Waar vandaan: Anekdote > Overige (198) > een diamantslijper vertelt: het laatste pinkeltje

een diamantslijper vertelt: het laatste pinkeltje

Het Laatste Pinkeltje:

Het diamantslijpen is jarenlang één van de meest bekende stielen in Antwerpen geweest.
Samen met de haven gaf het steentje de welvaart van ’t stad aan.
Ik heb geslepen van mijn veertien jaar tot mijn pensioen. Maar toen ging het alsmaar slechter. Waar er in mijn jonge jaren bijna in iedere straat een slijperij was gevestigd, zijn er vandaag nog maar enkele over.
Na de Lager Hoofdschool zoals dat toen noemde, wou ik zeer tegen mijn zin van mijn ouders gaan werken. Mijn vader die als zelfstandige, met personeel werkte, vond dat ik de stiel vanonder aan de ladder moest leren.
Bij het bewerken van ruwe steen komen er verschillende handelingen bij te pas.
Na gekloven, gesneden of gezaagd te zijn komt de steen bij de versteller terecht. Dat werd dus mijn eerste werk. Dit gebeurde toen nog niet mechanisch maar in een dop gevuld met gesmolten soldeersel. Om een steen zijn vlakken of facetten
te geven moest die regelmatig gedraaid worden, ook moest ik controleren of alles recht lag, was dat niet het geval, kreeg de slijper de steen terug, die moest er dan een facetje van links of rechts aan geven.
Het hete soldeersel werd met de duimen afgestreken en sommige grappenmakers onder de slijpers maakten de leerling verstellers wijs, als ze maar lang genoeg over het rubber darmpje van het gasvuur wreven ze de hitte beter konden verdragen.
Het tegengestelde was waar, ze bleven met hun huid aan het soldeersel hangen.
Ik trapte daar niet in omdat ik als jonge snaak bij mijn vaders personeel al die grapjes had geleerd en mij niet gemakkelijk liet vangen. Mettertijd werden mijn duimen eeltig en ongevoeliger voor de hitte. Mijn vrouw zegt zelfs dat ze schapenleer zijn.
Als versteller moest ik toen verschillende slijperijen bedienen, dus reed ik met de fiets van de ene naar de andere, het was soms een hele toer om overal op tijd te komen.
Wij woonden aan de Schijnpoort, waar ik geboren ben en nog steeds woon, reeds meer dan vijftig jaar getrouwd!
Terwijl ik zo door Borgerhout, waar de meeste slijperijen gevestigd waren, reed kwam ik regelmatig de schijvenschuurders tegen. Met hun stootwagens gingen zij de afgeslepen schijven ophalen om ze dan opnieuw geschuurd en gepolijst terug te brengen. Het was heel belangrijk voor de slijper dat de schijf goed werd onderhouden. De slijpers verdienden goed .Ging. het eens wat minder ,ze lieten het niet aan hun hart komen, ze stonden erom bekend eerder te stoeffen dan te klagen! De patroons ,meestal Joden ,probeerden toen ook al zoals het tegenwoordig gebeurt, het werk goedkoper te laten maken. Duitsland onder andere ging regelmatig onder de prijs. Zelfs al wisten insiders dat ze er later de kwalijke gevolgen van zouden dragen. Intussen kwam de oorlogsdreiging naderbij en kwamen er meer mensen in de werkloosheid terecht. Bij de algemene mobilisatie was het gedaan. De kapitaalachtige patroons trokken naar Amerika. Na de inval van het Duitse Leger ging ik zoals zovele anderen, met mijn ouders op de vlucht, richting Frankrijk.
Engeland hebben we, zoals gepland was ,nooit bereikt! We strandden zoals zovele anderen in Frankrijk, waar mijn vader, wachtende op een mogelijke terugkeer, bij Renault de autofabrikant ,werk vond. Na veel omzwervingen werden we gerepatrieerd.
Tijdens de bezetting was het voorlopig gedaan met het steentje.De Duitsers hebben nog geprobeerd; de in beslag genomen ruwe diamant te laten bewerken, maar de meeste slijpers wilden zich niet mee inlaten. Zo ging ik me laten inschrijven als werkloze en werd al vlug als slijkschepper aan het werk gezet.
