O grote god
geworden een kleen kind,
waarom toch is 't
dat gij mij zo bemint?
Wat ben ik U,
die niet met al en ben;
en, kennend mij,
mij waarlijk niet en ken?
Gij wordt hetgeen
ik immer wezen zou,
ware ik uw woord
en uwe wet getrouw:
''t En zij gij wordt
een arrem kind gelijk,
en komt gij ooit',
zo zeit ge 'in 't hemelrijk'.
Uw woord, uw wet,
uw doen, uw zeggen staat,
o grote God
hier, in dit kindgelaat.
Gij heet en doet,
ik doe noch durve... o neen,
'k en ben, o God,
'k en ben noch kind noch kleen.
En maakt Gij mij
niet dat Gij doet en zeit,
't is uit me mij...
o God, barmhartigheid!
Guido Gezelle (1830 - 1899)
5 reacties
Daar wordt een kindeke geboren.
’t Komt op een rubberboot gevaren
over ongekend woeste koude baren
’t Ligt niet op stro, zo nieuw geboren,
Er is geen land om het te verwelkomen,
geen herberg om het te verwarmen.
Nergens wordt het met blijdschap verwacht
Geen koningen zullen het bezoeken
met giften als mirre, wierook of goud
Het is alleen maar nat en koud
Er zijn geen herders in deze straffe kou
met boter, melk en een warm lammeke.
Al wenend zullen zijn tranen verstillen,
Na, na, na, Kindeke teer, shsss schrei niet meer,
doe je oogjes toe, zij zijn van ’t schreien moe
Geen goden om je terug op te wekken
In barensweeën zullen de baren in zee je bedekken
Aan ’t firmament blijven verre sterren twinkelen,
Slaap kindeke, slaap, rust in peis en vree.
De wereld draait verder mee
maar staat niet stil voor jou.
De wereld DRAAIT DOOR
Patrick Nijs
Hij weet het leven en de natuur te beminnen als geen ander.
Het werkt aanstekend voor al wie wil open staan voor het positieve in het leven.
Konden we allen maar wat meer "Kerstmis" ervaren in ons leven, het zou beslist
beter gaan met onze samenleving.
De herdertjes zaten rond de kribbe
het Onze Vader te bidden.
De schaapjes stonden buiten te bekomen,
een jong stel had hun stalleke afgenomen.
Moeder Maria was al dagen over tijd
en wou dringend haar dikke buik kwijt.
Jozef stond er bij en keek vies rond
of hij misschien de dader vond.
Hij wist wie het was geweest,
het was zeker de heilige geest.
Den os keek met veel verwijt,
hij was zijn kribbe en zijn eten kwijt.
Den ezel trok het zich niet aan
en ging wat aan het raampje staan.
Toen viel ook het engelenkoor nog binnen
en begon een drinklied te zingen.
De drie wijzen hadden zotte lol
en schonken hun glazen nog eens vol.
Een nieuwe tijd brak aan
altijd vrede op aarde voortaan.
Joris Ceulemans, Schellebelle