Malediven 2
Wij voeren zuidwaarts en hadden voortdurend zicht op de archipel aan bakboord.
Piet had niet te veel vertrouwen in zijn gyrokompas, daarom hield hij het bij “land in zicht”; dat hij als een volleerde zeeman uitgilde als er weer eens een eilandje in zicht kwam. De scheepsmotor gromde monotoon bij het lage toerental.
“We benne toch helegaar niet gehaast, of wel, maatje !? Dat kost enkel maar een hoop gasolie” sprak mijn spaarzame schipper. Het is weliswaar een Hollander maar hij heeft gelijk dacht ik zo. Ik genoot van het heerlijke weer, de eindeloos blauwe lucht, de zachte bries en het frisse vruchtensap dat in overvloed aan boord was. Ondertussen wees Piet mij de eilanden aan die onbewoond waren. Dat waren er nogal wat. In de late namiddag stuurde Piet zijn boot wat dichter naar een eiland en liet het anker vallen. Het was plots meer dan stil toen Piet de motor uitschakelde.
Geen minuut later dook er een naakte schim sierlijk in het water. “Komaan joh!” riep mijn vriend “het is heerlijk!!” Ik liet mij niet pramen en volgde de gezagvoerder in het koele water. Zo zwommen wij een aantal rondjes rond de boot en klauterden even later, via een autoband die dienst deed als fender, weer aan boord.
“Geniet maar van het heerlijke leven, ik zorg ondertussen voor een lekker en verrassend avondmaal waar je gegarandeerd nog lang zal over praten” sprak Piet.
Even later verscheen hij weer met twee kleurrijk gevulde schotels die hij op de zeilkist, aan stuurboord, plaatste. Het leek wel een reclamebord van een groenten- en fruithandel. Piet somde, als een echte maître d’hotel op wat er allemaal voor lekkers werd opgediend. Het geheel werd met een koel wit wijntje doorgespoeld. Het smaakte overheerlijk en ik genoot van de toch wel bijzondere sfeer onder het tentzeil op het achterdek van de Dream. Het dessert was een puddinkske met een zuurzoet sausje en een “ietsebietsie mushroom” zei Piet. Voor mijn mocht dat gerust wat meer “crême fraiche” zijn dacht ik, vergetend dat Pietje een noorderbuur was. Altijd die engelse woorden in zijn volzinnen; ook weer zo iets typisch Hollands.
Eigenlijk vond ik het altijd nogal grappig maar het klonk zo gewoon dat je zou denken dat het tot de Nederlandse woordenschat hoorde.
Met de smaak van al die fijne tropische gerechten nog in mijn mond vleide ik mij neer op mijn slaapmatje dat ik had gespreid op het blank geschuurde achterdek en verloor het gevecht tegen de loomheid.
Ik zeilde heerlijk tussen droom en waak en hoorde dat Piet weer de motor startte en het schurend zoemen van de ankerlier. Wij voeren weer en ik liet mij dromend meedeinen op de bewegingen van de boot. Plots helde de boot lichtjes over naar stuurboord; daarna naar bakboord. Ik hoorde het geluid van spuiend water. De motor viel stil en het geluid van instromend water werd nog duidelijker. Piet vloekte en dook de machinekamer in. Op dat ogenblik kapseisde de Dream en werd ik overboord gekatapulteerd. Spartelend kwam ik weer aan de oppervlakte en zag dag dat de boot met de kiel naar boven borrelend naar de bodem zonk. Alleen een grote olievlek bleef zichtbaar achter. Wanhopig, draaiend en kerend in het rond schreeuwde ik Piet zijn naam. Maar ik kreeg geen antwoord. Geen enkel teken van leven. Het werd ijselijk stil rondom mij.Geen levende ziel bewoog zich in de wijde omgeving.
Na een tijdje besloot ik naar het dichtstbijzijnde eiland te zwemmen. In paniek, hopend en biddend dat Piet er ook naartoe zwom. Na een tijdje zette ik voet aan de grond en strompelde uitgeput het strand op. Hijgend ging ik in het mulle, warme zand zitten en keek naar de plek waar de Dream gezonken was. Het water gaf geen teken van leven en bleef geheimzinnig kalm en roerloos. Het duurde een tijdje alvorens ik mij vragen begon te stellen
Waar, in Gods’ naam, was ik hier beland? Een onbewoond eiland? Hoe geraakte ik hier ooit weg? Seffens valt de nacht en dan zit ik hier zonder kleren, zonder eten, en vooral voor hoe lang? Rondkijkend zag ik de dichte begroeing van bomen en struiken op het eiland. Het gekrijs, getjilp en geklop van vogels drong nu pas tot mij door. (’t vervolgt)
Wij voeren zuidwaarts en hadden voortdurend zicht op de archipel aan bakboord.
