Ik schrijf dit cursiefje in de aanloop naar de ‘Week van de Vrijwilligers’. Het is of het was eens leuk initiatief, energiek aangepakt door een vereniging/instantie die ‘Weldoeners’ heet.
Zo’n zaken, opgezet in een steeds onverschilliger wordende maatschappij, krijgen immer weer mijn grote aandacht, hoewel ik niet weet in welke mate ik zou kunnen meehelpen om ook mijn steentje bij te dragen tot het finale succes, dat er zeker en vast zal komen of al gekomen is.
Nu echter volgde ik met nog meer aandacht de evoluties, gewoon omdat die uitgingen van ‘Weldoeners’ en alleen dat woord mij terugvoerde naar een ver verleden, een heel ver verleden. Zo’n 65 à 66 jaar geleden kreeg ik zowaar gelegenheid aan… liefhebberstoneel te doen, samen met mijn grote jeugdvriend die Raymond Bossaerts heette (ja, ja, heette, helaas!) en die later een bijzonder goede beroepsacteur geworden is. Minder jonge mensen zullen zich die man nog wel herinneren als ‘Ben’ uit ‘Kapitein Zeppos’. We zaten samen op de Middelbare School en kregen daar Franse les van een kleine, niet meer zo jonge man, die ons af en toe eens vroeg of hij een… sigaretje mocht opsteken, wat in die tijd duidelijk nog kon. De man had een bijzondere manier van roken. Hij trok in een ruk een halve stinkstok (zoals wij dat noemden, tot we er zelf aan zaten) naar binnen en leek dan gedurende minuten en minuten alle rook van de wereld op de klas los te laten, samen met de moeilijkste woorden en vervoegingen uit de taal van Molière.
Die man, mijnheer Sanders genaamd, was buiten de schooluren ook secretaris en schatbewaarder van een amateurtoneelgezelschap, dat zowaar als… ‘De Weldoeners’ door het culturele leven van Antwerpen en omgeving trok. En die naam alle eer aan deed door elke cent die hun activiteiten opbracht, linea recta door te spelen naar ‘goede werken’.
Toneelmeester
Raymond, van wie het talent snel erkend werd, kreeg mooie rollen, ik minder en mocht dus ook al eens toneelmeester spelen. Ik hield het daar niet zo lang vol en de vriend Bossaerts stapte vlug over naar het professionele theater, of beter gezegd naar de opleiding daarnaartoe. Ik koos een heel andere richting, maar ondanks het feit dat mijn tijd op de planken maar van korte duur was en die periode nu ver in het verleden ligt, herinner ik mij er, alle verhoudingen in acht genomen, nog heel veel van, van de mensen vooral. De autoritaire leider van heel de onderneming heette Louis, die journalist was en zo goed als in zijn eentje (enkel bijgestaan door een secretaresse) werkte in een… Chinees persagentschap. Wat hij daar deed, is mij nooit helemaal duidelijk geworden. Verder was er een kale mijnheer, directeur bij de Antwerpse afdeling van een bekende brouwerij en een Arthur, die snoepgoed maakte en verkocht en regelmatig de… pastoor in zijn atelier op bezoek kreeg. Dat hij bij herhaling een soort preek moest aanhoren, was in heel de groep wel bekend. Het waarom daarvan niet, maar als het hem op de zenuwen ging werken, gaf hij de eerwaarde een brokje van de eigen productie, brokje dat nog warm was en… enorm aan de tanden bleef plakken. Waardoor de arme man prompt tot zwijgen gedwongen werd.
Wat de dames betreft, herinner ik mij een Paula, een iets oudere vrijgezellin, die dezelfde geboortedatum als ik op haar identiteitskaart had staan, maar dan met tien jaar verschil. Zij werkte als bediende bij het toenmalige Littlewoods, bekend om zijn pronostieken van de Engelse voetbalcompetitie en die (Paula natuurlijk) daarna dan toch beroepsactrice moet geworden zijn, zij het dan dat ik daar niets van weet.
Tenslotte was er ook het gezellige, rondborstige Wiske, levensgezellin van de grote baas en Georgette, een jong en discreet meisje, dat zeker en vast meer aan bod kwam dan ik en het, ondanks haar prille leeftijd, toch maar versierde binnen het kader van onze kring, het ballet genaamd ‘De ‘Stervende Zwaan’ op te voeren. Tot grote tevredenheid (lees: ver- en bewondering) van de groep en dus ook van de toeschouwers.
En nu komt de clou van het verhaal.
Toen vorig jaar mijn eerste roman bij Uitgeverij Partizaan verscheen, kreeg ik een behoorlijk lang interview in ‘Primo’, interview afgenomen en neergeschreven door een goede bekende van mij. Op een gegeven ogenblik telefoneerde hij mij om te melden dat er een dame nogal geestdriftig gereageerd had, een Georgie die ik zeker en vast goed moest kennen.
Ik zag de brief verschijnen en ook haar achternaam zegde mij niet veel meer. Vergeten wegens geheugen, waaraan door de vorderende jaren duchtig geknaagd wordt.
Ik vroeg aan de betrokken journalist mij, voor een dankwoordje, het mailadres van die dame te bezorgen en dan wist ik het voor zeker dat Georgie de Georgette van weleer was. Ik schreef haar en ze antwoordde en intussen zijn we blijven corresponderen, soms met iets te lange tussenpozen omdat ook voor haar, ongeveer even oud als ik, de dagen te kort zijn.
En nu vraag ik me af hoe het vandaag gesteld is met dat amateurtoneel en of dat nog altijd met zoveel geestdrift beoefend wordt, ook al gaat maar om maximum een of twee voorstellingen per jaar, zoals toen. En dat het, in het gemoed van de mensen, voldoende herinneringen achterlaat om er zich… 66 jaar later nog veel van te weten.
Auteur: Robert Janssens
4 reacties