de tijd van toen: 70 plussers - TE BEWAREN
-
VictorinaVdP - Lid geworden op: 05 mei 2005, 14:58
- Locatie: Bastogne
Spannend mannen
Hoi Jadi, alles O K

Hoi Jadi, alles O K

-
jeronimo - Lid geworden op: 23 jan 2005, 22:18
- Locatie: pajottenland
Zaterdag 25 Mei
Alles wordt rond 5 u weer kalm en we trekken naar boven.
Ho!! wat een schouwspel trof ons voor de oogen, telefoon draden afgerukt, hier en daar een bres in de voorgevels geslagen, winkelvensters afgerukt, volets wegeslagen en in ons huis waar wij
logeerden was geen ruit meer in zijn geheel, de deuren verbrijzeld en een gat voor de keldervenster waar wij ingezeten hadden van omtrent 1m³, het werkhuis van Adolf was ook groote schade aangericht. vier onzer velos waren onbruikbaar gebroken en doorschoten banden.
Ik heb 5 minuten kans gehad, mijn velo stond den eersten van de 5
en hij was nog gans in orde niettegenstaande ik had op mijn stoeltje een groote doos met eetwaren staan in een laken gewikkeld en dat was op 6a7 plaatsen getroffen en daarbij in een pakje solo in mijn zak in het middenin, stak een stukje ijzer. Rondom in het werkhuis lag alles dooreengeslagen en gebroken, buiten op de koer was ook alles in de grootste wanorde en als dan de vrouw van Adolf bij ons kwam zei hij ;
Augusta, het is geene straffe die wij krijgen maar wel eene beproevinge, dit waren katholieke menschen dat ik hier zelden heb ontmoet.
In plaats van te morren of te lasteren stelde hij zich tevreden met te zeggen dat het eene beproeving was.
Dan alles gepasseerd hebben wij rond 7 1/2 u geeten .
Ik heb Theofiel De Doncker geraadpleegd en na alles overwogen te hebben kom ik tot een besluit van te vertrekken.
De mannen hadden nog maar geroken dat ik iets van zin was en ze
kwamen af of ze mij mochten volgen en dan alles in gereedheid gebracht en we vertrokken. De menschen voldaan en een goed afscheid en tot weerziens en veel kans (chance) in den toestand waarin wij allen verkeerden.
Zoodus we vertrokken( 3 man) Gustaaf Maris, Frans Nuborg en Eugeen Van Den Bossche op weg naar Roeselare, alles ging wel en we hielden ons op zij van de donderwolk van onophoudend bulderende kanonnen.
We kwamen aan in Roeselare en daar gingen we een pintje pakken om even eens na te denken waar naar toe? Af en toe schreef ik op de poorten en eltriekpalen mijn adres op en waar ik verder naar toe reed en alles wel aan boord . Ons pintje geledigd en ons besluit was af te reizen op Deinze alover Thielt; een heelen tijd gereden, soldaten zonder dat er een einde scheen aan te komen, en al Belgen en geen enkelen van kennissen.
In Thielt gekomen, daar had het juist 's morgenseen groot bombardement geweest, er lagen nog vele huizen te branden en overal lagen de straten vol glasscherven. We waren even buiten Thielt of daar kwamen Duitsche vliegers aangesnort, wij schoven van binnen en hoe groot was onze verbazing; een huis , heel simpel gebouwd zonder kelder aan en we moesten op onzen buik in de vloer liggen met onzen kop onder een bank zooals de fazanten die denken dat ze dan helemaal gestopt zijn.
Daar heeft het zoo een kwartier geduurd en wij kwamen er terug goed van af. We vertrekken verder op weg naar Deinze maar eenigen weg afgelegd; Halt, ge moogt hier niet door, de vuurlinie is wat verder.
Nu wat gedaan, Ik stel voor van midden in 't veld langs de kleine wegen en banen voort op te trekken en na eenigen tijd landen wij aan in Ruysselede bij kleine boerenmenschen, wij mogen in de schuur verblijven, wij eten en wij leggen ons af om een weinig te rusten.
Een uurken gerust en wij gaan uit om te wandelen en ons nog een beter onderkomen te zoeken want die schuur die we hadden was zoo slecht dat ze van 't rammelen van 't kanon kon instorten.
Na een half uur gaans landen wij aan bij een grooten boer met sterke stallingen en ik daarbinnen om te vragen of we met drie man mochten vernachten en het werdt mij toegestaan.
Terug achter de velos en in gereedheid om naar ons nieuw logement te vertrekken, wij kwamen daaraan ons velos weggezet. en den boer zijn pomp ging niet meer, het komt aan mijn put zie hij en den put zou moeten geopend worden en ik met frans Nuborg hebben den steenput geopend en de pomp schiet in werking, daarmee was ons werk gedaan en we maakten ons logement klaar . Een stal met betonnen vaut boven ons en sterke muren, de vensters gecamoufleerd met groote zakken
en het palas klaargemaakt en dan bij den bakker achter brood gegaan en een goede flesch wijn, thuisgekomen en een rustigen slaap gehad.
vervolg: Zondag 26 Mei
Alles wordt rond 5 u weer kalm en we trekken naar boven.
Ho!! wat een schouwspel trof ons voor de oogen, telefoon draden afgerukt, hier en daar een bres in de voorgevels geslagen, winkelvensters afgerukt, volets wegeslagen en in ons huis waar wij
logeerden was geen ruit meer in zijn geheel, de deuren verbrijzeld en een gat voor de keldervenster waar wij ingezeten hadden van omtrent 1m³, het werkhuis van Adolf was ook groote schade aangericht. vier onzer velos waren onbruikbaar gebroken en doorschoten banden.
Ik heb 5 minuten kans gehad, mijn velo stond den eersten van de 5
en hij was nog gans in orde niettegenstaande ik had op mijn stoeltje een groote doos met eetwaren staan in een laken gewikkeld en dat was op 6a7 plaatsen getroffen en daarbij in een pakje solo in mijn zak in het middenin, stak een stukje ijzer. Rondom in het werkhuis lag alles dooreengeslagen en gebroken, buiten op de koer was ook alles in de grootste wanorde en als dan de vrouw van Adolf bij ons kwam zei hij ;
Augusta, het is geene straffe die wij krijgen maar wel eene beproevinge, dit waren katholieke menschen dat ik hier zelden heb ontmoet.
In plaats van te morren of te lasteren stelde hij zich tevreden met te zeggen dat het eene beproeving was.
Dan alles gepasseerd hebben wij rond 7 1/2 u geeten .
Ik heb Theofiel De Doncker geraadpleegd en na alles overwogen te hebben kom ik tot een besluit van te vertrekken.
De mannen hadden nog maar geroken dat ik iets van zin was en ze
kwamen af of ze mij mochten volgen en dan alles in gereedheid gebracht en we vertrokken. De menschen voldaan en een goed afscheid en tot weerziens en veel kans (chance) in den toestand waarin wij allen verkeerden.
Zoodus we vertrokken( 3 man) Gustaaf Maris, Frans Nuborg en Eugeen Van Den Bossche op weg naar Roeselare, alles ging wel en we hielden ons op zij van de donderwolk van onophoudend bulderende kanonnen.
We kwamen aan in Roeselare en daar gingen we een pintje pakken om even eens na te denken waar naar toe? Af en toe schreef ik op de poorten en eltriekpalen mijn adres op en waar ik verder naar toe reed en alles wel aan boord . Ons pintje geledigd en ons besluit was af te reizen op Deinze alover Thielt; een heelen tijd gereden, soldaten zonder dat er een einde scheen aan te komen, en al Belgen en geen enkelen van kennissen.
In Thielt gekomen, daar had het juist 's morgenseen groot bombardement geweest, er lagen nog vele huizen te branden en overal lagen de straten vol glasscherven. We waren even buiten Thielt of daar kwamen Duitsche vliegers aangesnort, wij schoven van binnen en hoe groot was onze verbazing; een huis , heel simpel gebouwd zonder kelder aan en we moesten op onzen buik in de vloer liggen met onzen kop onder een bank zooals de fazanten die denken dat ze dan helemaal gestopt zijn.
Daar heeft het zoo een kwartier geduurd en wij kwamen er terug goed van af. We vertrekken verder op weg naar Deinze maar eenigen weg afgelegd; Halt, ge moogt hier niet door, de vuurlinie is wat verder.
Nu wat gedaan, Ik stel voor van midden in 't veld langs de kleine wegen en banen voort op te trekken en na eenigen tijd landen wij aan in Ruysselede bij kleine boerenmenschen, wij mogen in de schuur verblijven, wij eten en wij leggen ons af om een weinig te rusten.
Een uurken gerust en wij gaan uit om te wandelen en ons nog een beter onderkomen te zoeken want die schuur die we hadden was zoo slecht dat ze van 't rammelen van 't kanon kon instorten.
Na een half uur gaans landen wij aan bij een grooten boer met sterke stallingen en ik daarbinnen om te vragen of we met drie man mochten vernachten en het werdt mij toegestaan.
