Waar vandaan: Homepage > Specials

Publireportage

Edo de Waart, chef van deFilharmonie


Eind oktober geeft Edo de Waart zijn eerste concerten als chef-dirigent bij de Filharmonie. De volgende zes jaar zal deze wereldvermaarde dirigent twaalf weken per concertseizoen samenwerken met het orkest uit Antwerpen. Om er mee te schrijven aan een ambitieus verhaal. Maar vooral: om het Vlaamse publiek te vergasten op memorabele uitvoeringen van de mooiste klassieke muziek.

Wanneer we hem midden juli spreken, heeft hij pas zijn verhuizing naar Schilde achter de rug. Neerstrijken in een nieuwe omgeving: dat heeft de Waart in zijn vijftigjarige loopbaan al zo vaak meegemaakt.
San Francisco, Amsterdam, Sydney, Hong Kong en Wisconsin zijn enkele van de vele verblijfplaatsen waar hij als dirigent vertoefde. De hoeveelste verhuizing was dit voor hem? “Het is al mijn twintigste verhuizing.
En ik hoop dat dit echt de laatste keer is. Het moeilijkste is de confrontatie met alles wat je in al die jaren hebt verzameld.

Dat u komt wonen in Antwerpen is een teken van engagement. Wat betekent het voor u om in de stad van uw orkest te wonen?

“Een werkweek met repetities en concerten is heel druk. Als ik dan enkel mijn hotel zie en vervolgens snel het vliegtuig neem, hoor ik niet echt bij het orkest. Ik wil geen ufo zijn die af en toe komt binnenvliegen.
Er zijn dagen zoals vandaag: ik kom langs voor dit interview en tegelijk loop ik muzikanten tegen het lijf voor een informeel praatje. Dan voel je meer van wat er leeft in het orkest.

Het is ook een keuze voor meer levenskwaliteit. Onze kinderen van negen en elf jaar kunnen hier naar de internationale school in Ekeren. Die context maakt een meer normaal bestaan mogelijk. De voorbije jaren woonde ik in Madison, Wisconsin in de Verenigde Staten. Voor elke dirigeeropdracht moest ik vliegen. Omdat ik er niet vaak was, had ik er geen sociale binding. Nu ga ik genieten van de centrale ligging, en van de luxe om niet te veel werk aan te nemen.”

In 2008 dirigeerde u de Filharmonie voor het eerst in muziek van een vriend, John Adams. Onlangs speelde u nog eens met het orkest, in een concert met Schönberg en Richard Strauss. Welk beeld hebt u al van het orkest?

“Bij de eerste samenwerking, met Harmonielehre van John Adams, was ik verrast door de snelheid waarmee het orkest die muziek onder de knie had. En er was de gretigheid waarmee de muzikanten repeteerden, dat is me ook bijgebleven.

Mijn eerste ontmoetingen met dit orkest zou ik vergelijken met een persoon met wie je goede gesprekken hebt gehad en die je nogmaals wilt ontmoeten. Daar kan ik nog veel van opsteken, denk je dan.
Er zit elektriciteit in de lucht als we samen musiceren. Hoe ver we in die samenwerking geraken, laat ik me niet opleggen. Je kan niet in een contract zetten dat er garantie voor een bepaald resultaat moet zijn. En ik ga ook geen ronkende verklaringen afleggen over de hoge toppen die we gaan scheren. Maar waar ik wel zeker van ben, is het enorme wederzijdse enthousiasme om te werken.“

Hoe koos u de muziek voor uw eerste concerten als chef-dirigent, in Hasselt, Antwerpen en Apeldoorn?

“Het is muziek waar ik enorm op gesteld ben. De Achtste symfonie van Dvořák was het stuk waarmee ik mijn contract kreeg bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest, toen ik 23 was. Vreemd genoeg heb ik het daarna niet zo vaak meer gedirigeerd. De Concertante symfonie van Mozart komt voort uit mijn liefde voor de blazers en mijn eerste liefde, de hobo.”

Wordt u als chef-dirigent betrokken bij het akoestisch concept voor de nieuwe Koningin Elisabethzaal, die in 2014 klaar moet zijn?

“Steeds meer, al is het ontwerp al grotendeels klaar. Ik schat het goed in, het heeft echt een hoog potentieel. Maar ik ben altijd voorzichtig omdat ik al een paar nare ervaringen heb meegemaakt.
In San Francisco kwam ik toe op het moment dat de Davies Hall net klaar was: een knap gebouw maar een akoestische catastrofe.

In Sydney, in de wereldberoemde opera-en concertzaal, heb ik tien jaar gewerkt. Het is een prachtig gebouw, maar een echte schuur om in te spelen. Akoestisch is daar alles fout gegaan omdat ze op het laatste moment de concertzaal en de operazaal hebben omgewisseld. Ze hebben daar nu een operazaal zonder coulissen. En een zaal voor symfonieorkest met een theatertoren. Akoestiek is een moeilijke wetenschap. Er zijn zalen die net de goede maten hebben, maar de verkeerde materialen gebruiken.
Soms is het een detail in de verhoudingen dat voor problemen zorgt. Dat ervaar je pas als je er echt in zit. Maar de toekomstige Elisabethzaal zoals die nu op papier voorligt, lijkt aan alle akoestische basisregels te voldoen.”

U hebt ook duidelijk gemaakt dat dit contract met de Filharmonie uw laatste job wordt.

“Over tien jaar zal ik geen vaste baan meer hebben. Dat mag ik toch hopen op mijn tachtigste. En er is ook een moment waarop je moet durven zeggen: is het zo interessant wat ik nog te zeggen heb? Wanneer je langer dan tien jaar bij een orkest zit en voor de vierde keer de Eerste symfonie van Brahms brengt, is het beter dat er iemand anders voor het orkest komt te staan. Het geeft me een goed gevoel dat dit orkest een orgelpunt is op mijn carrière.”