Historie van Belgie
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
***
Met de 16de eeuw begon er voor Mol een absolute crisisperiode. Plunderingen en pestplagen volgenden elkaar op. Enkele data:
1506: inval van Gelderse en Franse huurlingen
1528: opnieuw strijd met de Geldersen
1567: vernieling van de Markt door brand
1579: de slag van Mol
1558: pest
1570: pest
1576: pest.
****
***
Reprofoto Reydamslaan.
****
**
Pas eind 18de eeuw verbeterde de situatie. Mol was zetel van de voogdij Mol, Dessel, Balen en was daardoor de thuisbasis voor vele ambtenaren en bestuursfunctionarissen. Daardoor kon de gemeente uitgroeien tot centrumgemeente. Naast de ambtenaren gaven de lakenfabrikanten, de handelaars en de ambachtslieden in de gemeente de toon aan.
****
***
Reprofoto gemeenteschool Corbiestraat.
****
<archief@gemeentemol.be>
***
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
19de eeuw: Postel & Millegem
****
Vanaf de 19de eeuw werden Mol, Balen en Dessel zelfstandige gemeenten. Doordat het Molse grondgebied werd uitgebreid met Postel, tot dan een zelfstandig abdijgoed, en Millegem, tot 1818 een Geelse enclave, groeide Mol uit tot een centrum met uitgebreid achterland. Op uitzondering van enkele kleine grenscorrecties na, liggen de grenzen van het Molse grondgebied sindsdien vast. Met een oppervlakte van 11 419 hectare is Mol de grootste gemeente van het land.
****
Reprofoto Statiestraat.
******
Landbouw.
***
Vanaf de vroege Middeleeuwen is de landbouw in de voogdij de belangrijkste economische bezigheid. 70 % van de totale beroepsbezigheid in de 18de eeuw was verbonden met de landbouw. Het ging vooral over kleine boerderijen.
****
Reprofoto Voogdijstraat.
*****
archief@gemeentemol.be
****
Vanaf de 19de eeuw werden Mol, Balen en Dessel zelfstandige gemeenten. Doordat het Molse grondgebied werd uitgebreid met Postel, tot dan een zelfstandig abdijgoed, en Millegem, tot 1818 een Geelse enclave, groeide Mol uit tot een centrum met uitgebreid achterland. Op uitzondering van enkele kleine grenscorrecties na, liggen de grenzen van het Molse grondgebied sindsdien vast. Met een oppervlakte van 11 419 hectare is Mol de grootste gemeente van het land.
****
Reprofoto Statiestraat.
******
Landbouw.
***
Vanaf de vroege Middeleeuwen is de landbouw in de voogdij de belangrijkste economische bezigheid. 70 % van de totale beroepsbezigheid in de 18de eeuw was verbonden met de landbouw. Het ging vooral over kleine boerderijen.
****
Reprofoto Voogdijstraat.
*****
archief@gemeentemol.be
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Lakenmakerij .
****
Met een startdatum van ongeveer 1300 is lakenmakerij de oudste plaatselijke nijverheid in de voogdij. Deze nijverheidstak kende ups en downs, maar was in de 18de eeuw, op landbouw na, de belangrijkste economische activiteit. De verkoop van de producten beperkte zich niet tot de plaatselijke markten, maar werden verhandeld tot in het buitenland bv. Met het Nederlandse Tilburg en met Duitsland.
******
Reprofoto Het Laer.
*******
Industriële revolutie
*****
Vanaf de 19de eeuw maakt ook de Industriële Revolutie haar intrede in de Kempen: de kanalen worden gegraven, de steenwegen worden aangelegd en in 1878 was de spoorlijn Antwerpen – Mol klaar. Later werd de spoorlijn doorgetrokken tot Mönchen-Gladbach, waardoor de Ijzeren Rijn was geboren.
Door de uitbouw van deze verkeerswegen, de ontdekking van het wit zand en de aanwezigheid van goedkope arbeidskrachten, kwam de eerste industrialisatie snel op gang. De eerste bedrijven waren de Vieille Montagne en de springstoffenfabriek N.V. La Forcite, het latere P.R.B., op het grenspunt Mol – Balen – Lommel. Tijdens deze periode beleefde de lakennijverheid een bloeiperiode en werden er nieuwe wolfabrieken gebouwd zoals Van Iersel, Van Hoof, Krings en van Dooren
*****
Foto station van Mol.
*****
<archief@gemeentemol.be>
****
Met een startdatum van ongeveer 1300 is lakenmakerij de oudste plaatselijke nijverheid in de voogdij. Deze nijverheidstak kende ups en downs, maar was in de 18de eeuw, op landbouw na, de belangrijkste economische activiteit. De verkoop van de producten beperkte zich niet tot de plaatselijke markten, maar werden verhandeld tot in het buitenland bv. Met het Nederlandse Tilburg en met Duitsland.
******
Reprofoto Het Laer.
*******
Industriële revolutie
*****
Vanaf de 19de eeuw maakt ook de Industriële Revolutie haar intrede in de Kempen: de kanalen worden gegraven, de steenwegen worden aangelegd en in 1878 was de spoorlijn Antwerpen – Mol klaar. Later werd de spoorlijn doorgetrokken tot Mönchen-Gladbach, waardoor de Ijzeren Rijn was geboren.
Door de uitbouw van deze verkeerswegen, de ontdekking van het wit zand en de aanwezigheid van goedkope arbeidskrachten, kwam de eerste industrialisatie snel op gang. De eerste bedrijven waren de Vieille Montagne en de springstoffenfabriek N.V. La Forcite, het latere P.R.B., op het grenspunt Mol – Balen – Lommel. Tijdens deze periode beleefde de lakennijverheid een bloeiperiode en werden er nieuwe wolfabrieken gebouwd zoals Van Iersel, Van Hoof, Krings en van Dooren
*****
Foto station van Mol.
*****
<archief@gemeentemol.be>
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Jaren 1920 .
***
Tijdens de jaren 20 kwamen de bedrijven die zich richtten op de verwerking van het wit zand tot glasproducten bijvoorbeeld de flessenfabriek Verlipack en Johns Manville op Donk en de vensterglasfabriek Glaverbel in Gompel. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de nucleaire bedrijven, waardoor Mol kon uitgroeien tot een industriële gemeente met internationale bekendheid.
*******
Reprofoto kanaalzone Donk.
*******
winkelcentrum
***
Ook voor de plaatselijke bevolking veranderde er heel wat met de komst van al deze bedrijven. De gesloten Kempense leefwereld werd vrij bruusk opengetrokken. Al in de jaren twintig vestigden zich de eerste buitenlandse arbeiders in de gemeente. Met de uitbouw van de Europese wijk en de opening van een Europese school ,bereikte deze immigratie een hoogtepunt. Onder impuls van dit nieuwe potentieel aan klanten ontwikkelde de gemeente zich op enkele jaren tot een regionaal winkelcentrum.
De zware economische crisis van de jaren ’70 sloeg ook in Mol hard toe. Het herstel verliep moeizaam. Sinds enkele jaren is vooral het toerisme een belangrijke economische troef geworden. Om deze industrietak te ondersteunen, wordt er veel in geïnvesteerd: de infrastructuur van het Provinciaal Domein Zilvermeer wordt vernieuwd en uitgebouwd, ook de accommodaties van het Zilverstrand worden in een nieuw jasje gestopt. Sunparks ‘De Kempense Meren’ is in volle exploitatie en brengt heel wat buitenlandse toeristen naar Mol.
Met educatieve projecten over hoe natuurzorg en -recreatie kunnen samengaan, richt ecocentrum ‘De Goren’ zich op scholen, toeristen, verenigingen en natuurliefhebbers. De Postelse abdij blijft een belangrijke aantrekkingspool met duizenden bezoekers per jaar. De aanleg van vele fiets- en wandelwegen vervolledigen nog het toeristisch aanbod.
Mol heeft ook een zeer actief cultuur- en verenigingsleven. Drie musea belichten verschillende aspecten. Het Jakob Smitsmuseum toont werken van deze meester en van de kunstschilders die bij het begin van de 20ste eeuw ‘de Molse School’ vormden. In het Torenmuseum wordt kerkelijke kunst getoond en kan men de beiaard bezoeken. Tenslotte legt het Historisch Museum de klemtoon op het dorpsleven en de industriële ontwikkeling door de eeuwen heen.
In recente sociologische studies wordt Mol geklasseerd als centrumgemeente. Daarmee staan we op gelijke hoogte met steden en gemeenten als Oudenaarde, Tienen, Geel en Herentals. De gemeente wordt wetenschappelijk omschreven als een goed uitgeruste kleine stad.
************
archief@gemeentemol.be
***
Tijdens de jaren 20 kwamen de bedrijven die zich richtten op de verwerking van het wit zand tot glasproducten bijvoorbeeld de flessenfabriek Verlipack en Johns Manville op Donk en de vensterglasfabriek Glaverbel in Gompel. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de nucleaire bedrijven, waardoor Mol kon uitgroeien tot een industriële gemeente met internationale bekendheid.
*******
Reprofoto kanaalzone Donk.
*******
winkelcentrum
***
Ook voor de plaatselijke bevolking veranderde er heel wat met de komst van al deze bedrijven. De gesloten Kempense leefwereld werd vrij bruusk opengetrokken. Al in de jaren twintig vestigden zich de eerste buitenlandse arbeiders in de gemeente. Met de uitbouw van de Europese wijk en de opening van een Europese school ,bereikte deze immigratie een hoogtepunt. Onder impuls van dit nieuwe potentieel aan klanten ontwikkelde de gemeente zich op enkele jaren tot een regionaal winkelcentrum.
De zware economische crisis van de jaren ’70 sloeg ook in Mol hard toe. Het herstel verliep moeizaam. Sinds enkele jaren is vooral het toerisme een belangrijke economische troef geworden. Om deze industrietak te ondersteunen, wordt er veel in geïnvesteerd: de infrastructuur van het Provinciaal Domein Zilvermeer wordt vernieuwd en uitgebouwd, ook de accommodaties van het Zilverstrand worden in een nieuw jasje gestopt. Sunparks ‘De Kempense Meren’ is in volle exploitatie en brengt heel wat buitenlandse toeristen naar Mol.
Met educatieve projecten over hoe natuurzorg en -recreatie kunnen samengaan, richt ecocentrum ‘De Goren’ zich op scholen, toeristen, verenigingen en natuurliefhebbers. De Postelse abdij blijft een belangrijke aantrekkingspool met duizenden bezoekers per jaar. De aanleg van vele fiets- en wandelwegen vervolledigen nog het toeristisch aanbod.
Mol heeft ook een zeer actief cultuur- en verenigingsleven. Drie musea belichten verschillende aspecten. Het Jakob Smitsmuseum toont werken van deze meester en van de kunstschilders die bij het begin van de 20ste eeuw ‘de Molse School’ vormden. In het Torenmuseum wordt kerkelijke kunst getoond en kan men de beiaard bezoeken. Tenslotte legt het Historisch Museum de klemtoon op het dorpsleven en de industriële ontwikkeling door de eeuwen heen.
In recente sociologische studies wordt Mol geklasseerd als centrumgemeente. Daarmee staan we op gelijke hoogte met steden en gemeenten als Oudenaarde, Tienen, Geel en Herentals. De gemeente wordt wetenschappelijk omschreven als een goed uitgeruste kleine stad.
************
archief@gemeentemol.be
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Scherpenheuvel-Zichem
***
Scherpenheuvel-Zichem is een stad in de provincie Vlaams-Brabant. De stad telt bijna 22.000 inwoners. De stad wordt doorsneden door de rivier de Demer.
Scherpenheuvel is met de O.-L.-Vrouwebasiliek het drukst bezochte bedevaartsoord in België. Zichem is het meest bekend als de geboorteplaats van Ernest Claes. Het dorp komt ook veelvuldig in zijn boeken voor. Averbode heeft zijn Norbertijnenabdij
*****
Geschiedenis
****
Tussen Zichem en Diest stond op een heuveltop een eik, in de vorm van een kruis, met een Mariabeeldje. Volgens de legende vond een herder het beeldje op een dag op de grond. Toen hij het mee naar huis wou nemen, kon hij op mysterieuze wijze niet meer bewegen. Een schapenboer vond de herder en toen hij het beeld weer op zijn plaats zette, kon de knecht opnieuw vrij bewegen.
Rond het midden van de zestiende eeuw gingen de Vlamingen regelmatig op bedevaart naar de heuvel waar het beeldje staat. In 1602 richtte men een klein kapelletje op. Het aantal bedevaarders bleef toenemen. Veel mensen zochten bescherming tegen de pest.
In 1607 gaven Albrecht en Isabella opdracht om te beginnen met de bouw van een kerk. Het duurde 20 jaar voor ze af was. In 1922 werd de kerk verheven tot basiliek. De basiliek is nog steeds een bedevaartsoord
*****
Scherpenheuvel is de belangrijkste kern van de gemeente Scherpenheuvel-Zichem.