Aan het Noordkasteel bij de wat oudere Antwerpenaar welbekend, moesten we de grachten schoonmaken. We kregen iets meer dan drie frank per uur ,als het niet regende! Als we moesten schuilen ,één frank en enkele centiemen. Regelmatig kwamen soldaten met vrachtwagens langs, pikten willekeurig een twintigtal jongens uit en reden naar een onbekende bestemming. Die gasten hebben we niet teruggezien, ook hun familie wist lange tijd niets. Als ik dit thuis vertelde mocht ik niet meer teruggaan en ben ik een tijdje ondergedoken. Omdat ze niet genoeg vrijwillige werkkrachten konden overtuigen om naar Duitsland te gaan werken werden er alsmaar meer jongeren opgeëist. Met een beetje geluk kon ik bij de werkhuizen Stevens aan de slag. Dit werk stond wel gelijk met opeising naar Duitsland. Zo bracht ik de oorlogsjaren toch nog in Antwerpen door. Intussen probeerde mijn vader wat geld te verdienen om rond te komen. Aan de Pelikaanstraat werd er wat gesjacherd, onder de tafel van Café des Sports aan de Vestingstraat, werd heel wat verhandeld, .Alls ze niet gestoord werden door een Duitse inval tenminste. !
Na de bevrijding door de geallieerden en het einde van de oorlog kwam de economie langzaam op gang. Ook met het diamantslijpen ging het goed. Maar voor ik er kon aan beginnen moest ik mijn legerdienst nog afmaken. Door de vier jaren bezetting was er natuurlijk geen enkele klas opgeroepen. Er werd beslist van elk jaar maar enkele honderden binnen te halen. De kazernes zaten overvol door die verlate oproepen. Ik had pech bij de eerste lichting te horen! Zo was er weer een jaar voorbij eer ik terug aan de slag kon en miste ik de eerste heropleving van het vak. Ondertussen werkte mijn vader terug als zelfstandige en gingen wij samen ruwe stenen aankopen op de beurs of bij de makelaars. Er was toen veel vraag naar baguetten; dat is een lang rechthoekig geslepen steentje;. Wij maakten er onze specialiteit van.
Als mijn vader met pensioen ging, werd het te moeilijk om nog alleen te werken en besloot ik op atelier te beginnen, het was zeker niet gemakkelijk. Om goed te kunnen verdienen moest ik omscholen naar grotere stenen. Zoals de slijpers zeggen, in het grof. De mechanische of machinedop had de soldeerdop verdrongen. Iedere slijper kon dus de steen zelf van vlak doen veranderen. Door de zeer grote waarde die men in de handen had, was het vak stresserend. Ik mocht er niet aan denken een kap te krijgen,.Daarbij vliegt de steen door de snelheid van de schijf in meerdere stukken en vliegt ook de slijper.buiten Het kon iedereen gebeuren, maar het was je eigen onoplettendheid. Wellicht zal niemand dit geweten hebben maar in Antwerpen werden verschillende beroemde stenen geslepen. Zoals die voor Marilyn Monroe’s ring. Ook de Britse Queen en Liz Taylor waren vaste klanten.
Stilaan werd ik het grote werk gewoon en kreeg ik naam als grofslijper. Ik was dan ook bijna nooit zonder werk. Toch moet gezegd dat om goed te verdienen veel van de ruwe steen afhing,. Als ze zoals het in het slijpersjargon heette, goed liepen,was je week goed.! Zo werd nogal eens gezegd “ Slijpen is geen Kunst maar een Gunst” Omdat het “steentje” mij steeds heeft aangetrokken en ik met mijn vader meeging om te kopen en verkopen wist ik heel wat van kleuren en prijzen en werd mij nogal eens gevraagd om advies of om een juweel op zijn waarde te schatten.
Toch kwam er een malaise in het vak. Zoals met meerdere zaken gebeurde verhuisden ook velen naar de lage loonlanden. Alleen het hele moeilijke werk werd hier nog gemaakt. Waar er in de beste jaren duizenden diamantslijpers bezig waren, blijven er nu nog enkele honderden over.
Ik ben nu eenentachtig en al jaren gelukkig gepensioneerd. En zoals een ruwe steen maar afgewerkt is als alle facetten afgepinkeld zijn, ben ik ook zoals de slijpers het uitdrukken, aan mijn laatste “pinkeltje” bezig.



1

 

Anekdote ingestuurd door De Backer Yvonne op 23-01-06 (ID 551)