Goeiedag,
Ik vraag me toch af hoe dat we die septembermaand van 1944, die volle 30 dagen aan voldoende eten zijn geraakt, alleszins weinig maar toch voldoende want ik kan niet zeggen dat we erg hebben afgezien van de honger. Eigenlijk was dat te verwaarlozen als ge het vergelijkt met mensen in arme afrikaanse landen, of in kampen, die echt bijna niets te eten hebben. Bij gelegenheid kom ik toch nog eens terug op de rantsoenering en zo tijdens de oorlog. Maar eerst nog eens terug naar de bevrijding.
Terwijl we de eerste engelsen stonden te verwelkomen,, kwamen de mannen van het verzet te voorschijn. Men kon ze herkennen aan hun outfit, die meestal bestond uit een overal, een witte band, een alpenmuts of een helm, een oude belgische of een engelse diepe schotel, en een geweer. Ze hielden zich bezig met het opzoeken van colaborateurs. Sommigen hadden een duitser weten te verschalken, en liepen er mee over straat, één duitser met de handen op het hoofd geflankeerd door 3 verzetsmensen, het wapen in aanslag. Met colaborateurs hadden ze succes bij de bevolking. colaborateurs, waren mensen die verdacht werden te hebben samen gewerkt met de bezetter. Colaborateurs waren beter bekend onder de benaming "zwarten".
Op de bredabaan niet ver van bij ons, hadden het verzet een zwarte uit zijn winkel gehaald en hij moest tussen de joelende menigte allerlei dingen doen of laten doen, ik weet niet wat, tot vermaak van de mensen, niet voor mij, ik walgde ervan. Wat de man eigenlijk had mispeuterd weet ik niet, en het joelende volk wist het eigenlijk ook niet zo precies. Maar het was een operazanger in de opera van Antwerpen, en daar kwamen in de oorlog ook duitsers, enz.enz. de link tot de collaboratie was gelegd. In zijn winkel verkocht hij - eigenijk weet ik het niet - maar het zal wel niet koosjer zijn geweest. En daar bovenop was hij homo.
Aan de overkant van Bredabaan, vooraan in de Wuytslei, was ook van alles te doen bij het huis van August Borms, zeer gekend uit de vlaamse beweging. Ik heb die man nooit van mijn leven gezien, misschien woonde hij daar niet meer, maar wel zijn zoon en kleinkinderen, en die moesten
het dan maar ontgelden.
Ik ging dan maar verder om te zien hoe het gesteld was met de oude kerk en verder met den ijskelder.
Ik kwam niet verder dan de l'Arbrelaan, de straat die naar het sportpaleis en naar Antwerpen leidt. Het was daar merkwaardig rustig, maar aan één huis zag ik beweging. Buiten op de rand van het trottoir stond een jongen iets jonger dan ikzelf, 15 jaar misschien. Hij stond er met de armen op het hoofd en snikte, de tranen rolden over de wangen. De deur van het huis stond open en ik zag binnen een paar verzetsmensen. Waarschijnlijk woonde er een zwarte waar ze mee moesten afrekenen. Het was wel merkwaardig dat ik de enige was die daar in de buurt was. Ik ben maar naar huis gegaan.
Die laatste gebeurtenis heeft nog lang in mijn hoofd gespeeld, zelfs nog tot de dag van vandaag, al is dat 62 jaar geleden. Ik was beschaamd dat ik daar wegvluchtte en dat ik niet de moed had om die jongen bij de hand te nemen en hem ergens naar een veilige plek te brengen. De held uithangen enfin.
En morgen komt er nog een dag.
Tot dan.
----------------------
Viva Boma, Patatten met sausissen (Antwerps volksliedje, 1544)
Ik vraag me toch af hoe dat we die septembermaand van 1944, die volle 30 dagen aan voldoende eten zijn geraakt, alleszins weinig maar toch voldoende want ik kan niet zeggen dat we erg hebben afgezien van de honger. Eigenlijk was dat te verwaarlozen als ge het vergelijkt met mensen in arme afrikaanse landen, of in kampen, die echt bijna niets te eten hebben. Bij gelegenheid kom ik toch nog eens terug op de rantsoenering en zo tijdens de oorlog. Maar eerst nog eens terug naar de bevrijding.
Terwijl we de eerste engelsen stonden te verwelkomen,, kwamen de mannen van het verzet te voorschijn. Men kon ze herkennen aan hun outfit, die meestal bestond uit een overal, een witte band, een alpenmuts of een helm, een oude belgische of een engelse diepe schotel, en een geweer. Ze hielden zich bezig met het opzoeken van colaborateurs. Sommigen hadden een duitser weten te verschalken, en liepen er mee over straat, één duitser met de handen op het hoofd geflankeerd door 3 verzetsmensen, het wapen in aanslag. Met colaborateurs hadden ze succes bij de bevolking. colaborateurs, waren mensen die verdacht werden te hebben samen gewerkt met de bezetter. Colaborateurs waren beter bekend onder de benaming "zwarten".
Op de bredabaan niet ver van bij ons, hadden het verzet een zwarte uit zijn winkel gehaald en hij moest tussen de joelende menigte allerlei dingen doen of laten doen, ik weet niet wat, tot vermaak van de mensen, niet voor mij, ik walgde ervan. Wat de man eigenlijk had mispeuterd weet ik niet, en het joelende volk wist het eigenlijk ook niet zo precies. Maar het was een operazanger in de opera van Antwerpen, en daar kwamen in de oorlog ook duitsers, enz.enz. de link tot de collaboratie was gelegd. In zijn winkel verkocht hij - eigenijk weet ik het niet - maar het zal wel niet koosjer zijn geweest. En daar bovenop was hij homo.
Aan de overkant van Bredabaan, vooraan in de Wuytslei, was ook van alles te doen bij het huis van August Borms, zeer gekend uit de vlaamse beweging. Ik heb die man nooit van mijn leven gezien, misschien woonde hij daar niet meer, maar wel zijn zoon en kleinkinderen, en die moesten
het dan maar ontgelden.
Ik ging dan maar verder om te zien hoe het gesteld was met de oude kerk en verder met den ijskelder.
Ik kwam niet verder dan de l'Arbrelaan, de straat die naar het sportpaleis en naar Antwerpen leidt. Het was daar merkwaardig rustig, maar aan één huis zag ik beweging. Buiten op de rand van het trottoir stond een jongen iets jonger dan ikzelf, 15 jaar misschien. Hij stond er met de armen op het hoofd en snikte, de tranen rolden over de wangen. De deur van het huis stond open en ik zag binnen een paar verzetsmensen. Waarschijnlijk woonde er een zwarte waar ze mee moesten afrekenen. Het was wel merkwaardig dat ik de enige was die daar in de buurt was. Ik ben maar naar huis gegaan.
Die laatste gebeurtenis heeft nog lang in mijn hoofd gespeeld, zelfs nog tot de dag van vandaag, al is dat 62 jaar geleden. Ik was beschaamd dat ik daar wegvluchtte en dat ik niet de moed had om die jongen bij de hand te nemen en hem ergens naar een veilige plek te brengen. De held uithangen enfin.
En morgen komt er nog een dag.
Tot dan.
----------------------
Viva Boma, Patatten met sausissen (Antwerps volksliedje, 1544)