Hé wout,
Ik weet het niet maar uw tekst kan niet op het scherm, veel te breed.
Sorry, het moet een andere oorzaak zijn, ik heb dezelfde fout
In mijn tijd waren er de leurders en bedelaars.
Eerst had men Felix met zijn pakken,
Twee keer per jaar kwam hij aan de deur, hij was een mobiele witgoedwinkel, zijne zware zwarte fiets met een bagagedrager achter en voor en zijn winkelwaar in een zwart laken, tweemaal dwars geknoopt.
Ge kon niets bedenken wat hij niet bijhad, van toespelden tot broekrekker
onderhemden en onderbroeken met lange en halflange benen, hemden kousen en noem maar op.
Bij het binnenkomen werd vlug de keukentafel leeggehaald want het zwaarste pak dat over zijn schouder hing werd zomaar op de tafel gesmeten, de knopen werden opengedaan en de voorstelling van zijn producten kon beginnen.
Werd er gekocht of niet het laken ging terug dicht en Felix ging vanwaar hij gekomen was en met een vriendelijke groet, " tot volgende keer".
Anders was het gesteld met " mie bos", iedereen had er schrik van,
Zij ging van huis tot huis om een almoes, was ze werkelijk arm, men beweerde zelfs dat ze een straat huizen staan had, gewoonlijk werd er gegeven uit angst, men beweerde dat ze een toverheks was, niemand dierf vijf centiemen geven want dat werd direct voor uw voeten op grond gesmeten met een ganse hoop verwensingen.
Moeier does, een buurvrouw was verkoopster op de oude markt te Brussel, dagelijks trok ze met twee valiezen de tram op. Bij haar terugkomst nam ze een stop bij mijn grootmoeder, ze beweerde zelfs dat de mouwen van haar jas zo vettig waren omdat de mensen hun tafel niet goed afkuisten.
Op Donderdag toen we maar een halve dag les haddenstonden we klaar om een harer valiezen te helpen dragen, dan mochten we bij haar binnen.
Wat die allemaal staan had, ongeloofelijk, er was geen plaatsje meer vrij
om ergens te zitten en stinken dat het er deed.
Dan mochten we een kleinigheid kiezen, gewoonlijk een potje van een
" étageres" met Franse namen er op.
Onder de oorlog waren het uitsluitend bedelaars uit Ninove en Liedekerke
ik geloof dat ze het elkaar voortvertelden waar er gegeven werd.
Van bij het openen van de poort aan de straatkant begonnen ze te bidden
die onze vader die echt onverstaanbaar was hield op met een duidelijke
"amen", wanneer dan de deur geopend werd volgde; madam astemblief nen boeterham, dan kregen ze een boterham met smout en plattekaas,
deze ging dan hune knapzak in die ze over hun schouder droegen.
Hoe groot hun ronde was weet ik niet maar de maand erop stonden ze
weer aan de deur met hetzelfde ritueel.
Zo, dit was me in het geheugen geschoten met de bijdragen van
onze nieuwe schrijvers.
Ik weet het niet maar uw tekst kan niet op het scherm, veel te breed.
Sorry, het moet een andere oorzaak zijn, ik heb dezelfde fout
In mijn tijd waren er de leurders en bedelaars.
Eerst had men Felix met zijn pakken,
Twee keer per jaar kwam hij aan de deur, hij was een mobiele witgoedwinkel, zijne zware zwarte fiets met een bagagedrager achter en voor en zijn winkelwaar in een zwart laken, tweemaal dwars geknoopt.
Ge kon niets bedenken wat hij niet bijhad, van toespelden tot broekrekker
onderhemden en onderbroeken met lange en halflange benen, hemden kousen en noem maar op.
Bij het binnenkomen werd vlug de keukentafel leeggehaald want het zwaarste pak dat over zijn schouder hing werd zomaar op de tafel gesmeten, de knopen werden opengedaan en de voorstelling van zijn producten kon beginnen.
Werd er gekocht of niet het laken ging terug dicht en Felix ging vanwaar hij gekomen was en met een vriendelijke groet, " tot volgende keer".
Anders was het gesteld met " mie bos", iedereen had er schrik van,
Zij ging van huis tot huis om een almoes, was ze werkelijk arm, men beweerde zelfs dat ze een straat huizen staan had, gewoonlijk werd er gegeven uit angst, men beweerde dat ze een toverheks was, niemand dierf vijf centiemen geven want dat werd direct voor uw voeten op grond gesmeten met een ganse hoop verwensingen.
Moeier does, een buurvrouw was verkoopster op de oude markt te Brussel, dagelijks trok ze met twee valiezen de tram op. Bij haar terugkomst nam ze een stop bij mijn grootmoeder, ze beweerde zelfs dat de mouwen van haar jas zo vettig waren omdat de mensen hun tafel niet goed afkuisten.
Op Donderdag toen we maar een halve dag les haddenstonden we klaar om een harer valiezen te helpen dragen, dan mochten we bij haar binnen.
Wat die allemaal staan had, ongeloofelijk, er was geen plaatsje meer vrij
om ergens te zitten en stinken dat het er deed.
Dan mochten we een kleinigheid kiezen, gewoonlijk een potje van een
" étageres" met Franse namen er op.
Onder de oorlog waren het uitsluitend bedelaars uit Ninove en Liedekerke
ik geloof dat ze het elkaar voortvertelden waar er gegeven werd.
Van bij het openen van de poort aan de straatkant begonnen ze te bidden
die onze vader die echt onverstaanbaar was hield op met een duidelijke
"amen", wanneer dan de deur geopend werd volgde; madam astemblief nen boeterham, dan kregen ze een boterham met smout en plattekaas,
deze ging dan hune knapzak in die ze over hun schouder droegen.
Hoe groot hun ronde was weet ik niet maar de maand erop stonden ze
weer aan de deur met hetzelfde ritueel.
Zo, dit was me in het geheugen geschoten met de bijdragen van
onze nieuwe schrijvers.
Laatst gewijzigd door jeronimo op 03 okt 2008, 20:51, 1 keer totaal gewijzigd.
niet wat ge zegt telt maar hoe ge het zegt.



