Waar vandaan: Actueel >
Actueel - Een jaartje meer, een procentje minder gezond ?
| Archief |
Iets minder dan drie op vier Belgen verklaren dat hun algemene gezondheidstoestand goed tot zeer goed is. Mannen zijn er iets geruster in dan vrouwen: bijna acht op tien mannen vinden hun gezondheid op z’n minst goed, tegen iets minder dan zeven op tien vrouwen. De tevredenheid over de gezondheid neemt af met de jaren. Gemiddeld gaat onze ervaren gezondheid er ieder jaar met één procent op achteruit. Leeftijd en geslacht zijn niet de enige bepalende factoren. Ook het opleidingsniveau en het feit of men al dan niet een job heeft, zijn gecorreleerd met de gepercipieerde gezondheid. Uit een vergelijking van de onderzochte factoren blijkt dat leeftijd de factor is die het meest invloed heeft op de ervaren gezondheidstoestand, gevolgd door opleidingsniveau en beroepsstatuut, twee factoren die ongeveer even sterk zijn. De invloed van het geslacht weegt veel minder door.
Internationaal gezien scoort België helemaal niet slecht. Belgische mannen en vrouwen zijn proportioneel vaker tevreden over hun gezondheid dan hun Europese broers en zusters. Belgen voelen zich ongeveer even fit als Nederlanders en Oostenrijkers, maar fitter dan Fransen, Britten, Grieken, Italianen en (vooral) Portugezen. Spanjaarden, Ieren, Denen, Zweden schatten hun gezondheid dan weer hoger in.
Ieren meest tevreden over hun gezondheid, Portugezen het minst
Volgens de definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) is gezondheid niet alleen de afwezigheid van ziekte of een handicap, maar een toestand van compleet fysiek, mentaal en sociaal welbevinden.
Internationaal gezien scoort België niet slecht qua gepercipieerde gezondheid. Ieren zijn het meest tevreden; 80,9 procent van de Ieren voelt zich goed tot zeer goed. Zij worden op vrij ruime afstand gevolgd door de Zweden (waar 76,1 procent van de bevolking zich fit voelt), de Spanjaarden (75,8 procent), de Denen (75,7 procent), de Nederlanders (73,3 procent), de Belgen (73,0 procent) en de Oostenrijkers (72,6 procent).
De appreciatie van de gezondheidstoestand is het laagst bij de Portugezen (slechts 46,7 procent voelt zich fit), de Fransen (55,9 procent), de Italianen (59,3 procent), de Grieken (68,5 procent) en de Britten (68,7 procent). De zuiderse landen, met uitzondering van Spanje, bengelen dus achteraan. Overigens is het grote verschil tussen Spanjaarden en Portugezen, twee buurlanden, opvallend.
In België voelt 68,8 procent van de vrouwelijke bevolking zich goed tot zeer goed, tegen 63,3 procent in de twaalf onderzochte landen samen. De doorsnee Belgische vrouw voelt zich dus fitter dan de gemiddelde Europese vrouw.
Mannen doen het op dat vlak zelfs nog beter: van de Belgische populatie is 77,7 procent tevreden of zeer tevreden over zijn gezondheid, tegen 70,5 procent in de twaalf onderzochte landen samen.
Het verband tussen geslacht en gezondheid
In ons land vonden 78 op 100 mannen en 69 op 100 vrouwen hun algemene gezondheidstoestand in de twaalf maanden voorafgaand aan het onderzoek goed tot zeer goed. Uit de cijfers van de Europese Commissie blijkt dat in elk van de twaalf onderzochte landen mannen vaker een goede of zeer goede gezondheid rapporteren dan vrouwen. De gemiddelde gradiënt bedraagt 1,11. Dat betekent dat de quotering die mannen aan hun eigen gezondheid geven gemiddeld 11 procent hoger ligt dan de quotering die vrouwen geven aan hun gezondheid.
De grotere tevredenheid van mannen over hun eigen gezondheid lijkt op het eerste zicht tegenstrijdig. Vrouwen hebben immers nog steeds een hogere levensverwachting dan mannen. Maar de levensverwachting in goede gezondheid van mannen en vrouwen verschilt nauwelijks. Dat blijkt uit een studie van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (1). Mannen van 25 hebben gemiddeld 37,5 jaar in als goed ervaren gezondheid voor de boeg, vrouwen van die leeftijd 37,6 jaar. Dat is respectievelijk 76 en 67 procent van de te verwachten levensjaren.