De barokke basiliek van Scherpenheuvel is al sinds de zestiende eeuw een belangrijk bedevaartsoord voor katholieke gelovigen. Anno 2005 is het de meest bezochte bedevaartplaats van België. Er wordt een klein houten beeldje vereerd van de Maagd Maria, dat wonderdadig zou zijn.
De geschiedenis van Scherpenheuvel gaat terug tot de Middeleeuwen toen tussen Zichem en Diest op de heuveltop een eik stond in kruisvorm. Een vrome man heeft toen een Mariabeeldje aan de eik gehangen en voortaan kwamen vele mensen er bidden. Toen een herder het beeldje wilde meenemen, werd die volgens de legende aan de grond genageld tot een bezoeker het beeldje terug aan de boom plaatste.
In 1602 timmerde men voor de eik een houten kapel en in 1604 reeds een grotere stenen kapel. Het jaar daarna namen de aartshertogen Albrecht en Isabella het initiatief tot de bouw van de huidige basiliek. Dit barokke gebouw is het werk van bouwmeester Wenzel Cobergher (1561-1634), hofarchitect van de aartshertog, en bevat beelden van De Nole en schilderijen van Theo Van Loon. In 1922 wordt de kerk verheven tot basiliek.
Na de inwijding van de kerk in 1627 kwam Isabella naar voren, de handen vol met goud en juwelen. Zij gooide ze neer op de altaartrappen om te beduiden dat aardse goederen niet de hoogste waarden zijn in het leven. De mensen rondom haar volgden dit voorbeeld. Tot op vandaag is deze gewoonte nog in gebruik
******
.
Basiliek van Scherpenheuvel.
***
Santenkraam.
********
uit ecyclopedie wikipedia
***
Scherpenheuvel-Zichem is een stad in de provincie Vlaams-Brabant. De stad telt bijna 22.000 inwoners. De stad wordt doorsneden door de rivier de Demer.
Scherpenheuvel is met de O.-L.-Vrouwebasiliek het drukst bezochte bedevaartsoord in België. Zichem is het meest bekend als de geboorteplaats van Ernest Claes. Het dorp komt ook veelvuldig in zijn boeken voor. Averbode heeft zijn Norbertijnenabdij
*****
Geschiedenis
****
Tussen Zichem en Diest stond op een heuveltop een eik, in de vorm van een kruis, met een Mariabeeldje. Volgens de legende vond een herder het beeldje op een dag op de grond. Toen hij het mee naar huis wou nemen, kon hij op mysterieuze wijze niet meer bewegen. Een schapenboer vond de herder en toen hij het beeld weer op zijn plaats zette, kon de knecht opnieuw vrij bewegen.
Rond het midden van de zestiende eeuw gingen de Vlamingen regelmatig op bedevaart naar de heuvel waar het beeldje staat. In 1602 richtte men een klein kapelletje op. Het aantal bedevaarders bleef toenemen. Veel mensen zochten bescherming tegen de pest.
In 1607 gaven Albrecht en Isabella opdracht om te beginnen met de bouw van een kerk. Het duurde 20 jaar voor ze af was. In 1922 werd de kerk verheven tot basiliek. De basiliek is nog steeds een bedevaartsoord
*****
Scherpenheuvel is de belangrijkste kern van de gemeente Scherpenheuvel-Zichem.
De barokke basiliek van Scherpenheuvel is al sinds de zestiende eeuw een belangrijk bedevaartsoord voor katholieke gelovigen. Anno 2005 is het de meest bezochte bedevaartplaats van België. Er wordt een klein houten beeldje vereerd van de Maagd Maria, dat wonderdadig zou zijn.
De geschiedenis van Scherpenheuvel gaat terug tot de Middeleeuwen toen tussen Zichem en Diest op de heuveltop een eik stond in kruisvorm. Een vrome man heeft toen een Mariabeeldje aan de eik gehangen en voortaan kwamen vele mensen er bidden. Toen een herder het beeldje wilde meenemen, werd die volgens de legende aan de grond genageld tot een bezoeker het beeldje terug aan de boom plaatste.
In 1602 timmerde men voor de eik een houten kapel en in 1604 reeds een grotere stenen kapel. Het jaar daarna namen de aartshertogen Albrecht en Isabella het initiatief tot de bouw van de huidige basiliek. Dit barokke gebouw is het werk van bouwmeester Wenzel Cobergher (1561-1634), hofarchitect van de aartshertog, en bevat beelden van De Nole en schilderijen van Theo Van Loon. In 1922 wordt de kerk verheven tot basiliek.
Na de inwijding van de kerk in 1627 kwam Isabella naar voren, de handen vol met goud en juwelen. Zij gooide ze neer op de altaartrappen om te beduiden dat aardse goederen niet de hoogste waarden zijn in het leven. De mensen rondom haar volgden dit voorbeeld. Tot op vandaag is deze gewoonte nog in gebruik
******
.
Basiliek van Scherpenheuvel.
***
Santenkraam.
********
uit ecyclopedie wikipedia
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Gemeentewapen & Gemeentevlag.
*****
Het gemeentewapen van Kapellen werd ontworpen door de Brusselse kunstenaar Pol Van Houtte. Bij Ministerieel Besluit van 13 oktober 1993 werd het als volgt goedgekeurd : "in lazuur drie akers van goud. Het schild geplaatst voor een Sint Jacob de Meerdere als pelgrim, houdend een kapel in de linkerhand, alles van goud".
**********
Kapellen was een deel van de gemeente Ekeren tot 1801. De "akers" op het Kapelse schild werden overgenomen uit het gemeentewapen van Ekeren, dat bestond uit drie gouden brouwerij-akers op een blauw veld. Het Ekers schild is geplaatst voor de heilige Jacobus de Meerdere, patroonheilige van de parochiekerk, die in de linkerhand een kapel houdt; dit is de kapel van de Hoogenschoot die aan hem is toegewijd en waar de parochiekerk van Sint Jacobus de opvolgster van is. Het feest van onze patroonheilige wordt op 25 juli gevierd, een feestdag die tot vandaag de datum van onze jaarlijkse kermis bepaalt.
************
De gemeentevlag van Kapellen bestaat uit zes even hoge banen van blauw en van geel.
************
De geschiedenis van Kapellen in een Notendop.
***
Het grondgebied dat binnen onze huidige gemeentegrenzen ligt was reeds zeer vroeg bewoond omdat het terrein iets hoger gelegen was dan de naburige polderstreek (cf. Hoog-boom en Hoghe-scote).
Onze gemeente bestaat uit verschillende wijken: het centrum, Putte, Kapellenbos, Hoogboom en Zilverenhoek.
De eerste geschreven documenten over onze leefgemeenschap verschenen relatief kort na elkaar: "Hobonia" (Hoogboom) in 1267; "Hoghescote" (centrum) in 1277; en Ertbrand (Putte) eveneens in 1277. De benaming "Zilverenhoek" vinden wij in 1844 voor het eerst vermeld op een kadasterplan.
De geschiedenis van de wijk Kapellenbos is zeer recent begonnen. De NV "Domeinen Kapellenbos" werd slechts op het einde van de 19de eeuw opgericht. Voordien bestond deze wijk alleen uit bossen en heide en was ze praktisch onbewoond.
Kapellen-centrum en Hoogboom behoorden tijdens de middeleeuwen tot de heerlijkheid Ekeren, die afhing van de heren van Breda. Zij waren op hun beurt vazal of leenman van de hertog van Brabant. De heerlijkheid Ekeren werd bestuurd door een schout, bijgestaan door o.a. 7 schepenen van Kapellen en 7 schepenen van Hoogboom. Het plaatselijke dorpsleven werd geregeld door het keurboek, d.w.z het strafwetboek en het politiereglement van de gemeente. De oudste dorpskeuren, 52 artikelen lang, dagtekenen uit 1534. In 1548 werden hieraan nog 17 artikelen toegevoegd.
Door verschillende huwelijken en erfenissen kwam het grondgebied van Kapellen-centrum en Hoogboom achtereenvolgens in het bezit van de heren van Gavere-Liedekerke (1287), van Wezemael (1325), van Boutersem (1389), van ridder van Maelstede (15de eeuw), de heer van Lalaing (1518) en de heer van Salm (1709).
De wijk Putte was achtereenvolgens in het bezit van de heer van Attenhoven (1248), van Breda (1275), van Gavere-Liedekerke (1287), van Aarschot (1302), van Bergen op Zoom (14de eeuw) en van Bailleul (16de eeuw).
Het was pas onder het bewind van de heren van Salm-Salm in 1714, dat de ganse heerlijkheid Ekeren in het bezit kwam van één familie. De heer van Salm-Salm was ook graaf van Hoogstraten en bekwam in 1740 de rang van "Hertog van Hoogstraten" en "Prins van het H. Roomse Rijk".
In tegenstelling tot de vele elkaar opvolgende machthouders van de wereldlijke macht, kende de geestelijke macht een duurzame continuïteit. In 1277 werden al de rechten van de parochie van "St. Jacob in den Hoghescote" overgedragen aan de abdij van St. Bernaarts, in zoverre dat zelfs vanaf 1412 de abt van de abdij ook de pastoor van de St. Jacobusparochie was. Hij kon zich evenwel laten vervangen door één van zijn paters.
De parochie was dan een reguliere beneficie. Deze toestand bleef voortduren tot aan de Franse Revolutie. Het grondgebied van Hoogboom was vóór de Franse Revolutie op kerkelijk gebied volledig afhankelijk van de kerk van Ekeren.
De belangrijkste gebeurtenissen die onze gemeente beroerden voor de Franse Revolutie van 1789 zijn samen te vatten in enkele paragrafen.
In 1256 was er voor het eerst sprake van het bestaan van een kapel, toegewijd aan St. Jacobus de Meerdere, afhangende van de kerk van St. Lambertus van Ekeren.
Tijdens de periode 1583-1585 had onze gemeente fel te lijden onder het beleg van Antwerpen door de Spanjaarden. De kerk, de pastorij en de school werden afgebrand; negentig procent van de huizen werden vernield en de inwoners van onze gemeente sloegen op de vlucht.
Het was pas vanaf 1608, mede ten gevolge van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), dat er stilaan een heropbloei kwam in onze gemeente. Na afloop van dit vredesbestand werden de vijandelijkheden tussen de Spanjaarden en de Noordelijke Nederlanden hervat, en verslechterde de situatie zeer snel. In 1623 werd de bloeiperiode brutaal afgebroken toen de pest één vijfde van de bevolking uitroeide.
Het zou duren tot na de vrede van Munster, die in 1648 de definitieve grenzen tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden vastlegde, dat Kapellen een nieuwe periode van bloei kende. In 1674 werd de kerk heropgebouwd. In Putte werd in 1695 een school opgericht.
De handel in Kapellen werd gestimuleerd door de aanleg van de kasseiweg van Merksem naar Kapellen in 1759. In de financiering van dit grote werk werd voorzien door de bareelrechten en door leningen bij de verschillende kasteelheren. Tijdens het bewind van Maria Theresia (1740-1780) werd begonnen met de ontginning van de heidevelden.
In de wijk Hoogboom werd in 1782 een zijdefabriek opgericht. Zij verschafte werk aan ongeveer 40 mensen. Deze nijverheid werd pas in 1900 opgedoekt.
In 1795 werd door de Franse bezetter de oude administratieve indeling in graafschappen en hertogdommen afgeschaft. Ons grondgebied werd onderverdeeld in municipaliteiten. Kapellen werd ondergebracht in de municipaliteit van Stabroek om nadien, op 7 september 1800, een zelfstandige gemeente te worden.
Na de val van Napoleon in 1815 kwamen wij onder Hollands bewind en behoorde onze gemeente tot de provincie Antwerpen en kerkelijk tot het aartsbisdom Mechelen omdat het Concordaat in 1801 het bisdom Antwerpen had afgeschaft.
In 1827 werd het gehucht Putte samen met de wijken Essenhout en Den Hoorn van Hoevenen overgeheveld naar Kapellen
Na de Omwenteling van 1830 kwam een periode van rust voor Kapellen en werd begonnen met de uitbouw van een moderne dienstverlening voor de bevolking. In 1831 werd de commissie voor gezondheid opgericht (nu het OCMW). Vanaf 1836 werd er een diligencedienst tot stand gebracht tussen Antwerpen, Kapellen en Bergen op Zoom. In hetzelfde jaar bracht koning Leopold I een bezoek aan onze gemeente.
In 1853 werd met de aanleg van de spoorlijn Antwerpen-Rotterdam begonnen, zodat in 1854 de eerste stoomtrein door onze gemeente reed. Ook op economisch vlak vonden verschillende veranderingen plaats. Vlas en tabak moesten plaats maken voor aardappelen en koolzaad. De steenfabrieken van Van den Bergh, Biart en Philips moesten hun deuren sluiten door de concurrentie met de Kempische steenbakkerijen. De leerlooierijen van Van Bogaert, Vouwé en Maes konden nog enkele jaren hun uitbating verder zetten, om daarna ook definitief te verdwijnen.