Terug achter de velos en in gereedheid om naar ons nieuw logement te vertrekken, wij kwamen daaraan ons velos weggezet. en den boer zijn pomp ging niet meer, het komt aan mijn put zie hij en den put zou moeten geopend worden en ik met frans Nuborg hebben den steenput geopend en de pomp schiet in werking, daarmee was ons werk gedaan en we maakten ons logement klaar . Een stal met betonnen vaut boven ons en sterke muren, de vensters gecamoufleerd met groote zakken
en het palas klaargemaakt en dan bij den bakker achter brood gegaan en een goede flesch wijn, thuisgekomen en een rustigen slaap gehad.
vervolg: Zondag 26 Mei
niet wat ge zegt telt maar hoe ge het zegt.
-
Wout - Lid geworden op: 06 jul 2004, 18:06
- Locatie: 50,90 N- 5,50 E
jeronimo dit is toch een verhaal dat heel goed weergeeft wat voor een chaos er heerstte in die dagen. Hoe die mannen met de problemen omsprongen en oplossingen vonden in de benarde situaties en toch hun hoofd koel hielden. Hun naam op de muren schreven om in geval van....Daaruit kan je besluiten dat je met een nuchtere en helder denkende man te doen had die zich niet licht uit zijn lood liet slaan. De berlangstelling voor het militaire gebeuren die hij hoopt aan de weet te komen door soldaten uit zijn streek te zien. Hij heeft aandacht voor allles wat rondom hem gebeurt. Ook voor zaken die hem op dat ogenblik niet aanbelangen. Hij wil het weten. Ik kijk met spanning uit naar het vervolg.
Het denken mag zich nooit onderwerpen!
-
Wout - Lid geworden op: 06 jul 2004, 18:06
- Locatie: 50,90 N- 5,50 E
Saint Julien. De school.
Na een paar dagen was de slag tegen de vlooien gewonnen. Het was een nare belevenis geweest en de rest van de tijd waren wij heel alert geworden voor die beestjes. Maar nu het huis bewoond en regelmatig gepoetst werd en iedereen gecontroleerd werd bleven hoe langer hoe meer uit de buurt.
En dus konden wij naar school. De school bevond zich op het einde van de hoofdstraat. Het was een klein gebouw zoals men ze nu nog kan zien in gehuchten en deelgemeenten. Een vierkante speelplaats, omheind met een laag muurtje.
Wij kwamen in de klas van een jufrouw terecht die zeer vriendelijk en geduldig met ons om ging. Wij kregen eens schrift en een potlood. Als de Belgische kinderen in de klas luisterden met meer dan gewone aandacht. Jufrouw stelde vragen, toonde voorwerpen en vroeg ons hoe wij die voorwerpen noemden. Zo leerden wij onze eerste woorden Frans. Un crayon! Un banc! Schrijf op deed de juf teken. Le tableau. De Franse kinderen keken met een soort meewarigheid naar ons. Maar ook dat was belangstelleng en dat deed goed. Ieder van ons zat naast een franse leerling. Naast mij zat een mollig meisje met pekzwart haar en donkere Spaanse ogen. Tijdens de speeltijd vertelde ze mij dat ze Pierrette heette. In de klas wees zij mij, met haar kleine dikke vingertjes, op de fouten die ik in mijn schrift schreef. Dan schoof zij haar schrift naar mij toe om de juiste schrijfwijze te tonen. Dan lachte zij haar witte tandjes in haat bruin gezicht bloot. Ik was vertederd. Na een paar dagen nam zij mij bij mijn arm en trok mij de straat over naar het café. Haar ouders baatte le bistro uit. Pierrette bezorgde mij een koel drankje. Ik begreep niet dat zo’n knap meisje zo vriendelijk kon zijn met zon kleine, sprietige, witte vlaskop uit België. Iedere dag waren wij samen en mijn Frans ging er flink op vooruit. In de klas maar vooral na schooltijd met Pierrette.
Mijn vriendin trok met mij naar de hangbrug over de Garonne. Wij daalden, ons aan elkaar vasthoudend, langs de pijler naar de rivier. Pierrete wees tussen de kloven en holtes in de pijler naar wegglippende slangen. Vipères zei Pierrette. Voor mij waren het gevaarlijke slangen. Zo lang wees Pierrette met twee uitgestoken vingers. Dat had ik zo niet gezien. Na lang uitleggen en veel gebaren begreep ik dat de vipères totaal niet gevaarlijk waren. Maar helemaal gerustgesteld was ik niet. Zij glimlachtte weer, zoals in de klas. Beneden gingen wij blootsvoets over de keien naar het heldere water. Ik volgde mijn vriendin. De ijskoude koelte van het water deed mij weer eventjes naar adem snakken. Pierrette prikten haar vingernageltjes in mijn spichtige arm terwijl wij aarzelend verder waadden. Van steen naar steen. Opwindend vond ik dat.
De volgende dagen trok ik met de andere Belgische vriendjes naar de brug. Trots wees ik hen de snel wegglippende adders en genoot van hun angstige reacties. Van andere Franse kinderen leerden wij algauw hoe wij de adders konden vangen. Met een stok die aan het uiteinde met een tak een smalle vork vormde was het een sport om behendig de vork over het addertje te priemen zodat het lag te kronkelen en niet meer vooruit of achteruit kon. Je moest wel bliksemsnel zijn. En als het lukte sloegen wij met een dikke kei het onschuldige diertje de kop in. Dat was vrij vaak ons verzet tijdens de schoolvrije dagen. Achteraf gezien niets om fier op te zijn. Wij waren ons van geen kwaad bewust in dat vredige dorpje heel ver van het oorlogsgeweld. Zonder echt elkaar op te zoeken vonden wij elkaar toch weer terug op andere plaatsen die wij ontdekten. Wij waren al snel opgenomen in de kindergemeenschap. Op een mooie dag( het waren iedere dag mooie, warme, zonnige dagen) kwam de champetter met zijn trommel. Hij had een avis pour les réfugiés belges. Onze ouders konden op de mairie een kleine geldsom gaan afhalen om in hun behoefte te voorzien. Dat was pas een feest. Met het geld trokken de mensen naar de wekelijkse markt in Cazère. Bij hun terugkeer was onze kledij om het warme klimaat te trotseren weer wat meer aangepast. De bijzonderste delen van onze nieuwe uitrusting bestond vooral uit een strooien hoed en een paar espadrilles. Wij voelden ons hoe langer hoe meer Français.
Na een paar dagen was de slag tegen de vlooien gewonnen. Het was een nare belevenis geweest en de rest van de tijd waren wij heel alert geworden voor die beestjes. Maar nu het huis bewoond en regelmatig gepoetst werd en iedereen gecontroleerd werd bleven hoe langer hoe meer uit de buurt.
En dus konden wij naar school. De school bevond zich op het einde van de hoofdstraat. Het was een klein gebouw zoals men ze nu nog kan zien in gehuchten en deelgemeenten. Een vierkante speelplaats, omheind met een laag muurtje.
Wij kwamen in de klas van een jufrouw terecht die zeer vriendelijk en geduldig met ons om ging. Wij kregen eens schrift en een potlood. Als de Belgische kinderen in de klas luisterden met meer dan gewone aandacht. Jufrouw stelde vragen, toonde voorwerpen en vroeg ons hoe wij die voorwerpen noemden. Zo leerden wij onze eerste woorden Frans. Un crayon! Un banc! Schrijf op deed de juf teken. Le tableau. De Franse kinderen keken met een soort meewarigheid naar ons. Maar ook dat was belangstelleng en dat deed goed. Ieder van ons zat naast een franse leerling. Naast mij zat een mollig meisje met pekzwart haar en donkere Spaanse ogen. Tijdens de speeltijd vertelde ze mij dat ze Pierrette heette. In de klas wees zij mij, met haar kleine dikke vingertjes, op de fouten die ik in mijn schrift schreef. Dan schoof zij haar schrift naar mij toe om de juiste schrijfwijze te tonen. Dan lachte zij haar witte tandjes in haat bruin gezicht bloot. Ik was vertederd. Na een paar dagen nam zij mij bij mijn arm en trok mij de straat over naar het café. Haar ouders baatte le bistro uit. Pierrette bezorgde mij een koel drankje. Ik begreep niet dat zo’n knap meisje zo vriendelijk kon zijn met zon kleine, sprietige, witte vlaskop uit België. Iedere dag waren wij samen en mijn Frans ging er flink op vooruit. In de klas maar vooral na schooltijd met Pierrette.
Mijn vriendin trok met mij naar de hangbrug over de Garonne. Wij daalden, ons aan elkaar vasthoudend, langs de pijler naar de rivier. Pierrete wees tussen de kloven en holtes in de pijler naar wegglippende slangen. Vipères zei Pierrette. Voor mij waren het gevaarlijke slangen. Zo lang wees Pierrette met twee uitgestoken vingers. Dat had ik zo niet gezien. Na lang uitleggen en veel gebaren begreep ik dat de vipères totaal niet gevaarlijk waren. Maar helemaal gerustgesteld was ik niet. Zij glimlachtte weer, zoals in de klas. Beneden gingen wij blootsvoets over de keien naar het heldere water. Ik volgde mijn vriendin. De ijskoude koelte van het water deed mij weer eventjes naar adem snakken. Pierrette prikten haar vingernageltjes in mijn spichtige arm terwijl wij aarzelend verder waadden. Van steen naar steen. Opwindend vond ik dat.