Dat er wel degelijk vrij aanzienlijke zondheidsverschillen bestaan tussen mannen en vrouwen, blijkt uit de resultaten van de Gezondheidsenquête 2001 van het WIV en het NIS. Daarin werd gepeild naar de prevalentie van 35 belangrijke ziekten en aandoeningen. Van de 34 aandoeningen die gemeenschappelijk zijn - verzakking van de baarmoeder komt alleen voor bij vrouwen, prostaatklachten alleen bij mannen - komen er vier ongeveer even vaak voor (nierstenen, gebroken heup, breuk van de wervelkolom en ziekte van Parkinson), zijn er vier die frequenter optreden bij mannen (astma, ernstige hartkwaal of hartinfarct, epilepsie en een beroerte en de gevolgen ervan) terwijl alle 26 overige vaker voorkomen bij vrouwen.
De grootste geslachtsverschillen zijn te vinden voor osteoporose (komt 4,5 maal vaker voor bij vrouwen dan bij mannen), schildklierafwijkingen (maal 3,6), chronische blaasontsteking (maal 2,7) en migraine (maal 2,4). Ook gewrichtsslijtage (plus 68 procent), gewrichtsontsteking (plus 95 procent) en andere vormen van gewrichtsreuma (plus 120 procent), depressie (plus 47 procent), langdurige vermoeidheid (plus 115 procent), ernstige darmstoornissen (plus 57 procent) en hoge bloeddruk (plus 24 procent) komen vaker of veel vaker voor bij vrouwen.
Mogelijk rapporteren vrouwen voorkomende gezondheidsproblemen ook iets sneller dan mannen, of laten ze zich sneller onderzoeken. Uit diezelfde Gezondheidsenquête blijkt dat meer vrouwen een arts raadplegen en dat ze dat ook vaker doen. Per jaar heeft een vrouw gemiddeld 7,5 contacten met de huisarts, een man 5,5. Op 100 vrouwen hebben er tijdens het afgelopen jaar 84 een huisarts geconsulteerd; op 100 mannen waren dat er 77. Meer vrouwen dan mannen hebben een vaste huisarts (96 op 100, tegen 93 op 100 bij mannen). (2)
Als mannen een huisarts consulteren, dan blijkt dit vooral voor problemen van het bewegingsapparaat (27,2 procent van de gevallen), problemen van het ademhalingsstelsel (26,4 procent), problemen met hart en bloedvaten (13,3 procent) en problemen van het spijsverteringsstelsel (8,5 procent) te zijn. (2)
Vrouwen zoeken de huisarts op voor moeilijkheden in verband met het ademhalingsstelsel (25,5 procent van de gevallen), het bewegingsapparaat (20,1 procent), hart en bloedvaten (13,2 procent) en het spijsverteringsstelsel (10,5 procent). Psychische problemen zijn bij vrouwen prominenter aanwezig (9 procent) dan bij mannen (5,4 procent). Ook algemene klachten of ziekten komen bij vrouwen vaker voor dan bij mannen (7,8 procent tegen 6,6 procent). (2)
Tevens worden vrouwen vaker opgenomen in een ziekenhuis. Jaarlijks worden 14,4 op 100 vrouwen en 13 op 100 mannen opgenomen. (3) Vrouwen verblijven ook langer in het ziekenhuis: gemiddeld 9 nachten, mannen 7,2 (4). De gemiddelde ligduur stijgt in functie van de leeftijd en is vooral hoog bij vrouwen van 75 jaar en meer. Gestandaardiseerd voor leeftijd is het verschil in gemiddelde ligduur tussen mannen en vrouwen niet langer significant.
De reden van opname verschilt eveneens. Als mannen naar een ziekenhuis moeten, ondergaan ze er vaker een heelkundige ingreep (in 61,8 procent van de gevallen) dan vrouwen (51,1 procent). 26,4 procent van de mannen werd nog nooit in een ziekenhuis opgenomen, tegen 24,2 procent van de vrouwen. (2)
Dit onderzoek naar de appreciatie van de eigen algemene gezondheidstoestand brengt verschillen tussen de twee seksen aan het licht, maar ook inzake psychische gezondheid bestaan er systematische verschillen tussen mannen en vrouwen. In 2001 bijvoorbeeld verklaarden 20 op 100 mannen en 29 op 100 vrouwen dat ze met psychische problemen te kampen hebben. (2)
De regel dat mannen meer tevreden zijn over hun gezondheid dan vrouwen, gaat op voor al de onderzochte landen. De kleinste verschillen tussen de twee geslachten treden op in Denemarken en Ierland, de grootste in Portugal en Italië. Bij het jongere bevolkingsdeel is de gezondheidskloof kleiner.