******
morgen verder
uit http://www.kapellen.be/headframe.htm
*****
Het gemeentewapen van Kapellen werd ontworpen door de Brusselse kunstenaar Pol Van Houtte. Bij Ministerieel Besluit van 13 oktober 1993 werd het als volgt goedgekeurd : "in lazuur drie akers van goud. Het schild geplaatst voor een Sint Jacob de Meerdere als pelgrim, houdend een kapel in de linkerhand, alles van goud".
**********
Kapellen was een deel van de gemeente Ekeren tot 1801. De "akers" op het Kapelse schild werden overgenomen uit het gemeentewapen van Ekeren, dat bestond uit drie gouden brouwerij-akers op een blauw veld. Het Ekers schild is geplaatst voor de heilige Jacobus de Meerdere, patroonheilige van de parochiekerk, die in de linkerhand een kapel houdt; dit is de kapel van de Hoogenschoot die aan hem is toegewijd en waar de parochiekerk van Sint Jacobus de opvolgster van is. Het feest van onze patroonheilige wordt op 25 juli gevierd, een feestdag die tot vandaag de datum van onze jaarlijkse kermis bepaalt.
************
De gemeentevlag van Kapellen bestaat uit zes even hoge banen van blauw en van geel.
************
De geschiedenis van Kapellen in een Notendop.
***
Het grondgebied dat binnen onze huidige gemeentegrenzen ligt was reeds zeer vroeg bewoond omdat het terrein iets hoger gelegen was dan de naburige polderstreek (cf. Hoog-boom en Hoghe-scote).
Onze gemeente bestaat uit verschillende wijken: het centrum, Putte, Kapellenbos, Hoogboom en Zilverenhoek.
De eerste geschreven documenten over onze leefgemeenschap verschenen relatief kort na elkaar: "Hobonia" (Hoogboom) in 1267; "Hoghescote" (centrum) in 1277; en Ertbrand (Putte) eveneens in 1277. De benaming "Zilverenhoek" vinden wij in 1844 voor het eerst vermeld op een kadasterplan.
De geschiedenis van de wijk Kapellenbos is zeer recent begonnen. De NV "Domeinen Kapellenbos" werd slechts op het einde van de 19de eeuw opgericht. Voordien bestond deze wijk alleen uit bossen en heide en was ze praktisch onbewoond.
Kapellen-centrum en Hoogboom behoorden tijdens de middeleeuwen tot de heerlijkheid Ekeren, die afhing van de heren van Breda. Zij waren op hun beurt vazal of leenman van de hertog van Brabant. De heerlijkheid Ekeren werd bestuurd door een schout, bijgestaan door o.a. 7 schepenen van Kapellen en 7 schepenen van Hoogboom. Het plaatselijke dorpsleven werd geregeld door het keurboek, d.w.z het strafwetboek en het politiereglement van de gemeente. De oudste dorpskeuren, 52 artikelen lang, dagtekenen uit 1534. In 1548 werden hieraan nog 17 artikelen toegevoegd.
Door verschillende huwelijken en erfenissen kwam het grondgebied van Kapellen-centrum en Hoogboom achtereenvolgens in het bezit van de heren van Gavere-Liedekerke (1287), van Wezemael (1325), van Boutersem (1389), van ridder van Maelstede (15de eeuw), de heer van Lalaing (1518) en de heer van Salm (1709).
De wijk Putte was achtereenvolgens in het bezit van de heer van Attenhoven (1248), van Breda (1275), van Gavere-Liedekerke (1287), van Aarschot (1302), van Bergen op Zoom (14de eeuw) en van Bailleul (16de eeuw).
Het was pas onder het bewind van de heren van Salm-Salm in 1714, dat de ganse heerlijkheid Ekeren in het bezit kwam van één familie. De heer van Salm-Salm was ook graaf van Hoogstraten en bekwam in 1740 de rang van "Hertog van Hoogstraten" en "Prins van het H. Roomse Rijk".
In tegenstelling tot de vele elkaar opvolgende machthouders van de wereldlijke macht, kende de geestelijke macht een duurzame continuïteit. In 1277 werden al de rechten van de parochie van "St. Jacob in den Hoghescote" overgedragen aan de abdij van St. Bernaarts, in zoverre dat zelfs vanaf 1412 de abt van de abdij ook de pastoor van de St. Jacobusparochie was. Hij kon zich evenwel laten vervangen door één van zijn paters.
De parochie was dan een reguliere beneficie. Deze toestand bleef voortduren tot aan de Franse Revolutie. Het grondgebied van Hoogboom was vóór de Franse Revolutie op kerkelijk gebied volledig afhankelijk van de kerk van Ekeren.
De belangrijkste gebeurtenissen die onze gemeente beroerden voor de Franse Revolutie van 1789 zijn samen te vatten in enkele paragrafen.
In 1256 was er voor het eerst sprake van het bestaan van een kapel, toegewijd aan St. Jacobus de Meerdere, afhangende van de kerk van St. Lambertus van Ekeren.
Tijdens de periode 1583-1585 had onze gemeente fel te lijden onder het beleg van Antwerpen door de Spanjaarden. De kerk, de pastorij en de school werden afgebrand; negentig procent van de huizen werden vernield en de inwoners van onze gemeente sloegen op de vlucht.
Het was pas vanaf 1608, mede ten gevolge van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), dat er stilaan een heropbloei kwam in onze gemeente. Na afloop van dit vredesbestand werden de vijandelijkheden tussen de Spanjaarden en de Noordelijke Nederlanden hervat, en verslechterde de situatie zeer snel. In 1623 werd de bloeiperiode brutaal afgebroken toen de pest één vijfde van de bevolking uitroeide.
Het zou duren tot na de vrede van Munster, die in 1648 de definitieve grenzen tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden vastlegde, dat Kapellen een nieuwe periode van bloei kende. In 1674 werd de kerk heropgebouwd. In Putte werd in 1695 een school opgericht.
De handel in Kapellen werd gestimuleerd door de aanleg van de kasseiweg van Merksem naar Kapellen in 1759. In de financiering van dit grote werk werd voorzien door de bareelrechten en door leningen bij de verschillende kasteelheren. Tijdens het bewind van Maria Theresia (1740-1780) werd begonnen met de ontginning van de heidevelden.
In de wijk Hoogboom werd in 1782 een zijdefabriek opgericht. Zij verschafte werk aan ongeveer 40 mensen. Deze nijverheid werd pas in 1900 opgedoekt.
In 1795 werd door de Franse bezetter de oude administratieve indeling in graafschappen en hertogdommen afgeschaft. Ons grondgebied werd onderverdeeld in municipaliteiten. Kapellen werd ondergebracht in de municipaliteit van Stabroek om nadien, op 7 september 1800, een zelfstandige gemeente te worden.
Na de val van Napoleon in 1815 kwamen wij onder Hollands bewind en behoorde onze gemeente tot de provincie Antwerpen en kerkelijk tot het aartsbisdom Mechelen omdat het Concordaat in 1801 het bisdom Antwerpen had afgeschaft.
In 1827 werd het gehucht Putte samen met de wijken Essenhout en Den Hoorn van Hoevenen overgeheveld naar Kapellen
Na de Omwenteling van 1830 kwam een periode van rust voor Kapellen en werd begonnen met de uitbouw van een moderne dienstverlening voor de bevolking. In 1831 werd de commissie voor gezondheid opgericht (nu het OCMW). Vanaf 1836 werd er een diligencedienst tot stand gebracht tussen Antwerpen, Kapellen en Bergen op Zoom. In hetzelfde jaar bracht koning Leopold I een bezoek aan onze gemeente.
In 1853 werd met de aanleg van de spoorlijn Antwerpen-Rotterdam begonnen, zodat in 1854 de eerste stoomtrein door onze gemeente reed. Ook op economisch vlak vonden verschillende veranderingen plaats. Vlas en tabak moesten plaats maken voor aardappelen en koolzaad. De steenfabrieken van Van den Bergh, Biart en Philips moesten hun deuren sluiten door de concurrentie met de Kempische steenbakkerijen. De leerlooierijen van Van Bogaert, Vouwé en Maes konden nog enkele jaren hun uitbating verder zetten, om daarna ook definitief te verdwijnen.
******
morgen verder
uit http://www.kapellen.be/headframe.htm
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
ALGEMEEN
Ronse is "de koningin van de Vlaamse Ardennen" : hier klopt het hart van deze prachtige streek. Evenals de andere steden in de omgeving kende Ronse een woelige geschiedenis. Destijds bloeide hier de lakennijverheid ; Sanderus plaatste Ronse in zijn Flandria Illustrata zelfs onmiddellijk achter de Vlaamse koninginnesteden : Gent, Brugge en Ieper.
Ook in de vorige eeuw bloeide hier de textielnijverheid, zij het niet altijd onder de beste omstandigheden voor de arbeiders die er waren tewerkgesteld. Vandaag draait de industriële activiteit in Ronse op een lager niveau en zijn vele Ronsenaars genoodzaakt hun broodwinning elders te zoeken : in Oudenaarde en Gent of - met de trein - naar Brussel.
Ronse ligt op de taalgrens en heeft bijgevolg het statuut van taalgrensgemeente met faciliteiten voor de Franstaligen. De meeste Ronsenaars zijn tweetalig en spreken uiteraard ook het plaatselijke dialect dat merkwaardig kan genoemd worden. Door de franstalige invloeden en de grote inwijking van Gentse arbeiders in de XIX de eeuw lijkt het "Ronsies" eerder op het Gentse dialect dan op de andere spreektalen uit de buurt. Niets is beter dan een bezoekje aan een volkscafé om dit sappige taaltje eens in het echt te aanhoren.
*************
GESCHIEDENIS
*************
Vanaf het Paleolithicum werden reeds verschillende heuvels in de Vlaamse Ardennen door de mens bewoond. De talrijke gevonden vuurstenen schrabbers en spitsen wijzen op plaatselijke activiteiten zoals jacht, vlees- en huidbewerking.
Naast de Kluisberg, Hotond, Pottelberg en Mont de Rhodes trof men in en rond het Muziekbos te Ronse ook sporen aan van deze menselijke activiteiten.
Onze streek werd echter voor het eerst echt bevolkt tijdens het Neolithicum. Deze samenleving was vooral gebaseerd op landbouw en veeteelt, en dit gebeurde in permanente woonkernen in de nabijheid van landerijen en kudden, en niet meer in tijdelijke kampen
In de VII de eeuw voor Christus brachten de Kelten vanuit het Rijngebied de ijzertijd bij ons binnen: zij vochten te paard en bovendien beschikten zij over ijzeren zwaarden. Tegen deze revolutie in de krijgskunst was de inheemse bevolking uiteraard niet opgewassen.
Omstreeks 125 voor Christus behoorde Ronse waarschijnlijk tot het gebied van de Nerviërs (Henegouwen), maar het lag ook dicht bij de grens der Menapiërs.
In de Romeinse Tijd bevond zich op het grondgebied van Ronse een nederzetting. Zo vinden we fragmenten van een Romeins bouwwerk die als recuperatiemateriaal herbruikt werden in de romaanse gewelven van de Sint-Hermescrypte. Eveneens als recuperatiemateriaal vinden we in deze crypte een deel van een sculptuur met dansende bacchante. Romeinse munten werden gevonden op de Muziekberg (1836) en in het Bois Joly op Hogerlucht (1955), respectievelijk daterend uit de IV de en de II de eeuw na Christus.
Op het eind van de V de eeuw werden de Romeinen definitief uit onze gewesten verjaagd door de krijgsheer Childerik. Waar de Romeinse cultuur de Germaanse bezetting overleefde, zou later - wat wij nu noemen - de taalgrens ontstaan.
Het ontstaan van de eerste echte woonkern wordt gesitueerd rond het midden van de VII de eeuw, wanneer Sint-Amandus onze gewesten tot het christendom bekeert. Vermoedelijk was het Amandus zelf ofwel één van zijn volgelingen die in Ronse een eerste kleine religieuze gemeenschap stichtte, opgedragen aan de heiligen Petrus en Paulus.
Een kapitale datum in de geschiedenis van Ronse is 6 juli 860, de aankomst van de relieken van Sint-Hermes te Ronse. Keizer Lotharius zou deze relieken, die reeds in 851 te Salzburg aankwamen, voor Ronse voorbestemd hebben. Doch de vorst overleed in 855 en het was zijn opvolger, Lodewijk II, die ze naar Ronse liet overbrengen. Dit verblijf zou echter van korte duur zijn: in 880 vluchtten de monniken met hun kostbaarheden naar Keulen uit vrees voor de oprukkende Noormannen. Die overwinterden in 879-880 in Gent, en in het voorjaar voeren ze de Schelde af. Ook Doornik werd aangevallen. In de X de eeuw ontstond er een kapittel van kanunniken dat zich opwierp als de erfgenaam van de gevluchte monniken. De vroegere goederen van het klooster en de relieken van Sint-Hermes werden, met tussenkomst van Fulbert, bisschop van Cambrai, gerecupereerd in 940.
