Op zondag 26 september wordt vanuit Antwerpen naar (en rond) Leuven het wegwereldkampioenschap wielrennen voor eliterenners verreden. Bondscoach Sven Vanthourenhout bepaalde, nog voor hij zijn selectie vrijgaf, dat het team zou koersen onder de hoede en in dienst van één kopman: die prachtige toprenner die Wout van Aert (met kleine v, omdat vader een Nederlander is) geworden is, van ‘klein mager ventje’ tot stevige atleet. Wie de geschiedenis van het wielrennen een beetje kent en weet wat er eerder tijdens diverse titelraces in eigen land en in de Belgische ploegen al gebeurde, kan dat alleen maar toejuichen. Eigenlijk is enkel in 2002 in Zolder een min of meer normale koers gereden. Het was daar op een vlak parkoers te doen, en de verwachte massaspurt werd gewonnen door de rapste renner van de groep, de Italiaan Mario Cipollini. Punt aan de lijn!
Maar voordien: zo goed als niks anders dan kommer en kwel, zelfs in de edities met eigen succes.
Het eerste WK in België werd verreden in Luik, in 1930. Titelverdediger Georges Ronsse was absoluut favoriet om zichzelf op te volgen en geraakte finaal op kop met zijn grote rivaal, de Italiaan Alfredo Binda. Een fatale vergissing stuurde de Antwerpenaar richting bittere nederlaag. Een verzorger langs de weg naar de finale stak twee vingers in de lucht. Georges dacht dat alzo twee minuten voorsprong werden aangegeven, maar neen, het betekende dat er nog twee renners op komst waren, met daarbij een tweede Italiaan, Learco Guerra. Ronsse meende dat hij nog wat verdere tactische spelletjes met Binda kon spelen maar zag en plots diens hiervoor geciteerde landgenoot voorbijsnellen. Ronsse geraakte zodanig in de war dan hij dom ging rijden naar de sprint toe en dan ook nog tijdens de eindstrijd zelf. Hij werd geklopt en barstte in tranen uit. Maar dat deed die man altijd als jij naast een zo goed als vaststaande zege greep, reden waarom hij ook ‘den bleiter’ werd genoemd.
Vijf jaar later in Floreffe kwam er een Belgisch succes, blijkbaar zonder incidenten. Brusselaar Jean Aerts reed via een tactische zet van zijn medevluchter, de Spanjaard Luciano Montero, weg. Aerts gebruikte een toen welbekende bekende truc: doen alsof je ging afstappen bij de bevoorrading (verplicht voor wie onderweg wilde eten) maar toch doorrijden en zo je gezel, die wel stopte, achterlaten. Jean (die eerder al wereldkampioen bij de amateurs werd) was weg en won. Zonder meer? Neen hoor. In 1935 was alle heibel al losgebarsten voor het kampioenschap, omdat vele oordeelden dat de omloop van Floreffe te zwaar was voor spurter Aerts. Pas dankzij wel wat manoeuvres geraakte hij toch in de ploeg.
In 1950 in Moorslede verliep alles dan wel volgens de regels van de kunst, of beter gezegd de regels van Schotte, die zijn Nederlandse rivalen Schulte en Middelkamp achterliet, dankzij zijn eenvoudige koersfilosofie: in een WK moet je eerste durven en dan duwen, duwen en nog eens duwen.
In 1957 in Waregem trad de Belgische selectie aan in een ‘verziekte sfeer’, zoals dat toen geschreven werd, sfeer geschapen rond de rivaliteit tussen Van Steenbergen en Van Looy, met Fred De Bruyne in de rol van stokebrand. Van Steenbergen bleek finaal echter wel onklopbaar in de spurt van een indrukwekkende kopgroep.
In 1963 in Ronse bleek de sfeer nog meer verziekt, omdat blijkbaar niet alle ploegmaats zich wilden houden aan de opdracht, die Rik Van Looy een derde titel moest opleveren. Iedereen die ook maar een beetje met ‘de koers’ vertrouwd is, krijgt nog makkelijk de beelden van die hachelijke spurt voor de ogen. Beheyt en Van Looy haakten toen bijna in mekaar, Beheyt won en ik mocht pronken met de eerste grote primeur uit mijn lange loopbaan als journalist. Ik werd door de overrompelende mensenmassa naar het dranghek gedrumd, waarachter de jury de pas gereden spurt beoordeelde. En ik hoor de Franse voorzitter nog altijd (hier vrij vertaald) zeggen:
"We gaan die Hollander toch geen kampioen maken zeker!"
Die Hollander, dat was Jo de Haan, die voor de derde plaats de Fransman André Darrigade voorafging. Was het andersom geweest, dan zouden de Belgen gedeclasseerd zijn en had Darrigade de trui gekregen.
Ontgoochelend voor de Belgische wielerliefhebber was ook het verloop van de editie 1969, de eerste in Zolder. Julien Stevens verkeek zich compleet op de mogelijkheden van de Nederlander Harm Ottenbros, na een wedstrijd die mede bepaald werd door de rivaliteit tussen Van Looy en Merckx, die beiden zouden opgeven nadat ze hun maats uit hun doordeweekse ploegen op voorsprong wisten. Ottenbros reed in het team Van Looy, Stevens in dat van Merckx.
In 1975,in Yvoir en in misschien het slechtst georganiseerde WK ooit, profiteerde Hennie Kuiper van de verwarde tactiek van de Belgen. Onze nationale ploeg telde toen 13 renners en geen twaalf, omdat titelverdediger Merckx als dusdanig automatisch geselecteerd was.
"We zijn dus met twaalf en een halve", zei Roger De Vlaeminck, wijzend naar de kleine Van Impe, klein van gestalte maar zeler niet als coureur en die bleek niet direct bereid de man, die hem toch wel vernederde, in de koers te helpen. Merckx van zijn kant wilde eerst zelf voor de titel rijden, dan (na een valpartij) voor de ploeg en tenslotte weer voor eigen rekening. De Vlaeminck klaagde over gebrek aan steun in de jacht op Kuiper en zou dus nooit een regenboogtrui (tenminste niet op de weg) dragen.
Kwam dan, in 1988, weer Ronse, voor een opnieuw dramatisch-incidentrijke titelstrijd. In de spurt werd sterke man Claudy Criquielion‘in de kant gereden’ door de Canadees Steve Bauer en won de Italiaan Maurizio Fondriest.
Na dat alles is het te hopen dat ‘Leuven 2021’ een even logisch verloop krijgt als het al geciteerde ‘Zolder 2002’, dat wil zeggen zonder incidenten en met de door velen verwachte winnaar, Wout van Aert dus.
Auteur: Robert Janssens
0 reacties