De volgende dagen trok ik met de andere Belgische vriendjes naar de brug. Trots wees ik hen de snel wegglippende adders en genoot van hun angstige reacties. Van andere Franse kinderen leerden wij algauw hoe wij de adders konden vangen. Met een stok die aan het uiteinde met een tak een smalle vork vormde was het een sport om behendig de vork over het addertje te priemen zodat het lag te kronkelen en niet meer vooruit of achteruit kon. Je moest wel bliksemsnel zijn. En als het lukte sloegen wij met een dikke kei het onschuldige diertje de kop in. Dat was vrij vaak ons verzet tijdens de schoolvrije dagen. Achteraf gezien niets om fier op te zijn. Wij waren ons van geen kwaad bewust in dat vredige dorpje heel ver van het oorlogsgeweld. Zonder echt elkaar op te zoeken vonden wij elkaar toch weer terug op andere plaatsen die wij ontdekten. Wij waren al snel opgenomen in de kindergemeenschap. Op een mooie dag( het waren iedere dag mooie, warme, zonnige dagen) kwam de champetter met zijn trommel. Hij had een avis pour les réfugiés belges. Onze ouders konden op de mairie een kleine geldsom gaan afhalen om in hun behoefte te voorzien. Dat was pas een feest. Met het geld trokken de mensen naar de wekelijkse markt in Cazère. Bij hun terugkeer was onze kledij om het warme klimaat te trotseren weer wat meer aangepast. De bijzonderste delen van onze nieuwe uitrusting bestond vooral uit een strooien hoed en een paar espadrilles. Wij voelden ons hoe langer hoe meer Français.
Het denken mag zich nooit onderwerpen!
-
Fikske - Lid geworden op: 16 dec 2003, 12:31
- Locatie: W-O 1970
Prachtig Jeronimo en Wout. Prachtig, prachtig, prachtig!!!
Ik stem in met wat Wout zegt. Die man (je schoonvader) was een heel nuchter iemand om zulke gedetailleerde beschrijvingen te kunnen geven. Heel interessant.
Die schooltijd in Frankrijk moet zeker jou verdere leven hebben beïnvloed Wout.
Fantastisch mooi geschreven.
Ik wacht vol spanning op het vervolg (het is net een vervolgroman) van je belevenissen aldaar.
Ik stem in met wat Wout zegt. Die man (je schoonvader) was een heel nuchter iemand om zulke gedetailleerde beschrijvingen te kunnen geven. Heel interessant.
Die schooltijd in Frankrijk moet zeker jou verdere leven hebben beïnvloed Wout.
Fantastisch mooi geschreven.
Ik wacht vol spanning op het vervolg (het is net een vervolgroman) van je belevenissen aldaar.
Wie tevreden is met wat hij heeft,
is de rijkste die er leeft.
is de rijkste die er leeft.
-
jeronimo - Lid geworden op: 23 jan 2005, 22:18
- Locatie: pajottenland
Zondag 26 Mei
's Morgens opgestaan te 6 u, gewasschen , ons aangekleed, geëten en naar de hoogmis gegaan, terwijl we in de kerk zaten kwamen de thelephonisten hun toestellen aan de kerk plaatsen en bij het thuiskomen op de hoeve waren ze bezig met de tweede linie achter den boer zijn hof op te stellen; we begonnen al eens na te denken wat nu !, rond den middag kwam het daar vol Belgische soldaten, het hofstedeken lag bomvol, er wierd eten uitgedeeld en er was veel te veel omdat er te veel soldaten weggelopen waren en nu mochten we vleesch en koeken eten zooveel ons harteken luste; ik had met den emmer geweest en nog bijna een halve emmer voor 's avonds en 's morgens.
Zo ging den zondag voorbij en het wierd langzaam warmer.
Ik had met den officier van de compagnie gesproken en die raadde mij aan van naar Brugge te reizen, daar deze een open stad verklaard was.
Ik stelde voor aan mijn mannen voor maandag morgen bij het krieken van den dag vooruit te trekken naar Brugge en mijn voorstel werd aangenomen met algemene stemmen.
Van zondag op maandagnacht was het een aanhoudend bulderen van het kanon zoodat we 's morgens vroeg uit onze palas te voorschijn kwamen en ons gereed maakten
Maandag 27 Mei
We stonden klaar om 5 u, met den boer en boerin wat gesproken, ons adres van weerszijden gegeven , een handdruk en wij de pist in.
We reden zoo maar de eene straat in ,de andere uit en we kwamen toch altijd goed op ons uitgekozen dorp of stad en na eenige uren kwamen we opeens een groep soldaten tegen en er riep eene hela Gustaaf Maris, hij kwam afgelopenen en het was Marcel De Saegher van Neygem, schier onherkennelijk van baard , stof en vuile kleedren van af en toe te moeten loopen . Dat was in Oostkamp en we hadden elkaar juist de hand gegeven of daar waren Duitsche vliegers en het afweergeschut trad in actie, zonder om te zien vloog den eenen over de haag den anderen in de gracht of in de netels, het stof vloog daar in de geburen.
Na eenige minuten was toch alles weer rustig, algauw wat voortgepraat over Neygem en familieleden, een handdruk en weer verder op weg naar Brugge.
Volgende keer het vervolg en de dag der verlossing op 28 Mei
's Morgens opgestaan te 6 u, gewasschen , ons aangekleed, geëten en naar de hoogmis gegaan, terwijl we in de kerk zaten kwamen de thelephonisten hun toestellen aan de kerk plaatsen en bij het thuiskomen op de hoeve waren ze bezig met de tweede linie achter den boer zijn hof op te stellen; we begonnen al eens na te denken wat nu !, rond den middag kwam het daar vol Belgische soldaten, het hofstedeken lag bomvol, er wierd eten uitgedeeld en er was veel te veel omdat er te veel soldaten weggelopen waren en nu mochten we vleesch en koeken eten zooveel ons harteken luste; ik had met den emmer geweest en nog bijna een halve emmer voor 's avonds en 's morgens.
Zo ging den zondag voorbij en het wierd langzaam warmer.
Ik had met den officier van de compagnie gesproken en die raadde mij aan van naar Brugge te reizen, daar deze een open stad verklaard was.
Ik stelde voor aan mijn mannen voor maandag morgen bij het krieken van den dag vooruit te trekken naar Brugge en mijn voorstel werd aangenomen met algemene stemmen.
Van zondag op maandagnacht was het een aanhoudend bulderen van het kanon zoodat we 's morgens vroeg uit onze palas te voorschijn kwamen en ons gereed maakten
Maandag 27 Mei
We stonden klaar om 5 u, met den boer en boerin wat gesproken, ons adres van weerszijden gegeven , een handdruk en wij de pist in.
We reden zoo maar de eene straat in ,de andere uit en we kwamen toch altijd goed op ons uitgekozen dorp of stad en na eenige uren kwamen we opeens een groep soldaten tegen en er riep eene hela Gustaaf Maris, hij kwam afgelopenen en het was Marcel De Saegher van Neygem, schier onherkennelijk van baard , stof en vuile kleedren van af en toe te moeten loopen . Dat was in Oostkamp en we hadden elkaar juist de hand gegeven of daar waren Duitsche vliegers en het afweergeschut trad in actie, zonder om te zien vloog den eenen over de haag den anderen in de gracht of in de netels, het stof vloog daar in de geburen.
Na eenige minuten was toch alles weer rustig, algauw wat voortgepraat over Neygem en familieleden, een handdruk en weer verder op weg naar Brugge.
Volgende keer het vervolg en de dag der verlossing op 28 Mei
niet wat ge zegt telt maar hoe ge het zegt.
-
Wout - Lid geworden op: 06 jul 2004, 18:06
- Locatie: 50,90 N- 5,50 E
Saint Julien-Ieper.
Zo gleden de dagen voorbij. Wij, kinderen, dachten niet meer aan de oorlog. Onze ouders hadden zich geïnstalleerd. Vader werkte op de wijngaarden van Monsieur Pages. Met Mascaré en Beni in de kar vertrok hij dan naar de velden van Monsieur Pages. Op de kar lag een houten ton gevuld met water. Dan nog een zak met een wit poeder. Wat mijn aandacht wekte was een rechthoekige houder in aluminium van 80X50X 25 cm. Er zaten lederen riemen aan die duidelijk dienden om het geval op de rug te dragen. Verder zat er nog een lange rode rubberen darm aan vast die verbonden was met een koperen buis met een spuitkop aan het uiteinde. Aan de andere kant van het vat zat nog een stang die met de vrije hand bediend werd om de nodige druk te zetten bij het sproeien. Daar wilde ik meer van weten en ik sprong mee op de ossenwagen. Aan de wijngaard gekomen spande mijn vader de ossen uit die zich rustig te goed deden aan het gras langs de heggen. Pa vulde het réservoir voor ongeveer de helft met water, voegde er dan poeder aan toe, roerde alles flink om met een stok, vulde het vat verder met water en pompte tenslotte de nodige druk op de ketel. Met een druk op de handel van de spuit kwam er een straal lichtblauwe vloeistof uit de sproeikop.
