlot geschikt. Veel hebben ze elkaar niet te zeggen. Werenfried houdt niet zo van paarden, alleen op zijn bord.
*
Vanavond heeft Werenfried nog net voor afsluiten zijn lottoformulier ingeleverd, bij de krantenwinkel om de hoek aan de brug.
En de verkoper maar grijnzen, daar heb je hem weer, zou ik de deur net voor zijn neus op slot doen? Sinds het invoeren van de lotto heeft Werenfried nog geen enkele trekking overgeslagen, en hij houdt statistieken bij. De 21 en 33 zijn z'n lievelingsnummers. Vorige week zijn ze zelfs samen uitgekomen, samen met zijn reservefavoriet 4 erbij was dat meteen goed voor viermaal tien euro want hij kruist ze meer dan één keer aan.
Niet dat Werenfried al veel gewonnen heeft, maar hij doet toch telkens mee. Je zal zien dat die ene keer dat hij vergeet te spelen de hoofdprijs te beurt valt aan een nieuwe klant van de krantenboer.
Werenfried is op weg naar zijn wekelijkse afspraak met de psychiater. O nee, hij is niet gek. Maar hij begon ermee omdat hij in een geloofscrisis zat.
Een geloofscrisis. Dat woord las hij in een dik boek, en het klonk zodanig gewichtig dat hij er meteen last van had. De psychiatrische odyssee verloopt wonderwel. Ze zijn amper dertig sessies ver, en hij is al behoorlijk wat over zichzelf te weten gekomen. Dat zijn moeder hem in het kolenhok opsloot bijvoorbeeld. Vandaar dat het nachtlampje nog altijd aan moet. Hij heeft zich daar altijd over geschaamd, maar is er nu overheen. Gewoon de schuld van zijn moeder, het leven wordt zoveel makkelijker als je leert andermans schuld te aanvaarden.
Onderweg botst hij in gedachten verzonken tegen Anja aan. Ze is fris gerokt, en hij schaamt zich niet toe te geven dat ze mooi gevormde, prachtig gebruinde benen heeft. En wat mooi is, mag gezien worden.
Ook dat heeft hij aan psychiater Donderwolk te danken. Had hij zich in zijn jeugd maar wat slechter gedragen. Toen waren The Rolling Stones en Twiggy aan de macht, en iedereen deed vrolijk mee. Rebels zijn en zo. De stoutste dingen die hij zich uit zijn jeugd kan herinneren zijn dat hij soms zonder licht fietste en margrietjes uit de tuin van de buurvrouw plukte.
Anja wipt van haar snorfiets. Haar rokje komt even wat omhoog.
Galant wandelt Werenfried het eindje met haar terug. Dan moet ze niet aanbellen en kan mevrouw Werenfried in bed blijven.
Hij biedt Anja een kopje thee aan om de vrede te tekenen. De Werenfrieds lusten alleen koffie, en speciaal voor haar is hij een doos Nachtschaduw gaan halen bij de Turkse bazaar.
Anja drinkt erg sierlijk. Zoals zij met haar kopje elegant kan doen, Werenfried is er een beetje jaloers op. Hij vraagt zich af hoe het in godsnaam mogelijk is dat deze bloem zich door zo'n engerd als die Willem van haar heeft laten versieren en bezwangeren. Wat een klier van een vent is dat. Werenfried durft haar niet vragen of het kind van hem is.
Soms komt Anja met een gekneusd oog werken, of staat ze vol blauwe plekken.
Eén keer heeft hij gepolst wat er aan de hand was, heel voorzichtig want hij wil vooral de indruk niet wekken nieuwsgierig te zijn.
‘Van de trap gevallen. Door een tram overreden. Een paard dat me schopte. Kies zelf maar, Werenfried,’ zei ze, en ze keek hem uitdagend aan. En ze hanteerde haar zwabber zodanig hardhandig dat het zeepsop in het rond kwakte.