Vanaf deze datum ontwikkelde Ronse zich als stad. De relieken werden in 1089 ondergebracht in een nieuwe romaanse crypte, waarboven in 1129 een nieuwe Sint-Hermeskerk werd ingewijd. De komst van vele geesteszieken en hun begeleiders, die bij Sint-Hermes soelaas kwamen zoeken, gaf tevens een economische impuls aan de stad. Gaandeweg ontwikkelde zich dus een eerste stadskern rond het huidige Kaatsspelplein en de Kleine Markt, de Vrijheid. Die Vrijheid, waarvan de traditie wil dat ze door Otto I, keizer van het Heilig Rooms Rijk, aan het klooster geschonken werd, zal tot aan het einde van het Ancien Régime een soort enclave in de stad blijven. Zij zou rechtstreeks bestuurd worden door het Kapittel, dat ook instond voor een zelfstandig juridisch en fiscaal bestel: de volledige rechtsmacht werd er uitgeoefend. Zo stond de galg van de Vrijheid tot in de XVIII de eeuw achter het huidig Museum voor Folklore. Alle rechtshandelingen die plaatsvonden in de dorpen van het Tenement of leengoed van Inde (o.a. Elst, Hundelgem, Michelbeke) werden verleden voor de baljuw en de leenmannen van de Vrijheid. De Kanuniken voorzagen ook in onderwijs, vooral muziekonderwijs, dat in de XV-de en XVI-de eeuw op een bijzonder hoog peil stond.
In 1240 schonk Gerard de Waudrupont, ondervoogd van de abdij van Cornelimünster aan de Inde, de eerste vrijheidskeure aan de stad. Hierin werden een aantal bepalingen opgenomen die de wederzijdse verhoudingen en verplichtingen op bestuurlijk, juridisch, sociaal, militair en financieel vlak tussen de heer en de inwoners reguleerden. Op die manier werd willekeur ingeperkt en werd een vorm van rechtszekerheid gegarandeerd. De Ronsenaars waren er uiteraard erkentelijk om en boden daarom een 'crucoecke', die kostbare specerijen bevatte, aan hun heer aan. Dit gebruik bleef door de eeuwen heen bestaan. Dit feodaal hommage trotseerde oorlogen, rampen en revoluties en wordt nog jaarlijks herhaald tijdens de Fiertel.
Vanaf 1250 kende Ronse ook een steile opgang van de industrie, voornamelijk de lakennijverheid. Jan I, hertog van Brabant, verleende aan de Ronsese lakenhandelaars een privilege, waarmee ze o.a. een vaste standplaats kregen in de Lakenhalle van Leuven en vrijstelling genoten van het betalen van belastingen.
Na de overschakeling, onder druk van de Engelse concurrentie, van wol- naar vlasnijverheid kon Ronse door de productie van lijnwaadartikelen de godsdienstoorlogen en de grote uitwijking van protestanten toch economisch overleven. Via de markten van Oudenaarde en Ath werd het lijnwaad verhandeld; het vond via Spanje ook de weg naar de Nieuwe Wereld.
Weldra kwamen de voorboden voor het verval van deze hoogconjunctuur. Na de stadsbranden van 1513 en 1553 was deze van 1559 catastrofaal: in twee uren tijd stonden heel de stadskom en de aangrenzende huizen in lichterlaaie. Werkplaatsen, getouwen, grondstoffen en weefsels van de textielindustrie gingen in de vlammen op. Ondernemers en handelaars waren bankroet, de gewone man werkloos. Slechts acht huizen werden door de vlammen gespaard.
Geleidelijk aan begon een nieuw gedachtengoed opgang te maken: Lutheranen, Wederdopers, Calvinisten. In Ronse, dat nog gebukt ging onder de gevolgen van de laatste brand, vonden deze ideeën grote weerklank. Op 15 augustus 1566 vond hier de Beeldenstorm plaats. De kanunniken vluchtten naar Ath en de Sint-Hermeskerk werd tijdelijk bezet door de geuzen en daarna gesloten. De reactie op de golf van geweld die onze gewesten overspoelde liet niet lang op zich wachten. Filips II stuurde de hertog van Alva naar de Nederlanden op de opstand, die naast religieuze ook politieke motieven had, neer te slaan. Hij installeerde de Raad van Beroerte of de Bloedraad.
In de XVII de eeuw ging graaf Jan van Nassau-Siegen, die op 28 maart 1629 de heerlijkheid en baronie gekocht had, over tot de bouw van een kasteel in Ronse. Het prachtig rechthoeking gebouw met een centrale binnenkoer werd één van de grootste kastelen van de Nederlanden genoemd. Als militair, hij was kolonel van een Duits regiment en werd later generaal van de cavalerie in Vlaanderen, was hij echter dikwijls op campagne. Hij overleed in Ronse op 29 juli 1638. Zijn weduwe verbleef op het kasteel van Ronse.
Na de slag bij Fleurus (26 juni 1794), werden onze gewesten door de Fransen bezet. Zowel adel als geestelijkheid werden door de Franse revolutionairen geviseerd: de baronie werd opgeheven en het kasteel van Ronse, dat na de Nassaus in handen gekomen was van de familie de Mérode, werd verkocht. Vanaf dan begon het kasteel zeer snel tot een ruïne te vervallen. De laatste koper, Alexandre-Louis Van Hove, kon het gebouw niet alleen onderhouden en bood het in 1821 voor een bescheiden som te koop aan aan het stadsbestuur. Burgemeester Eugène-Ferdinand Fostier verwierp het aanbod, waardoor het kasteel nog verder verviel en in 1823 volledig afgebroken werd. Dit alles was het gevolg van een vete tussen de Van Hoves (tijdens het Ancien Régime vertegenwoordigers van de heer en dus ConServBisatief) en de Fostiers (zeer ambitieus en progressief).
In 1796 lijfde een decreet de Zuidelijke Nederlanden en het Prinsbisdom Luik in bij Frankrijk. In 1797 werd voor het eerst een nieuw berekende onroerende belasting, dit keer zonder vrijgestelden, ingevoerd en in datzelfde jaar deed men in Ronse de eerste inschrijvingen in de registers van de burgerlijke stand. De ambachten en gilden werden afgeschaft en het gewoonterecht met zijn diversiteit aan bepalingen werd opgeheven. De regeringsperiode van Napoleon luidde de eerste moderne textielindustrie te Ronse in. Het gebruik van de vliegende schietspoel deed de productie met één derde stijgen. In 1806 produceerden 450 arbeiders een jaarlijkse gemechaniseerde katoendraadproductie van 70.000 kg. Het is ook onder Napoleon dat het openbaar en cultureel leven grondig verfranst werd. De eerste openbare nutsvoorzieningen werden getroffen: in 1808 werd de eerste brandspuit aangekocht; het volgend jaar werd de eerste openbare gasverlichting geïnstalleerd. Tevens waren er plannen voor een openbaar watervoorzieningsnet: de obelisk op de Grote Markt. Die zal echter pas gerealiseerd worden onder het Hollands bewind.
De vernederlandsing van het lager onderwijs en de bestuurstaal, na de aanhechting bij Nederland in 1815, zette bij sommigen kwaad bloed. De voorstanders van Willem I waren vooral te vinden bij anticlericalen en de handelsburgerij. Op 28 september werd de W (van Willem) bovenop de obelisk door Belgische patriotten naar beneden gehaald. Omstreeks 1840 sloeg de tegenstelling patriot - orangist om in klerikaal (katholiek) en antiklerikaal (liberaal). Op nationaal niveau zou dit later leiden tot partijvorming.
Op het einde van de XIX-de eeuw werd de stad een belangrijk centrum van familiale textielbedrijven. Er werd werk gemaakt van een nieuwe specialisatie: gemengde stoffen en fantasieweefsels. De geweldige bloei in textielnijverheid en de opkomst van de fabrieken veroorzaakten een wezenlijke aangroei van de bevolking in het stadscentrum en een stijgende welvaart. Vele burgershuizen werden door vooruitstrevende ondernemers in art deco stijl opgetrokken en ingericht. Textielfabrikanten beschikten over een buitenhuis, veelal gebouwd op de heuvelruggen van de stad.
Tussen de twee wereldoorlogen in groeide Ronse uit tot het tweede textielcentrum in Vlaanderen. Nochtans waren er belemmeringen: de late mechanisatie, de nabijheid van concurrerende centra als Gent, Kortrijk, Aalst, Rijsel en Tourcoing. Een groot aantal bedrijven enbedrijfjes was kenmerkend voor onze stad. In 1959 telde men 536 bedrijven, waarvan er 359 werkten met minder dan 10 arbeiders. Men trof echter ook een aantal grote bedrijven aan. Deze kenden een langzame groei als gevolg van een financieel zwakke startpositie: er was een overwicht aan familiebedrijven.
Ronse werd door het Engelse regiment Inns of Court bevrijd op 3 september 1944. Na de oorlog herstelde de stad zich moeizaam en vanaf de jaren '50 en '60 werden de eerste tekenen van verval zichtbaar.
Door de oprichting van de Benelux (1958) en de Europese Economische Gemeenschap (1958) kwamen de Europese handelsrelaties in een nieuw daglicht. De resoluties van de Unctad-conferentie (1971) en de Internationale Verdragen van Lomé (1975), waarbij bepaalde quota textielproducten uit de ontwikkelingslanden douanevrij in de EEG mochten ingevoerd worden, zorgden voor nog verdere spanningen. Deze factoren zijn uiteraard een algemeen Belgisch, ook grotendeels Europees probleem, m.a.w. de uitdaging bleef voor elke fabrikant dezelfde. Het antwoord dat vanuit de industriële wereld gegeven werd, verschilde evenwel grondig van lokaliteit tot lokaliteit. Men moet dus ook interne factoren verantwoordelijk stellen voor de algemene economische achteruitgang in de regio Ronse. Hier komen we terug op die typische situatie: monoindustrie, familieondernemingen, kleinschaligheid, zelffinanciering, gediversifieërde productie en geografisch isolement. Alle intrinsieke kenmerken op een rijtje, regelrecht indruisend tegen de alternatieve productiestructuren die zich na 1945 opdrongen.
Het is ontegensprekelijk zo dat men in een groot aantal bedrijven rond de jaren 1950-60 een "levensmoeheid" vaststelt. De meeste ondernemingen zijn aan hun derde generatie toe. Voor het machinepark betekende dit een dringende noodzaak aan vernieuwing. Precies deze aanpassingen heeft men hier veel te laat of niet doorgevoerd. Vele kleine bedrijfjes hadden een te zwakke financiële basis om de nodige reconversie uit te voeren. Ze sloten dan ook in de jaren '60 een voor een hun deuren.
Door de taalwetgeving van 1963 wordt Ronse een Vlaamse stad met faciliteiten voor de Franstalige minderheidHierdoor viel Ronse uit de boot bij de fusies van de gemeenten.
Momenteel profileert de taalgrensstad zich als een cultuur-toeristisch centrum van waaruit men de prachtige natuur van de Vlaamse Ardennen kan ontdekken.
WEETJES
Kan het zijn dat in Ronse de bakermat ligt van één van de meest toonaangevende grootmachten op het Europese vasteland?
Kan het dat de wortels van Frankrijk, dat eeuwenlang en wereldwijd de toon aangaf op cultureel gebied, vast verankerd liggen in onze geliefde stad?
In Doornik zijn ze er dus aan voor de moeite! Tornacum of Rothnacum? Het laatste natuurlijk… want een schrijffoutje is snel gemaakt.
Als we oude kroniekschrijvers mogen geloven bestaat er geen twijfel: de grote Childerik werd omstreeks 436 in Ronse geboren! Zijn halfmythische vader Meroveus zou zijn naam geven aan een geslacht, dat zal uitgroeien tot het Franse koningshuis.
Childerik, die in 481 in Doornik (jawel) overleed liet een zoon na, Clovis I (465-511). Als koning der Salische Franken, overwon die o.a. de Alamannen, de Burgonden en de Visigothen. Daardoor werd hij de stichter van de Franse monarchie en de enige heerser van Gallië. Hij was de eerste 'barbarenkoning' die in 496 in Reims gedoopt werd door Sint-Remigius. Het Franse koningshuis zal zich in de loop der eeuwen ontpoppen tot een factor van formaat op het politieke schaakbord van de wereld, en zijn definitieve ondergang halverwege de XIX de eeuw ligt grotendeels aan de basis van de grondslagen van onze huidige Westerse maatschappij.
Enerzijds gevolgd, anderzijds weerlegd door een reeks lokale geschiedschrijvers uit de vorige twee eeuwen, blijft de Ronsese origine van Childerikzeker een stelling die niemand onbewogen laat.
************
http://www.ronse.be/

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Olen is een bruisende gemeente in de Kempen. In deze rubriek is diverse gemeente informatie samengebracht. Naast het stratenplan van de gemeente vindt u wat feiten en cijfers uit Olens rijke verleden en de huidige situatie. Uiteraard heeft Olen ook heel wat in zijn mars m.b.t. toerisme; deze info werd samengebracht in een afzonderlijke rubriek.