Hij moest zo de blaren van de druivenranken besproeien tegen insecten en luizen. Met grote stappen liep hij tussen de druivenstokken met in de rechterhand de sproeier, in de linkerhand de drukstang. Ik was verbaasd dat door toevoeging van het witte poeder een lichtblauwe vloeistof uit de sproeier kwam. Daarop moest pa het antwoord schuldig blijven. Het nieuwe was er snel af en alleen toekijken was niets voor mij. Trouwens, ik zou bezwijken onder het gewicht van de sproeiketel. Thuis gekomen besloot ik in de richting van Cazère te gaan om verder de omgeving te verkennen. Er stonden langs de baan lommerrijke bomen en de bescherming tegen de schroeiende zon was welkom. De blauwe bus die van Toulouse tweemaal daags naar Cazère reed tufte mij voorbij. Na een poosje zag ik links van de weg een poort en een korte inrijlaan die naar een kasteel leidde. Dat was weer wat nieuws. Een kasteel. Voorzeker geen arme donder die daar woonde. Voor de trappen die naar de ingang van het kasteel leidden stond een auto; het dak naar achter open geplooid. Terwijl ik stond te gapen kwamen een vrouw en een man naar buiten en stegen in de auto. Langzaam draaide de auto weg van het kasteel en kwam mijn richting uit gereden. De man droeg een witte pet en handschoenen; in de zomer! De zwarte auto blonk als een spiegel. Aan de poort stopte hij eventjes en draaide toen de weg op, richting Cazère. Toen zag ik achter op de auto de grote nummerplaat met rode letters op de witte achtergrond of omgekeerd. Dat was volgens mij een Belgische auto. Straks thuis vertellen.
Even verderop stond ook nog een huis. Een grote grijze hoeve. Een vrouwtje met een grijze geruite hoofddoek liep achter een groepje ganzen de straat op. Met een lange stok waaraan een pluisje stof bevestigd was hield zij de troep bij elkaar. De kwakende ganzen pikten ondertussen met hun snavels in het groen langs de weg. Vrouwtje keek mij vriendelijk aan en sprak een paar woorden waarvan ik alleen het woordje “Belge” verstond. Ik knikte. Toen sprak zij verder maar dat was geen Frans. Zij herhaalde het nog eens en toen begreep ik dat zij vroeg of ik Vlaams verstond. Ja, zei ik wij zijn Vlamingen thuis; uit Limburg. Pas toen drong het tot mij door dat zij ook Vlaams gesproken had. Heel goed verstond ik niet wat zij vertelde omdat zij geen schoon Vlaams sprak. Maar toch kreeg ik met veel moeite een lijn in wat zij vertelde. Zij was oorspronkelijk van de kanten van Ieper. Tijdens de eerste wereldoorlog waren zij ook gaan vluchten en hier uiteindelijk terecht gekomen. Zij waren hier een nieuw leven begonnen met de boerderij en nooit meer teruggekeerd naar België. Dat haar man onlangs overleden was en de kinderen geen Vlaams meer kenden. Zij alleen nog. Zondag had zij ons aan de kerk gezien en daar vernomen dat wij Belges waren. Aha! Bie mineire Pagèsse zei ze. Ahzooe. Als besluit op mijn uitleg. Ook dit moest ik thuis zeker gaan vertellen. Zij zullen nogal verschieten dacht ik zo toen ik het vrouwtje uit Ieper en de eerste wereldoorlog liet staan en opgewonden naar huis holde. Mijn vader bleef rustig. Hij wist er al van. Monsieur Pages had het hem verteld. Hij wist ook dat het boerderijtje geen succes was geweest en dat de mensen heel arm waren. De kasteelheer, en dat wist hij ook van Monsieur Pages, was een soort consul of zo iets belangrijks. Die was er nog niet zo lang wist mijn vader. Een consul zei mijn vader was een soort vertegenwoordiger van de koning van België.
Dat maakt op mij een grote indruk. En ik had die man van zo dichtbij gezien; en niet gezegd dat ik ook uit België kwam. De koning begot. In Saint Julien. Ik besloot zo snel mogelijk nog eens in de richting van het kasteel te wandelen om die consul eens van dichtbij te bekijken. Als hij niet buiten kwam kon ik nog altijd met het vrouwtje uit Ieper gaan praten. Daar had ik nu compassie mee sinds mijn vader van haar bestaan hier verteld had.
Veel zaken om over na te denken voor ik in slaap zou vallen. Hoe zou het nu afgelopen zijn met die kinderen en de ouders van de hondenkar? Als ge niet kunt slapen moet ge maar bidden zei moeke altijd. Dat deed ik dan maar.......
Zo gleden de dagen voorbij. Wij, kinderen, dachten niet meer aan de oorlog. Onze ouders hadden zich geïnstalleerd. Vader werkte op de wijngaarden van Monsieur Pages. Met Mascaré en Beni in de kar vertrok hij dan naar de velden van Monsieur Pages. Op de kar lag een houten ton gevuld met water. Dan nog een zak met een wit poeder. Wat mijn aandacht wekte was een rechthoekige houder in aluminium van 80X50X 25 cm. Er zaten lederen riemen aan die duidelijk dienden om het geval op de rug te dragen. Verder zat er nog een lange rode rubberen darm aan vast die verbonden was met een koperen buis met een spuitkop aan het uiteinde. Aan de andere kant van het vat zat nog een stang die met de vrije hand bediend werd om de nodige druk te zetten bij het sproeien. Daar wilde ik meer van weten en ik sprong mee op de ossenwagen. Aan de wijngaard gekomen spande mijn vader de ossen uit die zich rustig te goed deden aan het gras langs de heggen. Pa vulde het réservoir voor ongeveer de helft met water, voegde er dan poeder aan toe, roerde alles flink om met een stok, vulde het vat verder met water en pompte tenslotte de nodige druk op de ketel. Met een druk op de handel van de spuit kwam er een straal lichtblauwe vloeistof uit de sproeikop.
Hij moest zo de blaren van de druivenranken besproeien tegen insecten en luizen. Met grote stappen liep hij tussen de druivenstokken met in de rechterhand de sproeier, in de linkerhand de drukstang. Ik was verbaasd dat door toevoeging van het witte poeder een lichtblauwe vloeistof uit de sproeier kwam. Daarop moest pa het antwoord schuldig blijven. Het nieuwe was er snel af en alleen toekijken was niets voor mij. Trouwens, ik zou bezwijken onder het gewicht van de sproeiketel. Thuis gekomen besloot ik in de richting van Cazère te gaan om verder de omgeving te verkennen. Er stonden langs de baan lommerrijke bomen en de bescherming tegen de schroeiende zon was welkom. De blauwe bus die van Toulouse tweemaal daags naar Cazère reed tufte mij voorbij. Na een poosje zag ik links van de weg een poort en een korte inrijlaan die naar een kasteel leidde. Dat was weer wat nieuws. Een kasteel. Voorzeker geen arme donder die daar woonde. Voor de trappen die naar de ingang van het kasteel leidden stond een auto; het dak naar achter open geplooid. Terwijl ik stond te gapen kwamen een vrouw en een man naar buiten en stegen in de auto. Langzaam draaide de auto weg van het kasteel en kwam mijn richting uit gereden. De man droeg een witte pet en handschoenen; in de zomer! De zwarte auto blonk als een spiegel. Aan de poort stopte hij eventjes en draaide toen de weg op, richting Cazère. Toen zag ik achter op de auto de grote nummerplaat met rode letters op de witte achtergrond of omgekeerd. Dat was volgens mij een Belgische auto. Straks thuis vertellen.
