Herinneringen!?
Raar toch dat wij met het ouder worden ook niet meer zo goed kunnen onthouden. Maar jeugdherinneringen, zoals ik hier merk, die kunnen wij ons nog helder voor de geest halen.
Zo denk ik nog vaak terug aan de kleuter- of kakschool waar ik vanaf mijn 5 jaar naar toe moest. Mijn oudere zussen moesten mij er naartoe sleuren en maar bleiren en tegenstribbelen.
Het was voor de meisjes een echte karwei om mij mee naar school te nemen. Geen enkele van de vier wilde nog met het jongste broertje de weg naar school doen. Als mijn vader een eerste eindje meeliep dan was ik nogal meegaand; temeer omdat de brave man iedere keer van een stuk tak uit het kreupelhout een fluitje maakte. Ik stond telkens sprakeloos van bewondering en liet mij dan ook gewillig meevoeren aan de hand van mijn vader die mij vervolgens overliet aan de zussen.
Ik probeer mij te herinneren hoe hij te werk ging bij het fabriceren van zo'n eenvoudig houten fluitje. Het kwam hierop neer: hij sneed een tak uit het kreupelhout en vervolgens een recht stuk van ongeveer 20 cm. uit de tak.Dan klopte hij een deel van de schors los en schoof die er van af. Over een kleine afstand, +/- 5 cm sneed hij een stukje van het uiteinde horizontaal af en maakte daarna nog een soort v-inkeping. Vervolgens schoof hij de schors terug over het uitende en de inkeping en het fluitje was af. En zowaar het floot. Ik blij als een kermisvogel.
In de eerste kleuterklas had ik zuster Christiane die ons de ganse dag onder haar hoede had. Ik vond haar een mooi nonneke die heel zacht met ons omging. Veel van de tijd brachten wij door met prikken. Uit stukken behangpapier met een bloemmotief prikten wij met een naald en op een klein kussentje de bloemen. Het gebeurde onder de grootste spanning en absolute stilte.
In de tweede kleuterklas "ontfermde" zuster Gusta zich over ons.
Ik zie nog haar enorme wrat op haar kin. Zij geurde naar stijfsel en formol. Dat laastste werd gebruikt in de wc als ontsmettingsmiddel.
Die wc's waren allemaal lage gemetste vierkanten bouwseltjes met bovenop een plank met een rond gat erin. Het gat was zo groot dat wij er bijna dubbel geplooid in hingen met onze broek op onze kloefen of schoenen. De onderste helft was zwart geschildert met koolteer; de bovenkant was wit gekalkt. Een klein deurtje ontrok je aan het zicht van de spelende kinderen op de speelplaats. Als de rijzige gestalte van zuster Gusta boven het deurtje verscheen kwam zij je uit je hachelijke positie verlossen. Zij maakte je schoon en trok je broekje weer op de goede plaats. In de klas hoor ik nog steeds haar luide aanmaning: "Eerste plecht! Mondje decht!" Zij was ook westvlaamse peins ik.
Zuster Christiane en zuster Gusta: het waren engelen. Nu weet ik het.
Raar toch dat wij met het ouder worden ook niet meer zo goed kunnen onthouden. Maar jeugdherinneringen, zoals ik hier merk, die kunnen wij ons nog helder voor de geest halen.
Zo denk ik nog vaak terug aan de kleuter- of kakschool waar ik vanaf mijn 5 jaar naar toe moest. Mijn oudere zussen moesten mij er naartoe sleuren en maar bleiren en tegenstribbelen.
Het was voor de meisjes een echte karwei om mij mee naar school te nemen. Geen enkele van de vier wilde nog met het jongste broertje de weg naar school doen. Als mijn vader een eerste eindje meeliep dan was ik nogal meegaand; temeer omdat de brave man iedere keer van een stuk tak uit het kreupelhout een fluitje maakte. Ik stond telkens sprakeloos van bewondering en liet mij dan ook gewillig meevoeren aan de hand van mijn vader die mij vervolgens overliet aan de zussen.
Ik probeer mij te herinneren hoe hij te werk ging bij het fabriceren van zo'n eenvoudig houten fluitje. Het kwam hierop neer: hij sneed een tak uit het kreupelhout en vervolgens een recht stuk van ongeveer 20 cm. uit de tak.Dan klopte hij een deel van de schors los en schoof die er van af. Over een kleine afstand, +/- 5 cm sneed hij een stukje van het uiteinde horizontaal af en maakte daarna nog een soort v-inkeping. Vervolgens schoof hij de schors terug over het uitende en de inkeping en het fluitje was af. En zowaar het floot. Ik blij als een kermisvogel.
In de eerste kleuterklas had ik zuster Christiane die ons de ganse dag onder haar hoede had. Ik vond haar een mooi nonneke die heel zacht met ons omging. Veel van de tijd brachten wij door met prikken. Uit stukken behangpapier met een bloemmotief prikten wij met een naald en op een klein kussentje de bloemen. Het gebeurde onder de grootste spanning en absolute stilte.
In de tweede kleuterklas "ontfermde" zuster Gusta zich over ons.
Ik zie nog haar enorme wrat op haar kin. Zij geurde naar stijfsel en formol. Dat laastste werd gebruikt in de wc als ontsmettingsmiddel.
Die wc's waren allemaal lage gemetste vierkanten bouwseltjes met bovenop een plank met een rond gat erin. Het gat was zo groot dat wij er bijna dubbel geplooid in hingen met onze broek op onze kloefen of schoenen. De onderste helft was zwart geschildert met koolteer; de bovenkant was wit gekalkt. Een klein deurtje ontrok je aan het zicht van de spelende kinderen op de speelplaats. Als de rijzige gestalte van zuster Gusta boven het deurtje verscheen kwam zij je uit je hachelijke positie verlossen. Zij maakte je schoon en trok je broekje weer op de goede plaats. In de klas hoor ik nog steeds haar luide aanmaning: "Eerste plecht! Mondje decht!" Zij was ook westvlaamse peins ik.
Zuster Christiane en zuster Gusta: het waren engelen. Nu weet ik het.
Het denken mag zich nooit onderwerpen!

