Waar vandaan: Anekdote > Overige (198) > het orgelmeisje
het orgelmeisje
een korte greep uit het verhaal dat ikzelf geschreven heb.Wil je meer lezen stuur dan een e-mail en ik zend je het verhaal. Gratis.
“Mevrouw Lenissen, in het klooster heb ik uw Rosa ontmoet en ik heb met haar gepraat.”
“Heb…heb jij mijn dochter ontmoet? Hoe is het met haar? Het is toch echt? Jij liegt toch niet hé? Kom binnen ik heb juist koffie gezet. Jij moet mij alles vertellen wat je over mijn dochter weet. Ik heb haar al twee jaar niet meer gezien, ze wil me niet meer spreken en ik mis haar nog dagelijks. Mevrouw Peeters, toe, kom binnen en zet je.”
“Zeg maar Ria.”
“Ik heb mijn dochter nooit begrepen. Tot haar zesde levensjaar was Rosa steeds opgewekt en levendig. Alles trok haar aan-dacht, zij kende vele bloemen bij naam en als ik mij eens ver-giste zei ze met haar scherpe stem:
‘Maar mamma toch, dat is de witte dovenetel. De kleine witte bloempjes boven de blaadjes zorgen ervoor dat de netel niet prikt.’
Ria, wil je melk of suiker bij de koffie, toe neem maar, het staat ervoor.
Later werd mijn Rosa stil en leefde teruggetrokken, ze zat steeds op haar kamer, helemaal alleen. Soms, wanneer ik naar de serres ging om de planten te begieten, kwam ze me wel eens helpen.”
“Ze was uw enig kind, vermoed ik. Was ze tegenover haar vader dan ook zo stil?”
“Rosa heeft nooit haar vader gezien en zal hem nooit zien. Haar vader is dood en begraven. Hij heeft nooit voor haar be-staan. Haar vader heeft hier volstrekt niets mee te maken.”
“Je spreekt over ‘HAAR vader’ was jij dan niet getrouwd?“
“Zij heeft haar vader nooit gezien en haar vader heeft nooit zijn kind gezien. Meer wil ik niet vertellen.”
“Ben jij zeker dat uw dochter haar vader nooit gezien heeft? Ook niet als ik jou spreek over een grote rosse snor en grijze slapen…”
“WAT WEET JIJ VAN HEM? Wie ben jij dat jij mijn dochter en haar vader kent? Waarom kom jij mij dat allemaal vertellen? Ga weg! Waarom laat je mij niet met rust?”
“ ’Ik verveelde mij in de kamer en keek door het venster, mijn pop keek mee. Plots zag ik een man op de grond liggen, hij lag op zijn rug en een vrouw stond gebukt over hem met een groot mes in haar hand. De man had een grote rosse snor, grijze sla-pen en net als ik kleine blauwe ogen. De vrouw gebukt over hem was mijn moeder. Ik vluchtte naar mijn kamer. Ik hoorde de si-renes van de ambulance maar durfde mij niet meer verroeren. Uren zat ik in een hoekje ineengedoken. Een angst nam van mij meester. Niemand mag ooit weten wat ik gezien heb.’
Mevrouw Lenissen, dit las ik in het dagboek van je dochter.”
Anekdote ingestuurd door Daems ( ) op 24-05-06 (ID 597)