Even verderop stond ook nog een huis. Een grote grijze hoeve. Een vrouwtje met een grijze geruite hoofddoek liep achter een groepje ganzen de straat op. Met een lange stok waaraan een pluisje stof bevestigd was hield zij de troep bij elkaar. De kwakende ganzen pikten ondertussen met hun snavels in het groen langs de weg. Vrouwtje keek mij vriendelijk aan en sprak een paar woorden waarvan ik alleen het woordje “Belge” verstond. Ik knikte. Toen sprak zij verder maar dat was geen Frans. Zij herhaalde het nog eens en toen begreep ik dat zij vroeg of ik Vlaams verstond. Ja, zei ik wij zijn Vlamingen thuis; uit Limburg. Pas toen drong het tot mij door dat zij ook Vlaams gesproken had. Heel goed verstond ik niet wat zij vertelde omdat zij geen schoon Vlaams sprak. Maar toch kreeg ik met veel moeite een lijn in wat zij vertelde. Zij was oorspronkelijk van de kanten van Ieper. Tijdens de eerste wereldoorlog waren zij ook gaan vluchten en hier uiteindelijk terecht gekomen. Zij waren hier een nieuw leven begonnen met de boerderij en nooit meer teruggekeerd naar België. Dat haar man onlangs overleden was en de kinderen geen Vlaams meer kenden. Zij alleen nog. Zondag had zij ons aan de kerk gezien en daar vernomen dat wij Belges waren. Aha! Bie mineire Pagèsse zei ze. Ahzooe. Als besluit op mijn uitleg. Ook dit moest ik thuis zeker gaan vertellen. Zij zullen nogal verschieten dacht ik zo toen ik het vrouwtje uit Ieper en de eerste wereldoorlog liet staan en opgewonden naar huis holde. Mijn vader bleef rustig. Hij wist er al van. Monsieur Pages had het hem verteld. Hij wist ook dat het boerderijtje geen succes was geweest en dat de mensen heel arm waren. De kasteelheer, en dat wist hij ook van Monsieur Pages, was een soort consul of zo iets belangrijks. Die was er nog niet zo lang wist mijn vader. Een consul zei mijn vader was een soort vertegenwoordiger van de koning van België.
Dat maakt op mij een grote indruk. En ik had die man van zo dichtbij gezien; en niet gezegd dat ik ook uit België kwam. De koning begot. In Saint Julien. Ik besloot zo snel mogelijk nog eens in de richting van het kasteel te wandelen om die consul eens van dichtbij te bekijken. Als hij niet buiten kwam kon ik nog altijd met het vrouwtje uit Ieper gaan praten. Daar had ik nu compassie mee sinds mijn vader van haar bestaan hier verteld had.
Veel zaken om over na te denken voor ik in slaap zou vallen. Hoe zou het nu afgelopen zijn met die kinderen en de ouders van de hondenkar? Als ge niet kunt slapen moet ge maar bidden zei moeke altijd. Dat deed ik dan maar.......
Het denken mag zich nooit onderwerpen!
-
Wout - Lid geworden op: 06 jul 2004, 18:06
- Locatie: 50,90 N- 5,50 E
jeronimo, 8 Mei dag der verlossing schrijft uw schoonvader. Voor de soldaten en mensen op de vlucht in België was dat de dag van verlossing. Maar ook bij ons in het zuiden van Frankrijk zou dat een merkwaardige dag worden die ik niet licht vergeten zal.
Het denken mag zich nooit onderwerpen!
-
zandmannetje - Lid geworden op: 02 feb 2003, 23:15
- Locatie: Het land met meer ministers dan inwoners
Sinds enkele weken heb ik er ook een 7 voorstaan, en kan dus tot dit selecte clubje toetreden! Spijtig, heel spijtig, persoonlijk gaf ik de voorkeur aan 69...
Een mens is een gewoontedier.
Komt daarbij nog dat ik geen fervente cafébezoeker ben (meestal raak ik niet verder dan het terras) maar al jaren mijn ding doe in de topic “Columns & Kolder’, die je vindt mits een flink eind naar beneden te scrollen.
Waar ik in de prachtige topic “Nostalgische verhalen” die Fikske daar opende een kleine bijdrage leverde, zowat het enige feit dat ik me nog herinnerde uit de oorlogsjaren. Waarop Fikske mij voorstelde deze bijdrage naar hier te transporteren, wat bij deze dus gebeurt...
Ik heb wel een goeie verontschuldiging voor het feit dat ik me zo weinig kan herinneren uit WO II, ik was nog een klein bazeke toen.
Slechts een enkele flard die nog eens aan de oppervlakte komt...
Toen de oorlog uitbrak woonden we ten Noorden van Antwerpen, in de wijk Luchtbal, waar een huisvestingsmaatschappij een reusachtig woonblok had neergepoot. Die prachtig geschikt was als kazerne voor de Duitse troepen toen die ons land binnenvielen, de bewoners werden dringend aangemaand hun biezen te pakken.
Dus trokken wij nog noordelijker en vonden onderdak in een huis op de Leughenberg, vlakbij Ekeren.
Op zekere dag was ik buiten aan het knikkeren, toen een hels lawaai mijn aandacht opeiste. Een eigenaardig toestel kwam met veel lawaai op geringe hoogte overgevlogen, achterna gezeten door een Messerschmitt van de Duitse luftwaffe, die het vreemde toestel aanhoudende beschoot. Het was de allereerste V1, een wapen dat notabene van hun eigen heimat afkomstig was maar dat ze zelve niet eens kenden, en de V1 zolang beschoot met mitrailleurvuur totdat de raket tenslotte neerstortte in een weide, zonder schade aan te richten.
Met open mond stond ik het spektakel te bewonderen, en had niet eens in de gaten dat een groot brokstuk van de raket door de lucht zeilde en op geen meter afstand van mij op de grond smakte. Voor hetzelfde geld had ik hier nooit verhaaltjes geschreven!
Dat was de allereerste V.1 die op Antwerpen afgevuurd werd, pas een later exemplaar viel op cinema Rex op de Keyserlei en maakte daar veel slachtoffers.
We werden naderhand ook uit dat huis verdreven door de Duitsers, omdat er volgens hen ging gevochten worden in het gebied. Dit was niet gelogen, want toen we veel later terugkeerden was er een enorm gat in de zijgevel van ons huis geslagen door een kanonskogel.
We trokken dus nog verder noordwaarts naar Kapellen, iets verder verwijdert van het komende strijdtoneel. En wat me steeds is bijgebleven, de dag dat daar voor ons de oorlog eindigde.
Kapellen was nog steeds volledig door de Duitsers bezet, toen een motorrijder van de geallieerden helemaal alleen het pleintje aan het gemeentehuis kwam opgereden, en halt hield in het midden van de straat.
Hoe vanuit alle richtingen Duitse soldaten kwamen aangestapt, die hun geweren op een hoop gooiden bij de Canadese verkenner en aan de kant gingen staan. Ook de Duitse soldaten waren de oorlog moe...
Slechts een hele tijd later kwam de rest van de bevrijders aangereden, een jeep en daarachter enkele tanks.
Hoe slechts dan de mensen durfden buitenkomen en de geallieerde soldaten gingen omhelzen!
Toen stond voor mij één ding vast, ik zou later ook verkenner worden!
Een mens is een gewoontedier.
Komt daarbij nog dat ik geen fervente cafébezoeker ben (meestal raak ik niet verder dan het terras) maar al jaren mijn ding doe in de topic “Columns & Kolder’, die je vindt mits een flink eind naar beneden te scrollen.
Waar ik in de prachtige topic “Nostalgische verhalen” die Fikske daar opende een kleine bijdrage leverde, zowat het enige feit dat ik me nog herinnerde uit de oorlogsjaren. Waarop Fikske mij voorstelde deze bijdrage naar hier te transporteren, wat bij deze dus gebeurt...
Ik heb wel een goeie verontschuldiging voor het feit dat ik me zo weinig kan herinneren uit WO II, ik was nog een klein bazeke toen.
Slechts een enkele flard die nog eens aan de oppervlakte komt...
Toen de oorlog uitbrak woonden we ten Noorden van Antwerpen, in de wijk Luchtbal, waar een huisvestingsmaatschappij een reusachtig woonblok had neergepoot. Die prachtig geschikt was als kazerne voor de Duitse troepen toen die ons land binnenvielen, de bewoners werden dringend aangemaand hun biezen te pakken.
Dus trokken wij nog noordelijker en vonden onderdak in een huis op de Leughenberg, vlakbij Ekeren.
Op zekere dag was ik buiten aan het knikkeren, toen een hels lawaai mijn aandacht opeiste. Een eigenaardig toestel kwam met veel lawaai op geringe hoogte overgevlogen, achterna gezeten door een Messerschmitt van de Duitse luftwaffe, die het vreemde toestel aanhoudende beschoot. Het was de allereerste V1, een wapen dat notabene van hun eigen heimat afkomstig was maar dat ze zelve niet eens kenden, en de V1 zolang beschoot met mitrailleurvuur totdat de raket tenslotte neerstortte in een weide, zonder schade aan te richten.
Met open mond stond ik het spektakel te bewonderen, en had niet eens in de gaten dat een groot brokstuk van de raket door de lucht zeilde en op geen meter afstand van mij op de grond smakte. Voor hetzelfde geld had ik hier nooit verhaaltjes geschreven!
Dat was de allereerste V.1 die op Antwerpen afgevuurd werd, pas een later exemplaar viel op cinema Rex op de Keyserlei en maakte daar veel slachtoffers.
We werden naderhand ook uit dat huis verdreven door de Duitsers, omdat er volgens hen ging gevochten worden in het gebied. Dit was niet gelogen, want toen we veel later terugkeerden was er een enorm gat in de zijgevel van ons huis geslagen door een kanonskogel.