****
De rubriek historiek geeft u een bloemlezing van de boeiende geschiedenis van onze gemeente die in 1994 haar duizendjarig bestaan mocht vieren. De vele foto's geven u een impressie van hoe het er ooit uitgezien heeft in elk van onze drie deelgemeenten.
****
Het verleden
****
Een greep uit het verleden van onze gemeente :
***
Al in de Frankische en Romeinse tijden waren de Kempen bewoond. Oudheidkundige vondsten in tal van Kempense gemeenten bewijzen dat. Ook in Olen werden lijkurnen uit de grond gehaald uit de laat-Germaanse of vroeg-Saksische periode.
994
Onze gemeente wordt voor het eerst vermeld onder de naam Odlo (=woest bos) wanneer graaf Ansfried, bisschop van Utrecht, een deel van zijn bezittingen, waaronder Olen en Westerlo, aan de kerkelijke inrichtingen schonk.
*****
De goederen worden in Olen en andere plaatsen in erfpacht geschonken aan de Heren van Wezemael en vanaf 1429 komen zij in het bezit van de familie de Merode van Westerlo.
Het patronaat van de kerk ging naar het klooster van Tongerlo.
1550
Hendrik van Merode wordt door de Raad van Brabant benoemd tot Graaf van Olen. Zo is Olen een graafschap.
***
De Sint-Antoniusgilde wordt opgericht. Deze gilde mocht steeds de belangstelling genieten van de familie de Merode. Zij is de oudste, nog steeds bestaande vereniging.
1668
De Kempen bleven in die tijd niet van de pest gespaard en ook Olen werd zwaar getroffen. Tot overmaat van ramp kwamen er nog een oorlog en hongersnood bij.
1744
In dat jaar kreeg Olen zijn eigen schepenbank (rechtbank) en werd het gemeentehuis gebouwd.
In 1798 streed Olen mee in de Boerenkrijg en leverde een compagnie van 44 strijders die met Van Gansen meevochten in de strijd met de Fransen.
1801
Olen krijgt een jaarmarkt, nauw verbonden met de patroonheilige Sint-Martinus . Zo koopt men in 1801 zestig jonge lindebomen om op de 'plaets' in Olen te planten.
In 1816 krijgt Olen zijn wapenschild.
*****
http://www.olen.be/index2.htm
****
De rubriek historiek geeft u een bloemlezing van de boeiende geschiedenis van onze gemeente die in 1994 haar duizendjarig bestaan mocht vieren. De vele foto's geven u een impressie van hoe het er ooit uitgezien heeft in elk van onze drie deelgemeenten.
****
Het verleden
****
Een greep uit het verleden van onze gemeente :
***
Al in de Frankische en Romeinse tijden waren de Kempen bewoond. Oudheidkundige vondsten in tal van Kempense gemeenten bewijzen dat. Ook in Olen werden lijkurnen uit de grond gehaald uit de laat-Germaanse of vroeg-Saksische periode.
994
Onze gemeente wordt voor het eerst vermeld onder de naam Odlo (=woest bos) wanneer graaf Ansfried, bisschop van Utrecht, een deel van zijn bezittingen, waaronder Olen en Westerlo, aan de kerkelijke inrichtingen schonk.
*****
De goederen worden in Olen en andere plaatsen in erfpacht geschonken aan de Heren van Wezemael en vanaf 1429 komen zij in het bezit van de familie de Merode van Westerlo.
Het patronaat van de kerk ging naar het klooster van Tongerlo.
1550
Hendrik van Merode wordt door de Raad van Brabant benoemd tot Graaf van Olen. Zo is Olen een graafschap.
***
De Sint-Antoniusgilde wordt opgericht. Deze gilde mocht steeds de belangstelling genieten van de familie de Merode. Zij is de oudste, nog steeds bestaande vereniging.
1668
De Kempen bleven in die tijd niet van de pest gespaard en ook Olen werd zwaar getroffen. Tot overmaat van ramp kwamen er nog een oorlog en hongersnood bij.
1744
In dat jaar kreeg Olen zijn eigen schepenbank (rechtbank) en werd het gemeentehuis gebouwd.
In 1798 streed Olen mee in de Boerenkrijg en leverde een compagnie van 44 strijders die met Van Gansen meevochten in de strijd met de Fransen.
1801
Olen krijgt een jaarmarkt, nauw verbonden met de patroonheilige Sint-Martinus . Zo koopt men in 1801 zestig jonge lindebomen om op de 'plaets' in Olen te planten.
In 1816 krijgt Olen zijn wapenschild.
*****
http://www.olen.be/index2.htm
Laatst gewijzigd door majke op 27 jan 2006, 12:27, 1 keer totaal gewijzigd.
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Damme is een plaats en stad in de provincie West-Vlaanderen, België. De stad is een toeristische trekpleister met veel oude gebouwen
****
Geschiedenis.
***
Geschiedenis
Vanaf midden 11e eeuw verzandde de waddenzee voor Brugge geleidelijk, maar in de eerste helft van de 12e eeuw kreeg Brugge nogmaals een directe verbinding met de Noordzee: overstromingen hadden een diepe en brede geul achtergelaten, het Zwin. Aan het Zwin ontstond de haven van Letterswerve (toltarief Diederik van Elzas circa 1160). Op het einde van de vaargeul werd later ter beveiliging van het hinterland door Filips van de Elzas een dwarsdam gebouwd. Achter de dam ontstond een nieuwe haven, Damme (stadsrechten circa 1169). In plaats van getijdevaart konden de grotere schepen, vooral de kogge, nu tot dicht bij Brugge varen. Mits overlading in Damme op binnenschepen was Brugge nog steeds bereikbaar
Damse vaart (14 sep 2004)De stad dankt haar naam aan de dwarsdam die in 1168 in de Zwinbedding werd aangelegd. In de 13e eeuw werd de Lieve, een kanaal dat Damme met Gent verbond, gegraven.
Langs het Zwin ontstonden geleidelijk ook kleinere havens: Monnikerede (al lang verdwenen), Hoeke, Muide (nu Sint-Anna-ter-Muiden) en tenslotte Sluis. Door verdere verzanding van het Zwin verloor Damme haar rol als haven die werd overgenomen door Sluis.
Het huwelijk tussen Karel de Stoute en Margaretha van York werd in 1468 hier ingezegend. In de 16e eeuw was Damme een versterkte stad, met een typisch stervormig grondplan. Het was een belangrijke verdedigingsplaats met garnizoen tot de 19e eeuw. De vestingwerken zijn nu gedeeltelijk verdwenen, maar het grondplan is in de omliggende polders nog duidelijk zichtbaar vanop de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk.
Hier werd ook Tijl Uilenspiegel geboren, de held uit de roman van Charles de Coster.
****
O.L.V.-kerk .
******
Tijl Uilenspiegel
********
Tijl Uilenspiegel, de protagonist van de gelijknamige roman van Charles de Coster, is een deugniet die vrij als een vogel door het zestiende-eeuwse Vlaanderen en Duitsland trok en iedereen voor de gek hield met zijn streken. Waarschijnlijk heeft er nooit een "historische" Tijl Uilenspiegel bestaan, maar al rond 1500 vinden we de eerste verhalen over deze volksheld.
Protagonisten van de roman zijn de sluwe, schelmse Tijl en de goedmoedige Lamme, door zijn zachtaardig karakter "Goedzak" genoemd. De vermakelijke dialogen tussen de twee personages doen onmiskenbaar denken aan dat andere onsterfelijke meester-en-knecht-duo: Don Quichot en Sancho Panza.
De schalkse Tijl laat de mensen zien zoals ze zijn, zonder enige schroom. Vandaar zijn naam, die hij zelf in de eerste pagina's van het boek verklaart: "Ik ben ulieden spiegel," Ulen-spiegel
******
Bezienswaardigheden
****
Het prachtige middeleeuwse stadhuis
De middeleeuwse Onze-Lieve-Vrouwekerk waarvan de bouw in de dertiende eeuw in vroeggotische stijl werd opgestart. Door het toenemend belang van Damme werd in de volgende eeuw de huidige hallenkerk aangebouwd. In 1578 werd de kerk geplunderd door de geuzen. Herstelling volgde tussen 1621 en 1626. Transept, zijbeuken en middenbeuk werden in 1725, samen met de bouwvallige spits afgebroken omdat de onderhoudsfactuur onbetaalbaar werd. Men moest hiervoor wel toelating vragen aan de Grote Raad van Mechelen. De kerk werd opnieuw gerestaureerd, eerst tussen 1890 en 1895 en later tussen 1902 en 1904. Het pleister werd van de baksteen verwijderd.
Het standbeeld van Jacob van Maerlant voor het stadhuis.
De Damse Vaart, afgelijnd met bomen, verbindt Damme met Brugge en loopt verder naar Sluis. Het werd onder Napoleon uitgegraven. De vaart heeft nu geen enkele economische betekenis meer. De boot Lamme Goedzak, naar een karakter uit de roman over Tijl Uilenspiegel, brengt toeristen van Brugge naar Damme. Wanneer de vaart in de winter dichtvriest, is het mogelijk van Brugge naar Sluis te schaatsen wat dan ook door vele toeristen wordt gedaan.
*****
Damse vaart .
******
http://nl.wikipedia.org/wiki/Damme.

****
Geschiedenis.
***
Geschiedenis
Vanaf midden 11e eeuw verzandde de waddenzee voor Brugge geleidelijk, maar in de eerste helft van de 12e eeuw kreeg Brugge nogmaals een directe verbinding met de Noordzee: overstromingen hadden een diepe en brede geul achtergelaten, het Zwin. Aan het Zwin ontstond de haven van Letterswerve (toltarief Diederik van Elzas circa 1160). Op het einde van de vaargeul werd later ter beveiliging van het hinterland door Filips van de Elzas een dwarsdam gebouwd. Achter de dam ontstond een nieuwe haven, Damme (stadsrechten circa 1169). In plaats van getijdevaart konden de grotere schepen, vooral de kogge, nu tot dicht bij Brugge varen. Mits overlading in Damme op binnenschepen was Brugge nog steeds bereikbaar
Damse vaart (14 sep 2004)De stad dankt haar naam aan de dwarsdam die in 1168 in de Zwinbedding werd aangelegd. In de 13e eeuw werd de Lieve, een kanaal dat Damme met Gent verbond, gegraven.
Langs het Zwin ontstonden geleidelijk ook kleinere havens: Monnikerede (al lang verdwenen), Hoeke, Muide (nu Sint-Anna-ter-Muiden) en tenslotte Sluis. Door verdere verzanding van het Zwin verloor Damme haar rol als haven die werd overgenomen door Sluis.
Het huwelijk tussen Karel de Stoute en Margaretha van York werd in 1468 hier ingezegend. In de 16e eeuw was Damme een versterkte stad, met een typisch stervormig grondplan. Het was een belangrijke verdedigingsplaats met garnizoen tot de 19e eeuw. De vestingwerken zijn nu gedeeltelijk verdwenen, maar het grondplan is in de omliggende polders nog duidelijk zichtbaar vanop de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk.
Hier werd ook Tijl Uilenspiegel geboren, de held uit de roman van Charles de Coster.
****
O.L.V.-kerk .
******
Tijl Uilenspiegel
********
Tijl Uilenspiegel, de protagonist van de gelijknamige roman van Charles de Coster, is een deugniet die vrij als een vogel door het zestiende-eeuwse Vlaanderen en Duitsland trok en iedereen voor de gek hield met zijn streken. Waarschijnlijk heeft er nooit een "historische" Tijl Uilenspiegel bestaan, maar al rond 1500 vinden we de eerste verhalen over deze volksheld.
Protagonisten van de roman zijn de sluwe, schelmse Tijl en de goedmoedige Lamme, door zijn zachtaardig karakter "Goedzak" genoemd. De vermakelijke dialogen tussen de twee personages doen onmiskenbaar denken aan dat andere onsterfelijke meester-en-knecht-duo: Don Quichot en Sancho Panza.
De schalkse Tijl laat de mensen zien zoals ze zijn, zonder enige schroom. Vandaar zijn naam, die hij zelf in de eerste pagina's van het boek verklaart: "Ik ben ulieden spiegel," Ulen-spiegel
******
Bezienswaardigheden
****
Het prachtige middeleeuwse stadhuis
De middeleeuwse Onze-Lieve-Vrouwekerk waarvan de bouw in de dertiende eeuw in vroeggotische stijl werd opgestart. Door het toenemend belang van Damme werd in de volgende eeuw de huidige hallenkerk aangebouwd. In 1578 werd de kerk geplunderd door de geuzen. Herstelling volgde tussen 1621 en 1626. Transept, zijbeuken en middenbeuk werden in 1725, samen met de bouwvallige spits afgebroken omdat de onderhoudsfactuur onbetaalbaar werd. Men moest hiervoor wel toelating vragen aan de Grote Raad van Mechelen. De kerk werd opnieuw gerestaureerd, eerst tussen 1890 en 1895 en later tussen 1902 en 1904. Het pleister werd van de baksteen verwijderd.