Het verband tussen leeftijd en gezondheid
De gezondheidsperceptie vertoont ook een directe relatie met de leeftijd. Hadden in België iets meer dan acht procent van de respondenten tussen de 15 en 24 jaar het gevoel dat het in het algemeen niet zo best ging met hun gezondheid, dan is dit voor de leeftijdsklasse tussen 75 en 84 jaar reeds opgelopen tot 54,6 procent.
De tevredenheid over de gezondheid neemt dus af met de jaren. Grosso modo kan men stellen dat het percentage mensen dat zijn gezondheid goed tot zeer goed noemt, met ongeveer tien procent afneemt per decennium. Anders gezegd: per jaar verliezen we iets meer dan één procent van onze “ervaren” gezondheid (1,28 procent om precies te zijn) (5). In de leeftijdsgroep van 25 tot 34 jaar is de afname nog beperkt (0,3 procent per jaar), maar vanaf de leeftijdsgroep van 35 tot 44 bereikt ze de 1 procent. In de leeftijdsgroep van 65 tot 74 versnelt de ervaren achteruitgang van de gezondheid tot 1,8 procent. Een tweede versnelling doet zich voor bij hoogbejaarden, bij wie de gezondheid opnieuw sterk lijkt te verslechteren. Het is mogelijk dat dit komt doordat mensen in dat stadium meer en meer hun fysieke autonomie verliezen en afhankelijk worden van derden.
De afkalving van het zich gezond voelende bevolkingsaandeel in functie van de leeftijd is algemeen, op één uitzondering na. Mannen van 25 tot 34 jaar voelen zich doorgaans net iets beter dan hun adolescente en jongvolwassen seksegenoten van 15 tot 24: 93,7 procent van de 25- tot 34-jarigen jonge mannen voelt zich fit of topfit tegen 92,9 procent van de jongelui van 15 tot 24, hetgeen neerkomt op een (lichte) toename met bijna één procentpunt.
Bij vrouwen daalt de subjectieve gezondheidsbeleving vrij sterk tussen deze twee leeftijdsgroepen: van de 15- tot 24-jarigen voelt 90,1 procent zich gezond, van de 25- tot 34-jarigen nog 84,7 procent, een afname met meer dan 5 procentpunt.
In alle onderzochte landen stelt men een afname vast van de ervaren gezondheid naarmate de leeftijd vordert, maar de snelheid van deze achteruitgang verschilt van land tot land. In Portugal, Italië en Griekenland is het verschil tussen de gepercipieerde gezondheid van jonge mensen en oude mensen het grootst, in het Verenigd Koninkrijk en Ierland het kleinst. Ook in Denemarken, Nederland en ons eigen land verloopt de afname van de zelf ervaren kwaliteit van de gezondheid relatief traag.
Nog een opvallend feit: Belgische mannen voelen zich op elke leeftijd gezonder dan Belgische vrouwen, maar bij hoogbejaarden geldt deze stelregel niet meer. In de categorie 85+ zijn er meer vrouwen dan mannen die hun algemene gezondheidstoestand ten minste als goed omschrijven.
Het verband tussen opleidingsniveau en gezondheid
De subjectieve gezondheid vertoont een positieve correlatie met het opleidingsniveau. Dat wil zeggen: hoe hoger geschoold, hoe meer tevreden men doorgaans is over zijn gezondheid.
Een goede of zeer goede gezondheid wordt vaker gerapporteerd door personen die een diploma van het hoger onderwijs behaalden (84,9 procent van de gevallen) dan door mensen van wie het hoogste diploma er een is van het secundair (77,5 procent kans) of het lager onderwijs (62,2 procent). Lager opgeleiden hebben een slechtere algemene gezondheidstoestand dan hoger opgeleiden.
