Goeiedag,
Ik blijf nog in de jaren 30, en noodgedwongen moet ik wel in Merksem blijven, want daar woonde ik nu eenmaal. Er was toen geen TV, meestal ook geen radio, en een gramofoon was iets zeldzaam. Ik heb nog wel geweten dat mijn grootmoeder een ouwe gramofoon had, een meubeltje met daarboven een grote hoorn, dat was de luidspreker. Ge moest het ding opdraaien met een grote zwengel, de platen waren van die grote harde en breekbare schijven, en de naald leek meer op een nagel om een foto'tje aan op te hangen. Ik heb het zeer zelden horen spelen; de weinige platen die er bij hoorden waren toch al rot gespeeld, vol krassen, het geluid dat het produceerde trok op muziek, en kwam uit een soort rond doosje, dat op het einde van de arm stond en waaraan de naald werd vastgezet. Ik vond het doen een groot wonder dat er muziek uit kwam, en tot op de dag van heden ben ik nog steeds even verwonderd over radio's, TV's, enz.
Wij hadden thuis een piepklein koertje en een hofje, voor de stad noemde men dat al een grote hof: 5 m breed en 15 m lang, met 3 fruitbomen een appelaar, een perelaar en een kerseboom. De appelaar bracht niets op, die was nog te jong, de kersen waren heel groot en lekker, maar dat vonden de mussen ook, zodat die er eerst mee weg waren, de peren waren van een buitengewoon lekkere en sappige soort, ik heb dergelijke soort nergens tegengekomen, ze werden echter zonder uitzondering bezocht door maden, zodat er veel van verloren ging. We hadden nog 2 magere druivelaars, een rode en een witte. Met warme zomers gebeurde het wel eens dat er een kleikn trosje met piepkleine druifjes rijp werden. In den oorlog werd alles wat kon gegeten worden, maden of nietg, rijp of onrijp geconsumeerd, zoals de onriijpe druifjes, daar werd gelei van gemaakt. Ooit heb ik met zo'n onrijp hard druifje met een mik een mus uit de pereboom morsdood geschoten; ik heb daar tot nu toe spijt van, dat musje ocharme.
Als klein jongetje (mijn zussen waren ouder) had ik dus wel een beetje ruimte om buiten te spelen, maar veel was het niets, lopen of met een bal spelen was er niet bij. Buiten op straat werd er weinig gespeeld, er woonde vlakbij weinig kinderen om mee te spelen, maar achter in onze straat was veel ruimte tussen hoge blinde muren, de achterkant van de fabrieken die langs de dokken lagen (In Merksem waren en zijn een paar dokken voor binnenschepen). Daar was heel veel plaats en was het heel rustig voor balspelen op de kasseien. En daar woonde ook mijn beste vriend, den John.
Maar in de zomer ging ik weleens samen met de Jos, de bovenbuur, die enkele jaren ouder was spelen naar "den dijk", voluit: de Ferdinandusdijk, en die was gelegen naast den IJskelder, de Sylvain weet dat misschien wel. Nu staat dat daar vol huizen, maar toen was dat een woeste grond, met een paar zandbergen, waarschijnlijk uitgegraven grond van het vlakbij gelegen kanaal. We voetbalden daar dan met jongens die we daar lukraak ontmoetten, of speelde met knikkers waarvoor we pistes in het zand maakten.
Het koertje thuis was in betondalles. Het zakte een beetje af naar de hof, en op een plaats was er een soort 1 meter brede baan ontstaan, zachtjes aflopend, waarop in de knikkers over ongeveer 4 m. kon laten "koersen".
Op mijn eentje speelde ik daar dan een zesdaagse of de ronde van Frankrijk met mijn knikkers die allen een naam hadden: Sylveer Maes, Romain Maes, Bartali, Vervaecke, enz. ik ben ondertussen al die namen vergeten, maar ik weet dat bijna altijd Sylveer Maes of Romain, uiterst zelden Bartali of een andere buitenlander. Omdat ik zo goed supporterde.
Ik ga dit nu maar rap posten voordat ik op een verkeerde toets dus.
Wordt vervolgd.
---------
Het potlood niet nat maken. (Belgische wijsheid)