Piet had niet te veel vertrouwen in zijn gyrokompas, daarom hield hij het bij “land in zicht”; dat hij als een volleerde zeeman uitgilde als er weer eens een eilandje in zicht kwam. De scheepsmotor gromde monotoon bij het lage toerental.
“We benne toch helegaar niet gehaast, of wel, maatje !? Dat kost enkel maar een hoop gasolie” sprak mijn spaarzame schipper. Het is weliswaar een Hollander maar hij heeft gelijk dacht ik zo. Ik genoot van het heerlijke weer, de eindeloos blauwe lucht, de zachte bries en het frisse vruchtensap dat in overvloed aan boord was. Ondertussen wees Piet mij de eilanden aan die onbewoond waren. Dat waren er nogal wat. In de late namiddag stuurde Piet zijn boot wat dichter naar een eiland en liet het anker vallen. Het was plots meer dan stil toen Piet de motor uitschakelde.
Geen minuut later dook er een naakte schim sierlijk in het water. “Komaan joh!” riep mijn vriend “het is heerlijk!!” Ik liet mij niet pramen en volgde de gezagvoerder in het koele water. Zo zwommen wij een aantal rondjes rond de boot en klauterden even later, via een autoband die dienst deed als fender, weer aan boord.
“Geniet maar van het heerlijke leven, ik zorg ondertussen voor een lekker en verrassend avondmaal waar je gegarandeerd nog lang zal over praten” sprak Piet.
Even later verscheen hij weer met twee kleurrijk gevulde schotels die hij op de zeilkist, aan stuurboord, plaatste. Het leek wel een reclamebord van een groenten- en fruithandel. Piet somde, als een echte maître d’hotel op wat er allemaal voor lekkers werd opgediend. Het geheel werd met een koel wit wijntje doorgespoeld. Het smaakte overheerlijk en ik genoot van de toch wel bijzondere sfeer onder het tentzeil op het achterdek van de Dream. Het dessert was een puddinkske met een zuurzoet sausje en een “ietsebietsie mushroom” zei Piet. Voor mijn mocht dat gerust wat meer “crême fraiche” zijn dacht ik, vergetend dat Pietje een noorderbuur was. Altijd die engelse woorden in zijn volzinnen; ook weer zo iets typisch Hollands.
Eigenlijk vond ik het altijd nogal grappig maar het klonk zo gewoon dat je zou denken dat het tot de Nederlandse woordenschat hoorde.
Met de smaak van al die fijne tropische gerechten nog in mijn mond vleide ik mij neer op mijn slaapmatje dat ik had gespreid op het blank geschuurde achterdek en verloor het gevecht tegen de loomheid.
Ik zeilde heerlijk tussen droom en waak en hoorde dat Piet weer de motor startte en het schurend zoemen van de ankerlier. Wij voeren weer en ik liet mij dromend meedeinen op de bewegingen van de boot. Plots helde de boot lichtjes over naar stuurboord; daarna naar bakboord. Ik hoorde het geluid van spuiend water. De motor viel stil en het geluid van instromend water werd nog duidelijker. Piet vloekte en dook de machinekamer in. Op dat ogenblik kapseisde de Dream en werd ik overboord gekatapulteerd. Spartelend kwam ik weer aan de oppervlakte en zag dag dat de boot met de kiel naar boven borrelend naar de bodem zonk. Alleen een grote olievlek bleef zichtbaar achter. Wanhopig, draaiend en kerend in het rond schreeuwde ik Piet zijn naam. Maar ik kreeg geen antwoord. Geen enkel teken van leven. Het werd ijselijk stil rondom mij.Geen levende ziel bewoog zich in de wijde omgeving.
Na een tijdje besloot ik naar het dichtstbijzijnde eiland te zwemmen. In paniek, hopend en biddend dat Piet er ook naartoe zwom. Na een tijdje zette ik voet aan de grond en strompelde uitgeput het strand op. Hijgend ging ik in het mulle, warme zand zitten en keek naar de plek waar de Dream gezonken was. Het water gaf geen teken van leven en bleef geheimzinnig kalm en roerloos. Het duurde een tijdje alvorens ik mij vragen begon te stellen
Waar, in Gods’ naam, was ik hier beland? Een onbewoond eiland? Hoe geraakte ik hier ooit weg? Seffens valt de nacht en dan zit ik hier zonder kleren, zonder eten, en vooral voor hoe lang? Rondkijkend zag ik de dichte begroeing van bomen en struiken op het eiland. Het gekrijs, getjilp en geklop van vogels drong nu pas tot mij door. (’t vervolgt)
Het denken mag zich nooit onderwerpen!