Verschillende verklaringen kunnen hiervoor worden aangebracht. Om te beginnen is het natuurlijk een feit dat het gemiddelde scholingsniveau van het oudere bevolkingsdeel lager is. En dat oudere bevolkingsdeel heeft hoe dan ook een slechtere algemene gezondheidstoestand. Maar dat is niet de enige reden. Mensen die langer school hebben gelopen, hebben meestal ook een betere toegang tot de geneeskunde. Niet alleen omdat de financiële drempel lager ligt, maar ook omdat ze beter hun weg vinden naar en binnen de gezondheidsdiensten. Minstens even belangrijk is het bewustzijn inzake gezondheid en het al dan niet vermijden van risicogedrag.
Uit de studie (1) “Gezondheidsverwachting volgens socio-economische gradiënt in België” van Nathalie Bossuyt en Herman Van Oyen van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid blijkt dat de levensverwachting toeneemt naarmate het opleidingsniveau stijgt, maar dat de levensverwachting in goede gezondheid nog veel sterker stijgt naarmate het opleidingsniveau hoger ligt. Dat blijkt duidelijk uit de onderstaande tabel.
Zo hadden vrouwen en mannen van 25 zonder diploma (in de periode 1991 tot 1997) een levensverwachting van respectievelijk 55 en 48,1 jaar, terwijl vrouwen en mannen met een diploma hoger onderwijs van het lange type op zak mochten hopen nog 58,5 respectievelijk 53,6 jaar te leven - of een verschil van 3,5 (vrouwen) en 5,5 (mannen) jaar.
Het verschil in levensverwachting in goede gezondheid is echter veel groter dan het verschil in levensverwachting zelf: bij vrouwen van 25 zonder diploma bedraagt die verwachting 24,4 jaar, bij vrouwen met een diploma hoger onderwijs van het lange type 49,1 jaar - een verschil van liefst 24,7 jaar. Mannen van 25 zonder diploma hebben een levensverwachting in goede gezondheid van 28,1 jaar, mannen met een diploma hoger onderwijs van het lange type 45,9 jaar - zijnde een verschil van 17,8 jaar.
Het verband tussen activiteitsstatuut en gezondheid
Ook het feit of iemand al dan niet aan het werk is, is gecorreleerd met de subjectieve gezondheidstoestand. Van de actieven zegt 83,7 procent in een goede tot zeer goede gezondheid te verkeren; voor het niet-actieve bevolkingsdeel zakt dat percentage tot 61,5 procent. Bij vrouwen liggen de twee percentages nog iets verder uiteen dan bij mannen.
We beschikken niet over de oorspronkelijke data, maar toch kunnen we uit de cijfers afleiden dat leeftijd de factor is die het meeste invloed heeft op de (subjectieve) gezondheid. Daarna volgen opleidingsniveau en beroepsstatuut. Het geslacht is de minst belangrijke component van de vier onderzochte.
Voetnoten
(1) Gezondheidsenquête 1997 van het WIV en het NIS (Statistiek en Economische Informatie, FOD Economie), NIS-overlijdensstatistieken en NIS-volkstelling van 1991.
(2) Gegevens uit de Gezondheidsenquête 2001 van het WIV en het NIS (Statistiek en Economische Informatie, FOD Economie).
(3) Bevallingen zijn in deze cijfers niet meegerekend, daghospitalisaties en opnames in psychiatrische ziekenhuizen wel.
(4) Opnames in psychiatrische ziekenhuizen niet meegerekend.
(5) De cijfers hebben betrekking op de achteruitgang van de ervaren gezondheid van de ene leeftijdsgroep ten opzichte van de andere. Het gaat dus niet om eenzelfde groep individuen, van wie men het verloop van de ervaren gezondheid doorheen de tijd heeft gevolgd. De reële gemiddelde achteruitgang van de ervaren gezondheid van eenzelfde groep individuen kan groter of kleiner zijn dan de in de huidige, volledige populatie gemeten achteruitgang. De ervaren gezondheidstoestand van de generaties die thans opgroeien kan immers anders evolueren dan de ervaren gezondheidstoestand van de vorige generaties. Verschillen qua risicogedrag, voedingsgewoonten, mate van lichaamsbeweging, opvolging van de gezondheidstoestand, kwaliteit van het zorgsysteem, kwaliteit van het sociale netwerk en verwachtingen van het individu zijn de determinanten van deze uiteenlopende evolutie.
Auteurs
Alain Moerenhout en Erik Vloeberghs.
Bron:
NIS (Nationaal Instituut voor de Statistiek - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie - FOD Economie)
Meer info: http://www.statbel.fgov.be/port/hea_nl.asp