We trokken dus nog verder noordwaarts naar Kapellen, iets verder verwijdert van het komende strijdtoneel. En wat me steeds is bijgebleven, de dag dat daar voor ons de oorlog eindigde.
Kapellen was nog steeds volledig door de Duitsers bezet, toen een motorrijder van de geallieerden helemaal alleen het pleintje aan het gemeentehuis kwam opgereden, en halt hield in het midden van de straat.
Hoe vanuit alle richtingen Duitse soldaten kwamen aangestapt, die hun geweren op een hoop gooiden bij de Canadese verkenner en aan de kant gingen staan. Ook de Duitse soldaten waren de oorlog moe...
Slechts een hele tijd later kwam de rest van de bevrijders aangereden, een jeep en daarachter enkele tanks.
Hoe slechts dan de mensen durfden buitenkomen en de geallieerde soldaten gingen omhelzen!
Toen stond voor mij één ding vast, ik zou later ook verkenner worden!
Zo, dat was het dan.
Heb nog een goed leven en we zien mekaar misschien weer in de hel.
Tot zolang dan zal zandmannetje jou wel in slaap lullen !
Heb nog een goed leven en we zien mekaar misschien weer in de hel.
Tot zolang dan zal zandmannetje jou wel in slaap lullen !
-
Fikske - Lid geworden op: 16 dec 2003, 12:31
- Locatie: W-O 1970
Hé, Zandmannetje! Ik zie dat je de weg naar dit 70 plussers forum hebt gevonden.
Welkom, en ik ben er zeker van dat de andere bezoekers je hier ook graag zien komen.
Je columns heb ik altijd met heel veel genoegen gelezen en de onderwerpen die jij daar opstart zijn meestal zeer grappig en kennen veel succes.
Ik kan iedereen die tijd heeft ( 70 plussers hebben toch tijd, niet?) en goesting, aanraden om eens naar het Discussieforum af te zakken en in Columns & Kolder een paar rubrieken als 'Kolderpoëzie', 'Zeg nooit ''NOOIT MEER'', 'Moderne sprookjes' en andere te bezoeken. Lachen en binnenpretjes gegarandeerd!
Het wordt stilaan tijd dat ik ook nog eens iets vertel maar nu gaan we weer enkele dagen richting zee met de kleinkinderen en dat krijgt natuurlijk voorrang zolang ze nog met ons 'willen' meegaan.
Tot binnenkort
Fikske
Welkom, en ik ben er zeker van dat de andere bezoekers je hier ook graag zien komen.
Je columns heb ik altijd met heel veel genoegen gelezen en de onderwerpen die jij daar opstart zijn meestal zeer grappig en kennen veel succes.
Ik kan iedereen die tijd heeft ( 70 plussers hebben toch tijd, niet?) en goesting, aanraden om eens naar het Discussieforum af te zakken en in Columns & Kolder een paar rubrieken als 'Kolderpoëzie', 'Zeg nooit ''NOOIT MEER'', 'Moderne sprookjes' en andere te bezoeken. Lachen en binnenpretjes gegarandeerd!
Het wordt stilaan tijd dat ik ook nog eens iets vertel maar nu gaan we weer enkele dagen richting zee met de kleinkinderen en dat krijgt natuurlijk voorrang zolang ze nog met ons 'willen' meegaan.
Tot binnenkort
Fikske
Wie tevreden is met wat hij heeft,
is de rijkste die er leeft.
is de rijkste die er leeft.
-
jeronimo - Lid geworden op: 23 jan 2005, 22:18
- Locatie: pajottenland
Hallo zandmanneke,
Ook ik heet u welkom in de 70+ers club.
Ik weet het, vier jaar terug heb ik ook die slag op mijne kop gekregen.
Ik dacht, nu ben ik ook bij de oudjes maar niets is minder waar, je bent net zo oud als je u voelt. ik zeg altijd; ben nog maar 25 gepasseerd.!
al willen de knoken en spieren niet zo goed meer mee.
Dat van die VI en VII; de vI waaren lichte vliegtuigjes geladen met springstoffen, je hoorde ze afkomen met een eentonig geronk, wanneer de motor stilviel was het hoogste tijd om de schuilkelder in te duiken.
De VII waren raketten; je hoorde ze niet komen maar hun vernielskracht was des te groter, alhoewel; bij mijn tante viel er een 10 meter achter hun schuur, de enige schade was enkele pannen op het dak gesneuveld maar 500 m verder waren alle ruiten uit en de huizen tamelijk beschadigd. dit kwam omdat de raket in zachte grond viel en een put van wel 2 m diep maakte.
Nu het vervol en einde van mijn schoonvaxers verhaal.
In Steenbrugge scheen ons alles rustigen we gingen eten en een goed potteken drinken want daar was nog te drinken, op andere plaatsen was er gebrek aan, terwijlwe bezig zijn met eten vallen opeens 3 bommen gevolgd door het in actie treden van het afweergeshut
maar daar was alles kort afgelopen. Geëten en wij terug vooruit en eindelijk kwamen we in Brugge en we ontmoetten er verscheidene kennissen. We trokken naar het belfort waar we ons en onderkomen zochten op de groote zaal, om daarna in Brugge een uitstapje te doen en alles eens goed na te zien. s' avonds hadden wij nogal veel gedronken en met ons buiksken vol bier trokken wij ter ruste, het was op een weinig stroo maar wij wierden het niet veel meer gewaar en wij waren rap ingeslapen en wij hebben van den heelen nacht niets meer gehoord.
Dinsdag 28 Mei Dag der verlossing
Ik stond s'morgens om 6 u op om naar de katedraal naar de mis te gaan,
na de mis staan al de menschen te praten en opeens verschijnt voor mij een auto met 3 man en een Duits officier zwaait gedurig met een vaantje in het wit.
Nu rond 9 1/2 vertrekken we in aftocht naar huis tussen de duitsche soldaten door, onderweg troffen we ijselijke tooneelen aan, te lang om te vermelden en we landen in Neygem aan 's avonds te 6 u
tot zover mijn schoonvaders dagboekje er staan nog artikkeltjes in en ten gepaste tijden zal ik ze eens schrijven.
Ook ik heet u welkom in de 70+ers club.
Ik weet het, vier jaar terug heb ik ook die slag op mijne kop gekregen.
Ik dacht, nu ben ik ook bij de oudjes maar niets is minder waar, je bent net zo oud als je u voelt. ik zeg altijd; ben nog maar 25 gepasseerd.!
al willen de knoken en spieren niet zo goed meer mee.
Dat van die VI en VII; de vI waaren lichte vliegtuigjes geladen met springstoffen, je hoorde ze afkomen met een eentonig geronk, wanneer de motor stilviel was het hoogste tijd om de schuilkelder in te duiken.
De VII waren raketten; je hoorde ze niet komen maar hun vernielskracht was des te groter, alhoewel; bij mijn tante viel er een 10 meter achter hun schuur, de enige schade was enkele pannen op het dak gesneuveld maar 500 m verder waren alle ruiten uit en de huizen tamelijk beschadigd. dit kwam omdat de raket in zachte grond viel en een put van wel 2 m diep maakte.
Nu het vervol en einde van mijn schoonvaxers verhaal.
In Steenbrugge scheen ons alles rustigen we gingen eten en een goed potteken drinken want daar was nog te drinken, op andere plaatsen was er gebrek aan, terwijlwe bezig zijn met eten vallen opeens 3 bommen gevolgd door het in actie treden van het afweergeshut
maar daar was alles kort afgelopen. Geëten en wij terug vooruit en eindelijk kwamen we in Brugge en we ontmoetten er verscheidene kennissen. We trokken naar het belfort waar we ons en onderkomen zochten op de groote zaal, om daarna in Brugge een uitstapje te doen en alles eens goed na te zien. s' avonds hadden wij nogal veel gedronken en met ons buiksken vol bier trokken wij ter ruste, het was op een weinig stroo maar wij wierden het niet veel meer gewaar en wij waren rap ingeslapen en wij hebben van den heelen nacht niets meer gehoord.
Dinsdag 28 Mei Dag der verlossing
Ik stond s'morgens om 6 u op om naar de katedraal naar de mis te gaan,
na de mis staan al de menschen te praten en opeens verschijnt voor mij een auto met 3 man en een Duits officier zwaait gedurig met een vaantje in het wit.
Nu rond 9 1/2 vertrekken we in aftocht naar huis tussen de duitsche soldaten door, onderweg troffen we ijselijke tooneelen aan, te lang om te vermelden en we landen in Neygem aan 's avonds te 6 u
tot zover mijn schoonvaders dagboekje er staan nog artikkeltjes in en ten gepaste tijden zal ik ze eens schrijven.
niet wat ge zegt telt maar hoe ge het zegt.
-
Wout - Lid geworden op: 06 jul 2004, 18:06
- Locatie: 50,90 N- 5,50 E
Dorpsfiguren.
