Waar vandaan: Actueel >

Actueel - Pensioenfondsen hebben nog stevige buffer

Archief

De Belgische pensioenfondsen beschikken over een ,,buffer'' die gemiddeld 45 procent groter is dan nodig om hun toekomstige verplichtingen na te komen. Dat concludeert de Belgische Vereniging van Pensioenfondsen (BVPF) op basis van een enquête bij haar leden.

Een pensioenfonds int elk jaar bijdragen van werknemers en werkgevers, belegt die op lange termijn en bouwt zo een kapitaal op dat wordt verdeeld onder de werknemers die met pensioen gaan. Het klinkt eenvoudig, maar het vereist wel dat je ingewikkelde berekeningen maakt die uitgaan van voorspellingen op zeer lange termijn: hoe zal de leeftijdsstructuur van de aangeslotenen er over x jaar uitzien, wat zullen onze beleggingen opbrengen, en hoe groot is het kapitaal dat we vandaag in die hypothese moeten hebben?

De Belgische wet voorziet in minimale criteria die voor dergelijke actualisatieberekeningen moeten worden gebruikt. De BVPF ging voor de eerste keer na hoe het -- op basis van die criteria -- gesteld is met de financieringsbehoefte van haar leden.

En dat blijkt nogal mee te vallen: bij 53 bevraagde fondsen bedroeg de overfunding vorig jaar gemiddeld 145 procent -- er is dus 45 procent meer geld dan nodig om de verplichtingen na te komen. In 2000 bedroeg die buffer wel nog 62,5 procent. ,,Ondanks twee slechte beursjaren blijft de funding opmerkelijk goed'', besluit BVPF-directeur Hugo Clemeur. ,,De fondsen zijn in staat om de huidige schok op de beurs te absorberen.''

Het onderzoek slaat alleen op de fondsen die werken volgens het zogenaamde Defined Benefit -principe (DB), waarbij de bijdragen variabel zijn, maar de aangeslotenen bij hun pensioen recht hebben op een vastgelegde uitkering. Uit de jaarlijkse enquête van de BVPF blijkt dat 60 procent van de huidige pensioenplannen nog van het DB-type zijn.

De groei in de sector zal echter komen van de zogenaamde Defined Contribution -plannen (DC). Bij zo'n systeem liggen de bijdragen vast, maar hangt het bedrag van de pensioenuitkering af van het beleggingsresultaat -- min of meer vergelijkbaar met het systeem van individueel pensioensparen. Momenteel zijn DC-plannen goed voor 27 procent van het totaal (nog eens 13 procent zijn gemengde systemen). Maar de nieuwe sectorfondsen die er met de invoering van het WAP zitten aan te komen, zullen bijna zeker voor het DC-systeem kiezen.

Karel Stroobants verwacht dat er de komende jaren zeker 10 á 15 sectorfondsen zullen bijkomen, in navolging van het fonds dat Agoria al oprichtte voor de metaalsector en dat zo'n 160.000 leden telt. De dekkingsgraad van de tweede pijler zal daardoor aanzienlijk toenemen.

Het gros van het beheerde vermogen in de sector -- zowat 10,5 miljard euro -- zit blijkens de enquête (die betrekking heeft op 85 procent van dit bedrag) geconcentreerd bij enkele grote spelers. Zo telde de BVPF 18 fondsen die samen 6,6 miljard euro beheren, tegenover 65 kleintjes die samen goed zijn voor slechts 436 miljoen.

Adviseur Tony Ossenblok, die de enquête uitvoerde, merkt op dat de pensioenfondsen een tweede opeenvolgende jaar met rode cijfers schreven: gemiddeld boekten ze een negatief rendement van 5,1 procent, na de -0,07 procent van 2000. Maar dat doet geen afbreuk aan de stevige rendementen over langere periodes: gemiddeld 3 procent per jaar over de voorbije drie jaar, 8,9 procent over 10 jaar en 7,8 procent over 15 jaar. Na aftrek van inflatie worden op lange termijn nog rendementen gehaald van 5,5 á 7 procent.

Ossenblok onderzocht ook of er een verband bestaat tussen de omvang van een fonds en zijn prestaties. Er blijkt inderdaad een licht positieve correlatie te zijn. Een gevolg van schaalvoordelen, maar wellicht ook van het feit dat de grotere fondsen gemiddeld meer in aandelen beleggen, denkt Stroobants.

In de inhoudelijke verdeling van de portefeuilles zit er de jongste jaren niet veel beweging meer. De verhouding aandelen/obligaties lag in 1985 nog op 26/54 procent en stabiliseerde zich sinds de tweede helft van de jaren '90 rond 50/40 procent. De pensioenfondsen hielden vorig jaar wel opmerkelijk meer liquiditeiten aan dan in ,,normale'' jaren. De euro is bij uitstek de basismunt in de portefeuilles (55 procent van de aandelenbeleggingen en zelfs 90 procent van de obligaties luiden in de eenheidsmunt).

 

 

rss