Het standbeeld van Jacob van Maerlant voor het stadhuis.
De Damse Vaart, afgelijnd met bomen, verbindt Damme met Brugge en loopt verder naar Sluis. Het werd onder Napoleon uitgegraven. De vaart heeft nu geen enkele economische betekenis meer. De boot Lamme Goedzak, naar een karakter uit de roman over Tijl Uilenspiegel, brengt toeristen van Brugge naar Damme. Wanneer de vaart in de winter dichtvriest, is het mogelijk van Brugge naar Sluis te schaatsen wat dan ook door vele toeristen wordt gedaan.
*****
Damse vaart .
******
http://nl.wikipedia.org/wiki/Damme.

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Geschiedenis
De stad is ontstaan aan de Leie, op de handelsweg Brugge-Rijsel. De oudste naamvermelding stamt uit 1087. Als grensstad werd Menen al vroeg versterkt. De eerste omwallingen dateren uit 1578. Tussen 1579 en 1830 werd Menen tweeëntwintigmaal belegerd.
De Leie speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling tot een belangrijk lakencentrum. In de 16e eeuw was de stad beroemd om zijn bier en telde toen 104 meester-brouwers. In 1548 werd een groot deel van de stad door brand verwoest
****
Stadhuis en belfort van Menen
***
Bezienswaardigheden
Stadhuis en belfort van Menen (5 okt 2004)het classicistisch stadhuis dateert uit 1782. Aan het 33m hoge belfort werd gebouwd van 1574 tot 1610. Het bevat een beiaard met 49 klokken. Het belfort is opgenomen op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO.
de Sint-Vedastuskerk waarvan de onderbouw van de toren dateert uit 1454 en de Sint-Franciscuskerk, een oude kloosterkerk, die vaak werd herbouwd.
het krijgshospitaal is een uniek gebouw uit 1684, gebouwd troepen van Lodewijk XIV van Frankrijk te verzorgen. Het had allerlei bestemmingen: tussen 1830 en 1991 werd gebruikt als tabaksfabriek.
Vauban maakte van Menen een modelversterking (1679-1689). De vestingwerken hadden een omtrek van drie kilometer met elf bastions en vier stadspoorten. Nu zijn nog een deel van de stadsmuur en kazematten te zien.
de stenen windmolen De Goede Hoop, uit de tweede helft van de 17e eeuw, was oorspronkelijk een olieslagmolen, later een graanmolen. Ze is maalvaardig.
de Leie, die de stad in tweeën snijdt.
het Magic Jukeboxmuseum dat 80 speelklare jukeboxen en 200 oude radio's herbergt.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Menen
De stad is ontstaan aan de Leie, op de handelsweg Brugge-Rijsel. De oudste naamvermelding stamt uit 1087. Als grensstad werd Menen al vroeg versterkt. De eerste omwallingen dateren uit 1578. Tussen 1579 en 1830 werd Menen tweeëntwintigmaal belegerd.
De Leie speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling tot een belangrijk lakencentrum. In de 16e eeuw was de stad beroemd om zijn bier en telde toen 104 meester-brouwers. In 1548 werd een groot deel van de stad door brand verwoest
****
Stadhuis en belfort van Menen
***
Bezienswaardigheden
Stadhuis en belfort van Menen (5 okt 2004)het classicistisch stadhuis dateert uit 1782. Aan het 33m hoge belfort werd gebouwd van 1574 tot 1610. Het bevat een beiaard met 49 klokken. Het belfort is opgenomen op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO.
de Sint-Vedastuskerk waarvan de onderbouw van de toren dateert uit 1454 en de Sint-Franciscuskerk, een oude kloosterkerk, die vaak werd herbouwd.
het krijgshospitaal is een uniek gebouw uit 1684, gebouwd troepen van Lodewijk XIV van Frankrijk te verzorgen. Het had allerlei bestemmingen: tussen 1830 en 1991 werd gebruikt als tabaksfabriek.
Vauban maakte van Menen een modelversterking (1679-1689). De vestingwerken hadden een omtrek van drie kilometer met elf bastions en vier stadspoorten. Nu zijn nog een deel van de stadsmuur en kazematten te zien.
de stenen windmolen De Goede Hoop, uit de tweede helft van de 17e eeuw, was oorspronkelijk een olieslagmolen, later een graanmolen. Ze is maalvaardig.
de Leie, die de stad in tweeën snijdt.
het Magic Jukeboxmuseum dat 80 speelklare jukeboxen en 200 oude radio's herbergt.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Menen
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Tervuren ontleent zijn naam aan de Voer, een zijriviertje van de Dijle. 'Ter-Vure' betekent 'Op de Voer'. Archeologische vondsten bewijzen dat er in de Prehistorie al mensen woonden. Ze vestigden zich op de hoogste punten en op de samenvloeiing van de Voer met de Maalbeek, die ondertussen dichtgeslibd is. Duizenden jaren later zou Sint-Hubertus in Tervuren een domein gehad hebben en de legende wil dat hij hier in 727 gestorven is.
Tervuren speelde een belangrijke rol in de nationale geschiedenis. Zo liet de Brabantse hertog Hendrik I op het einde van de 12de eeuw een versterking bouwen op de landtong gevormd door de samenvloeiing van de Voer met de Maalbeek. Op het einde van de 16de eeuw kwamen de Aartshertogen Albrecht en Isabella (1598 - 1621/33) dikwijls in het kasteel verpozen omdat het amper op een halve dagreis van Brussel lag. Ze renoveerden het kasteel, trokken op het kasteeldomein de Sint-Hubertuskapel op en bouwden in het nabije Zoniënwoud een Kapucijnenklooster
In 1713 waren de Zuidelijke Nederlanden bezit van de Oostenrijkse Habsburgers. Tussen 1744 en 1780 was Karel van Lorreinen (of van Lotharingen) hier gouverneur. Ook hij verbleef graag in Tervuren. Hij verbouwde het kasteel, zorgde voor een grondige heraanleg van de Warande en liet vanaf 1775 op Hoogvorst een nieuw kasteeltje bouwen waar hij in 1780 overleed. Zijn neef Jozef II liet beide kastelen afbreken in 1782. Enkel het Hoefijzer op de voorburcht en de Sint-Hubertuskapel werden gespaard.
Na de slag bij Waterloo in 1815 werd het domein Tervuren geschonken aan de zoon van de koning der Verenigde Nederlanden, Prins Willem-Frederik. Op de plek van het huidige Koloniënpaleis liet hij voor zichzelf en zijn familie een buitenverblijf optrekken. Na de Belgische Revolutie van 1830 werd dit paviljoen en de rest van het domein eigendom van de Belgische koning.
Koning Leopold II gaf er zijn zus Charlotte in 1867 onderdak, na de executie van haar echtgenoot in Mexico. Toen het gebouw in 1879 afbrandde, verhuisde Charlotte naar Meise. Ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling van 1897 in Brussel presenteerde koning Leopold II zijn Kongostaat in Tervuren. Op de ruïnes van het paviljoen van Prins Willem-Frederik bouwde hij het Koloniënpaleis. Toen dat te klein bleek, vatte hij in 1905 de bouw aan van een 'Koloniaal Museum', nu beter bekend als het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. In het naburige Zoniënwoud liet de koning vanaf 1902 ook nog het Geografisch Arboretum aanleggen.
Tervuren bestaat uit vier deelgemeenten. Tervuren is het oude historische 'Vure'. Moorsel is een gehucht dat administratief altijd bij Tervuren hoorde. Duisburg vormde sinds de Middeleeuwen een eigen vrijheid en Vossem, in de loop der eeuwen vaak verbonden met Leefdaal, was een heerlijkheid in het Hertogelijk Domein. Duisburg en Vossem fusioneerden op 1 januari 1977 met Tervuren.
*******
http://www.tervuren.be/
Tervuren speelde een belangrijke rol in de nationale geschiedenis. Zo liet de Brabantse hertog Hendrik I op het einde van de 12de eeuw een versterking bouwen op de landtong gevormd door de samenvloeiing van de Voer met de Maalbeek. Op het einde van de 16de eeuw kwamen de Aartshertogen Albrecht en Isabella (1598 - 1621/33) dikwijls in het kasteel verpozen omdat het amper op een halve dagreis van Brussel lag. Ze renoveerden het kasteel, trokken op het kasteeldomein de Sint-Hubertuskapel op en bouwden in het nabije Zoniënwoud een Kapucijnenklooster
In 1713 waren de Zuidelijke Nederlanden bezit van de Oostenrijkse Habsburgers. Tussen 1744 en 1780 was Karel van Lorreinen (of van Lotharingen) hier gouverneur. Ook hij verbleef graag in Tervuren. Hij verbouwde het kasteel, zorgde voor een grondige heraanleg van de Warande en liet vanaf 1775 op Hoogvorst een nieuw kasteeltje bouwen waar hij in 1780 overleed. Zijn neef Jozef II liet beide kastelen afbreken in 1782. Enkel het Hoefijzer op de voorburcht en de Sint-Hubertuskapel werden gespaard.
Na de slag bij Waterloo in 1815 werd het domein Tervuren geschonken aan de zoon van de koning der Verenigde Nederlanden, Prins Willem-Frederik. Op de plek van het huidige Koloniënpaleis liet hij voor zichzelf en zijn familie een buitenverblijf optrekken. Na de Belgische Revolutie van 1830 werd dit paviljoen en de rest van het domein eigendom van de Belgische koning.
Koning Leopold II gaf er zijn zus Charlotte in 1867 onderdak, na de executie van haar echtgenoot in Mexico. Toen het gebouw in 1879 afbrandde, verhuisde Charlotte naar Meise. Ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling van 1897 in Brussel presenteerde koning Leopold II zijn Kongostaat in Tervuren. Op de ruïnes van het paviljoen van Prins Willem-Frederik bouwde hij het Koloniënpaleis. Toen dat te klein bleek, vatte hij in 1905 de bouw aan van een 'Koloniaal Museum', nu beter bekend als het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. In het naburige Zoniënwoud liet de koning vanaf 1902 ook nog het Geografisch Arboretum aanleggen.
Tervuren bestaat uit vier deelgemeenten. Tervuren is het oude historische 'Vure'. Moorsel is een gehucht dat administratief altijd bij Tervuren hoorde. Duisburg vormde sinds de Middeleeuwen een eigen vrijheid en Vossem, in de loop der eeuwen vaak verbonden met Leefdaal, was een heerlijkheid in het Hertogelijk Domein. Duisburg en Vossem fusioneerden op 1 januari 1977 met Tervuren.
*******
http://www.tervuren.be/
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
De gemeente Ukkel.
***
Ukkel is één van de grootste gemeentes van de hoofdstad. Wat het aantal inwoners betreft, komt deze gemeente op de vierde plaats. De aanwezigheid van vele groene ruimten en het Zoniënwoud van meer dan 500ha maken deze gemeente tot een zeer aantrekkelijke woonwijk.
De gemeente Ukkel ontstond in 1795, toen nog onder Frans bewind, als samensmelting van Ukkel en de leenrechten van Carloo en Stalle. Veel adellijke families hadden zich in deze omgeving gevestigd. Vandaag kan u de stille getuigenissen van hun aanwezigheid nog terugvinden in de plaatsnamen: Overhem, Stalle, Carloo, Kinsendael, Nekkersgat, enz. Ukkel ligt ten zuiden van de stad Brussel, op de mijnroute richting Charleroi, en de gemeente heeft zich snel kunnen ontwikkelen dankzij twee belangrijke aders die de gemeente doorkruisen : de Waterloosesteenweg naar Charleroi, en de Alsembergsesteenweg naar Waals-Brabant.
De aangename woonwijken worden afgewisseld met oude dorpskernen. In Ukkel zijn ook talrijke geklasseerde monumenten en domeinen
*****
Wapens en zegel van de gemeente Ukkel.
*****
De vroegere Hollandse regering heeft aan de gemeente Ukkel een azuren wapenschild toegekend met een afbeelding van Sint-Pieter met mijter, gouden staf en in zijn rechterhand een gouden sleutel.
Een Koninklijk Besluit van 3 juli 1925 heeft de gemeente Ukkel de mogelijkheid gegeven om een zegel te gebruiken die lijkt op die van de gewezen schepenij. Hierop wordt een vooraanzicht van Sint-Pieter afgebeeld. Hij zit in een antieke zetel, heeft in zijn rechterhand een opengeslagen boek en in zijn linkerhand een sleutel met de baard omhoog. Daaronder bevindt zich een Brabants wapenschild van sabel met een gouden getongde leeuw.
Sinds 1432 hebben Ukkelse schepenen een zegel gebruikt met een afbeelding van Sint-Pieter, de patroon van de parochie. In zijn linkerhand houdt hij een sleutel vast, symbool van de macht die Jezus Christus overmaakt aan de prins der Apostelen. In zijn rechterhand ligt een opengeslagen boek. Onder de sleutel bevindt zich het wapenschild van Brabant.