Zoals in ieder dorp had je In Saint Julien ook een paar opmerkelijke figuren. Je ontmoette hen bijna dagelijks. Daardoor maakte je er ook vlugger kennis mee of geraakte met hen in gesprek. Dat zij mij groetten en met mij een praatje wilde maken lag niet aan mij maar had meer te maken met ons huisgezin en vooral met mijn drie grote zussen.
Zo was er Prospère. Prospère was zwaar gehandicapt. Hij had een een bultrug, zijn benen en armen waren veel te kort en hij had een moeilijke ademhaling. Daardoor zat hij de hele dag in een invalidenwagentje die hij met zijn handen voortbewoog als een fiets. Prospère droeg steeds een grote “béret basque” op zijn hoofd. De rest van zijn kleine torso was gehuld in een zwarte blinkende voorschoot zoals ik die mijn zussen wel eens had zien dragen als zij naar school gingen. Aan zijn voeten, die amper vanonder de voorschoot te voorschijn kwamen en een normale grootte hadden, droeg hij grote zwarte bottines. Steevast zat hij aan de schaduwrijke zijgevel van het huisje dat hij samen met zijn oud moederke bewoonde. S’Avonds, als het koeler werd, kwam hij in de richting van ons huis gefietst. Via mij had hij ons gezin leren kennen en ook mijn zus Ursula die met hem al eens een praatje sloeg. Als Prospère in de buurt kwam en hij zag niemand dan riep hij met luide stem: Ursule! Ursuuule!!Het gebeurde dat mijn zus met iets anders bezig was of op bezoek bij een vriendinnetje of zo dan werd Ursule zo dikwijls herhaald en soms gevolgd van een Franse vloek tot Ursule eindelijk kwam of iemand tekst en uitleg kwam geven over het afwezig zijn van Ursule. Meestal was ik dat en dan greep Prospère mijn arm vast en sloeg zijn hand als een klem er omheen. Hij had enorm veel kracht in zijn handen. Er was geen ontkomen aan. Daarmee bedoelde hij dat hij je niet geloofde. Het was een aanhouder.
Een andere figuur die regelmatig in het dorp te zien was noemden wij Sint Pieter. Wij, de kinderen, hadden hem die naam gegeven vanwege zijn lange grijze baard en lange haren.
Hij was altijd gekleed in een soort kaki kapoot. Aan zijn blote voeten sandalen en op zijn hoofd een zwarte hoed waarmee hij zich meestal wat koelte toewuifde. Maar zijn voornaamste attribuut was een stok met aan het uiteinde een kleine spijker.Daarmee pikte hij de stompjes sigaretten op die hij, her en der, op straat zag liggen. Hij plukte vervolgens de “mégot” van de spijker en verzamelde alles in de grote zakken van zijn jas. Hij had goedige donkere ogen en knikte steeds vriendelijk bonjour. Ook hij wekte ons medelijden. Te arm om een pakje tabak te kopen. Als wij wat centjes gespaard hadden zouden wij hem een pakje tabak kopen. Dat spraken wij met elkaar af. Binnenkort.
Op een dag waren er ook soldaten in het dorp verschenen. Zij kampeerden in legertenten even buiten het dorp. Zij hadden donkerblauwe uniformen en allen hadden een képi op het hoofd.
Twee van hen kwamen ons geregeld een bezoekje brengen nadat zij via mij ook de zussen hadden leren kennen. Mijn moeder keek altijd een beetje kwaad en argwanend als ik weer eens twee totaal vreemde mensen mee naar huis bracht. Dédé en Charlie waren daarna niet meer weg te slaan. Charlie kwam van de Pas de Calais. Een knappe kerel met zwart krullend haar Hij had familie in Frans Vlaanderen en hij sprak zelfs een paar woorden “vlomse”. Hij was vooral heel attent voor mijn oudste zus. Zij keek met grote verliefde ogen naar hem. Zo ging dat.
Dédé was afkomstig van Straatsburg. Een jolige vent die altijd lachte en met mijn vader Elzassisch praatte; dat klonk als Duits, maar ook een beetje als Limburgs van de Maaskant. Charlie en Dédé behoorden tot het grondpersoneel van de Franse luchtmacht. Zij waren met hun vrachtwagens naar het zuiden gezonden om, in geval van, ter beschikking te staan; wachtend op verdere bevelen. Beiden hadden een grondige hekel aan de oorlog. Maar zoals de toestand nu was, hier in Saint Julien, mocht het voor hen zo blijven. Dit gold vooral voor Charlie en ook voor mijn oudste zus. Dédé zei dat hij het niet over zijn hart zou kunnen krijgen om op de Duitsers te schieten. “Immers” zo zei hij, zou het best mogelijk zijn dat hij dan zijn kameraden zou doden die andere kant van de Rijn woonden en met wie hij op stap ging, s’zondags. Dédé en Charlie; geen echte Franse patriotten zo te zien.
Dan was er nog de smid; die goeie, dikke reus. Maar dat was mijn vriend. In zijn smidse en aan zijn gezelschap bewaar ik voor mij de mooiste herinneringen. Daar hoort de rest van mijn familie niet bij.
Zoals in ieder dorp had je In Saint Julien ook een paar opmerkelijke figuren. Je ontmoette hen bijna dagelijks. Daardoor maakte je er ook vlugger kennis mee of geraakte met hen in gesprek. Dat zij mij groetten en met mij een praatje wilde maken lag niet aan mij maar had meer te maken met ons huisgezin en vooral met mijn drie grote zussen.
Zo was er Prospère. Prospère was zwaar gehandicapt. Hij had een een bultrug, zijn benen en armen waren veel te kort en hij had een moeilijke ademhaling. Daardoor zat hij de hele dag in een invalidenwagentje die hij met zijn handen voortbewoog als een fiets. Prospère droeg steeds een grote “béret basque” op zijn hoofd. De rest van zijn kleine torso was gehuld in een zwarte blinkende voorschoot zoals ik die mijn zussen wel eens had zien dragen als zij naar school gingen. Aan zijn voeten, die amper vanonder de voorschoot te voorschijn kwamen en een normale grootte hadden, droeg hij grote zwarte bottines. Steevast zat hij aan de schaduwrijke zijgevel van het huisje dat hij samen met zijn oud moederke bewoonde. S’Avonds, als het koeler werd, kwam hij in de richting van ons huis gefietst. Via mij had hij ons gezin leren kennen en ook mijn zus Ursula die met hem al eens een praatje sloeg. Als Prospère in de buurt kwam en hij zag niemand dan riep hij met luide stem: Ursule! Ursuuule!!Het gebeurde dat mijn zus met iets anders bezig was of op bezoek bij een vriendinnetje of zo dan werd Ursule zo dikwijls herhaald en soms gevolgd van een Franse vloek tot Ursule eindelijk kwam of iemand tekst en uitleg kwam geven over het afwezig zijn van Ursule. Meestal was ik dat en dan greep Prospère mijn arm vast en sloeg zijn hand als een klem er omheen. Hij had enorm veel kracht in zijn handen. Er was geen ontkomen aan. Daarmee bedoelde hij dat hij je niet geloofde. Het was een aanhouder.
Een andere figuur die regelmatig in het dorp te zien was noemden wij Sint Pieter. Wij, de kinderen, hadden hem die naam gegeven vanwege zijn lange grijze baard en lange haren.
Hij was altijd gekleed in een soort kaki kapoot. Aan zijn blote voeten sandalen en op zijn hoofd een zwarte hoed waarmee hij zich meestal wat koelte toewuifde. Maar zijn voornaamste attribuut was een stok met aan het uiteinde een kleine spijker.Daarmee pikte hij de stompjes sigaretten op die hij, her en der, op straat zag liggen. Hij plukte vervolgens de “mégot” van de spijker en verzamelde alles in de grote zakken van zijn jas. Hij had goedige donkere ogen en knikte steeds vriendelijk bonjour. Ook hij wekte ons medelijden. Te arm om een pakje tabak te kopen. Als wij wat centjes gespaard hadden zouden wij hem een pakje tabak kopen. Dat spraken wij met elkaar af. Binnenkort.
Op een dag waren er ook soldaten in het dorp verschenen. Zij kampeerden in legertenten even buiten het dorp. Zij hadden donkerblauwe uniformen en allen hadden een képi op het hoofd.
Twee van hen kwamen ons geregeld een bezoekje brengen nadat zij via mij ook de zussen hadden leren kennen. Mijn moeder keek altijd een beetje kwaad en argwanend als ik weer eens twee totaal vreemde mensen mee naar huis bracht. Dédé en Charlie waren daarna niet meer weg te slaan. Charlie kwam van de Pas de Calais. Een knappe kerel met zwart krullend haar Hij had familie in Frans Vlaanderen en hij sprak zelfs een paar woorden “vlomse”. Hij was vooral heel attent voor mijn oudste zus. Zij keek met grote verliefde ogen naar hem. Zo ging dat.