Maar door de band valt er niets op Anja aan te merken. Ze doet haar werk plichtsgetrouw, sjoemelt nooit met de gewerkte uren en informeert telkens naar de gezondheid van mevrouw Werenfried.
Ze is een meisje uit de duizend. Hij prijst zich gelukkig dat hij haar vorig jaar toevallig ontmoet heeft. Ze stond met haar dikke buik op de bus te wachten, de bus die hem naar zijn psychiater moest brengen. Wat klaagde ze tegen de dochter van de apotheker over de levensduurte, en dat ze wanhopig op zoek was naar werk, om het even wat.
Werenfried kon in het spiegeltje van de buschauffeur zien hoe de nakomeling van die pillendraaier heimelijk snoeten naar Anja zat te trekken.
De volgende dag sprak hij haar bij de halte aan. Hoe hij het heeft aangedurfd, hij weet het nog altijd niet. Maar het is het beste wat hij ooit in zijn leven deed. Hij vertelde over zijn vrouw, meteen om haar niet het gevoel te geven dat hij haar kwam opvrijen. En zei dat hij haar maar heel weinig kon betalen.
*
Ze drinkt nog een kopje thee, en Werenfried besluit heel genereus die vijf minuten niet van haar loon af te trekken.
Hij hangt haar fiets keurig aan de haak in het berghok. Je hoort de laatste tijd zoveel over diefstallen.
Anja zegt dat hij haar vorige week vijf euro teveel heeft gegeven. Dat raakt hem.
‘Hou het maar.’
Dat wil ze niet.
‘Koop er een speeltje mee, voor de kleine.’
Dat is goed. Ze knikt. En trekt haar werkschort aan. Hij blijft even naar haar kijken, zoals ze daar met al haar onstuimige energie de vuile vloer te lijf gaat. En hij zal haar nooit vragen of het waar is dat Willem haar vorige week in het holst van de nacht op straat gezet is omdat hij niet meer tegen haar gezeur kon. Hoe minder je je met andermans leven bemoeit, hoe beter. Daar komt alleen maar narigheid van.
Werkelijk, het is een lief meisje, zegt hij die avond tegen mevrouw Werenfried. Maar ze slaapt al, en draait zich snurkend moeizaam op haar andere zij.
*
Werenfried staat voor het raam. Het eerste licht valt de slaapkamer binnen. Hij wacht daar geduldig tot mevrouw Werenfried wakker wordt. De radio speelt zacht klassieke muziek.
Ze geeuwt hem een routineuze goedemorgen toe.
‘We hebben gewonnen,’ zegt hij. Hij probeert het heel gewoon te laten klinken, maar hoort zijn stem beven.
Het duurt even voor ze vraagt waarmee, en hoeveel. Ze slikt.
Hij weet het heel precies. Voor alle zekerheid heeft hij na de uitzending op de radio meteen naar de Lottofoon gebeld.
‘Achtduizend tweehonderdnegenentwintig euro en zesendertig cent.’ In een opwelling had hij eens niet met zijn lievelingsgetallen gespeeld maar gewoon willekeurige getallen aangekruist.
‘O jee,’ zegt mevrouw Werenfried. ‘Wat gaan we daar in hemelsnaam mee beginnen?’
Hij ziet het haar denken. Vijf jaar geleden zou ze met dat geld meteen een paard gekocht hebben.
‘Ik zou het echt niet weten,’ zegt Werenfried. Hij kijkt nog eens naar buiten, naar de Rusticana die er langsom meer sjofel uitziet, en schudt het kussen van mevrouw Werenfried lichtjes op.
Boek verhalen I bestellen
De lezers van Seniorennet kunnen de bundel bestellen aan de prijs van € 12,50 (normaal € 15,00), verzending in België inbegrepen.
U kunt dit doen door € 12,50 over te maken op rekeningnummer IBAN BE04 9795 9327 4031 met vermelding '1 ex. Verhalen'. U krijgt het boek gesigneerd thuisgestuurd.
U kunt het boek ook verkrijgen via deze webwinkel.
1 reactie