De inscriptie vermeldt : SIGILLU SCABINORUM DE UCCLE...
******
Het Gemeentehuis.
***
De Gemeente Ukkel, zoals wij ze vandaag kennen, werd in 1795 gevormd onder het Nieuwe Franse Régime, door de vereniging van het dorp Ukkel en de twee grote heerlijkheden van Stalle en Carloo.
Onder het Frans bewind beschikte Ukkel niet over een specifiek lokaal dat dienst deed als gemeentehuis. De vergaderplaats van de Gemeenteraad wisselde af zoals onder het "Ancien Régime". De vergaderingen werden gehouden in "de Spijtigen Duivel" in de Alsembergsesteenweg. In december 1797 werd de pastoorwoning van de Sint Pieterskerk het nieuwe gemeentehuis. Ukkel kreeg de titel van hoofdplaats.
Het Eerste Gemeentehuis en de Eerste Gemeenteschool
(Homère Goossensplein, vroegere Gemeenteplein)
Dit gebouw werd opgericht tussen 1828 en 1830 onder Hollands bewind. Dit gebouw diende als gemeentehuis en als school tot in 1882, het jaar waarin het nieuwe gemeentehuis op het Jean Vander Elstplein werd ingehuldigd.
Het gebouw werd door het gemeentebestuur verkocht en omgevormd tot een hotel met de naam "Hôtel des Familles". Later werd het gebouw in 1925 opnieuw door de gemeente aangekocht om er het Vredegerecht, het Politiecommissariaat en de brandweergarage in onder te brengen.
Vandaag vindt men er enkel nog het Vredegerecht. De Vroegere brandweergarage wordt sindsdien als opslagplaats gebruikt en het Politiecommissariaat bevindt zich momenteel in de Auguste Dansestraat 3 en het Marlowsquare 3
*******
Huidige Gemeentehuis
(Jean Vander Elstplein 29)
Opgericht tussen 1872 en 1882 in de nieuwe wijk "Nieuw Ukkel" in stijl Lodewijk XIII.
In 1970 werden verschillende aanpassingen binnenin het gebouw uitgevoerd en werd de gevel gereinigd
http://www.ukkel.be/Uccle/Nl/mainnl.htm
***
Ukkel is één van de grootste gemeentes van de hoofdstad. Wat het aantal inwoners betreft, komt deze gemeente op de vierde plaats. De aanwezigheid van vele groene ruimten en het Zoniënwoud van meer dan 500ha maken deze gemeente tot een zeer aantrekkelijke woonwijk.
De gemeente Ukkel ontstond in 1795, toen nog onder Frans bewind, als samensmelting van Ukkel en de leenrechten van Carloo en Stalle. Veel adellijke families hadden zich in deze omgeving gevestigd. Vandaag kan u de stille getuigenissen van hun aanwezigheid nog terugvinden in de plaatsnamen: Overhem, Stalle, Carloo, Kinsendael, Nekkersgat, enz. Ukkel ligt ten zuiden van de stad Brussel, op de mijnroute richting Charleroi, en de gemeente heeft zich snel kunnen ontwikkelen dankzij twee belangrijke aders die de gemeente doorkruisen : de Waterloosesteenweg naar Charleroi, en de Alsembergsesteenweg naar Waals-Brabant.
De aangename woonwijken worden afgewisseld met oude dorpskernen. In Ukkel zijn ook talrijke geklasseerde monumenten en domeinen
*****
Wapens en zegel van de gemeente Ukkel.
*****
De vroegere Hollandse regering heeft aan de gemeente Ukkel een azuren wapenschild toegekend met een afbeelding van Sint-Pieter met mijter, gouden staf en in zijn rechterhand een gouden sleutel.
Een Koninklijk Besluit van 3 juli 1925 heeft de gemeente Ukkel de mogelijkheid gegeven om een zegel te gebruiken die lijkt op die van de gewezen schepenij. Hierop wordt een vooraanzicht van Sint-Pieter afgebeeld. Hij zit in een antieke zetel, heeft in zijn rechterhand een opengeslagen boek en in zijn linkerhand een sleutel met de baard omhoog. Daaronder bevindt zich een Brabants wapenschild van sabel met een gouden getongde leeuw.
Sinds 1432 hebben Ukkelse schepenen een zegel gebruikt met een afbeelding van Sint-Pieter, de patroon van de parochie. In zijn linkerhand houdt hij een sleutel vast, symbool van de macht die Jezus Christus overmaakt aan de prins der Apostelen. In zijn rechterhand ligt een opengeslagen boek. Onder de sleutel bevindt zich het wapenschild van Brabant.
De inscriptie vermeldt : SIGILLU SCABINORUM DE UCCLE...
******
Het Gemeentehuis.
***
De Gemeente Ukkel, zoals wij ze vandaag kennen, werd in 1795 gevormd onder het Nieuwe Franse Régime, door de vereniging van het dorp Ukkel en de twee grote heerlijkheden van Stalle en Carloo.
Onder het Frans bewind beschikte Ukkel niet over een specifiek lokaal dat dienst deed als gemeentehuis. De vergaderplaats van de Gemeenteraad wisselde af zoals onder het "Ancien Régime". De vergaderingen werden gehouden in "de Spijtigen Duivel" in de Alsembergsesteenweg. In december 1797 werd de pastoorwoning van de Sint Pieterskerk het nieuwe gemeentehuis. Ukkel kreeg de titel van hoofdplaats.
Het Eerste Gemeentehuis en de Eerste Gemeenteschool
(Homère Goossensplein, vroegere Gemeenteplein)
Dit gebouw werd opgericht tussen 1828 en 1830 onder Hollands bewind. Dit gebouw diende als gemeentehuis en als school tot in 1882, het jaar waarin het nieuwe gemeentehuis op het Jean Vander Elstplein werd ingehuldigd.
Het gebouw werd door het gemeentebestuur verkocht en omgevormd tot een hotel met de naam "Hôtel des Familles". Later werd het gebouw in 1925 opnieuw door de gemeente aangekocht om er het Vredegerecht, het Politiecommissariaat en de brandweergarage in onder te brengen.
Vandaag vindt men er enkel nog het Vredegerecht. De Vroegere brandweergarage wordt sindsdien als opslagplaats gebruikt en het Politiecommissariaat bevindt zich momenteel in de Auguste Dansestraat 3 en het Marlowsquare 3
*******
Huidige Gemeentehuis
(Jean Vander Elstplein 29)
Opgericht tussen 1872 en 1882 in de nieuwe wijk "Nieuw Ukkel" in stijl Lodewijk XIII.
In 1970 werden verschillende aanpassingen binnenin het gebouw uitgevoerd en werd de gevel gereinigd
http://www.ukkel.be/Uccle/Nl/mainnl.htm
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Gisteren en Vandaag.
****
Een lange geschiedenis...
***
Aan het klooster van vandaag gaat een lange geschiedenis vooraf. Zowat 165 miljoen jaar geleden werd deze streek nog door het zeewater overspoeld. Op de bodem van die zee vormde zich toen een licht okerkleurig gesteente. Deze zogenaamde "Franse steen" zou later voor de bouw van het klooster gebruikt worden. Zo'n 15.000 jaar geleden ontstond, als gevolg van de laatste ijstijd, het dal waarin de abdij zou gebouwd worden. 3.000 jaar later verschenen er de eerste bossen : dennen, berken en later ook beuken. Tussen 1.800 en 1.200 voor onze tijdrekening begon de mens dat woud te ontginnen. Hebben hier mensen gewoond, was er een dorp voor de komst van de monniken ? De huidige stand van het onderzoek laat ons niet toe dit te bevestigen. De oudste overblijfselen van menselijke aanwezigheid zijn de Merovingische graven in de omgeving van de bron.
De eerste monniken die zich in Orval vestigden, kwamen in 1070 uit Zuid-Italië. Ze werden verwelkomd door de plaatselijke leenheer, graaf Arnout van Chiny, die hun een stuk grond schonk. Onmiddellijk werd de bouw van een kerk en een klooster aangevat.
Om ons onbekende redenen trokken deze pioniers veertig jaar later weer weg. Arnouts zoon, Otto, verving hen door een kleine gemeenschap van kanunniken. Die voltooiden de bouwwerken die door hun voorgangers begonnen waren. In 1124 was de kerk klaar en werd ze ingewijd door de bisschop van Verdun, Hendrik van Winton. Het ging de jonge gemeenschap economisch echter niet voor de wind. Daarom vroegen de kanunniken al snel om te mogen aansluiten bij de Orde van Cîteaux, die toen in volle expansie was. Hun vraag werd overgemaakt aan sint Bernardus. Deze gaf een positief antwoord en vertrouwde de overname van Orval toe aan de abdij van Trois-Fontaines in Champagne, het eerste dochterhuis dat hij zelf had opgericht
Op 9 maart 1132 kwamen zeven cisterciens monniken van dit klooster aan in Orval. Hun overste, zo weten we, heette Constantijn. Beide groepen (de pas aangekomen monniken en de kanunniken die reeds ter plaatse waren) werden tot één gemeenschap samengesmolten. Die ging dadelijk aan de slag om de gebouwen aan de cisterciënzergebruiken aan te passen. Voor 1200 was de nieuwe kerk voltooid.
Als de nieuwe gemeenschap in de geest en volgens de gebruiken van Cîteaux wilde leven, moest ze ook in haar eigen levensonderhoud voorzien. Ze zocht een areaal dat voor bosontginning en landbouw in aanmerking kwam. De gronden in de onmiddellijke omgeving van het klooster waren te arm om in cultuur gebracht te worden. Reeds in 1132 kregen de monniken een klein domein ten geschenke in de buurt van Carignan, op zowat twintig kilometer daar vandaan. Dit was de kern van wat later hun rijkste graanschuur zou worden : Blanchampagne. In de loop van de daaropvolgende jaren kregen ze nog andere stukken land. Een speciale vermelding verdient de groep gronden van Buré-Villancy, in het huidig Frans departement Meurthe-et-Moselle ; deze plek zal immers uitgroeien tot het centrum van Orvals ijzerindustrie.
Vijf eeuwen lang heeft Orval het bescheiden bestaan gekend dat vele cisterciënzerkloosters hebben geleid. Vanaf het midden van de I3de eeuw werd ze regelmatig geteisterd door rampen waarvan de nawerking zich telkens zeer lang liet voelen. In 1252 woedde er een hevige brand. Het zou haast een eeuw duren voor de gemeenschap zich van dit onheil herstelde. Sommige delen van de abdij moesten helemaal opnieuw opgetrokken worden. Het was zo erg, dat de leiding van de cisterciënzerorde er op een bepaald moment aan dacht het klooster op te heffen.
**************
http://www.orval.be/nl/FS_nl.html
****
Een lange geschiedenis...
***
Aan het klooster van vandaag gaat een lange geschiedenis vooraf. Zowat 165 miljoen jaar geleden werd deze streek nog door het zeewater overspoeld. Op de bodem van die zee vormde zich toen een licht okerkleurig gesteente. Deze zogenaamde "Franse steen" zou later voor de bouw van het klooster gebruikt worden. Zo'n 15.000 jaar geleden ontstond, als gevolg van de laatste ijstijd, het dal waarin de abdij zou gebouwd worden. 3.000 jaar later verschenen er de eerste bossen : dennen, berken en later ook beuken. Tussen 1.800 en 1.200 voor onze tijdrekening begon de mens dat woud te ontginnen. Hebben hier mensen gewoond, was er een dorp voor de komst van de monniken ? De huidige stand van het onderzoek laat ons niet toe dit te bevestigen. De oudste overblijfselen van menselijke aanwezigheid zijn de Merovingische graven in de omgeving van de bron.
De eerste monniken die zich in Orval vestigden, kwamen in 1070 uit Zuid-Italië. Ze werden verwelkomd door de plaatselijke leenheer, graaf Arnout van Chiny, die hun een stuk grond schonk. Onmiddellijk werd de bouw van een kerk en een klooster aangevat.
Om ons onbekende redenen trokken deze pioniers veertig jaar later weer weg. Arnouts zoon, Otto, verving hen door een kleine gemeenschap van kanunniken. Die voltooiden de bouwwerken die door hun voorgangers begonnen waren. In 1124 was de kerk klaar en werd ze ingewijd door de bisschop van Verdun, Hendrik van Winton. Het ging de jonge gemeenschap economisch echter niet voor de wind. Daarom vroegen de kanunniken al snel om te mogen aansluiten bij de Orde van Cîteaux, die toen in volle expansie was. Hun vraag werd overgemaakt aan sint Bernardus. Deze gaf een positief antwoord en vertrouwde de overname van Orval toe aan de abdij van Trois-Fontaines in Champagne, het eerste dochterhuis dat hij zelf had opgericht
Op 9 maart 1132 kwamen zeven cisterciens monniken van dit klooster aan in Orval. Hun overste, zo weten we, heette Constantijn. Beide groepen (de pas aangekomen monniken en de kanunniken die reeds ter plaatse waren) werden tot één gemeenschap samengesmolten. Die ging dadelijk aan de slag om de gebouwen aan de cisterciënzergebruiken aan te passen. Voor 1200 was de nieuwe kerk voltooid.