Dédé was afkomstig van Straatsburg. Een jolige vent die altijd lachte en met mijn vader Elzassisch praatte; dat klonk als Duits, maar ook een beetje als Limburgs van de Maaskant. Charlie en Dédé behoorden tot het grondpersoneel van de Franse luchtmacht. Zij waren met hun vrachtwagens naar het zuiden gezonden om, in geval van, ter beschikking te staan; wachtend op verdere bevelen. Beiden hadden een grondige hekel aan de oorlog. Maar zoals de toestand nu was, hier in Saint Julien, mocht het voor hen zo blijven. Dit gold vooral voor Charlie en ook voor mijn oudste zus. Dédé zei dat hij het niet over zijn hart zou kunnen krijgen om op de Duitsers te schieten. “Immers” zo zei hij, zou het best mogelijk zijn dat hij dan zijn kameraden zou doden die andere kant van de Rijn woonden en met wie hij op stap ging, s’zondags. Dédé en Charlie; geen echte Franse patriotten zo te zien.
Dan was er nog de smid; die goeie, dikke reus. Maar dat was mijn vriend. In zijn smidse en aan zijn gezelschap bewaar ik voor mij de mooiste herinneringen. Daar hoort de rest van mijn familie niet bij.
Het denken mag zich nooit onderwerpen!
-
Wout - Lid geworden op: 06 jul 2004, 18:06
- Locatie: 50,90 N- 5,50 E
28 Mei 1940
Nog zo’n datum om nooit te vergeten. Het einde van alweer een warme zomerdag. Zoals vaak kwamen Belgische familieleden, vrienden en kennissen langzaam naar ons huis gedruppeld. Maar deze keer was er niet de gelatenheid zoals anders; het ondergaan van ons lot. Iedereen wist het. Van horen zeggen. Anderen hadden het op de Franse radio gehoord bij hun gastheren. Tegen de avond, toen vader van het veld kwam, had Monsieur Pages hem geroepen om naar de radio te komen luisteren. Ik mee natuurlijk. En daar hadden wij geluisterd naar een onheilspellende Franse stem die steeds maar herhaalde dat le roi des Belges gecapituleerd had. Natuurlijk verstond ik er niets van, maar het klonk allemaal zo opwindend dat, wat men ook vertelde, wel heel erg moest zijn. Na de Franse stem kwam er ook een Vlaamse. Van de Eerste Minister zei mijn vader. Pirlot of zo iets. Hij had een zware stem met enorme keelklanken en rollende rrrrrs. Wat hij zei dat kon ik natuurlijk wel verstaan. De koning is een verader, dat zei hij ook . Hij heeft de troepen in de steek gelaten. Allemaal nare dingen blijkbaar waarvan ik de ernst niet besefte. Mijn vader wel. Die keek ernstig en bedrukt voor zich uit. De hele avond werd er over gesproken door het groepje Belgen die kwamen buurten. Niemand wist er eigenlijk niet het fijne van. Enkelen vonden die overgave van Leopold III toch maar een laffe daad. Zijn vader dat was tenminste een man geweest. Vier jaar stand gehouden aan de IJzer. Weer anderen vonden dat het een verstandige daad was geweest. Wat konden wij doen tegen dat grote Duitse leger. Hebt gij die Duitse jachtvliegtuigen gezien? En die belze tweedekkertjes? Nee toch; dat was geen spek voor de bek van het Belgisch leger. Op enkele weken was bijna heel België onder de voet gelopen. En de Fransen en Engelsen die moesten komen helpen waren ook te laat. In ieder geval nu kunnen wij misschien toch rap terug naar huis besloot mijn moeder hoopvol.
Het werd stilaan donker en op de straat peddelde Prospère voorbij in zijn karretje. “Sales boches!” riep hij met zijn hese, amechtige stem. Hij was de eerste maar niet de laatste die ons de eerstvolgende dagen zo zou noemen. Sales boches!
De volgende dag op weg naar school hoorden wij ons nog vaak zo noemen, Soms waren het oudere mensen, soms kinderen, soms vrouwen. Sales boches!
Die namiddag zagen wij Sint Pieter weer. Hij pikte weer met grote aandacht en overgave zijn peuken van de straat. Zoals afgesproken zouden wij hem vandaag een pakje tabak kopen. Wij hadden het nodige geld bijeen gesprokkeld en mijn oudere neef zou in le bureau de tabac een pakje gaan kopen. Hij kwam weer naar buiten met een kleine kubus tabak. Vol verwachting om de blijde reactie van Sint Pieter togen wij hem tegemoet. Mijn zusje reikte hem het pakje tabak aan: “s’Il vous plaît Monsieur” zei ze c’est pour vous.” Hij nam het pakje aan en zwierde het meteen met een grote zwaai meters ver de straat in. “Sales boches!” riep hij gevolgd door nog wat onverstaanbaars en weer: sales boches! Bang en ontsteld stoven wij als hazen uiteen en naar huis. “Blijf maar thuis” zei moeder.
Nog zo’n datum om nooit te vergeten. Het einde van alweer een warme zomerdag. Zoals vaak kwamen Belgische familieleden, vrienden en kennissen langzaam naar ons huis gedruppeld. Maar deze keer was er niet de gelatenheid zoals anders; het ondergaan van ons lot. Iedereen wist het. Van horen zeggen. Anderen hadden het op de Franse radio gehoord bij hun gastheren. Tegen de avond, toen vader van het veld kwam, had Monsieur Pages hem geroepen om naar de radio te komen luisteren. Ik mee natuurlijk. En daar hadden wij geluisterd naar een onheilspellende Franse stem die steeds maar herhaalde dat le roi des Belges gecapituleerd had. Natuurlijk verstond ik er niets van, maar het klonk allemaal zo opwindend dat, wat men ook vertelde, wel heel erg moest zijn. Na de Franse stem kwam er ook een Vlaamse. Van de Eerste Minister zei mijn vader. Pirlot of zo iets. Hij had een zware stem met enorme keelklanken en rollende rrrrrs. Wat hij zei dat kon ik natuurlijk wel verstaan. De koning is een verader, dat zei hij ook . Hij heeft de troepen in de steek gelaten. Allemaal nare dingen blijkbaar waarvan ik de ernst niet besefte. Mijn vader wel. Die keek ernstig en bedrukt voor zich uit. De hele avond werd er over gesproken door het groepje Belgen die kwamen buurten. Niemand wist er eigenlijk niet het fijne van. Enkelen vonden die overgave van Leopold III toch maar een laffe daad. Zijn vader dat was tenminste een man geweest. Vier jaar stand gehouden aan de IJzer. Weer anderen vonden dat het een verstandige daad was geweest. Wat konden wij doen tegen dat grote Duitse leger. Hebt gij die Duitse jachtvliegtuigen gezien? En die belze tweedekkertjes? Nee toch; dat was geen spek voor de bek van het Belgisch leger. Op enkele weken was bijna heel België onder de voet gelopen. En de Fransen en Engelsen die moesten komen helpen waren ook te laat. In ieder geval nu kunnen wij misschien toch rap terug naar huis besloot mijn moeder hoopvol.
Het werd stilaan donker en op de straat peddelde Prospère voorbij in zijn karretje. “Sales boches!” riep hij met zijn hese, amechtige stem. Hij was de eerste maar niet de laatste die ons de eerstvolgende dagen zo zou noemen. Sales boches!
De volgende dag op weg naar school hoorden wij ons nog vaak zo noemen, Soms waren het oudere mensen, soms kinderen, soms vrouwen. Sales boches!
Die namiddag zagen wij Sint Pieter weer. Hij pikte weer met grote aandacht en overgave zijn peuken van de straat. Zoals afgesproken zouden wij hem vandaag een pakje tabak kopen. Wij hadden het nodige geld bijeen gesprokkeld en mijn oudere neef zou in le bureau de tabac een pakje gaan kopen. Hij kwam weer naar buiten met een kleine kubus tabak. Vol verwachting om de blijde reactie van Sint Pieter togen wij hem tegemoet. Mijn zusje reikte hem het pakje tabak aan: “s’Il vous plaît Monsieur” zei ze c’est pour vous.” Hij nam het pakje aan en zwierde het meteen met een grote zwaai meters ver de straat in. “Sales boches!” riep hij gevolgd door nog wat onverstaanbaars en weer: sales boches! Bang en ontsteld stoven wij als hazen uiteen en naar huis. “Blijf maar thuis” zei moeder.
Het denken mag zich nooit onderwerpen!
-
jeronimo - Lid geworden op: 23 jan 2005, 22:18
- Locatie: pajottenland
Ja wout, ik heb vertelt van die gebuur die ook in ziud Frankrijk zat.
wel ik hoor hem nog vertellen dat ze in een kamp zaten en slecht behandeld werden, tot hij op een druivenbedrijf geplaatst werd en er goede maatjes werd met de patronne, hij zei; had ik in Belgie geen vroiuw en kind , ik zou gebleven zijn.
wel ik hoor hem nog vertellen dat ze in een kamp zaten en slecht behandeld werden, tot hij op een druivenbedrijf geplaatst werd en er goede maatjes werd met de patronne, hij zei; had ik in Belgie geen vroiuw en kind , ik zou gebleven zijn.
niet wat ge zegt telt maar hoe ge het zegt.