Deel via

Voetbal, vervolg

December 2021
Robert Janssens (82) was het grootste deel van zijn leven wielerverslaggever en schreef ook meerdere boeken over het wielrennen. Toch kruipt hij nu al voor de tweede opeenvolgende week in zijn pen om het over voetbal te hebben. Lees snel waarom...

Zo zie je maar wat er een mens allemaal overkomt in dat voetbal. Nog maar een week geleden meldde ik dat ik weinig niks meer te maken heb met die sport en nu wil ik er toch weer over schrijven. Zij het dan met de bedoeling aan te tonen dat mijn debuut als journalist in die sporttak niet direct alle garanties op een schitterende toekomst in zich droeg. Hoewel ik, in tegenstelling tot mijn start in de koers (niet op de fiets, wel achter de schrijfmachine), in het voetbal wel een zekere, zij het minimale, begeleiding aangeboden kreeg.

Ik werkte bij mijn debuut – zoals een paar keer gezegd, in het begin van de jaren zestig – op de Volksgazet onder de leiding van een oude, knorrige chef, die… helemaal geen chef meer was, vermits het merendeel van zijn taken overgenomen werden door een veel jongere en veel vlottere adjunct. De baas die in werkelijkheid alleen als baas geduld werd (behalve in de eigen kop) werd door de directie, directie die hem er duidelijk niet wilde op wijzen dat zijn tijd gekomen was, en dit na een indrukwekkende carrière als journalist en als organisator van sportwedstrijden en van populaire spektakels. Hij bracht op en bij de Volksgazet zijn dagen door met het schrijven van een sporthoofdartikeltje (duurtijd plusminus een half uur), met het werken op de zenuwen van iedereen via al dat geknor en gezeur en met het organiseren van verplaatsingen naar wedstrijden, steeds in het gezelschap van een reporter, die het werk moest opknappen, vermits het de bedoeling van de chef gewoon was om regelmatig weg te zijn, van huis en van de redactie. Zo kreeg ik, nog maar pas aangeworven, mijn eerste opdracht in het voetbal. Ik mocht mee naar Aalst waar, op het veld van Eendracht, de internationale wedstrijd België B – Luxemburg gespeeld werd. En ja, dat bestond toen, een België B-team. Ik had een zware – zij het draagbare – schrijfmachine meegekregen en moest daarop het verslag tikken, onder het waakzame oog van de baas die eigenlijk geen baas meer was. Ik deed dat op een enge perstribune, naast de patron, die ergerlijk dicht bij mij kwam zitten. Ik startte redelijk vlot tot… het licht in het stadion gedoofd werd. Geen erg vond de chef, die bewees dat hij ‘in de job’ alle situaties meester was. Bijvoorbeeld door mij bij te lichten met zijn sigarenaansteker, van een soort waarmee destijds grote vlammen geproduceerd werden. Per ongeluk – en dat wil ik best geloven ondanks het slechte karakter van de man – raakte die vlam mijn papier om toch wel een groot gedeelte van mijn artikel te verschroeien. Tijd om opnieuw te beginnen was en niet – deadline, weet je – dus kon ik proberen in een dicht bijgelegen café aan een telefoon te geraken om van het half verbrande blad het even half afgewerkte artikel voor te lezen. Het resultaat was weinig bevredigend, waarop mij ’s anderendaags door de pseudo-chef in de minst vriendelijke termen (zeg maar geroep en getier) gewezen werd.

Even negatief verliep mijn tweede poging om ook in het voetbal carrière te maken, zij het dan dat ik hier niet had moeten schrijven, maar toch als een complete sukkel uit het avontuur kwam. Op een zondagnamiddag stelde een ervaren collega mij voor hem te vergezellen naar een competitiewedstrijd, zodat ik kon zien hoe hij die klus klaarde. Veel heb ik er niet van geleerd, wel liep het experiment voor mij af op een bijzonder vernederende, persoonlijke ervaring. Het regende die namiddag, maar dat was op zich niet zo erg, vermits we met de wagen tot dicht bij het stadion geraakten en de perstribune overdekt was. Het enige ergerlijke lag hem in de staat van de slijkerige parkingondergrond, waarop mijn collega zijn auto vastreed, wat we pas vaststelden toen we, voor het werk (zijn werk) weer naar de redactie vertrokken. Maar geen nood, ik zou eens tonen was een sterke plantrekker ik wel was. Ik zou de wagen rap uit die smurrie duwen, niet wetend dat je zoiets best niet doet van achter uit. Het slijk spatte hoog genoeg op om in overvloed op mijn broek terecht te komen. Ik leefde toen nog bij ma en pa thuis, in niet zo’n rijkelijke omstandigheden, om het met een eufemisme te zeggen. Omdat alles nogal dicht bij mekaar lag (stadion, woonplaats, redactie) leek het makkelijk een oplossing te vinden. Mijn collega zou mij thuis afzetten, ik moest daar maar een andere broek aantrekken om dan direct en met de tram terug naar het werk te komen. Helaas: ik was toen net uit het leger ‘afgezwaaid’, had blijkbaar nood aan nieuwe kleren, waarvoor er in de familie amper geld was. Op afbetaling was moeder toch aan twee broeken geraakt, een om te dragen en een om in de was te steken en dat laatste was die zondag het geval. Er schoot niks anders over dan er eentje van vader te lenen, maar die was (helaas) veel kleiner dan ik, zodat ik op de redactie, onder al die ervaren en keurig geklede reporters, verscheen met, tussen mijn schoenen en de onderste kant van de broekspijpen, een ruimte van wel vijftien tot twintig centimeter. Beschamend, maar dat is wel niet de reden waarom ik mij definitief met de koers ging bezighouden. Ondanks het feit dat ik in die rubriek eerder tegengewerkt werd dan gesteund. Ik had er namelijk geen keuze!

Auteur: Robert Janssens

0 reacties

Login Registreer

Robert Janssens

journalist-auteur
journalist-auteur
Robert Janssens (Borgerhout, 25 juni 1939) is een voormalige Vlaamse sportjournalist. Hij maakte naam als wielerjournalist voor eerst de Volksgazet en later vooral Het Laatste Nieuws. Hij schreef een 15-tal fel gewaardeerde wielerboeken en maakt in 2021 op 81-jarige leeftijd met 'Sukkelaar' zijn romandebuut. Boek 'Sukkelaar'

Meer artikels van Robert Janssens

Recente Artikels

Gerelateerde Artikels