Waar vandaan: Actueel >
Actueel - Antwerpse vorsers voorspellen builenpest
| Archief |
Builenpest is een van de oudst bekende besmettelijke ziekten, die miljoenen levens heeft gekost. De ziekte lijkt nu 'ver van ons bed'. Maar kunnen wij daar wel zo zeker van zijn? Prof. Herwig Leirs maant aan tot waakzaamheid. Onderzoekers van de Universiteit Antwerpen bewezen immers voor het eerst een belangrijke epidemiologische theorie en ontwikkelden tegelijkertijd ook een methode om het uitbreken van builenpest in Kazakstan te voorspellen. Hun rapport verschijnt deze week in het vakblad Science.
In de Middeleeuwen maakte de builenpest op enkele jaren tijd bijna 35 miljoen slachtoffers over heel Europa en roeide zo ongeveer een derde van de toenmalige Europese bevolking uit. Niet verwonderlijk dat de namen voor die ziekte, 'pest' en 'plaag', in ons taalgebruik voortleven om alles wat slecht is te benoemen.
Wie besmet wie?
Eigenlijk is builenpest een bacterieziekte bij knaagdieren, die door vlooien wordt overgedragen. Bij sommige knaagdiersoorten veroorzaakt de bacterie weinig last en leeft de rat, muis of eekhoorn vrolijk verder. Andere knaagdieren, zoals de zwarte rat, sterven aan de infectie. Als een besmette vlo een mens bijt (toevallig of uit noodzaak omdat alle ratten ondertussen gestorven zijn aan de pest), raakt de mens ook besmet. In Europa is de ziekte al meer dan 100 jaar niet meer vastgesteld, maar dat betekent allerminst dat ze overal verdwenen zou zijn. Jaarlijks worden ongeveer 2000 gevallen gerapporteerd aan de Wereldgezondheidsorganisatie, de meeste uit Afrika, maar ook uit Azië en Noord- en Zuid-Amerika.
De gevarenzone
In Kazakstan komt de bacterie voor bij woestijnratten (een grote verwant van de gerbils, die je hier soms in dierenwinkels ziet). De dieren leven in familiegroepen, die elk hun eigen burcht met gangensysteem hebben en zijn wijdverspreid in de steppe van heel Centraal-Azië. In de eerste helft van de twintigste eeuw stierven er in Kazakstan in sommige jaren honderden mensen aan builenpest, die ze hadden overgekregen van die woestijnratten. Eind jaren veertig werd daarom een grootschalig bestrijdingssysteem opgezet. De kern hiervan was een intensieve monitoring: over heel Kazakstan (een land meer dan 5 keer zo groot als Frankrijk) waren meer dan honderd teams heel het jaar in de weer om woestijnratten en vlooien te vangen, bloed- en weefselstalen te nemen en die te onderzoeken op builenpest. Zodra pest geconstateerd werd, werden de grote middelen ingezet om de vlooien onmiddellijk en grootschalig te bestrijden: vrachtwagens reden door de steppe en bliezen wolken insecticiden in het rond. De strategie had succes, want sindsdien waren er nagenoeg geen menselijke slachtoffers meer. Maar het intensieve onderzoek was verschrikkelijk duur en na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie kon het niet worden voortgezet. Het was immers het Russische leger dat voor de bestrijding zorgde. De Europese Unie steunde daarom een project dat moest trachten een alternatieve methode te vinden om builenpest bij de knaagdieren te voorspellen.
Het onderzoek: ratten tellen
Een internationaal team onder leiding van de Antwerpse biologieprofessor Herwig Leirs, en met de uit Australië aangetrokken wiskundige Stephen Davis voorop, onderzocht de tienduizenden gegevens die Kazakstaanse onderzoekers de afgelopen vijftig jaar bijeenbrachten. Door een vergelijking van de lange tijdreeksen ontdekten ze dat builenpest enkel voorkwam indien de aantallen woestijnratten twee jaar tevoren voldoende hoog waren geweest. Door deze vaststelling is het mogelijk om voortaan het risico op builenpest reeds twee jaar op voorhand te voorspellen. Bovendien wordt het veel goedkoper, omdat het dure en tijdrovende vangen en testen in het laboratorium niet meer zo vaak nodig zal zijn: het tellen van het aantal bewoonde woestijnratburchten is al voldoende.
Daarmee werd ook de al lang bestaande maar nooit eerder bewezen 'drempelwaarde'-theorie uit de epidemiologie aangetoond. Die theorie gaat er van uit dat een ziekte zal uitsterven indien de populatiedichtheid van de gastheer te klein wordt. Besmette individuen hebben dan immers te weinig kans om andere, nog niet besmette individuen tegen te komen en ze op hun beurt te besmetten, vooraleer ze zelf ofwel sterven aan de ziekte, ofwel genezen en daardoor niet meer besmettelijk zijn. De 'drempelwaarde'-theorie bestaat al jaren, maar voor het eerst zijn er nu gegevens uit de realiteit die ze ondersteunen. Zodra er voldoende woestijnratten zijn, duikt de builenpest op en breidt ze zich snel uit; wanneer de aantallen woestijnratten dalen, verdwijnt de pest weer. Waar de pest zich dan in die periode ophoudt, blijft voorlopig nog een raadsel.
Europa in gevaar?
Voor Europa lijkt het builenpest-verhaal nog een ver-van-mijn-bed-show, maar
dat zou wel eens een gevaarlijke inschatting kunnen zijn. Builenpest is hier
in het verleden geweest en kan dus ook opnieuw opduiken. Klimaatsveranderingen
kunnen de omstandigheden verbeteren voor knaagdiersoorten die geschikt zijn
als reservoir. Het veelvuldig reizen naar streken waar builenpest bij inheemse
knaagdieren voorkomt en de dreiging van biologisch terrorisme verhogen het risico
dat de bacterie tot hier geraakt. Vorig jaar nog was er, na 50 jaar afwezigheid,
plotseling een kleine pestepidemie in de Algerijnse havenstad Oran, juist over
de Middellandse Zee, op een paar honderd km van de kusten van Europa. Blijven
oppassen is dus de boodschap.