Ik schrijf deze column op 25 mei, dus bij het begin van de laatste Giro-week. Ik wil dus niet al te veel commentaar geven bij de afloop van deze zo belangrijke wielerwedstrijd. En evenmin over de op- en afgang ‘youngster’ Remco Evenepoel daarin. Ik heb met stijgende verbazing die lofzang beluisterd, lofzang die rond zijn figuurtje de wereld werd ingezonden. Hoewel mensen met enige kennis van de koers toch hadden moeten weten dat, wat van die knaap verwacht werd, onmogelijk te realiseren viel. Na wat zijn lichaam als blessures te verwerken kreeg, na wat hij in de aanloop naar zo’n zware koers en in de korte tijd die hem daarvoor gegund was, aan zijn conditie alsnog kon doen.
Maar zie, nu ben ik toch ‘de schoonmoeder’ van vele ex-collega’s aan het spelen, dan wanneer ik alleen over de Ronde van Italië als sportmanifestatie op zich wilde schrijven. Ik heb die Giro, in heel mijn 44-jaar lange loopbaan als journalist ‘in de koers’, altijd als een van de mooiste competities van het jaar beschouwd. En toch ben ik er maar een drietal keer als verslaggever naartoe geweest. Dat kwam – en dat zal nog altijd wel zo zijn – omdat bij Het Laatste Nieuws en in alle andere media, de Tour qua belang primeerde en blijft primeren. En ik er, voor mijn toenmalige bazen, in La douce France moest bijzijn. De twee in één seizoen verslaan, was moeilijk omdat je in Frankrijk na een vijftiental dagen in de vingers en vooral in het hoofd voelde wat je in Italië al gedaan had. Je ging op de duur als een soort automaat je artikels uittikken. Het was toen al voor reporters wat het nu ook voor coureurs is. De twee combineren gaat niet meer. Eddy Merckx herhaalde destijds altijd weer:
"Om een goede Tour te rijden, moet ik de Giro in de benen hebben."
De coureurs van vandaag denken daar anders over, de Italianen vooral, want zij hebben meer dan genoeg aan de eigen wedstrijd om hun wielerjaar goed te maken. De Giro is heilig in ‘de laars’. Nergens anders in de wereld wordt een prestatie, afgeleverd in een sportwedstrijd, hoger ingeschat. Ex-topper Johan De Muynck won die Ronde in 1978 en is nog altijd de laatste Belg op de erelijst. Ik ontmoet hem nog regelmatig en ik kan het aantal keren niet tellen, waarop hij vertelt hoe ze hem in Italië, meer en beter nog dan in eigen land, kennen, erkennen en herkennen.
"Als ik in gelijk welke stad, gelijk welk dorp over straat loop, zijn er altijd mensen die mij nawijzen. Ze kunnen ocharme amper mijn naam uitspreken, maar weten wel wie ik ben: daar, een ‘vincitore del Giro.’ En hoe lang is dat al niet geleden, lang genoeg opdat de mensen van hier het zo goed als vergeten zijn."
Alles, of toch heel veel, is bijzonder aan de Giro, tot en met de trofee die de winnaar uitgereikt krijgt. Geen lompe beker, die achteraf moeilijk een plaats vindt in het wooninterieur van de laureaat. Neen, hier is het een stijlvol kunstwerk, zo’n soort eeuwig draaiende spiraal, waarmee ook verwezen wordt naar de oneindige roem van gelijke welke laureaat.
Meer nog dan voor andere wedstrijden wordt in Italië nagedacht en gefantaseerd over innovaties, om het allemaal nog aantrekkelijker te maken, dan wanneer maar weinig evenementen op het scherm komen die zich afspelen in een mooier decor. Mensen die niks van de koers moeten hebben, kijken wel naar de tv-uitzendingen van de Italiaanse ronde alleen om van die prachtige natuur, die typische dorpen, die indrukwekkende steden te genieten. Ooit werd, als absolute innovatie, bedacht dat ze de wedstrijd compleet langs de kust konden sturen, om telkens in een of andere havenstad aan te landen. Een groot cruiseschip, (of een paar kleinere misschien) zou heel de race blijven volgen om aan het einde van de rit de hele karavaan onderdak aan te verlenen. Ik was zeker kandidaat om die ronde te volgen, alleen is het project met de logeerboten nooit gerealiseerd.
Ik heb wel een van de grote organisatoren goed gekend, een man die in eigen land vooral, evenzeer vedette was als de renners die triomfeerden of net niet wonnen. Hij heette Vincenzo Torriani, rookte wel drie pakjes sigaretten per dag, maar zong, ondanks de daaruit voortvloeiende schorre stem, bij elke officieel banket op indrukwekkende wijze een of andere opera-aria en werd langs alle wegen van zijn land gehuldigd met overal (op bomen en gebouwen) gekleefde (roze) stickers waarop in dikke letters ‘Viva Torriani’ gedrukt stond. Ik dacht dat hij wel heel, maar dan ook heel, populair moest zijn om de mensen tot zoveel waardering te inspireren, tot ik vernam dat hij die stickers… zelf liet drukken en aanbrengen.
Na eerder 15 wielerboeken is ex-wielerjournalist Robert Janssens (81) met 'Sukkelaar' aan zijn debuut als romanschrijver toe.
Auteur: Robert Janssens
0 reacties