Op 19 mei verdween korporaal Jürgen Conings zo goed als van de radar, bepakt en bezakt. Of beter gezegd: tot aan de tanden gewapend, zelfs met authentiek oorlogsmateriaal.
Sindsdien, en in elk geval tot ik er op die zonnige dag van 21 mei ook iets wilde over schrijven, was er amper een spoor naar hem te trekken. Ondanks gecombineerde inspanningen van het leger, de politie, de veiligheidsdienst. Ook uit Duitsland en Nederland werd een handje toegestoken, of beter gezegd: kwam er versterking aangerukt. Ik stelde mij daarbij de vragen, die de hele tijd door iedereen in zijn hoofd heeft wel moet gehoord hebben: hoe kan het dat uit een goed georganiseerd leger één man (met een lagere graad dan nog wel) zomaar kan verdwijnen, met in zijn bagage genoeg tuigen om een schrikwekkende ravage aante richten. Hij die op de koop toe voor officieel genoteerd stond als betrokken bij ultrarechtse, dus gevaarlijk bewegingen.
Het doet mij vermoeden dat het er bij ons leger nog niet zo heel veel veranderd is sinds ik zelf soldaat werd. En dat was in… 1958, toen de dienstplicht nog bestond en ik voor meer dan een jaar ‘onder de wapens’ geroepen werd. Ik wilde sergeant worden om hogere soldij en krijgen en naar Duitsland gaan om toch ook eens ergens anders dan in eigen land te zijn. Daar leerde ik in elk geval iets waarvoor jongeren nu vaak behoorlijk wat moeten betalen, met name auto rijden. Ik kreeg mijn ‘militair rijbewijs’ na misschien 500 meter in een oude camion, een versleten Ford uit de USA, achter het stuur gezeten te hebben. De enig tip die ik van de instructeur kreeg, was dat ik tussengas moest geven, wat wilde zeggen: na de start in eerste versnelling de gigantische pook in neutrale stand trekken, het gaspedaal indrukken en pas daarna naar tweede gaan. Waarmee de les afgelopen was.
Hoe onwaarschijnlijk dat nu kan klinken, toch was die opleiding (of dat gebrek er aan) niet de oorzaak van het feit dat ik, en ik alleen, de manoeuvres waaraan onze compagnie moest deelnemen, bijna volledig in de war stuurde. We moesten ’s nachts vertrekken, ik volgde met de logge vrachtwagen braafjes de kolonne, wat niet zo moeilijk was. Het ging zo traag dat ik tussen eerste en tweede versnelling, amper al eens ‘tussengas’ moest geven. Ik kon dus makkelijk remmen toen van achter een brede bocht een overste armenzwaaiend op mijn camion kwam afgelopen. Om te melden dat er even een rustperiode werd ingelast en ik wel zou verwittigd worden wanneer we weer moesten vertrekken. Zien kon ik dat niet, door die brede bocht. We hoorden of zagen lange tijd niks meer, tot een van ons toch eens achter die bocht ging kijken en zag dat er… niks meer te zien was. Onze voorgangers waren al vertrokken, vele andere voertuigen waren achtergebleven, in het spoor van mijn oude Ford. Ik herinner me niet hoe we het eerste gedeelte van ‘onze troepenmacht’ weer ingehaald hebben en hoe de manoeuvres verder verlopen zijn.
Wel weet ik dat ik, daar in Duitsland, de meest nutteloze maanden van mijn nog jong leven meegemaakt heb. Ik was ingedeeld bij een dienst, die geheime berichten moest ontvangen, om die dan prompt te decoderen. We werden daarvoor een hele dag opgesloten in een ruimte, waarin je alleen via een code en het ronddraaien van een vrij groot wiel geraakte. Maar: er kwam in al die maanden dat ik er was, niet één bericht binnen. En zo dat wel zou gebeurd zijn, dan hadden wij daar niks kunnen mee aanvangen. De apparaatjes om de boodschappen te decoderen waren immers… allemaal defect
Ja en het moet dan toch zijn dat in al die jaren en op alle niveaus, nooit of nooit gereageerd is op die ene roep, die ik tijdens mijn dienst zo vaak en zo irriterend luid gehoord heb:
-Geeeeeef….. acht!
Het is beangstigend als je nu weet dat een man met een hele rist aan dodelijke wapens op zak de kazerne zo maar kan verlaten.
Na eerder 15 wielerboeken is ex-wielerjournalist Robert Janssens (81) met 'Sukkelaar' aan zijn debuut als romanschrijver toe.
Robert Janssens
Auteur: Robert Janssens
6 reacties
In Siegen nog eens een bijkomende opleiding. Op manoeuvres, misschien in dezelfde bocht op weg naar Bielefeld in slaap gevallen maar ons zijn ze komen zoeken. Mijn legerdienst was er ene met discipline en kon mij daarin goed voelen.De tranen rolden toen ik afscheid moest nemen van mijn vrienden.
De mooiste maanden van mijn leven . Ik heb er niet alleen leren varen en bekwam mijn vaarbrevet via de nautische school , toen in Nieuwpoort. ook het ontmijningsbrevet . Het mooiste was wel dat ik 3 maand kon meevaren met de Eupen naar de middenlandse zee voor oceonografisch onderzoek Bijna een cruise op kosten van de Belgische belastingbetaler .Bij thuiskomst kregen wij dan nog een maand verlof voor al de weekends die wij op zee verbleven alhoewel wij bijna elk weekend in een haven aanmeerden : genua , civitavecchia, palermo, trapani , tunesie enz . ik wil morgen herbeginnen en vond de legerdienst zeker geen verloren tijd.Moesten wij nu alle jongeren een burgerdienst laten volgen zouden velen leren wat discipline is en respect en kameraadschap.
Dus ik vond de legerdienst wel nuttig, ze mogen die terug invoeren, maar ik denk niet dat men met de huidige jeugd nog zouden gedaan krijgen, wat ze toen met ons gedaan kregen (kwestie van discipline). -Geeeeeef….. acht!
François