Als de nieuwe gemeenschap in de geest en volgens de gebruiken van Cîteaux wilde leven, moest ze ook in haar eigen levensonderhoud voorzien. Ze zocht een areaal dat voor bosontginning en landbouw in aanmerking kwam. De gronden in de onmiddellijke omgeving van het klooster waren te arm om in cultuur gebracht te worden. Reeds in 1132 kregen de monniken een klein domein ten geschenke in de buurt van Carignan, op zowat twintig kilometer daar vandaan. Dit was de kern van wat later hun rijkste graanschuur zou worden : Blanchampagne. In de loop van de daaropvolgende jaren kregen ze nog andere stukken land. Een speciale vermelding verdient de groep gronden van Buré-Villancy, in het huidig Frans departement Meurthe-et-Moselle ; deze plek zal immers uitgroeien tot het centrum van Orvals ijzerindustrie.
Vijf eeuwen lang heeft Orval het bescheiden bestaan gekend dat vele cisterciënzerkloosters hebben geleid. Vanaf het midden van de I3de eeuw werd ze regelmatig geteisterd door rampen waarvan de nawerking zich telkens zeer lang liet voelen. In 1252 woedde er een hevige brand. Het zou haast een eeuw duren voor de gemeenschap zich van dit onheil herstelde. Sommige delen van de abdij moesten helemaal opnieuw opgetrokken worden. Het was zo erg, dat de leiding van de cisterciënzerorde er op een bepaald moment aan dacht het klooster op te heffen.
**************
http://www.orval.be/nl/FS_nl.html
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Legende van Orval
**************
Dit glasraam verwijst naar de legende die de stichting van Orval verhaalt. Het klooster zou uit dankbaarheid ontstaan zijn : Mathilde, die weduwe was, had per ongeluk haar trouwring in de bron van het dal laten vallen ; ze smeekte God om hulp en het duurde niet lang of er kwam een forel boven water met in zijn bek de kostbare ring. Mathilde riep toen uit "Dit is echt een gouden dal!" (Orval, "val d'or" betekent "gouden dal") en ze besloot uit dankbaarheid op deze gezegende plaats een klooster te stichten.
Gravin Mathilde van Toscanië met aan haar voeten de befaamde forel van Orval.
(Glasraam van Jean Huet)
***************
Opkomst en verval
****************
In de loop van de 15de en de 16de eeuw richtten de oorlogen tussen Frankrijk en Boergondie en daarna tussen Frankrijk en Spanje grote verwoestingen aan in heel Luxemburg. Ook Orval bleef niet gespaard. In deze moeilijke omstandigheden was het aan de welwillendheid van Keizer Karel te danken dat de monniken op het grondgebied van de abdij een ijzersm1terij mochten installeren. De heropbouw van het schip van de kerk, dat dreigde in te storten, moet in dezelfde context gesitueerd worden. De werken werden aangevat in het begin van de 16de eeuw. In 1533 werd de vernieuwde kerk ingewijd. Op dat ogenbiijk telde de gemeenschap 24 monniken.
Was de 17de eeuw voor de Lage Landen een ongelukseeuw, voor de abdij van Orval betekende ze een hoogtepunt in haar ontwikkeling. Ze bracht twee abten voort die voor heel de orde van betekenis zouden zijn. In 1605 slaagde Bernard de Montgaillard, die uit het zuiden afkomstig was, erin zich ondanks de weerstand van de gemeenschap, door de aantshertogen Albracht en Isabella tot abt te doen aansteiien. Hij gaf zich van dan afvolledig aan zijn monniken, die van de weeromstuit sterk aan hem gehecht raakten. Hij bracht de economische situatie van het klooster weer in evenwicht en liet de gebouwen restaureren. Zijn voornaamste verdienste lag echter op het vlak van het gemeenschapsleven en hierin was hij zijn tijd vooruit hij hervormde de constituties en zorgde voor een nieuw elan. Tal van kandidaten meldden zich. In 1619 telde de gemeenschap 43 leden : 27 monniken die de eeuwige geloften hadden afgelegd, 8 broeders en 8 novicen.
Kort na de ambtsperiode van Bernard de Montgaillard werd de abdij door een nieuwe ramp getroffen. In augustus 1637, in het heetst van de Dertigjarige Oorlog, plunderden troepen van maarschalk de Châtillon het klooster en staken het in brand. Het ging, bijgebouwen incluis, helemaal in de vlammen op. Aan de wederopbouw zou tot aan het einde van de eeuw in een klimaat van onveiligheid en onzekerheid gewerkt worden.
Van 1668 tot 1707 stond een andere grote abt aan het hoofd van de abdij Charles de Bentzeradt, een Luxemburger (hij was afkomstig van Echternach). Deze gestrenge man ontpopte zich tot een gedreven hervormer. Naar het voorbeeld van wat abt de Rancé in de abdij van La Trappe in Normandië had gerealiseerd, voerde hij in zijn eigen klooster de "strikte observantie" in. Weer kwamen talrijke novicen de gemeenschap vervoegen. Daardoor kon de Bentzeradt in 1701 de abdij van Düsselthal stichten en het huis van Conques-sur-Semois tot priorij verheffen. Na zijn dood werd de met uitsterven bedreigde abdij van Beaupré in Lotharingen door monniken van Orval van jong bloed voorzien en hervormd. In 1723 telde de gemeenschap 130 leden en was daarmee "de talrijkste van het hele keizerrijk".
Spijtig genoeg zou ook in Orval het jansenisme zijn tol eîsen. In 1725 brak de crisis uit : een groep monniken was de stroming genegen en vijftien van hen verlieten het klooster om in de buurt van Utrecht het huis Rhijnwijk te stichten.
De vurigheid van de monniken ging hand in hand met materiële voorspoed : het landbouwareaal en de industriële vestigingen van de monniken breidden zich voortdurend uit. Op het einde van de 17de eeuw en tot in het midden van de l8de eeuw stonden de ijzersmelterijen van Orval aan de spits van de westerse metaalindustrie.
Vanaf 1760 werden de inkomsten die hier het gevolg van waren vooral gebruikt voor de bouw van een nieuw klooster, dat ontworpen werd door de befaamde architect Laurent-Benoît Dewez. In 1782 vond de kerkwijding plaats. Geldgebrek zorgde ervoor dat de werken daarna veel minder vlot verliepen en ten slotte zelfs helemaal werden stilgelegd.
1789 was voor Frankrijk het jaar van de Revolutie. Alle bezittingen van Orval op Frans grondgebied werden verbeurd verklaard. Verschillende keren werd in de abdij alarm geslagen. Het ene alarm was al ernstiger dan het andere. 23 juni 1793 was de fatale dag, toen troepen van de opstandelingen onder leiding van generaal Loison de hele abdij plunderden en ze in brand staken. Alles ging in de vlammen op. De gemeenschap trok zich eerst terug in haar vluchthuis in Luxemburg, daarna in de priorij van Conques. Op 7 november 1796 werd ze officieel opgeheven. De overblijvende monniken moesten zich verspreiden. Gedurende meer dan een eeuw zouden de zwartgeblakerde muren van de abdij aan de weersomstandigheden prijsgegeven worden en dienst doen als steengroeve.
*************
http://www.orval.be/nl/FS_nl.html
**************
Dit glasraam verwijst naar de legende die de stichting van Orval verhaalt. Het klooster zou uit dankbaarheid ontstaan zijn : Mathilde, die weduwe was, had per ongeluk haar trouwring in de bron van het dal laten vallen ; ze smeekte God om hulp en het duurde niet lang of er kwam een forel boven water met in zijn bek de kostbare ring. Mathilde riep toen uit "Dit is echt een gouden dal!" (Orval, "val d'or" betekent "gouden dal") en ze besloot uit dankbaarheid op deze gezegende plaats een klooster te stichten.
Gravin Mathilde van Toscanië met aan haar voeten de befaamde forel van Orval.
(Glasraam van Jean Huet)
***************
Opkomst en verval
****************
In de loop van de 15de en de 16de eeuw richtten de oorlogen tussen Frankrijk en Boergondie en daarna tussen Frankrijk en Spanje grote verwoestingen aan in heel Luxemburg. Ook Orval bleef niet gespaard. In deze moeilijke omstandigheden was het aan de welwillendheid van Keizer Karel te danken dat de monniken op het grondgebied van de abdij een ijzersm1terij mochten installeren. De heropbouw van het schip van de kerk, dat dreigde in te storten, moet in dezelfde context gesitueerd worden. De werken werden aangevat in het begin van de 16de eeuw. In 1533 werd de vernieuwde kerk ingewijd. Op dat ogenbiijk telde de gemeenschap 24 monniken.
Was de 17de eeuw voor de Lage Landen een ongelukseeuw, voor de abdij van Orval betekende ze een hoogtepunt in haar ontwikkeling. Ze bracht twee abten voort die voor heel de orde van betekenis zouden zijn. In 1605 slaagde Bernard de Montgaillard, die uit het zuiden afkomstig was, erin zich ondanks de weerstand van de gemeenschap, door de aantshertogen Albracht en Isabella tot abt te doen aansteiien. Hij gaf zich van dan afvolledig aan zijn monniken, die van de weeromstuit sterk aan hem gehecht raakten. Hij bracht de economische situatie van het klooster weer in evenwicht en liet de gebouwen restaureren. Zijn voornaamste verdienste lag echter op het vlak van het gemeenschapsleven en hierin was hij zijn tijd vooruit hij hervormde de constituties en zorgde voor een nieuw elan. Tal van kandidaten meldden zich. In 1619 telde de gemeenschap 43 leden : 27 monniken die de eeuwige geloften hadden afgelegd, 8 broeders en 8 novicen.
Kort na de ambtsperiode van Bernard de Montgaillard werd de abdij door een nieuwe ramp getroffen. In augustus 1637, in het heetst van de Dertigjarige Oorlog, plunderden troepen van maarschalk de Châtillon het klooster en staken het in brand. Het ging, bijgebouwen incluis, helemaal in de vlammen op. Aan de wederopbouw zou tot aan het einde van de eeuw in een klimaat van onveiligheid en onzekerheid gewerkt worden.
Van 1668 tot 1707 stond een andere grote abt aan het hoofd van de abdij Charles de Bentzeradt, een Luxemburger (hij was afkomstig van Echternach). Deze gestrenge man ontpopte zich tot een gedreven hervormer. Naar het voorbeeld van wat abt de Rancé in de abdij van La Trappe in Normandië had gerealiseerd, voerde hij in zijn eigen klooster de "strikte observantie" in. Weer kwamen talrijke novicen de gemeenschap vervoegen. Daardoor kon de Bentzeradt in 1701 de abdij van Düsselthal stichten en het huis van Conques-sur-Semois tot priorij verheffen. Na zijn dood werd de met uitsterven bedreigde abdij van Beaupré in Lotharingen door monniken van Orval van jong bloed voorzien en hervormd. In 1723 telde de gemeenschap 130 leden en was daarmee "de talrijkste van het hele keizerrijk".
Spijtig genoeg zou ook in Orval het jansenisme zijn tol eîsen. In 1725 brak de crisis uit : een groep monniken was de stroming genegen en vijftien van hen verlieten het klooster om in de buurt van Utrecht het huis Rhijnwijk te stichten.
De vurigheid van de monniken ging hand in hand met materiële voorspoed : het landbouwareaal en de industriële vestigingen van de monniken breidden zich voortdurend uit. Op het einde van de 17de eeuw en tot in het midden van de l8de eeuw stonden de ijzersmelterijen van Orval aan de spits van de westerse metaalindustrie.
Vanaf 1760 werden de inkomsten die hier het gevolg van waren vooral gebruikt voor de bouw van een nieuw klooster, dat ontworpen werd door de befaamde architect Laurent-Benoît Dewez. In 1782 vond de kerkwijding plaats. Geldgebrek zorgde ervoor dat de werken daarna veel minder vlot verliepen en ten slotte zelfs helemaal werden stilgelegd.
1789 was voor Frankrijk het jaar van de Revolutie. Alle bezittingen van Orval op Frans grondgebied werden verbeurd verklaard. Verschillende keren werd in de abdij alarm geslagen. Het ene alarm was al ernstiger dan het andere. 23 juni 1793 was de fatale dag, toen troepen van de opstandelingen onder leiding van generaal Loison de hele abdij plunderden en ze in brand staken. Alles ging in de vlammen op. De gemeenschap trok zich eerst terug in haar vluchthuis in Luxemburg, daarna in de priorij van Conques. Op 7 november 1796 werd ze officieel opgeheven. De overblijvende monniken moesten zich verspreiden. Gedurende meer dan een eeuw zouden de zwartgeblakerde muren van de abdij aan de weersomstandigheden prijsgegeven worden en dienst doen als steengroeve.
*************
http://www.orval.be/nl/FS_nl.html
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet