Historie van Belgie
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Het Justitiepaleis: het beeld van Hippolyte Metdepenningen (1799-1881), vrijmetselaar
***
Justitiepaleis
Bij de inhuldiging van het standbeeld van Hippolyte Metdepenningen op 20 juni 1886 keken veel voorbijgangers vragend toe. Wie was die Metdepenningen, die vanop zijn sokkel voor het Justitiepaleis zo zelfbewust op hen neerkeek ?
Alhoewel Metdepenningen jarenlang een omstreden figuur was geweest in de Gentse politiek, genoot hij weinig bekendheid bij het grote publiek. Zijn activiteiten, als orangist en later als liberaal, speelden zich vooral af achter de schermen, in een kleine kring van politiek zeer bedrijvige vrijmetselaars.
In de jaren 1830-1839 was Metdepenningen de leider van de Gentse orangisten, de aanhangers van Willem I die de scheiding tussen België en Nederland ongedaan wilden maken. Zij waren overwegend industriëlen en handelaars, die hadden geprofiteerd van Willems steun aan de katoenindustrie. De orangisten beheersten in die periode de Gentse politiek.
De macht van de orangisten steunde op een goede organisatie, met de loge Le Septentrion als hoofdkwartier en Metdepenningen als sluw strateeg achter de schermen. In 1839 werd de scheiding tussen België en Nederland definitief, maar Metdepenningen aanvaardde pas in het midden van de 19de eeuw de Belgische realiteit. Daarna zocht hij politieke toenadering tot de liberalen
****
Het Zuid: allure, verval en herstel
****
Het Zuid(Het Zuid omstreeks 1930)
Tot diep in de 19de eeuw behouden de drassige Muinkmeersen hun landelijk karakter, ze dienen onder meer als bleekweide. Als in 1837 de eerste trein Gent binnenrijdt, ontvouwt zich nog een weids panorama met zicht op de stadstorens en de beginnende industrialisatie. In 1850 komt het Zuidstation gereed. De buurt groeit uit tot een moderne stadswijk met grote allure.
Langs de Muinkschelde wordt een beestenhof aangelegd. Amusementszalen openen hun deuren voor dans, variété, muziek en cinema. De dierentuin wordt in 1903 gesloten. In 1914 worden de variétézalen van Duitse exploitanten geplunderd of vernield. Het Sint-Pietersstation neemt snel de rol van het Zuidstation over.
Toch blijft het Zuid ook na de sloping van het station een drukke uitgaansbuurt, met het Coliseum, de rosse buurt (èt Gloazen Stroatse) en talloze cinema's. In de filmtempel Capitole kunnen 1800 bezoekers rekenen op een royaal onthaal. Die befaamde foyer-cultuur verdwijnt echter met de opkomst van de televisie. In de jaren 50 verrijst op de plek van het Zuidstation het Propagandacentrum van de Stadsbedrijven (nu Centrale Openbare Bibliotheek)
In 1991 sneuvelt een volledig huizenblok voor het Urbiscomplex, dat door de oude Coliseumspanten wordt geschraagd. Achter de fries die de arbeid huldigt, wordt de nieuwe stadsadministratie opgetrokken. Met de verkeersluwe zomerterrasjes voor het 'winkelpaleis' en de culturele waaier rondom (Minard, Vooruit, Studioskoop, de nieuwe Capitole) wijst het standbeeld van Edward Anseele op een ontmoetingsplaats in Gent, die langzaam herstelt
*******************************
Van beluikenwijk (Batavia en De Vreese) tot universitair kwartier
*****

Beluik De Vreese
Blandijnberg: beluik De Vreese 19de eeuw.
De smerige goot Batavia versus de cité ouvrière De Vreese
Beluiken zijn nog altijd levendig aanwezig in het geheugen van veel Gentenaars. In de beruchte cité Batavia, gelegen tussen de Sint-Hubertusstraat, de Rozier en de Jozef Plateaustraat, waren er voor zeshonderd inwoners welgeteld zes toiletten en twee pompen. Toch duurde het tot 1881 vooraleer het stadsbestuur besliste Batavia te slopen.
Tussen de Blandijnberg en de Rozier bouwde aannemer Lieven De Vreese in 1848 een modelwerkmanscité, die een duidelijk contrast vormde met het vlakbij gelegen Batavia.
Van beluik naar bibliotheek
Zowel Batavia als het De Vreesebeluik moesten wijken voor de uitbreiding van de universiteit. Batavia ruimde plaats voor het Instituut der Wetenschappen aan de Plateaustraat. De cité ouvrière werd in 1936 grotendeels gesloopt en vervangen door de nieuwe universiteitsbibliotheek en het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde.
Het bleef stil rond de werf aan de Blandijn tot 1957, toen een nieuw gebouw voor de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte werd opgetrokken. Dit gebouw werd in 1961 in gebruik genomen
*********
Omgeving Sint-Pietersstation: geciviliseerd groen als alternatief voor de overwoekerde stad.
*****

Vaderlandstraat, Cottage 1929(Miljoenenkwartier)
***
De stad trekt aan en stoot af. Wie geld had, verbleef wanneer nodig en tijdens het barre winterseizoen in de stad. Maar tijdens het goede seizoen verhuisde men naar de buitens op het omliggende platteland, waar ontspanning in een landelijke omgeving lonkte.
Eeuwenlang bleef deze combinatie van stedelijk en landelijk wonen voorbehouden voor de meest begoede klasse. Maar vanaf de 19de eeuw werd dit voorrecht gedemocratiseerd door nieuwe vormen van stedenbouwkundig denken. Als reactie op het steeds verder dichtbouwen van het stedelijke weefsel werd de grens tussen stad en platteland, fysiek vertegenwoordigd door de stadswallen, geslecht.
Tegelijk werd de getemde natuur in de stadsuitbreidingen verweven, door middel van bomenrijen, parken en voortuintjes, om ten slotte te culmineren in het zeer vrij geïnterpreteerde concept van de tuinwijk.
Tijdens het interbellum vroegen de modernistische architecten licht, zon en lucht voor iedereen. Concreet werd dit gerealiseerd door het gebruik van een dakterras, of door de keuze voor hoogbouw in het groen
********
Brugse Poort: de barge van Gent naar Brugge.
****
Brugse Poort.(Brugse Poort: de barge 1825)
****
De Bargieburg met de aanlegsteiger van de barge maakte samen met de Brugse Poort deel uit van de stadsversterkingen. Bij de Bargiebrug startte de Brugse Vaart, ook wel de Zuidleie genoemd. Ze werd gegraven in 1623-1625 met de bedoeling een rechtstreekse verbinding tussen Gent en de zee te verkrijgen; over Brugge en dan verder langsheen het kanaal van Plassendale naar Oostende. De Bargiebrug werd in juli 1940 opgeblazen.
De Gentse barge was de grootste passagiersboot voor binnenlands verkeer in de Nederlanden. Ze was gemiddeld 23 meter lang en kon 70 passagiers comfortabel vervoeren. De tocht naar Brugge (42 km) duurde gemiddeld 8 uur. De tocht was goedkoop en het eten en drinken aan boord genoten een internationale reputatie.
Schipper Jan De Waele noteerde in zijn handboek zorgvuldig alle goederen. De barge vervoerde hoge zowel als lage gasten. De Waele genoot de hoge eer om Lodewijk XV op zijn schuit te ontvangen en schrijft hierover in ontroerende en trotse bewoordingen (1745).
In de buurt van de aanlegsteiger zorgden herbergen en afspanningen zoals de Gouden Appel, de Barge, de Gouden Kroon, het Vliegend Peerd, de Chasse Royale voor een natje en een droogje
*********
morgen verder
***
Justitiepaleis
Bij de inhuldiging van het standbeeld van Hippolyte Metdepenningen op 20 juni 1886 keken veel voorbijgangers vragend toe. Wie was die Metdepenningen, die vanop zijn sokkel voor het Justitiepaleis zo zelfbewust op hen neerkeek ?
Alhoewel Metdepenningen jarenlang een omstreden figuur was geweest in de Gentse politiek, genoot hij weinig bekendheid bij het grote publiek. Zijn activiteiten, als orangist en later als liberaal, speelden zich vooral af achter de schermen, in een kleine kring van politiek zeer bedrijvige vrijmetselaars.
In de jaren 1830-1839 was Metdepenningen de leider van de Gentse orangisten, de aanhangers van Willem I die de scheiding tussen België en Nederland ongedaan wilden maken. Zij waren overwegend industriëlen en handelaars, die hadden geprofiteerd van Willems steun aan de katoenindustrie. De orangisten beheersten in die periode de Gentse politiek.
De macht van de orangisten steunde op een goede organisatie, met de loge Le Septentrion als hoofdkwartier en Metdepenningen als sluw strateeg achter de schermen. In 1839 werd de scheiding tussen België en Nederland definitief, maar Metdepenningen aanvaardde pas in het midden van de 19de eeuw de Belgische realiteit. Daarna zocht hij politieke toenadering tot de liberalen
****
Het Zuid: allure, verval en herstel
****
Het Zuid(Het Zuid omstreeks 1930)
Tot diep in de 19de eeuw behouden de drassige Muinkmeersen hun landelijk karakter, ze dienen onder meer als bleekweide. Als in 1837 de eerste trein Gent binnenrijdt, ontvouwt zich nog een weids panorama met zicht op de stadstorens en de beginnende industrialisatie. In 1850 komt het Zuidstation gereed. De buurt groeit uit tot een moderne stadswijk met grote allure.
Langs de Muinkschelde wordt een beestenhof aangelegd. Amusementszalen openen hun deuren voor dans, variété, muziek en cinema. De dierentuin wordt in 1903 gesloten. In 1914 worden de variétézalen van Duitse exploitanten geplunderd of vernield. Het Sint-Pietersstation neemt snel de rol van het Zuidstation over.
Toch blijft het Zuid ook na de sloping van het station een drukke uitgaansbuurt, met het Coliseum, de rosse buurt (èt Gloazen Stroatse) en talloze cinema's. In de filmtempel Capitole kunnen 1800 bezoekers rekenen op een royaal onthaal. Die befaamde foyer-cultuur verdwijnt echter met de opkomst van de televisie. In de jaren 50 verrijst op de plek van het Zuidstation het Propagandacentrum van de Stadsbedrijven (nu Centrale Openbare Bibliotheek)
In 1991 sneuvelt een volledig huizenblok voor het Urbiscomplex, dat door de oude Coliseumspanten wordt geschraagd. Achter de fries die de arbeid huldigt, wordt de nieuwe stadsadministratie opgetrokken. Met de verkeersluwe zomerterrasjes voor het 'winkelpaleis' en de culturele waaier rondom (Minard, Vooruit, Studioskoop, de nieuwe Capitole) wijst het standbeeld van Edward Anseele op een ontmoetingsplaats in Gent, die langzaam herstelt
*******************************
Van beluikenwijk (Batavia en De Vreese) tot universitair kwartier
*****

Beluik De Vreese
Blandijnberg: beluik De Vreese 19de eeuw.
De smerige goot Batavia versus de cité ouvrière De Vreese
Beluiken zijn nog altijd levendig aanwezig in het geheugen van veel Gentenaars. In de beruchte cité Batavia, gelegen tussen de Sint-Hubertusstraat, de Rozier en de Jozef Plateaustraat, waren er voor zeshonderd inwoners welgeteld zes toiletten en twee pompen. Toch duurde het tot 1881 vooraleer het stadsbestuur besliste Batavia te slopen.
Tussen de Blandijnberg en de Rozier bouwde aannemer Lieven De Vreese in 1848 een modelwerkmanscité, die een duidelijk contrast vormde met het vlakbij gelegen Batavia.
Van beluik naar bibliotheek
Zowel Batavia als het De Vreesebeluik moesten wijken voor de uitbreiding van de universiteit. Batavia ruimde plaats voor het Instituut der Wetenschappen aan de Plateaustraat. De cité ouvrière werd in 1936 grotendeels gesloopt en vervangen door de nieuwe universiteitsbibliotheek en het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde.
Het bleef stil rond de werf aan de Blandijn tot 1957, toen een nieuw gebouw voor de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte werd opgetrokken. Dit gebouw werd in 1961 in gebruik genomen
*********
Omgeving Sint-Pietersstation: geciviliseerd groen als alternatief voor de overwoekerde stad.
*****

Vaderlandstraat, Cottage 1929(Miljoenenkwartier)
***
De stad trekt aan en stoot af. Wie geld had, verbleef wanneer nodig en tijdens het barre winterseizoen in de stad. Maar tijdens het goede seizoen verhuisde men naar de buitens op het omliggende platteland, waar ontspanning in een landelijke omgeving lonkte.
Eeuwenlang bleef deze combinatie van stedelijk en landelijk wonen voorbehouden voor de meest begoede klasse. Maar vanaf de 19de eeuw werd dit voorrecht gedemocratiseerd door nieuwe vormen van stedenbouwkundig denken. Als reactie op het steeds verder dichtbouwen van het stedelijke weefsel werd de grens tussen stad en platteland, fysiek vertegenwoordigd door de stadswallen, geslecht.
Tegelijk werd de getemde natuur in de stadsuitbreidingen verweven, door middel van bomenrijen, parken en voortuintjes, om ten slotte te culmineren in het zeer vrij geïnterpreteerde concept van de tuinwijk.
Tijdens het interbellum vroegen de modernistische architecten licht, zon en lucht voor iedereen. Concreet werd dit gerealiseerd door het gebruik van een dakterras, of door de keuze voor hoogbouw in het groen
********
Brugse Poort: de barge van Gent naar Brugge.
****
Brugse Poort.(Brugse Poort: de barge 1825)
****
De Bargieburg met de aanlegsteiger van de barge maakte samen met de Brugse Poort deel uit van de stadsversterkingen. Bij de Bargiebrug startte de Brugse Vaart, ook wel de Zuidleie genoemd. Ze werd gegraven in 1623-1625 met de bedoeling een rechtstreekse verbinding tussen Gent en de zee te verkrijgen; over Brugge en dan verder langsheen het kanaal van Plassendale naar Oostende. De Bargiebrug werd in juli 1940 opgeblazen.
De Gentse barge was de grootste passagiersboot voor binnenlands verkeer in de Nederlanden. Ze was gemiddeld 23 meter lang en kon 70 passagiers comfortabel vervoeren. De tocht naar Brugge (42 km) duurde gemiddeld 8 uur. De tocht was goedkoop en het eten en drinken aan boord genoten een internationale reputatie.
Schipper Jan De Waele noteerde in zijn handboek zorgvuldig alle goederen. De barge vervoerde hoge zowel als lage gasten. De Waele genoot de hoge eer om Lodewijk XV op zijn schuit te ontvangen en schrijft hierover in ontroerende en trotse bewoordingen (1745).
In de buurt van de aanlegsteiger zorgden herbergen en afspanningen zoals de Gouden Appel, de Barge, de Gouden Kroon, het Vliegend Peerd, de Chasse Royale voor een natje en een droogje
*********
morgen verder
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Bloemekenswijk: de Filature Nouvelle Orléans, een katoenspinnerij
*******

Bloemekenswijk (Bloemekenswijk: Cotonnière Nouvelle Orléans 1905)
Omstreeks 1900 verdiende Gent meer dan ooit de titel van textielstad. De textielindustrie telde meer dan 18.000 arbeidskrachten. Bij de oprichting van de katoenspinnerij Cotonnière Nouvelle Orléans in 1896, stelde de katoensector 9.000 mensen te werk. Het nieuwe bedrijf kende aanvankelijk een snelle expansie, die kenmerkend was voor de toestand van de katoenindustrie in die jaren.
In de jaren vijftig was de bloeitijd van de textielnijverheid al lang voorbij. Door de fusie van de Cotonnière met het bedrijf De Waele & Röthlisberger ontstond begin 1957 de Filature Nouvelle Orléans. Het bedrijf schakelde over op de verwerking van synthetische vezels, waardoor het een tijdje met succes het hoofd kon bieden aan de moeilijkheden in de sector.
In 1972 werd de FNO overgenomen door het UCO-consortium. Het bedrijf behield aanvankelijk een aparte plaats in de groep, maar werd uiteindelijk een afdeling van UCO-Maïsstraat.
Het einde van de fabriek kwam in 1988-1990: de uitrusting werd overgebracht naar andere UCO-afdelingen of doorverkocht. Het resterende personeel werd overgeplaatst naar andere UCO-vestigingen.
************
Rabot: de gashouders als vreemde wezens in de stad?
*******
Rabot (Rabot: gashouders eind 20ste eeuw)
'Ruïnes signaleren tegelijkertijd een afwezigheid en een aanwezigheid; ze tonen, ze zijn, een kruising tussen het zichtbare en het onzichtbare. Gefragmenteerde, vervallen structuren, die niet langer hun originele functie vervullen, duiden op een afwezigheid - een verloren, onzichtbaar geheel. Maar hun zichtbare aanwezigheid duidt ook op duurzaamheid, zelfs indien wat is niet langer is wat het ooit was.'(Salvatore Settis)
De gashouders aan de Gasmeterlaan werden omwille van hun industrieel-archeologische waarde als monument beschermd. Ze zijn nu vervallen en komen ons ook door de aard van hun constructie als vreemde wezens voor. We zijn van hen vervreemd omdat ze niet meer functioneren en zonder de erbijhorende gebouwen liggen te roesten op een open vlakte, waar een schaapherder en de Club Bel Italia het stadsbeeld wat verlevendigen.
Gashouders zijn echter lange tijd niet zo vreemd geweest als ze nu lijken. Gashouders vormden een buffer tussen productie en consumptie van het gas. Als de productie hoger lag dan de consumptie ervan werd het opgeslagen en gemeten in een gashouder.
Na problemen met een oudere gasmaatschappij gaf de stad Gent vanaf 1881 een concessie aan de nieuw opgerichte Gasmaatschappij van Gent. Enkele jaren later werkten alle installaties aan de Gasmeterlaan. De gasfabriek aan de Gasmeterlaan is nu gesloten en grotendeels afgebroken; enkel de gashouders blijven over. Deze monumenten vlakbij het toekomstige Justitiepaleis zijn nu op zoek naar een nieuwe rol
*******
Muide-Meulestede: de Voorhaven.
***
Muide-Meulestede(Muide-Meulestede: Voorhaven 19de eeuw )
Tot ver buiten Gent staat de Muide bekend als volkswijk, met een eigen folklore en een fameus plaatselijk dialect. Wellicht is dit te danken aan het feit dat het geen louter fabrieksbuurt is, maar een geheel door water omgeven eiland van de binnenschippers. Aan de Voorhaven immers gaan de van overzee verscheepte goederen over op de aken en de lichters die het hinterland van de Gentse haven bereizen.
Eeuwenlang waren de Gentse havenactiviteiten geconcentreerd rond de Gras- en Korenlei. Met het nieuwe zeekanaal, dat dankzij koning Willem I in 1827 tussen Gent en Terneuzen werd opengesteld, verzamelden de schepen meer en meer in het noorden van de stad. In 1874 overtrof het aantal stoomschepen definitief het aantal zeilers. In 1891 overschreed Gent de kaap van duizend schepen per jaar.
Op het einde van de vorige eeuw werden plannen ontworpen voor nieuwe sluizen te Terneuzen (nu de Middensluis) en te Sas-van-Gent (Oostsluis). Gent werd bereikbaar voor 10.000 ton. De Eerste Wereldoorlog legde alle activiteit stil. De haven geraakte nog maar net op dreef, of er kwamen nieuwe klappen: de economische crisis van 1930, de Tweede Wereldoorlog. Samen met een 60.000 ton sluis en dito kanaal kwamen in 1968 ook enkele dokken klaar.
Aan de voorhaven is het nu rustiger dan in de Belle Epoque of het interbellum. De installaties zijn enkele jaren gelegen als industrieel erfgoed beschermd. De buurt trekt nieuwe bewoners aan, die de trend volgen om in pakhuizen en fabrieken lofts in te richten
*****
Sluizeken-Ham-Voormuide: een virtuele wandeling langs de beluiken
********
Sluizeken-Ham-Voormuide(Sluizeken-Ham-Voormuide: beluiken eind 20ste eeuw)
Nieuwland. Berouw. Kraankindersstraat. Kongostraat. Vogelenzang. Godshuishammeke. Rode Lijvekensstraat.
Arbeiderswijk. Jonge gezinnen. Grootste concentratie allochtonen in de stad. Havenkwartier. Gesloten karakter. Dichtgemetselde beluiken. Waterwijk. Winkelstraat. Electriciteitscentrale. Multicultureel Ontmoetingscentrum. De Poort. Sportarena Tolhuis.
De pastoor. De straathoekwerker. De cafébazin. De wijkagent. De schippersvrouw. De cineast. De grootvader van Isabelle A. De wandelaar. De kapper. De fotograaf. De student.
Het verzamelde materiaal werd in deze multimediale presentatie samengebracht: beelden, verhalen, video's, krantenknipsels, geluiden, gedichten, ... Doorheen het verhaal van haar bewoner kan men de stad op een ander manier leren lezen. De historiek van een wijk omvat verleden en heden, feiten en beleving.
*********
Sint-Macharius-Heirnis: doe wel, en zie niet om, het verhaal van de Vlaamsekaai.
****
Sint-Macharius - Heirnis(Sint-Macharius-Heirnis: Vlaamsekaai omstreeks 1900)
***
Op het einde van de 19de eeuw, de Belle Epoque, koos de Gentse bouwmeester Jacob Gustave Semey (1864-1935) de omgeving van de Heirnis uit voor de realisatie van enkele tot de verbeelding sprekende gebouwen. Het ver doorgedreven eclectisme dat tot uiting kwam in de gevelversieringen en in de drang naar afwisseling binnen het gevelconcept stonden in sterk contrast met de gangbare bouwkundige visies.
Sommige deskundigen zien in die ontwerpen van Semey een laatste stuiptrekking van het romantisme. Deze overtuiging wordt versterkt door de aangebrachte huisnamen, de borstbeelden of reliëfs van historische Vlaamse figuren en de moraliserende opschriften.
In hoeverre deze architectuur echt in de smaak van de modale Gentenaar viel kan evenwel in vraag worden gesteld. Toen in de golden sixties de gemoedelijkheid van de Vlaamsekaai werd opgeofferd voor het oprukkende wegverkeer, hadden de grondspeculanten er evenmin moeite mee om tal van realisaties van Semey uit het straatbeeld te schrappen en te vervangen door nietszeggende, banale, veel-geld-opbrengende hoogbouw.
Blijkbaar lag de Vlaamsekaai evenmin in de bovenste lade van de monumentenzorgers: pas in 1994 werden de resterende gevels van bouwmeester J.G. Semey als stadsgezicht bij wet beschermd
*******
vervolg morgen
*******

Bloemekenswijk (Bloemekenswijk: Cotonnière Nouvelle Orléans 1905)
Omstreeks 1900 verdiende Gent meer dan ooit de titel van textielstad. De textielindustrie telde meer dan 18.000 arbeidskrachten. Bij de oprichting van de katoenspinnerij Cotonnière Nouvelle Orléans in 1896, stelde de katoensector 9.000 mensen te werk. Het nieuwe bedrijf kende aanvankelijk een snelle expansie, die kenmerkend was voor de toestand van de katoenindustrie in die jaren.
In de jaren vijftig was de bloeitijd van de textielnijverheid al lang voorbij. Door de fusie van de Cotonnière met het bedrijf De Waele & Röthlisberger ontstond begin 1957 de Filature Nouvelle Orléans. Het bedrijf schakelde over op de verwerking van synthetische vezels, waardoor het een tijdje met succes het hoofd kon bieden aan de moeilijkheden in de sector.
In 1972 werd de FNO overgenomen door het UCO-consortium. Het bedrijf behield aanvankelijk een aparte plaats in de groep, maar werd uiteindelijk een afdeling van UCO-Maïsstraat.
Het einde van de fabriek kwam in 1988-1990: de uitrusting werd overgebracht naar andere UCO-afdelingen of doorverkocht. Het resterende personeel werd overgeplaatst naar andere UCO-vestigingen.
************
Rabot: de gashouders als vreemde wezens in de stad?
*******
Rabot (Rabot: gashouders eind 20ste eeuw)
'Ruïnes signaleren tegelijkertijd een afwezigheid en een aanwezigheid; ze tonen, ze zijn, een kruising tussen het zichtbare en het onzichtbare. Gefragmenteerde, vervallen structuren, die niet langer hun originele functie vervullen, duiden op een afwezigheid - een verloren, onzichtbaar geheel. Maar hun zichtbare aanwezigheid duidt ook op duurzaamheid, zelfs indien wat is niet langer is wat het ooit was.'(Salvatore Settis)
De gashouders aan de Gasmeterlaan werden omwille van hun industrieel-archeologische waarde als monument beschermd. Ze zijn nu vervallen en komen ons ook door de aard van hun constructie als vreemde wezens voor. We zijn van hen vervreemd omdat ze niet meer functioneren en zonder de erbijhorende gebouwen liggen te roesten op een open vlakte, waar een schaapherder en de Club Bel Italia het stadsbeeld wat verlevendigen.
Gashouders zijn echter lange tijd niet zo vreemd geweest als ze nu lijken. Gashouders vormden een buffer tussen productie en consumptie van het gas. Als de productie hoger lag dan de consumptie ervan werd het opgeslagen en gemeten in een gashouder.
Na problemen met een oudere gasmaatschappij gaf de stad Gent vanaf 1881 een concessie aan de nieuw opgerichte Gasmaatschappij van Gent. Enkele jaren later werkten alle installaties aan de Gasmeterlaan. De gasfabriek aan de Gasmeterlaan is nu gesloten en grotendeels afgebroken; enkel de gashouders blijven over. Deze monumenten vlakbij het toekomstige Justitiepaleis zijn nu op zoek naar een nieuwe rol
*******
Muide-Meulestede: de Voorhaven.
***
Muide-Meulestede(Muide-Meulestede: Voorhaven 19de eeuw )
Tot ver buiten Gent staat de Muide bekend als volkswijk, met een eigen folklore en een fameus plaatselijk dialect. Wellicht is dit te danken aan het feit dat het geen louter fabrieksbuurt is, maar een geheel door water omgeven eiland van de binnenschippers. Aan de Voorhaven immers gaan de van overzee verscheepte goederen over op de aken en de lichters die het hinterland van de Gentse haven bereizen.
Eeuwenlang waren de Gentse havenactiviteiten geconcentreerd rond de Gras- en Korenlei. Met het nieuwe zeekanaal, dat dankzij koning Willem I in 1827 tussen Gent en Terneuzen werd opengesteld, verzamelden de schepen meer en meer in het noorden van de stad. In 1874 overtrof het aantal stoomschepen definitief het aantal zeilers. In 1891 overschreed Gent de kaap van duizend schepen per jaar.
Op het einde van de vorige eeuw werden plannen ontworpen voor nieuwe sluizen te Terneuzen (nu de Middensluis) en te Sas-van-Gent (Oostsluis). Gent werd bereikbaar voor 10.000 ton. De Eerste Wereldoorlog legde alle activiteit stil. De haven geraakte nog maar net op dreef, of er kwamen nieuwe klappen: de economische crisis van 1930, de Tweede Wereldoorlog. Samen met een 60.000 ton sluis en dito kanaal kwamen in 1968 ook enkele dokken klaar.
Aan de voorhaven is het nu rustiger dan in de Belle Epoque of het interbellum. De installaties zijn enkele jaren gelegen als industrieel erfgoed beschermd. De buurt trekt nieuwe bewoners aan, die de trend volgen om in pakhuizen en fabrieken lofts in te richten
*****
Sluizeken-Ham-Voormuide: een virtuele wandeling langs de beluiken
********
Sluizeken-Ham-Voormuide(Sluizeken-Ham-Voormuide: beluiken eind 20ste eeuw)
Nieuwland. Berouw. Kraankindersstraat. Kongostraat. Vogelenzang. Godshuishammeke. Rode Lijvekensstraat.
Arbeiderswijk. Jonge gezinnen. Grootste concentratie allochtonen in de stad. Havenkwartier. Gesloten karakter. Dichtgemetselde beluiken. Waterwijk. Winkelstraat. Electriciteitscentrale. Multicultureel Ontmoetingscentrum. De Poort. Sportarena Tolhuis.
De pastoor. De straathoekwerker. De cafébazin. De wijkagent. De schippersvrouw. De cineast. De grootvader van Isabelle A. De wandelaar. De kapper. De fotograaf. De student.
Het verzamelde materiaal werd in deze multimediale presentatie samengebracht: beelden, verhalen, video's, krantenknipsels, geluiden, gedichten, ... Doorheen het verhaal van haar bewoner kan men de stad op een ander manier leren lezen. De historiek van een wijk omvat verleden en heden, feiten en beleving.
*********
Sint-Macharius-Heirnis: doe wel, en zie niet om, het verhaal van de Vlaamsekaai.
****
Sint-Macharius - Heirnis(Sint-Macharius-Heirnis: Vlaamsekaai omstreeks 1900)
***
Op het einde van de 19de eeuw, de Belle Epoque, koos de Gentse bouwmeester Jacob Gustave Semey (1864-1935) de omgeving van de Heirnis uit voor de realisatie van enkele tot de verbeelding sprekende gebouwen. Het ver doorgedreven eclectisme dat tot uiting kwam in de gevelversieringen en in de drang naar afwisseling binnen het gevelconcept stonden in sterk contrast met de gangbare bouwkundige visies.
Sommige deskundigen zien in die ontwerpen van Semey een laatste stuiptrekking van het romantisme. Deze overtuiging wordt versterkt door de aangebrachte huisnamen, de borstbeelden of reliëfs van historische Vlaamse figuren en de moraliserende opschriften.
In hoeverre deze architectuur echt in de smaak van de modale Gentenaar viel kan evenwel in vraag worden gesteld. Toen in de golden sixties de gemoedelijkheid van de Vlaamsekaai werd opgeofferd voor het oprukkende wegverkeer, hadden de grondspeculanten er evenmin moeite mee om tal van realisaties van Semey uit het straatbeeld te schrappen en te vervangen door nietszeggende, banale, veel-geld-opbrengende hoogbouw.
Blijkbaar lag de Vlaamsekaai evenmin in de bovenste lade van de monumentenzorgers: pas in 1994 werden de resterende gevels van bouwmeester J.G. Semey als stadsgezicht bij wet beschermd
*******
vervolg morgen
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Sas- & Bassijnwijk: het Rijke Klarenklooster
****
Sas-Bassijnwijk, Rijke Klarenklooster eind 20ste eeuw.
***
Een gedenksteen aan de Bassijnstraat/Guldenmeers in de Sas- & Bassijnwijk herinnert aan het klooster van de Rijke Klaren. Dit klooster heeft gedurende driehonderd jaar het uitzicht van dit toen nog landelijke deelgebied bepaald. Toevalsvondsten en waarnemingen bij bouwactiviteiten bevestigen dat het archeologisch bodemarchief nog heel wat sporen bewaart van dit voor Gent unieke klooster.
In 1280 kregen de Rijke Klaren de toestemming om in een bocht van de Schelde een nieuw klooster op te richten. De eerste gebouwen kwamen tot stand in 1284-1285. Iconografische documenten tonen een ommuurd kloosterareaal met centraal een eenbeukige kerk.
Bij het Rijke Klarenklooster in de Sas- & Bassijnwijk hoorde ook het Hof van Sint-Clara, dat in 1453 opgericht door de Raad van Vlaanderen voor aangelegenheden van het Land van Aalst en keizerlijk Vlaanderen.
Omdat het klooster strategisch in de weg stond, besloot men het in 1578 af te breken. Het ontmantelde klooster en de pachthoeve bepaalden nog tot in de late 19de eeuw het beeld aan de bocht van de Schelde buiten de Keizerpoort.
************
Nieuw Gent: de huisvestingsprojecten aan de Zwijnaardsesteenweg.
Nieuw Gent 20ste eeuw
Van landelijk gebied naar dicht bevolkte stadswijk
Verkrotting en woningnood vormden traditioneel een groot probleem voor een fabrieksstad als Gent. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren er al vage plannen voor een tuinwijk 'met gezonde woningen voor de werkersbevolking' in het landelijke gebied rond de Zwijnaardsesteenweg. Het duurde nog tot het midden van de jaren twintig vooraleer de eerste huizen, gegroepeerd in woonerven, werden gebouwd. Voor wie van het centrum komt bevinden zij zich links van de Zwijnaardsesteenweg.
Onder druk van de aanhoudende woningnood stierf de tuinwijkgedachte in de jaren dertig een stille dood. De huisvestingsmaatschappijen kozen voor kwantiteit en bouwden sobere ééngezinswoningen, met een minimum aan zon en licht.
De plannen voor het grootschalige huisvestingsproject Nieuw Gent, gelegen aan de andere zijde van de Zwijnaardesteenweg, dateren uit de jaren zestig, maar werden pas uitgevoerd in de minder voorspoedige jaren zeventig en tachtig. Rond het Rerum Novarumplein en de centrale as Kikvorsstraat-Edelsteenstraat verrezen in totaal 1700 appartementen en 188 ééngezinswoningen. De bouwprojecten zijn ideologisch keurig verdeeld. Bijna alle hoogbouwcomplexen zijn het werk van de socialistische Goede Werkmanswoning. De Gentse Haard en de katholieke Volkshaard kozen overwegend voor laagbouw
*****************
Wondelgem: de Vroonstalledries.
****
Wondelgem, kerk 1904
***
De door bomen omringde dorpskerk van Wondelgem, op de Vroonstalledries, verwijst naar het uitgestrekte domein dat de Merovingische koningen bij Ganda hadden. Het was een onderdeel van de fiscus Marka die ten laatste in de 9de eeuw terecht kwam bij de bezittingen van het Gandaklooster, de latere Sint-Baafsabdij.
Volgens het in de 8ste eeuw opgetekende levensverhaal van Amandus, de Vita Amandi, verliep het bekeringswerk in het Scheldegebied niet zo vlot. De bewoners van de pagus Gandao stelden zich zeer vijandig op.
Door Acharius, bisschop van Noyon-Doornik (626-640), verkreeg Amandus de steun van koning Dagobert I (629-639). De stichting van kloosters vormde een vast onderdeel van het missioneringswerk. Dagobert I verleende aan Amandus en zijn gezellen de middelen om bezit te verwerven, zoals Slote en later de fiscus Marka.
De abt van de Sint-Baafsabdij, na de afschaffing van de abdij in 1540 opgevolgd door de proost en de bisschop van Gent, bleef heer van Wondelgem tot aan het eind van het Ancien Régime. De sobere barokkerk op de Vroonstalledries is niet ouder dan de 17de eeuw.
****************
Mariakerke: De Groene Staak.
****
Mariakerke: De Groene Staak 1904.
***
Veel cafés in Mariakerke bevonden zich aan de brug over de Brugse Vaart. Zowel het vervoer over water als over land tussen Gent en Brugge passeerde langs de brug. Er werden schepen geladen en gelost, er was een tramhalte. Meer cafés waren er voor de fabrieksarbeiders uit de buurt op het Zandeken en rond de kerk, waar de kerkgangers na de mis bleven hangen.
De Groene Staak wordt reeds voor de Franse Revolutie vermeld. Het was een etappeplaats, later een typisch landelijke herberg, mét rolbaan. Uitbaters als Leonard Van Den Bossche, Karel en Omer Moerman en Hugo De Moor stonden er achter de tap. Een anekdote verhaalt dat Koning Albert I en Koningin Elisabeth er op 12 november 1918 hun wagen voor paarden ruilden om vervolgens hun blijde herintrede in Gent te maken.
De Groene Staak ontleent zijn huidige naam aan een 'staek', een bareel waarvoor men tot ver in de 19de eeuw met goederen op doorreis moest halthouden om tol te betalen; 'groen' verwijst naar de landelijke omgeving.
In de 18de en 19de eeuw waren promenades, onder meer langs de Coupure en in het verlengde daarvan langs de Brugse Vaart, een geliefd tijdverdrijf. Landelijke herbergen zijn tot op heden pleisterplaatsen voor wandelaars en fietsers. Ondanks zijn belangrijke sociale en ontspannende functies daalt het aantal cafés in België reeds een hele tijd, maar een bezoek aan De Groene Staak in Mariakerke kan nog steeds.
************
Drongen: de Norbertijnenabdij
***
Drongen, Norbertijnenabdij omstreeks 1970.
****
De dorpskom van Drongen wordt gedomineerd door het enorme complex van de voormalige Norbertijnenabdij. Op deze plek bestond er reeds in de jaren 800 een kapittelkerk waaraan kanunniken verbonden waren.
Toen wereldse manieren de overhand gingen krijgen op ijver en tucht, achtte graaf Iwein het goed de abdij van Zalegem te Vrasene in haar geheel over te plaatsen naar Drongen (1138). Dit was een gelegenheid om de kanunniken de regel van Prémontré te doen aannemen. Doorgaans werden ze premonstratenzen of Norbertijnen genoemd. De abdij kende nu een grote bloei en kon in de ruime omgeving een aanzienlijk domein verwerven.
Tegen deze grote rijkdom keerden zich de calvinistische beeldenstormers in 1566. Nadat er lelijk was huisgehouden in de kloosters en kerken van Gent, werd er hevig gestormd te Drongen. Na het uitroepen van de calvinistische republiek in Gent werden er door de nieuwe machthebbers in 1578 opnieuw beeldenvernielers naar Drongen gestuurd. Pas in 1636 begonnen de monniken met de heropbouw van de abdijgebouwen te Drongen.
Het duurde tot 1698 vooraleer het werk af was; de abdij kreeg toen het uitzicht dat ze tot vandaag bewaard heeft. Honderd jaar later werd de abdij door de Franse revolutionaire bezetters opgedoekt. Lieven Bauwens richtte er een katoenspinnerij op. In 1837 kwam het pand in het bezit van de Gentse jezuÔeten. Tot de jaren 70 van de 20ste eeuw hebben de jezuïeten generaties Vlaamse collegestudenten met hun retraites voorbereid op het grote leven.
*******************************
Afsnee: de Drie Leien
***
Afsnee: de Drie Leien 20ste eeuw.
****
Het complexe en kronkelende verloop van de Drie Leien stroomopwaarts van de abdij van Drongen is er de oorzaak van dat er tot vandaag nog steeds geen vaste verbinding bestaat tussen Drongen en Afsnee. Deze gebrekkige mobiliteit heeft dan weer het gelukkige gevolg dat de verstedelijking, die thans ook Drongen in haar greep krijgt, abrupt afgebroken wordt bij het punt waar de drie Leiearmen uit mekaar gaan.
Sinds historische tijden kon wie van het ene dorp naar het andere wou gaan gebruik maken van twee veerponten: de eerste bij de dorpskom van Drongen waar men kon oversteken naar de Assels, de tweede bij de kerk van Afsnee. Het veer van Drongen werd reeds in de Hollandse Tijd, in 1823, vervangen door een eerste houten brug. In 1885 was er eventjes sprake van dat ook Afsneedorp zijn Leiebrug zou krijgen, van dit plan kwam echter niets in huis.
Men blijft in Afsnee nog steeds aangewezen op de overzet. Buiten de winterperiode gebeurde het al eens dat goede zwemmers met samengebonden kleren met één hand in de lucht de overtocht waagden, en daar had de veerman nooit bezwaar tegen.
Maar helemaal anders liep het in juni 1889. Toen staken enkele jockeys in dienst van de Engelsman Henri Ashman, die paardenkoersen organiseerde, bij hun overtocht van de Leie helemaal niets in de lucht : 'zy steken de rivier over, om gansch naakt, zoo als zy in het water zyn, op den dyk om en weer te lopen. Dit schandaal verbitterd de oeverbewooners en andere persoonen die op hunne velden arbeiden of langs daer wandelen.'
**********
morgen verder
****
Sas-Bassijnwijk, Rijke Klarenklooster eind 20ste eeuw.
***
Een gedenksteen aan de Bassijnstraat/Guldenmeers in de Sas- & Bassijnwijk herinnert aan het klooster van de Rijke Klaren. Dit klooster heeft gedurende driehonderd jaar het uitzicht van dit toen nog landelijke deelgebied bepaald. Toevalsvondsten en waarnemingen bij bouwactiviteiten bevestigen dat het archeologisch bodemarchief nog heel wat sporen bewaart van dit voor Gent unieke klooster.
In 1280 kregen de Rijke Klaren de toestemming om in een bocht van de Schelde een nieuw klooster op te richten. De eerste gebouwen kwamen tot stand in 1284-1285. Iconografische documenten tonen een ommuurd kloosterareaal met centraal een eenbeukige kerk.
Bij het Rijke Klarenklooster in de Sas- & Bassijnwijk hoorde ook het Hof van Sint-Clara, dat in 1453 opgericht door de Raad van Vlaanderen voor aangelegenheden van het Land van Aalst en keizerlijk Vlaanderen.
Omdat het klooster strategisch in de weg stond, besloot men het in 1578 af te breken. Het ontmantelde klooster en de pachthoeve bepaalden nog tot in de late 19de eeuw het beeld aan de bocht van de Schelde buiten de Keizerpoort.
************
Nieuw Gent: de huisvestingsprojecten aan de Zwijnaardsesteenweg.
Nieuw Gent 20ste eeuw
Van landelijk gebied naar dicht bevolkte stadswijk
Verkrotting en woningnood vormden traditioneel een groot probleem voor een fabrieksstad als Gent. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren er al vage plannen voor een tuinwijk 'met gezonde woningen voor de werkersbevolking' in het landelijke gebied rond de Zwijnaardsesteenweg. Het duurde nog tot het midden van de jaren twintig vooraleer de eerste huizen, gegroepeerd in woonerven, werden gebouwd. Voor wie van het centrum komt bevinden zij zich links van de Zwijnaardsesteenweg.
Onder druk van de aanhoudende woningnood stierf de tuinwijkgedachte in de jaren dertig een stille dood. De huisvestingsmaatschappijen kozen voor kwantiteit en bouwden sobere ééngezinswoningen, met een minimum aan zon en licht.
De plannen voor het grootschalige huisvestingsproject Nieuw Gent, gelegen aan de andere zijde van de Zwijnaardesteenweg, dateren uit de jaren zestig, maar werden pas uitgevoerd in de minder voorspoedige jaren zeventig en tachtig. Rond het Rerum Novarumplein en de centrale as Kikvorsstraat-Edelsteenstraat verrezen in totaal 1700 appartementen en 188 ééngezinswoningen. De bouwprojecten zijn ideologisch keurig verdeeld. Bijna alle hoogbouwcomplexen zijn het werk van de socialistische Goede Werkmanswoning. De Gentse Haard en de katholieke Volkshaard kozen overwegend voor laagbouw
*****************
Wondelgem: de Vroonstalledries.
****
Wondelgem, kerk 1904
***
De door bomen omringde dorpskerk van Wondelgem, op de Vroonstalledries, verwijst naar het uitgestrekte domein dat de Merovingische koningen bij Ganda hadden. Het was een onderdeel van de fiscus Marka die ten laatste in de 9de eeuw terecht kwam bij de bezittingen van het Gandaklooster, de latere Sint-Baafsabdij.
Volgens het in de 8ste eeuw opgetekende levensverhaal van Amandus, de Vita Amandi, verliep het bekeringswerk in het Scheldegebied niet zo vlot. De bewoners van de pagus Gandao stelden zich zeer vijandig op.
Door Acharius, bisschop van Noyon-Doornik (626-640), verkreeg Amandus de steun van koning Dagobert I (629-639). De stichting van kloosters vormde een vast onderdeel van het missioneringswerk. Dagobert I verleende aan Amandus en zijn gezellen de middelen om bezit te verwerven, zoals Slote en later de fiscus Marka.
De abt van de Sint-Baafsabdij, na de afschaffing van de abdij in 1540 opgevolgd door de proost en de bisschop van Gent, bleef heer van Wondelgem tot aan het eind van het Ancien Régime. De sobere barokkerk op de Vroonstalledries is niet ouder dan de 17de eeuw.
****************
Mariakerke: De Groene Staak.
****
Mariakerke: De Groene Staak 1904.
***
Veel cafés in Mariakerke bevonden zich aan de brug over de Brugse Vaart. Zowel het vervoer over water als over land tussen Gent en Brugge passeerde langs de brug. Er werden schepen geladen en gelost, er was een tramhalte. Meer cafés waren er voor de fabrieksarbeiders uit de buurt op het Zandeken en rond de kerk, waar de kerkgangers na de mis bleven hangen.
De Groene Staak wordt reeds voor de Franse Revolutie vermeld. Het was een etappeplaats, later een typisch landelijke herberg, mét rolbaan. Uitbaters als Leonard Van Den Bossche, Karel en Omer Moerman en Hugo De Moor stonden er achter de tap. Een anekdote verhaalt dat Koning Albert I en Koningin Elisabeth er op 12 november 1918 hun wagen voor paarden ruilden om vervolgens hun blijde herintrede in Gent te maken.
De Groene Staak ontleent zijn huidige naam aan een 'staek', een bareel waarvoor men tot ver in de 19de eeuw met goederen op doorreis moest halthouden om tol te betalen; 'groen' verwijst naar de landelijke omgeving.
In de 18de en 19de eeuw waren promenades, onder meer langs de Coupure en in het verlengde daarvan langs de Brugse Vaart, een geliefd tijdverdrijf. Landelijke herbergen zijn tot op heden pleisterplaatsen voor wandelaars en fietsers. Ondanks zijn belangrijke sociale en ontspannende functies daalt het aantal cafés in België reeds een hele tijd, maar een bezoek aan De Groene Staak in Mariakerke kan nog steeds.
************
Drongen: de Norbertijnenabdij
***
Drongen, Norbertijnenabdij omstreeks 1970.
****
De dorpskom van Drongen wordt gedomineerd door het enorme complex van de voormalige Norbertijnenabdij. Op deze plek bestond er reeds in de jaren 800 een kapittelkerk waaraan kanunniken verbonden waren.
Toen wereldse manieren de overhand gingen krijgen op ijver en tucht, achtte graaf Iwein het goed de abdij van Zalegem te Vrasene in haar geheel over te plaatsen naar Drongen (1138). Dit was een gelegenheid om de kanunniken de regel van Prémontré te doen aannemen. Doorgaans werden ze premonstratenzen of Norbertijnen genoemd. De abdij kende nu een grote bloei en kon in de ruime omgeving een aanzienlijk domein verwerven.
Tegen deze grote rijkdom keerden zich de calvinistische beeldenstormers in 1566. Nadat er lelijk was huisgehouden in de kloosters en kerken van Gent, werd er hevig gestormd te Drongen. Na het uitroepen van de calvinistische republiek in Gent werden er door de nieuwe machthebbers in 1578 opnieuw beeldenvernielers naar Drongen gestuurd. Pas in 1636 begonnen de monniken met de heropbouw van de abdijgebouwen te Drongen.
Het duurde tot 1698 vooraleer het werk af was; de abdij kreeg toen het uitzicht dat ze tot vandaag bewaard heeft. Honderd jaar later werd de abdij door de Franse revolutionaire bezetters opgedoekt. Lieven Bauwens richtte er een katoenspinnerij op. In 1837 kwam het pand in het bezit van de Gentse jezuÔeten. Tot de jaren 70 van de 20ste eeuw hebben de jezuïeten generaties Vlaamse collegestudenten met hun retraites voorbereid op het grote leven.
*******************************
Afsnee: de Drie Leien
***
Afsnee: de Drie Leien 20ste eeuw.
****
Het complexe en kronkelende verloop van de Drie Leien stroomopwaarts van de abdij van Drongen is er de oorzaak van dat er tot vandaag nog steeds geen vaste verbinding bestaat tussen Drongen en Afsnee. Deze gebrekkige mobiliteit heeft dan weer het gelukkige gevolg dat de verstedelijking, die thans ook Drongen in haar greep krijgt, abrupt afgebroken wordt bij het punt waar de drie Leiearmen uit mekaar gaan.
Sinds historische tijden kon wie van het ene dorp naar het andere wou gaan gebruik maken van twee veerponten: de eerste bij de dorpskom van Drongen waar men kon oversteken naar de Assels, de tweede bij de kerk van Afsnee. Het veer van Drongen werd reeds in de Hollandse Tijd, in 1823, vervangen door een eerste houten brug. In 1885 was er eventjes sprake van dat ook Afsneedorp zijn Leiebrug zou krijgen, van dit plan kwam echter niets in huis.
Men blijft in Afsnee nog steeds aangewezen op de overzet. Buiten de winterperiode gebeurde het al eens dat goede zwemmers met samengebonden kleren met één hand in de lucht de overtocht waagden, en daar had de veerman nooit bezwaar tegen.
Maar helemaal anders liep het in juni 1889. Toen staken enkele jockeys in dienst van de Engelsman Henri Ashman, die paardenkoersen organiseerde, bij hun overtocht van de Leie helemaal niets in de lucht : 'zy steken de rivier over, om gansch naakt, zoo als zy in het water zyn, op den dyk om en weer te lopen. Dit schandaal verbitterd de oeverbewooners en andere persoonen die op hunne velden arbeiden of langs daer wandelen.'
**********
morgen verder
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Sint-Denijs-Westrem: archeologische site - vliegveld - Flanders Expo
****
Sint-Denijs-Westrem(Sint-Denijs-Westrem: vliegveld 1973)
Langzamerhand verdwijnt de herinnering aan het vliegveld van Sint-Denijs, thans de plaats van de Flanders Expo-hallen. Reeds in 1837 wezen fragmenten van Romeins vaatwerk op het archeologisch belang van deze site.
De opgravingen van de Vakgroep Archeologie van de Gentse Universiteit, bieden een beter inzicht in de aard van de nederzettingssporen: bewoning uit de late bronstijd en de vroege ijzertijd (ca. 1100-450 v. Chr.), een Romeinse nederzettingskern met grafveld uit de hoge Keizertijd (1ste-3de eeuw na Chr.) en een middeleeuwse boerderij (10de-13de eeuw).
De Romeinse nederzetting kwam tot bloei omstreeks '70 van onze tijdrekening. Dit gehucht of klein dorp telde in de 2de eeuw mogelijk zes tot acht boerderijen. De bewoners leefden voornamelijk van landbouw en veeteelt.
Bij de nederzetting hoorde een grote begraafplaats met brandrestengraven. De aanleg en de eerder arme graven getuigen van een weinig sociaal gedifferentieerde bevolking. Maar ook de oudere bodemvondsten mogen in deze context niet worden vergeten, bijvoorbeeld een mooi versierde bronzen lepelsonde uit de Romeinse tijd
**********
Zwijnaarde: het kasteel van Zwijnaarde
***
Kasteel van Zwijnaarde: Isabella van Oostenrijk 1526.
***
In 1526 is het kasteel van Zwijnaarde, het buitenverblijf van de abt van de Sint-Pietersabdij, het toneel van een menselijke tragedie. Isabella, de tweede zus van keizer Karel V en koningin van Noorwegen, Zweden en Denemarken, overlijdt er. Ze was uitgeput door vijf zwangerschappen op 25-jarige leeftijd.
De geschiedenis van het kasteel van Zwijnaarde is al even dramatisch dan die van Isabella. Het imposante middeleeuwse waterkasteel wordt verwoest tijdens het calvinistisch bestuur in Gent tussen 1577 en 1584. In de zeventiende eeuw laat abt Joachim Arsenius Schaeyck het heropbouwen.
Nadat de Franse regering het gebouw in 1797 openbaar verkoopt, komt het in bezit van de familie della Faille d'Huysse, die het omstreeks 1836 laat verbouwen in neoclassicistische stijl. Maar in het oorlogsgeweld van de Eerste Wereldoorlog wordt het kasteel opnieuw verwoest. Ook nu laat de familie della Faille het kasteel heroptrekken. In 1922 kunnen de eigenaars het nieuwe kasteel in gebruik nemen. Nu is het een gebouw geconcipieerd in neorococostijl.
Vier kastelen werden in Zwijnaarde telkens op dezelfde grondvesten gebouwd, telkens opnieuw waren ze doordrongen van de besognes van de elite van hun tijd. Stadsgedichten van rijke mensen
*******
Ledeberg: de ajuinmarkt.
Ledeberg: Ajuinmarkt omstreeks 1946.
Sinds zowat 1600 is Ledeberg bekend om de jaarlijkse ajuinmarkt. Van heinde en ver kwamen boeren en landlieden naar Ledeberg om er ajuinen, uien, in trossen of per gewicht aan de man te brengen. Stilaan verloor de markt haar aantrekkelijkheid. Een vernieuwd programma, met klemtoon op andere kermis- en feestattracties, zorgde voor een heropleving van de ajuinmarkt vanaf 1924-1925.
Niet alleen in Ledeberg werden er uien aan de man gebracht. Al in de Middeleeuwen geschiedde dit op verschillende plaatsen in Gent. De uien die in Ledeberg op de markt werden aangeboden, kwamen voornamelijk uit de omgeving van Aalst en Ninove.
Sinds mensenheugenis is de ui een vast ingrediënt van elke moestuin. Het is een eeuwenoude cultuurplant. Het voedsel bevindt zich in de vlezige, bladgroenloze bladeren of bolrokken. In oude recepten worden ze rokkenbollen genoemd.
Kenmerkend is ook de indringende geur die tot tranen beweegt, te wijten aan zwavelverbindingen in de samenstelling van de plant. Tal van recepten schrijven het gebruik van ui voor als groente of als hoofdbestanddeel van bijvoorbeeld uiensoep en uiensaus.
**********
Gentbrugge: het tuinbouwbedrijf Louis Van Houtte.

Gentbrugge: Louis Van Houtte in Zuid-Amerka omstreeks 1847
Na enkele jaren praktijkervaring in Frankrijk en na een expeditie in Brazilië vestigde Louis Van Houtte zich in 1839 in Gentbrugge. Hij richtte er in vennootschap met de boomkweker Adolf Papeleu (1811-1859) een horticultuurbedrijf op.
Van Houttes kennis van de plantkunde, gecombineerd met durf, ondernemingszin, commerciële ingesteldheid en een flinke talenkennis, zorgden ervoor dat met hem een progressieve generatie tuinbouwers naar voren trad. Niet enkel zijn opmerkelijke bedrijfscatalogen, maar ook de door hem uitgegeven imposante reeks La flore des serres et jardins de l'Europe, droegen bij tot zijn faam.
Omstreeks 1870 bezat Louis Van Houtte op een oppervlakte van 14 ha het mooiste en meest florissante bedrijf van het land met vijftig serres en honderden ramen. Er was zelfs een school, waar toekomstige hofbouwers hun opleiding kregen. Befaamd was de Victoria regia-serre, waarin voor het eerst op het Europese continent deze exotische waterplant uit het Amazone-gebied werd gekweekt.
Sinds 1854 onafgebroken burgemeester van Gentbrugge, overleed Louis Van Houtte in 1876. Zijn zoon zette het familiebedrijf verder, maar vormde het in 1889 om tot een naamloze vennootschap. Na de Eerste Wereldoorlog week het bedrijf uit naar de Pinte. De vroegere bedrijfsgronden werden ingenomen door het metaalconstructiebedrijf ARBED
****************
Sint-Amandsberg: de negenmeimarkt
***

Sint-Amandsberg: negenmeimarkt 1982.
Elk jaar nog is de Antwerpsesteenweg in Sint-Amandsberg het centrum van de negenmeimarkt. De oorsprong ervan is terug te voeren tot de 11de eeuw, tot een wijdingsfeest in de Sint-Baafsabdij. Aanvankelijk was dit in het Sint-Baafsdorp, nabij de Heilig-Kerstkerk of de parochiekerk van de leefgemeenschap bij de Sint-Baafsabdij.
Toen keizer Karel V de Gentse rebellie in het jaar 1540 aan banden legde, maakten de Sint-Baafsabdij en het dorp plaats voor de aanleg van het Castrum Novum, het latere Spanjaardenkasteel.
De negenmeimarkt bleef bestaan, maar verhuisde naar de omgeving van de Antwerpsesteenweg. Een centraal gegeven bij de organisatie van de negenmeimarkt is de paardenmarkt.
Domien Ingels (1881-1946) die onder meer belast was met de uitvoering van het Ros Beiaard voor de Wereldtentoonstelling van 1913, tekende heel wat paarden. Op 2 september 1930 kocht de gemeente Sint-Amandsberg het schilderij De Paardenmarkt van hem. Het kreeg een ereplaats in het gemeentehuis en fungeerde jaren als symbool voor de eeuwenoude negenmeimarkt
**************
Oostakker: Lourdes
****
Oostakker: Lourdes 1913.
Sinds omstreeks 1850 kende de Mariaverering in heel de katholieke wereld een spectaculaire opbloei. Het Pyreneeënstadje Lourdes werd de drukst bezochte Mariabedevaartplaats ter wereld. Overal werden grotjes van Lourdes gebouwd. Dat deed in 1870 ook markiezin Marie-Thérèse de Courtebourne in haar kasteeldomein Slotendries te Oostakker.
Sinds de officële inwijding in 1873 waren park en Mariagrot opengesteld voor het gelovige publiek. Op 7 april 1875 gebeurde er een mirakel. Petrus de Rudder, die al acht jaar met zijn gebroken been sukkelde, kreeg genezing op voorspraak van Maria. De aantrekkingskracht van het Lourdes van het Noorden groeide razendsnel. In 1905 waren er al 120.000 bezoekers. 1958 was een hoogtepunt, met 140.000 bedevaarders.
Voor het antiklerikale kamp in de stad Gent stond Oostakker-Lourdes van meet af aan symbool voor de uitbouw van de katholieke zuil. Dit leidde tot een hevige polemiek met de Gentse liberalen in de schoolstrijd van de jaren 70 van de 19de eeuw. Als een soort tegenzet tegen de neutrale stadsscholen werd net Oostakker-Lourdes uitgebouwd tot een bastion van het katholiek onderwijs in de provincie.
De meimaand was (en is nog steeds) het jaarlijkse hoogtepunt voor Oostakker-Lourdes. Nog tot ca. 1970 kon men in de talrijke houten barakjes langs de Gentstraat kaarsen, paternosters, medailles, ex-votoís, bedevaartvaantjes en allerlei snuisterijen kopen. Er waren meerdere hotels en restaurants, waarvan er thans nog twee overblijven.
**********
****
Sint-Denijs-Westrem(Sint-Denijs-Westrem: vliegveld 1973)
Langzamerhand verdwijnt de herinnering aan het vliegveld van Sint-Denijs, thans de plaats van de Flanders Expo-hallen. Reeds in 1837 wezen fragmenten van Romeins vaatwerk op het archeologisch belang van deze site.
De opgravingen van de Vakgroep Archeologie van de Gentse Universiteit, bieden een beter inzicht in de aard van de nederzettingssporen: bewoning uit de late bronstijd en de vroege ijzertijd (ca. 1100-450 v. Chr.), een Romeinse nederzettingskern met grafveld uit de hoge Keizertijd (1ste-3de eeuw na Chr.) en een middeleeuwse boerderij (10de-13de eeuw).
De Romeinse nederzetting kwam tot bloei omstreeks '70 van onze tijdrekening. Dit gehucht of klein dorp telde in de 2de eeuw mogelijk zes tot acht boerderijen. De bewoners leefden voornamelijk van landbouw en veeteelt.
Bij de nederzetting hoorde een grote begraafplaats met brandrestengraven. De aanleg en de eerder arme graven getuigen van een weinig sociaal gedifferentieerde bevolking. Maar ook de oudere bodemvondsten mogen in deze context niet worden vergeten, bijvoorbeeld een mooi versierde bronzen lepelsonde uit de Romeinse tijd
**********
Zwijnaarde: het kasteel van Zwijnaarde
***
Kasteel van Zwijnaarde: Isabella van Oostenrijk 1526.
***
In 1526 is het kasteel van Zwijnaarde, het buitenverblijf van de abt van de Sint-Pietersabdij, het toneel van een menselijke tragedie. Isabella, de tweede zus van keizer Karel V en koningin van Noorwegen, Zweden en Denemarken, overlijdt er. Ze was uitgeput door vijf zwangerschappen op 25-jarige leeftijd.
De geschiedenis van het kasteel van Zwijnaarde is al even dramatisch dan die van Isabella. Het imposante middeleeuwse waterkasteel wordt verwoest tijdens het calvinistisch bestuur in Gent tussen 1577 en 1584. In de zeventiende eeuw laat abt Joachim Arsenius Schaeyck het heropbouwen.
Nadat de Franse regering het gebouw in 1797 openbaar verkoopt, komt het in bezit van de familie della Faille d'Huysse, die het omstreeks 1836 laat verbouwen in neoclassicistische stijl. Maar in het oorlogsgeweld van de Eerste Wereldoorlog wordt het kasteel opnieuw verwoest. Ook nu laat de familie della Faille het kasteel heroptrekken. In 1922 kunnen de eigenaars het nieuwe kasteel in gebruik nemen. Nu is het een gebouw geconcipieerd in neorococostijl.
Vier kastelen werden in Zwijnaarde telkens op dezelfde grondvesten gebouwd, telkens opnieuw waren ze doordrongen van de besognes van de elite van hun tijd. Stadsgedichten van rijke mensen
*******
Ledeberg: de ajuinmarkt.
Ledeberg: Ajuinmarkt omstreeks 1946.
Sinds zowat 1600 is Ledeberg bekend om de jaarlijkse ajuinmarkt. Van heinde en ver kwamen boeren en landlieden naar Ledeberg om er ajuinen, uien, in trossen of per gewicht aan de man te brengen. Stilaan verloor de markt haar aantrekkelijkheid. Een vernieuwd programma, met klemtoon op andere kermis- en feestattracties, zorgde voor een heropleving van de ajuinmarkt vanaf 1924-1925.
Niet alleen in Ledeberg werden er uien aan de man gebracht. Al in de Middeleeuwen geschiedde dit op verschillende plaatsen in Gent. De uien die in Ledeberg op de markt werden aangeboden, kwamen voornamelijk uit de omgeving van Aalst en Ninove.
Sinds mensenheugenis is de ui een vast ingrediënt van elke moestuin. Het is een eeuwenoude cultuurplant. Het voedsel bevindt zich in de vlezige, bladgroenloze bladeren of bolrokken. In oude recepten worden ze rokkenbollen genoemd.
Kenmerkend is ook de indringende geur die tot tranen beweegt, te wijten aan zwavelverbindingen in de samenstelling van de plant. Tal van recepten schrijven het gebruik van ui voor als groente of als hoofdbestanddeel van bijvoorbeeld uiensoep en uiensaus.
**********
Gentbrugge: het tuinbouwbedrijf Louis Van Houtte.

Gentbrugge: Louis Van Houtte in Zuid-Amerka omstreeks 1847
Na enkele jaren praktijkervaring in Frankrijk en na een expeditie in Brazilië vestigde Louis Van Houtte zich in 1839 in Gentbrugge. Hij richtte er in vennootschap met de boomkweker Adolf Papeleu (1811-1859) een horticultuurbedrijf op.
Van Houttes kennis van de plantkunde, gecombineerd met durf, ondernemingszin, commerciële ingesteldheid en een flinke talenkennis, zorgden ervoor dat met hem een progressieve generatie tuinbouwers naar voren trad. Niet enkel zijn opmerkelijke bedrijfscatalogen, maar ook de door hem uitgegeven imposante reeks La flore des serres et jardins de l'Europe, droegen bij tot zijn faam.
Omstreeks 1870 bezat Louis Van Houtte op een oppervlakte van 14 ha het mooiste en meest florissante bedrijf van het land met vijftig serres en honderden ramen. Er was zelfs een school, waar toekomstige hofbouwers hun opleiding kregen. Befaamd was de Victoria regia-serre, waarin voor het eerst op het Europese continent deze exotische waterplant uit het Amazone-gebied werd gekweekt.
Sinds 1854 onafgebroken burgemeester van Gentbrugge, overleed Louis Van Houtte in 1876. Zijn zoon zette het familiebedrijf verder, maar vormde het in 1889 om tot een naamloze vennootschap. Na de Eerste Wereldoorlog week het bedrijf uit naar de Pinte. De vroegere bedrijfsgronden werden ingenomen door het metaalconstructiebedrijf ARBED
****************
Sint-Amandsberg: de negenmeimarkt
***

Sint-Amandsberg: negenmeimarkt 1982.
Elk jaar nog is de Antwerpsesteenweg in Sint-Amandsberg het centrum van de negenmeimarkt. De oorsprong ervan is terug te voeren tot de 11de eeuw, tot een wijdingsfeest in de Sint-Baafsabdij. Aanvankelijk was dit in het Sint-Baafsdorp, nabij de Heilig-Kerstkerk of de parochiekerk van de leefgemeenschap bij de Sint-Baafsabdij.
Toen keizer Karel V de Gentse rebellie in het jaar 1540 aan banden legde, maakten de Sint-Baafsabdij en het dorp plaats voor de aanleg van het Castrum Novum, het latere Spanjaardenkasteel.
De negenmeimarkt bleef bestaan, maar verhuisde naar de omgeving van de Antwerpsesteenweg. Een centraal gegeven bij de organisatie van de negenmeimarkt is de paardenmarkt.
Domien Ingels (1881-1946) die onder meer belast was met de uitvoering van het Ros Beiaard voor de Wereldtentoonstelling van 1913, tekende heel wat paarden. Op 2 september 1930 kocht de gemeente Sint-Amandsberg het schilderij De Paardenmarkt van hem. Het kreeg een ereplaats in het gemeentehuis en fungeerde jaren als symbool voor de eeuwenoude negenmeimarkt
**************
Oostakker: Lourdes
****
Oostakker: Lourdes 1913.
Sinds omstreeks 1850 kende de Mariaverering in heel de katholieke wereld een spectaculaire opbloei. Het Pyreneeënstadje Lourdes werd de drukst bezochte Mariabedevaartplaats ter wereld. Overal werden grotjes van Lourdes gebouwd. Dat deed in 1870 ook markiezin Marie-Thérèse de Courtebourne in haar kasteeldomein Slotendries te Oostakker.
Sinds de officële inwijding in 1873 waren park en Mariagrot opengesteld voor het gelovige publiek. Op 7 april 1875 gebeurde er een mirakel. Petrus de Rudder, die al acht jaar met zijn gebroken been sukkelde, kreeg genezing op voorspraak van Maria. De aantrekkingskracht van het Lourdes van het Noorden groeide razendsnel. In 1905 waren er al 120.000 bezoekers. 1958 was een hoogtepunt, met 140.000 bedevaarders.
Voor het antiklerikale kamp in de stad Gent stond Oostakker-Lourdes van meet af aan symbool voor de uitbouw van de katholieke zuil. Dit leidde tot een hevige polemiek met de Gentse liberalen in de schoolstrijd van de jaren 70 van de 19de eeuw. Als een soort tegenzet tegen de neutrale stadsscholen werd net Oostakker-Lourdes uitgebouwd tot een bastion van het katholiek onderwijs in de provincie.
De meimaand was (en is nog steeds) het jaarlijkse hoogtepunt voor Oostakker-Lourdes. Nog tot ca. 1970 kon men in de talrijke houten barakjes langs de Gentstraat kaarsen, paternosters, medailles, ex-votoís, bedevaartvaantjes en allerlei snuisterijen kopen. Er waren meerdere hotels en restaurants, waarvan er thans nog twee overblijven.
**********
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Achtersikkel en Grote Sikkel.
***
De Grote Sikkel, op de hoek van de Biezekapelstraat en de Hoogpoort, is opgetrokken uit Doornikse kalksteen en dateert volgens archiefstukken uit 1481. Op het einde van de 19de eeuw kocht de stad Gent dit gebouw samen met het naastgelegen pand, de Zwarte Moor, om er het muziekconservatorium in onder te brengen.
Om dit bouwprogramma te verwezenlijken ging men nogal drastisch te werk: alles wat niet uit de Middeleeuwen of de Renaissance dateerde verdween onder de sloophamer. Een deel van het complex van de Sikkel en de Zwarte Moor werd afgebroken om een grote zaal voor zeshonderd personen te bouwen. Een aantal klaslokalen werd ondergebracht in de bestaande kamers van de oude gebouwen en hun bijgebouwen.
De Achtersikkel vormde samen met de Grote en de Kleine Sikkel een complex geheel. Het was eeuwenlang eigendom van de patriciërsfamilie vander Sickelen, die zowel in de grafelijke ambtenarij als op politiek vlak haar sporen had verdiend. Rondom het binnenpleintje in de Biezekapelstraat staan gebouwen uit diverse bouwperiodes. Ze zijn uit diverse materialen opgetrokken. Het kleine bakstenen hoektorentje behoort tot het oudste gedeelte. Vooral de oostvleugel is merkwaardig met zijn opengewerkte 16de-eeuwse arcade. De 15de-eeuwse toren uit kalkzandsteen met de aanpalende kapel wordt bekroond door een prachtige achthoekige stenen belvédère in Renaissancestijl, gebouwd rond 1566.
Bij de verbouwing tot muziekconservatorium werd langs de zuidwestzijde van het vrijgekomen pleintje na afbraak van het zg. "Huis Goetghebuer" een nieuwe vleugel opgetrokken in dezelfde stijl. Het ontwerp is van Charles Van Rysselberghe.
*******
***
De Grote Sikkel, op de hoek van de Biezekapelstraat en de Hoogpoort, is opgetrokken uit Doornikse kalksteen en dateert volgens archiefstukken uit 1481. Op het einde van de 19de eeuw kocht de stad Gent dit gebouw samen met het naastgelegen pand, de Zwarte Moor, om er het muziekconservatorium in onder te brengen.
Om dit bouwprogramma te verwezenlijken ging men nogal drastisch te werk: alles wat niet uit de Middeleeuwen of de Renaissance dateerde verdween onder de sloophamer. Een deel van het complex van de Sikkel en de Zwarte Moor werd afgebroken om een grote zaal voor zeshonderd personen te bouwen. Een aantal klaslokalen werd ondergebracht in de bestaande kamers van de oude gebouwen en hun bijgebouwen.
De Achtersikkel vormde samen met de Grote en de Kleine Sikkel een complex geheel. Het was eeuwenlang eigendom van de patriciërsfamilie vander Sickelen, die zowel in de grafelijke ambtenarij als op politiek vlak haar sporen had verdiend. Rondom het binnenpleintje in de Biezekapelstraat staan gebouwen uit diverse bouwperiodes. Ze zijn uit diverse materialen opgetrokken. Het kleine bakstenen hoektorentje behoort tot het oudste gedeelte. Vooral de oostvleugel is merkwaardig met zijn opengewerkte 16de-eeuwse arcade. De 15de-eeuwse toren uit kalkzandsteen met de aanpalende kapel wordt bekroond door een prachtige achthoekige stenen belvédère in Renaissancestijl, gebouwd rond 1566.
Bij de verbouwing tot muziekconservatorium werd langs de zuidwestzijde van het vrijgekomen pleintje na afbraak van het zg. "Huis Goetghebuer" een nieuwe vleugel opgetrokken in dezelfde stijl. Het ontwerp is van Charles Van Rysselberghe.
*******
Laatst gewijzigd door majke op 15 dec 2005, 15:02, 1 keer totaal gewijzigd.
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Hôtel van Oombergen
***
Op de plaats van de patriciërswoning van de familie Damman en in het perspectief van de Kammerstraat bouwde de Gentse bouwmeester David ‘t Kindt in de 18de eeuw een prachtig pand in rococostijl. Het is een opmerkelijk voorbeeld van een 18de-eeuwse herenhuis met een volledige natuurstenen voorgevel
De hoger opgetrokken middenpartij van de gevel heeft een mansardedak waarop een wereldbol prijkt. Siermotieven zoals rocailles, gebogen frontons, putti rondom de oculi en het fijn uitgewerkt smeedijzeren balkon zijn kenmerkend voor de rococostijl. Het versieren van de vensterdorpels met draperingen is typisch voor de bouwstijl van ‘t Kindt.
Op het einde van de 19de eeuw werd het huis openbaar geveild. De Belgische regering kocht het en sedertdien doet het dienst als zetel van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. In 1906 werd het geheel grondig gerenoveerd en uitgebreid met o.m. een vergaderzaal en een bibliotheek.

Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.
*****
De Aula Academica
***
In 1816 werd Gent bij Koninklijk Besluit verkozen tot vestigingsplaats voor een hogeschool. Het stadsbestuur wilde ook een feestgebouw oprichten voor het houden van officiële plechtigheden : de Aula Academica.
Op 4 augustus 1819 werd in naam van koning Willem I de eerste steen gelegd, op de plaats waar het jezuïetenklooster had gestaan. Het gebouw was een ontwerp van bouwmeester Louis Roelandt en werd in 1826 ingehuldigd. De monumentale gevel in de Voldersstraat is opgevat als een antiek gevelfront met zuilengang.
Het peristilium bestaat uit acht arduinen kolommen met Corinthisch kapiteel en wordt bekroond door een driehoekig fronton. De geveldecoratie is veel soberder dan aanvankelijk de bedoeling was. De enige decoratie bestaat uit een fries met Latijns opschrift dat herinnert aan de bouw van de universiteit door Willem I
Een ruime ontvangsthal sluit aan op het peristilium. De eretrap achterin de ontvangsthal leidt naar de academieraadzaal.
*****
Kinderen Alijnshospitaal (Huis van Alijn)

Het ontstaan van het Kinderen Alijnsgodshuis is het gevolg van een vete tussen de patriciërsfamilies Rijm en Alijn. Na de laffe moord op Hendrik en Zeger Alijn kreeg de familie Rijm genade op voorwaarde dat ze een godshuis en een kapel zou stichten op grond geschonken door de Alijns. De stichtingsakte (1363) bepaalde dat dit hospitaal arme lieden een onderkomen moest verschaffen en alle werken van christelijke barmhartigheid beoefenen.

Huis van Alijn.
In kleine huisjes omheen een centrale binnenkoer vonden arme en bejaarde personen onderdak. In het begin van de 16de eeuw liet de bestuurder van het godshuis de woningen op eigen kosten herstellen en werden er nog acht nieuwe huisjes bijgebouwd. In 1534 werd de eerste steen gelegd voor de nieuwe kapel in laatgotische stijl. De zaal erboven is in renaissancestijl opgetrokken.
Tot het midden van de 18de eeuw diende het hospitaal tot woonplaats voor oude vrouwen. Nadien werden hier arbeidersgezinnen gehuisvest. In 1941 kwam het voormalige hospitaal in handen van de stad Gent. Sinds 1962 herbergen de huisjes het museum voor Volkskunde.

**********

****
mogen verder
***
Op de plaats van de patriciërswoning van de familie Damman en in het perspectief van de Kammerstraat bouwde de Gentse bouwmeester David ‘t Kindt in de 18de eeuw een prachtig pand in rococostijl. Het is een opmerkelijk voorbeeld van een 18de-eeuwse herenhuis met een volledige natuurstenen voorgevel
De hoger opgetrokken middenpartij van de gevel heeft een mansardedak waarop een wereldbol prijkt. Siermotieven zoals rocailles, gebogen frontons, putti rondom de oculi en het fijn uitgewerkt smeedijzeren balkon zijn kenmerkend voor de rococostijl. Het versieren van de vensterdorpels met draperingen is typisch voor de bouwstijl van ‘t Kindt.
Op het einde van de 19de eeuw werd het huis openbaar geveild. De Belgische regering kocht het en sedertdien doet het dienst als zetel van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. In 1906 werd het geheel grondig gerenoveerd en uitgebreid met o.m. een vergaderzaal en een bibliotheek.
Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.
*****
De Aula Academica
***
In 1816 werd Gent bij Koninklijk Besluit verkozen tot vestigingsplaats voor een hogeschool. Het stadsbestuur wilde ook een feestgebouw oprichten voor het houden van officiële plechtigheden : de Aula Academica.
Op 4 augustus 1819 werd in naam van koning Willem I de eerste steen gelegd, op de plaats waar het jezuïetenklooster had gestaan. Het gebouw was een ontwerp van bouwmeester Louis Roelandt en werd in 1826 ingehuldigd. De monumentale gevel in de Voldersstraat is opgevat als een antiek gevelfront met zuilengang.
Het peristilium bestaat uit acht arduinen kolommen met Corinthisch kapiteel en wordt bekroond door een driehoekig fronton. De geveldecoratie is veel soberder dan aanvankelijk de bedoeling was. De enige decoratie bestaat uit een fries met Latijns opschrift dat herinnert aan de bouw van de universiteit door Willem I
Een ruime ontvangsthal sluit aan op het peristilium. De eretrap achterin de ontvangsthal leidt naar de academieraadzaal.
*****
Kinderen Alijnshospitaal (Huis van Alijn)

Het ontstaan van het Kinderen Alijnsgodshuis is het gevolg van een vete tussen de patriciërsfamilies Rijm en Alijn. Na de laffe moord op Hendrik en Zeger Alijn kreeg de familie Rijm genade op voorwaarde dat ze een godshuis en een kapel zou stichten op grond geschonken door de Alijns. De stichtingsakte (1363) bepaalde dat dit hospitaal arme lieden een onderkomen moest verschaffen en alle werken van christelijke barmhartigheid beoefenen.

Huis van Alijn.
In kleine huisjes omheen een centrale binnenkoer vonden arme en bejaarde personen onderdak. In het begin van de 16de eeuw liet de bestuurder van het godshuis de woningen op eigen kosten herstellen en werden er nog acht nieuwe huisjes bijgebouwd. In 1534 werd de eerste steen gelegd voor de nieuwe kapel in laatgotische stijl. De zaal erboven is in renaissancestijl opgetrokken.
Tot het midden van de 18de eeuw diende het hospitaal tot woonplaats voor oude vrouwen. Nadien werden hier arbeidersgezinnen gehuisvest. In 1941 kwam het voormalige hospitaal in handen van de stad Gent. Sinds 1962 herbergen de huisjes het museum voor Volkskunde.

**********

****
mogen verder
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Kleine Sikkel

Het imposante gebouw op de hoek van de Nederpolder en de Biezekapelstraat staat bekend als de Kleine Sikkel en dateert uit het begin van de 13de eeuw. Het huidige uitzicht is het resultaat van een restauratie van 1912. De voorgevel is een brede gekanteelde schermgevel uit Doornikse kalksteen die typisch is voor de eerste stenen woonhuizen in de stad.

Geprofileerde lijsten onder en boven de vensters beklemtonen de horizontale lijnvoering. De dichtgemaakte toegang van de Kleine Sikkel is overdekt met een spitse ontlastingsboog. In het blinde boogveld prijkt een wapenschild met drie sikkels, een verwijzing naar de familie vander Sickelen.

De overwelfde kelder op Romaanse zuilen is het enige resterende onderdeel uit de 13de eeuw. Vóór de restauratie van 1912 zag de voorgevel eruit als een typisch 19de-eeuwse bepleisterde en witgeschilderde lijstgevel.

****************
Begijnhof ter Hoye
***
.
In 1234, kort na het Elisabeth- of Groot Begijnhof werd het Begijnhof O.-L.-Vrouw ter Hoye of Klein Begijnhof gesticht op de Groene Hoye, tussen de Hooipoort en de Vijfwindgatenpoort. De oprichting gebeurde op last van Johanna en Margaretha van Constantinopel, gravinnen van Vlaanderen. Het begijnhof verleende onderdak aan begijnen afkomstig uit de kleine verarmde adel, de burgerij en de rijkere landbouwersfamilies. Aanvankelijk hing het begijnhof af van de Sint-Jansparochie maar in het derde kwart van de 14de eeuw verwierf het volledige parochiale rechten.

Al in 1281 was het Klein Begijnhof volledig ommuurd, met uitzondering van de oostzijde waar de Nederschelde een natuurlijke grens vormde. In het zuiden paalde het begijnhof aan de stadswal en de torens van de zogenoemde derde stadsomwalling. De hoofdtoegang bevindt zich nog altijd in de muur die het begijnhof langs de Lange Violettestraat afsluit (westzijde).

O.-L.-Vrouw ter Hoye is een typisch stadsbegijnhof. De kerk en de weide (voormalig kerkhof) liggen centraal. Daaromheen bevinden zich de huizen en de conventen. Aan de noordzijde completeert een smal straatje het geheel. Het grasveld van de binnenplaats is omzoomd door koningslinde en haagbeuk en heeft een ijzeren hekwerk als afsluiting.
************
morgen verder
Het imposante gebouw op de hoek van de Nederpolder en de Biezekapelstraat staat bekend als de Kleine Sikkel en dateert uit het begin van de 13de eeuw. Het huidige uitzicht is het resultaat van een restauratie van 1912. De voorgevel is een brede gekanteelde schermgevel uit Doornikse kalksteen die typisch is voor de eerste stenen woonhuizen in de stad.
Geprofileerde lijsten onder en boven de vensters beklemtonen de horizontale lijnvoering. De dichtgemaakte toegang van de Kleine Sikkel is overdekt met een spitse ontlastingsboog. In het blinde boogveld prijkt een wapenschild met drie sikkels, een verwijzing naar de familie vander Sickelen.
De overwelfde kelder op Romaanse zuilen is het enige resterende onderdeel uit de 13de eeuw. Vóór de restauratie van 1912 zag de voorgevel eruit als een typisch 19de-eeuwse bepleisterde en witgeschilderde lijstgevel.
****************
Begijnhof ter Hoye
***
.In 1234, kort na het Elisabeth- of Groot Begijnhof werd het Begijnhof O.-L.-Vrouw ter Hoye of Klein Begijnhof gesticht op de Groene Hoye, tussen de Hooipoort en de Vijfwindgatenpoort. De oprichting gebeurde op last van Johanna en Margaretha van Constantinopel, gravinnen van Vlaanderen. Het begijnhof verleende onderdak aan begijnen afkomstig uit de kleine verarmde adel, de burgerij en de rijkere landbouwersfamilies. Aanvankelijk hing het begijnhof af van de Sint-Jansparochie maar in het derde kwart van de 14de eeuw verwierf het volledige parochiale rechten.

Al in 1281 was het Klein Begijnhof volledig ommuurd, met uitzondering van de oostzijde waar de Nederschelde een natuurlijke grens vormde. In het zuiden paalde het begijnhof aan de stadswal en de torens van de zogenoemde derde stadsomwalling. De hoofdtoegang bevindt zich nog altijd in de muur die het begijnhof langs de Lange Violettestraat afsluit (westzijde).

O.-L.-Vrouw ter Hoye is een typisch stadsbegijnhof. De kerk en de weide (voormalig kerkhof) liggen centraal. Daaromheen bevinden zich de huizen en de conventen. Aan de noordzijde completeert een smal straatje het geheel. Het grasveld van de binnenplaats is omzoomd door koningslinde en haagbeuk en heeft een ijzeren hekwerk als afsluiting.
************
morgen verder
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
De Vismijn
****

De monumentale toegangspoort van de Vismijn dateert van 1689-1690 en mag voor die tijd terecht een waagstuk worden genoemd. Het barokke pronkstuk, naar een ontwerp van Adriaan Van der Linden, domineert het Sint-Veerleplein.

De ingangspartij bestaat uit een centrale rondboogpoort begrensd door Ionische zuilen in bossage, met een waaiervormig bovenlicht. Het middenrisaliet is hoger opgetrokken en wordt bekroond door Neptunus op een schelp, getrokken door twee gevleugelde paarden die de zee symboliseren.
Boven de zij-ingangen worden de Leie (vrouw) en de Schelde (man) op allegorische wijze voorgesteld. Zij vervangen twee identieke stenen meermannen die door een hevige brand in 1872 verwoest werden. Bij dit bouwwerk ligt het accent op de sculpturale versiering die aan verschillende beeldhouwers wordt toegeschreven.
Na de brand werd het gebouw hersteld en vergroot met twee gevels en kwam er een bijkomende nieuwe toegang in de Rekelingestraat.
Hierlangs kon de overdekte vis- en vleesmarkt worden bereikt. Deze gevels zijn reconstructies van gotische en traditionele bak- en zandsteenarchitectuur ter vervanging van de bepleisterde 19de-eeuwse gevels. De onderhandelingen voor een nieuwe bestemming zijn aan de gang.
********************
Het Pand.
****
Functie : cultureel centrum + wetenschappelijk musea.
De naam 'Het Pand' verwijst naar het volledig gerestaureerde klooster van de dominicanen. In de 13de eeuw kreeg de dominicanenorde door toedoen van de graven van Vlaanderen het inmiddels te klein geworden Utenhove-hospitaal naast de Sint-Michielskerk toegewezen. Hierop volgde een ware bouwwoede. Met de bouw van de kerk werd in 1240 gestart. In de eerste helft van de 14de eeuw lieten de paters de Leievleugel optrekken.
De pandgangen die de binnentuin omsluiten en de bibliotheekvleugel dateren uit de 15de eeuw. In 1566 werd het klooster door de calvinisten geplunderd tijdens de beeldenstorm. Ontelbare boeken werden gescheurd of in de Leie gegooid terwijl de paters op de vlucht sloegen. Toen de godsdiensttroebelen achter de rug waren, vestigden de dominicanen zich opnieuw in Onderbergen en voerden ze verschillende herstellingen en verbouwingen uit. In 1796 sloot en verkocht de Franse bezetter het klooster.
In 1860 werd de kerk gesloopt en ontstond de huidige Jacobijnenstraat.
In de 19de eeuw maakte de eigenaar dankbaar gebruik van de woningnood - een gevolg van de groeiende industrialisatie - en splitste het pand op in een 200-tal kamerwoningen
De binnentuinen maakten plaats voor werk- en opslagplaatsen. Het prestigieuze klooster degradeerde tot een verkrotte woonkazerne en werd na W.O. II onbewoonbaar verklaard.
De Universiteit Gent kocht het pand in 1963 en bracht er een cultureel centrum en enkele wetenschappelijke musea in onder.
********************
****

De monumentale toegangspoort van de Vismijn dateert van 1689-1690 en mag voor die tijd terecht een waagstuk worden genoemd. Het barokke pronkstuk, naar een ontwerp van Adriaan Van der Linden, domineert het Sint-Veerleplein.

De ingangspartij bestaat uit een centrale rondboogpoort begrensd door Ionische zuilen in bossage, met een waaiervormig bovenlicht. Het middenrisaliet is hoger opgetrokken en wordt bekroond door Neptunus op een schelp, getrokken door twee gevleugelde paarden die de zee symboliseren.
Boven de zij-ingangen worden de Leie (vrouw) en de Schelde (man) op allegorische wijze voorgesteld. Zij vervangen twee identieke stenen meermannen die door een hevige brand in 1872 verwoest werden. Bij dit bouwwerk ligt het accent op de sculpturale versiering die aan verschillende beeldhouwers wordt toegeschreven.
Na de brand werd het gebouw hersteld en vergroot met twee gevels en kwam er een bijkomende nieuwe toegang in de Rekelingestraat.
Hierlangs kon de overdekte vis- en vleesmarkt worden bereikt. Deze gevels zijn reconstructies van gotische en traditionele bak- en zandsteenarchitectuur ter vervanging van de bepleisterde 19de-eeuwse gevels. De onderhandelingen voor een nieuwe bestemming zijn aan de gang.
********************
Het Pand.
****
Functie : cultureel centrum + wetenschappelijk musea.
De naam 'Het Pand' verwijst naar het volledig gerestaureerde klooster van de dominicanen. In de 13de eeuw kreeg de dominicanenorde door toedoen van de graven van Vlaanderen het inmiddels te klein geworden Utenhove-hospitaal naast de Sint-Michielskerk toegewezen. Hierop volgde een ware bouwwoede. Met de bouw van de kerk werd in 1240 gestart. In de eerste helft van de 14de eeuw lieten de paters de Leievleugel optrekken.
De pandgangen die de binnentuin omsluiten en de bibliotheekvleugel dateren uit de 15de eeuw. In 1566 werd het klooster door de calvinisten geplunderd tijdens de beeldenstorm. Ontelbare boeken werden gescheurd of in de Leie gegooid terwijl de paters op de vlucht sloegen. Toen de godsdiensttroebelen achter de rug waren, vestigden de dominicanen zich opnieuw in Onderbergen en voerden ze verschillende herstellingen en verbouwingen uit. In 1796 sloot en verkocht de Franse bezetter het klooster.
In 1860 werd de kerk gesloopt en ontstond de huidige Jacobijnenstraat.
In de 19de eeuw maakte de eigenaar dankbaar gebruik van de woningnood - een gevolg van de groeiende industrialisatie - en splitste het pand op in een 200-tal kamerwoningen
De binnentuinen maakten plaats voor werk- en opslagplaatsen. Het prestigieuze klooster degradeerde tot een verkrotte woonkazerne en werd na W.O. II onbewoonbaar verklaard.
De Universiteit Gent kocht het pand in 1963 en bracht er een cultureel centrum en enkele wetenschappelijke musea in onder.
********************
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
H e t G ro o t V l e e s h u i s
**************************
Het Groot Vleeshuis werd gebouwd tussen 1407 en 1419 naar een ontwerp van Gillis De Suttere. Vleeshuizen waren overdekte marktplaatsen waar de verkoop gecentraliseerd werd om toezicht te houden op de versheid en de kwaliteit van het vlees. De verkoop thuis was verboden. Tegen de zuidoostgevel van het Groot Vleeshuis werden in 1542-1543 penshuisjes aangebouwd. Om hygiënische redenen moesten ingewanden, darmvet en andere resten van slachtdieren in deze afzonderlijke winkeltjes worden verkocht.
Het Groot Vleeshuis heeft een merkwaardig en prachtig houten gebinte. In 1446-1448 werd in het gebouw een kapel met drie grote spitsboogramen opgetrokken. De kapel heeft een 15de-eeuwse muurschildering die de Aanbidding voorstelt.
Vanaf het einde van de 19de eeuw mocht het vlees ook thuis worden verkocht. Het Groot Vleeshuis kreeg diverse nieuwe bestemmingen; het werd achtereenvolgens een postkantoor, een opslagplaats, een tentoonstellingsruimte en een feestzaal. De ruimte wordt nu gebruikt als promotiecentrum voor Oost-Vlaamse streekproducten
******
nu
*****************************************
Kunstencentrum Vooruit.
*******************

Het Feestpaleis van de socialistische arbeidersbeweging werd tussen 1911 en 1914 opgetrokken naar de plannen van architect Ferdinand Dierkens.
Hij maakte van het niveauverschil van twaalf meter naar de Schelde gebruik om het gebouw in twee afzonderlijke constructies op te delen en de theaterzaal en de cinemazaal boven elkaar te bouwen.
Naast het overvloedig gebruik van nieuwe materialen en technieken zoals beton, metaal, glas maar ook kunststeen is het gebouw ook een merkwaardige getuige van het eclectisme. Tussen de twee wereldoorlogen in kende het Feestpaleis zijn hoogtepunt.
Het vormde het toneel van politieke meetings, bijeenkomsten van socialistische verenigingen en artistieke activiteiten.
Na de Tweede Wereldoorlog takelde het gebouw af en het raakte stilaan in onbruik. Omstreeks 1980 startte een dynamische ploeg met een nieuw kunstencentrum. Mede dank zij hun succes kwam de restauratie van het gebouw op kruissnelheid. De ontwerper is er wonderwel in geslaagd het gebouw zijn oorspronkelijke uitstraling terug te bezorgen.
Vandaag is het kunstencentrum internationaal erkend en staan zowel toneel, concerten als andere culturele manifestaties op het programma.
********************
Hof van Ryhove of Simon sRijkensteen
***************************

De oudste sporen van het gebouw dateren van het midden van de 12de eeuw. Wanneer in het begin van de 13de eeuw de Onderstraat fors werd opgehoogd, moest de bestaande bebouwing plaatsruimen voor een nieuw Steen.

Rondom de oude constructie verrees een nieuwe residentie, groter en machtiger. Aan de straatzijde kwam er een hoge, deels vrijstaande schildgevel met kantelen, die in de 16de eeuw werd afgebroken, wegens bouwvalligheid en verlies van symboolwaarde. De gevel aan de tuinzijde is een van de oudste trapgevels die Gent tot op heden bewaard heeft.

In 1371 was het Steen in het bezit van Simon de Rijke, een telg uit een patricisch geslacht dat zich had verrijkt door de lakennijverheid. Het grootste deel van de achterbouw, aan de westzijde, stamt nog uit de 14de eeuw en bevat zeldzame kunstwerkjes : op het gelijkvloers is er een schoorsteen met rudimentair mensenhoofd en op de verdieping zijn er muurschilderingen die waarschuwen tegen ontucht en echtbreuk.
Omstreeks 1518 werd het Steen omgevormd tot een luxueus hof. Het kwam in handen van de familie vander Kethulle, die in de 16de eeuw een belangrijke rol speelde in de Gentse politiek. Waar er oorspronkelijk slechts één grote ruimte was per verdieping, begon men die van de 15de eeuw af op te delen in zalen en kamers, welke door de reductie van drie naar twee verdiepingen een grootster aanblik en door de vergroting van de ramen meer lichtinval kregen.
In de 18de en 19de eeuw werden diverse interieurs aangepast aan de toen heersende stijl. De stad verwierf het pand in 1976. Thans huisvest het gerestaureerde pand verschillende stadsdiensten. Een scrupuleus behoud van de historische elementen gaat er samen met hedendaagse vormgeving.
****************************************
Het Simon Srijkensteen of hof van Ryhove
*************

*********
Geeraard de Duivelsteen
****
Het Geeraard de Duivelsteen, een burcht uit de 13de eeuw, is genoemd naar de bouwheer ridder Gheeraert Vilain, bijgenaamd de Duivel. Het steen bleef tot omstreeks 1328 eigendom van de familie. Daarna werd het verkocht aan de stad Gent.
Het gebouw heeft tal van bestemmingen gehad: ridderverblijf, wapenarsenaal, klooster, school en bisschoppelijk seminarie. In 1623 werd het een dolhuis voor krankzinnigen en een tehuis voor mannelijke wezen. Een ander deel van het gebouw werd gebruikt als gevangenis of tuchthuis.

Het Duivelsteen is een merkwaardig voorbeeld van een 13de-eeuwse feodale woonstede. De 13 grote spitsboogvensters verraden een drang naar wooncomfort en representatie, terwijl de dikke muren, de flankeertorentjes en de donjon wijzen op het defensieve karakter van het gebouw. Na een grondige restauratie van het gebouw op het einde van de 19de eeuw zijn hier sedert 1904 de rijksarchieven ondergebracht. Ook werd een haakse vleugel in neogotiek toegevoegd.

Het hoofdgebouw bestaat uit een crypte op kolommen met daarboven twee naast elkaar gelegen hallen van elk twee verdiepingen waarin de rijksarchieven zijn opgeslagen. Van het interieur dateert enkel de overwelfde begane grond uit de 13de eeuw. Toch werd ook deze ruimte ingrijpend gerestaureerd in 1891. De indrukwekkende ruimte wordt door drie rijen van vijf zware ronde zuilen met bladkapiteel in vier beuken verdeeld. Zij worden overspannen door kruisribgewelven van Doornikse steen en gewelfkappen in breuksteen.

***************
**************************
Het Groot Vleeshuis werd gebouwd tussen 1407 en 1419 naar een ontwerp van Gillis De Suttere. Vleeshuizen waren overdekte marktplaatsen waar de verkoop gecentraliseerd werd om toezicht te houden op de versheid en de kwaliteit van het vlees. De verkoop thuis was verboden. Tegen de zuidoostgevel van het Groot Vleeshuis werden in 1542-1543 penshuisjes aangebouwd. Om hygiënische redenen moesten ingewanden, darmvet en andere resten van slachtdieren in deze afzonderlijke winkeltjes worden verkocht.
Het Groot Vleeshuis heeft een merkwaardig en prachtig houten gebinte. In 1446-1448 werd in het gebouw een kapel met drie grote spitsboogramen opgetrokken. De kapel heeft een 15de-eeuwse muurschildering die de Aanbidding voorstelt.
Vanaf het einde van de 19de eeuw mocht het vlees ook thuis worden verkocht. Het Groot Vleeshuis kreeg diverse nieuwe bestemmingen; het werd achtereenvolgens een postkantoor, een opslagplaats, een tentoonstellingsruimte en een feestzaal. De ruimte wordt nu gebruikt als promotiecentrum voor Oost-Vlaamse streekproducten
******
nu
*****************************************
Kunstencentrum Vooruit.
*******************

Het Feestpaleis van de socialistische arbeidersbeweging werd tussen 1911 en 1914 opgetrokken naar de plannen van architect Ferdinand Dierkens.
Hij maakte van het niveauverschil van twaalf meter naar de Schelde gebruik om het gebouw in twee afzonderlijke constructies op te delen en de theaterzaal en de cinemazaal boven elkaar te bouwen.
Naast het overvloedig gebruik van nieuwe materialen en technieken zoals beton, metaal, glas maar ook kunststeen is het gebouw ook een merkwaardige getuige van het eclectisme. Tussen de twee wereldoorlogen in kende het Feestpaleis zijn hoogtepunt.
Het vormde het toneel van politieke meetings, bijeenkomsten van socialistische verenigingen en artistieke activiteiten.
Na de Tweede Wereldoorlog takelde het gebouw af en het raakte stilaan in onbruik. Omstreeks 1980 startte een dynamische ploeg met een nieuw kunstencentrum. Mede dank zij hun succes kwam de restauratie van het gebouw op kruissnelheid. De ontwerper is er wonderwel in geslaagd het gebouw zijn oorspronkelijke uitstraling terug te bezorgen.
Vandaag is het kunstencentrum internationaal erkend en staan zowel toneel, concerten als andere culturele manifestaties op het programma.
********************
Hof van Ryhove of Simon sRijkensteen
***************************

De oudste sporen van het gebouw dateren van het midden van de 12de eeuw. Wanneer in het begin van de 13de eeuw de Onderstraat fors werd opgehoogd, moest de bestaande bebouwing plaatsruimen voor een nieuw Steen.

Rondom de oude constructie verrees een nieuwe residentie, groter en machtiger. Aan de straatzijde kwam er een hoge, deels vrijstaande schildgevel met kantelen, die in de 16de eeuw werd afgebroken, wegens bouwvalligheid en verlies van symboolwaarde. De gevel aan de tuinzijde is een van de oudste trapgevels die Gent tot op heden bewaard heeft.

In 1371 was het Steen in het bezit van Simon de Rijke, een telg uit een patricisch geslacht dat zich had verrijkt door de lakennijverheid. Het grootste deel van de achterbouw, aan de westzijde, stamt nog uit de 14de eeuw en bevat zeldzame kunstwerkjes : op het gelijkvloers is er een schoorsteen met rudimentair mensenhoofd en op de verdieping zijn er muurschilderingen die waarschuwen tegen ontucht en echtbreuk.
Omstreeks 1518 werd het Steen omgevormd tot een luxueus hof. Het kwam in handen van de familie vander Kethulle, die in de 16de eeuw een belangrijke rol speelde in de Gentse politiek. Waar er oorspronkelijk slechts één grote ruimte was per verdieping, begon men die van de 15de eeuw af op te delen in zalen en kamers, welke door de reductie van drie naar twee verdiepingen een grootster aanblik en door de vergroting van de ramen meer lichtinval kregen.
In de 18de en 19de eeuw werden diverse interieurs aangepast aan de toen heersende stijl. De stad verwierf het pand in 1976. Thans huisvest het gerestaureerde pand verschillende stadsdiensten. Een scrupuleus behoud van de historische elementen gaat er samen met hedendaagse vormgeving.
****************************************
Het Simon Srijkensteen of hof van Ryhove
*************

*********
Geeraard de Duivelsteen
****
Het Geeraard de Duivelsteen, een burcht uit de 13de eeuw, is genoemd naar de bouwheer ridder Gheeraert Vilain, bijgenaamd de Duivel. Het steen bleef tot omstreeks 1328 eigendom van de familie. Daarna werd het verkocht aan de stad Gent.
Het gebouw heeft tal van bestemmingen gehad: ridderverblijf, wapenarsenaal, klooster, school en bisschoppelijk seminarie. In 1623 werd het een dolhuis voor krankzinnigen en een tehuis voor mannelijke wezen. Een ander deel van het gebouw werd gebruikt als gevangenis of tuchthuis.

Het Duivelsteen is een merkwaardig voorbeeld van een 13de-eeuwse feodale woonstede. De 13 grote spitsboogvensters verraden een drang naar wooncomfort en representatie, terwijl de dikke muren, de flankeertorentjes en de donjon wijzen op het defensieve karakter van het gebouw. Na een grondige restauratie van het gebouw op het einde van de 19de eeuw zijn hier sedert 1904 de rijksarchieven ondergebracht. Ook werd een haakse vleugel in neogotiek toegevoegd.
Het hoofdgebouw bestaat uit een crypte op kolommen met daarboven twee naast elkaar gelegen hallen van elk twee verdiepingen waarin de rijksarchieven zijn opgeslagen. Van het interieur dateert enkel de overwelfde begane grond uit de 13de eeuw. Toch werd ook deze ruimte ingrijpend gerestaureerd in 1891. De indrukwekkende ruimte wordt door drie rijen van vijf zware ronde zuilen met bladkapiteel in vier beuken verdeeld. Zij worden overspannen door kruisribgewelven van Doornikse steen en gewelfkappen in breuksteen.

***************
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Het Rabot
***
Het gebouw is opgetrokken op de plaats waar de Lieve de stadsgracht kruiste. De omgeving was een zwakke plek in de stadsverdediging. In 1488 maakten Maximiliaan Van Oostenrijk en zijn vader hiervan gebruik om Gent in te nemen

Na 40 dagen beleg moest het keizerlijk leger de aftocht blazen. Daarop besloot het stadsbestuur een versterking te bouwen met twee torens die tevens dienst deed als keersluis op de Lieve. Vandaar de naam 'rabot', een verbastering van het Franse rabattre (neerslaan), wat duidt op het neerlaten van de balken in het water.
De bouwwerken startten in 1489 en werden in 1491 beëindigd.
De twee torens met prachtig dakgebinte flankeren een middengebouw dat over het water is opgericht.
Als stadsversterking verloor het Rabot stilaan zijn betekenis. Het werd achtereenvolgens gebruikt als kruitmagazijn, ijskelder en gebouw voor het innen van stedelijke oktrooirechten.

In 1860 werd een deel van het Rabot gesloopt om de doorgang over de Lieve te verbreden. Recent werd het gebouw gerestaureerd en het kreeg een culturele bestemming

***************

****************************
Groot Begijnhof Sint-Amandsberg
****

Het Groot Begijnhof te Sint-Amandsberg is ontstaan als gevolg van de grote moeilijkheden die het Sint-Elisabethbegijnhof ondervond met de Commissie der Burgerlijke Godshuizen van de stad Gent. Het Sint-Elisabethbegijnhof lag op een plek die zich zeer goed tot stadsuitbreiding leende en in de tweede helft van de 19de eeuw werd de druk van de uitdeinende bevolking op dit begijnhof alsmaar groter.

De stedelijke overheid werkte urbanisatieplannen uit waardoor het Sint-Elisabethbegijnhof zijn gesloten karakter verloor. De grachten werden gedempt en er werden nieuwe straten getrokken, waaronder de Rabotstraat, de Hector Van Wittenberghestraat en de Jan Verspeyenstraat. Maar de voortdurende problemen met het stadsbestuur vormden een belemmering voor het normale religieuze leven op het begijnhof. Er restte slechts één uitweg: elders herbeginnen, los van de stedelijke bemoeienissen


Een geldschieter werd gevonden in de hertog van Arenberg, die voordien al de problemen van de begijnen van ter Hoye had opgelost. Op de Sint-Baafskouter kocht hij een stuk grond van 8 hectare. Begin 1873 werd begonnen met de bouw van het begijnhof. Het ontwerp was van architect Arthur Verhaegen die het begijnhof opvatte als een middeleeuwse ommuurde stad. Hij werd geïnspireerd door de zogenoemde Vlaamse gotische stijl van de 15de eeuw, waarbij de Brugse architectuur duidelijk als voorbeeld diende.

In minder dan twee jaar slaagde men erin rondom drie pleinen en langs acht straten tachtig huizen, veertien conventen, een groothuis, een infirmerie, een kapel van Sint-Antonius van Padua en een kerk te bouwen.

De kerk is een ontwerp van Jean-Baptiste Bethune. De verhuis van het oude naar het nieuwe begijnhof had plaats in de loop van september 1874. Het nieuwe begijnhof kon een zeshonderdtal begijnen onderdak verlenen.

Met uitzondering van het groothuis hebben alle begijnenhuizen en conventen een voortuin, omsloten door een muur. Elke tuinmuur heeft een verschillend uitgewerkt poortje. Boven of naast de poortjes bevinden zich nissen met gepolychromeerde heiligenbeelden. Het begijnhof is een heel illustratief voorbeeld van de toepassing van de neogotische vormentaal. Het 'neogotische' dorp behoort tot de tendens van het zogenoemde archeologisch-religieus exclusivisme binnen de neogotiek.

Deze strekking, die voornamelijk door de Engelsman A.W. Pugin (1812-1852) werd gepropageerd, huldigt de gotiek als enige mogelijke inspiratiebron voor de christelijke architectuur. In Vlaanderen was baron Jean-Baptiste Bethune de voornaamste vertegenwoordiger van deze richting. Samen met zijn vriend Arthur Verhaegen heeft hij zich laten inspireren door de gotische architectuur.

Een Koninklijk Besluit van 21 april 1994 beschermt het gehele begijnhof als monument en als stadsgezicht. In 1998 werd het tevens opgenomen in het geheel van begijnhoven die tot werelderfgoed werden uitgeroepen.

*******************

***
Het gebouw is opgetrokken op de plaats waar de Lieve de stadsgracht kruiste. De omgeving was een zwakke plek in de stadsverdediging. In 1488 maakten Maximiliaan Van Oostenrijk en zijn vader hiervan gebruik om Gent in te nemen

Na 40 dagen beleg moest het keizerlijk leger de aftocht blazen. Daarop besloot het stadsbestuur een versterking te bouwen met twee torens die tevens dienst deed als keersluis op de Lieve. Vandaar de naam 'rabot', een verbastering van het Franse rabattre (neerslaan), wat duidt op het neerlaten van de balken in het water.
De bouwwerken startten in 1489 en werden in 1491 beëindigd.
De twee torens met prachtig dakgebinte flankeren een middengebouw dat over het water is opgericht.
Als stadsversterking verloor het Rabot stilaan zijn betekenis. Het werd achtereenvolgens gebruikt als kruitmagazijn, ijskelder en gebouw voor het innen van stedelijke oktrooirechten.

In 1860 werd een deel van het Rabot gesloopt om de doorgang over de Lieve te verbreden. Recent werd het gebouw gerestaureerd en het kreeg een culturele bestemming

***************

****************************
Groot Begijnhof Sint-Amandsberg
****

Het Groot Begijnhof te Sint-Amandsberg is ontstaan als gevolg van de grote moeilijkheden die het Sint-Elisabethbegijnhof ondervond met de Commissie der Burgerlijke Godshuizen van de stad Gent. Het Sint-Elisabethbegijnhof lag op een plek die zich zeer goed tot stadsuitbreiding leende en in de tweede helft van de 19de eeuw werd de druk van de uitdeinende bevolking op dit begijnhof alsmaar groter.

De stedelijke overheid werkte urbanisatieplannen uit waardoor het Sint-Elisabethbegijnhof zijn gesloten karakter verloor. De grachten werden gedempt en er werden nieuwe straten getrokken, waaronder de Rabotstraat, de Hector Van Wittenberghestraat en de Jan Verspeyenstraat. Maar de voortdurende problemen met het stadsbestuur vormden een belemmering voor het normale religieuze leven op het begijnhof. Er restte slechts één uitweg: elders herbeginnen, los van de stedelijke bemoeienissen


Een geldschieter werd gevonden in de hertog van Arenberg, die voordien al de problemen van de begijnen van ter Hoye had opgelost. Op de Sint-Baafskouter kocht hij een stuk grond van 8 hectare. Begin 1873 werd begonnen met de bouw van het begijnhof. Het ontwerp was van architect Arthur Verhaegen die het begijnhof opvatte als een middeleeuwse ommuurde stad. Hij werd geïnspireerd door de zogenoemde Vlaamse gotische stijl van de 15de eeuw, waarbij de Brugse architectuur duidelijk als voorbeeld diende.

In minder dan twee jaar slaagde men erin rondom drie pleinen en langs acht straten tachtig huizen, veertien conventen, een groothuis, een infirmerie, een kapel van Sint-Antonius van Padua en een kerk te bouwen.

De kerk is een ontwerp van Jean-Baptiste Bethune. De verhuis van het oude naar het nieuwe begijnhof had plaats in de loop van september 1874. Het nieuwe begijnhof kon een zeshonderdtal begijnen onderdak verlenen.

Met uitzondering van het groothuis hebben alle begijnenhuizen en conventen een voortuin, omsloten door een muur. Elke tuinmuur heeft een verschillend uitgewerkt poortje. Boven of naast de poortjes bevinden zich nissen met gepolychromeerde heiligenbeelden. Het begijnhof is een heel illustratief voorbeeld van de toepassing van de neogotische vormentaal. Het 'neogotische' dorp behoort tot de tendens van het zogenoemde archeologisch-religieus exclusivisme binnen de neogotiek.

Deze strekking, die voornamelijk door de Engelsman A.W. Pugin (1812-1852) werd gepropageerd, huldigt de gotiek als enige mogelijke inspiratiebron voor de christelijke architectuur. In Vlaanderen was baron Jean-Baptiste Bethune de voornaamste vertegenwoordiger van deze richting. Samen met zijn vriend Arthur Verhaegen heeft hij zich laten inspireren door de gotische architectuur.

Een Koninklijk Besluit van 21 april 1994 beschermt het gehele begijnhof als monument en als stadsgezicht. In 1998 werd het tevens opgenomen in het geheel van begijnhoven die tot werelderfgoed werden uitgeroepen.

*******************

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
1815 - 1839
Nederlands Limburg
****************
In januari 1814 verlieten de Franse soldaten deze gewesten. De Russische generaal von Wintzingerode nam met zijn Kozakkentroepen voorlopig de macht over namens de Verbonden Mogendheden. Toch verliep de overgang niet probleemloos. De vraag was wie de soevereiniteit over het departement van de Nedermaas zou gaan uitoefenen? Binnen welke grenzen kwamen deze streken te liggen? Het prinsbisdom was als staatsinstelling immers verdwenen, net zoals de rijksheerlijke statuten. Bovendien zag Oostenrijk ook van rechten af. Zodoende kon enkel de vorst van Oranje, Willem I, en de koning van Pruisen zich op een staatsrechterlijke traditie beroepen. Na veel gepalaver en met de morele steun van de Tractaten van Wenen in mei 1815, kon Willem zijn soevereiniteit over het oude departement legimiteren en zelfs uitbreiden. Toen de negen Franse departementen na de nederlaag van Napoleon in Waterloo in 1815 naar het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden overgingen, kreeg onze provincie haar huidige naam. De nieuwe koning Willem I wilde dat de Nedermaas 'Limburg' zou gaan heten. Daarmee wou hij aanknopen bij de roemrijke traditie van de Zeventien Provinciën. Het oude, kleine hertogdom Limburg dat ten noordoosten van het prinsbisdom Luik lag, was opgegaan in de nieuwe provincie Luik. Maar de naam Limburg lag de eigenzinnige vorst beter in het oor dan het nu vergeten Loon. De provincie Limburg lag letterlijk op de rand van het koninkrijk en bleef buiten de grote economische vernieuwingen die Willem I stimuleerde. Terwijl Luik en omgeving in snel tempo geïndustrialiseerd werden, bleef Limburg bij uitstek een landbouwgebied met wat nijverheid in zijn bescheiden steden. De Hollanders hadden wel oog voor verkeersinfrastructuur: de Zuid-Willemsvaart tussen Maastricht en 's-Hertogenbosch werd aangelegd. Toen in 1828 de spanningen tussen het noorden en het zuiden in het Verenigd Koninkrijk opliepen, bevonden zich ook vooraanstaanden in het anti-Hollandse kamp. De Limburgers hielden niet van de autocratische opvattingen van Willem I die bruusk in lokale kwesties meende te moeten tussenkomen. Tijdens de septemberdagen van 1830 bleef het in Limburg zelf rustig, maar vanaf november keerde de situatie zich duidelijk ten voordele van de revolutie. Heel de provincie kwam in Belgische handen, afgezien van Maastricht en omgeving dat door de kanonnen van het Hollandse garnizoen onder schot werd gehouden. Het bestuur van de provincie werd naar Hasselt verplaatst. Limburgers gingen een actieve rol spelen in de prille Belgische politiek. In het Nationaal Congres zetelden zeventien Limburgers. Surlet de Chokier werd regent en onder de vier afgevaardigden die de Belgische troon aan Leopold von Saksen-Coburg gingen aanbieden, waren twee Limburgers. Graaf Barthélemy Théodore de Theux de Meylandt, geboren in Sint-Truiden en gestorven in Heusden, was van 1834 tot 1840 regeringsleider. Limburg wilde dus graag bij België zijn, maar de Hollandse inval en de Tiendaagse veldtocht in augustus 1831 herschudden brutaal de kaarten. De Belgische troepen werden zwaar verslagen. Het Maasleger leed op 8 augustus bij Kermt een smadelijke nederlaag. De grote mogendheden begrepen dat België nooit een sterke buffer tegen Frankrijk zou kunnen vormen. Daarom werd het Verdrag van de 24 loodzware artikelen opgesteld om de scheiding tussen België en Nederland te regelen. Om Nederland te versterken, kreeg het onder meer Maastricht en Limburg over de Maas toegewezen. Het Belgische parlement aanvaardde het verdrag slechts na stormachtige debatten en met een krappe meerderheid. Maar omdat een koppige Willem I zich tegen het verdrag bleef verzetten, bleef België tot 1839 in het bezit van Nederlands Limburg. Uiteindelijk gaf Willem zijn verzet nog onverwacht op en werd het gebied onder druk van de grote mogendheden overgedragen. In Limburg werd fel maar vergeefs geprotesteerd. Het jonge België was gered.
************
Museum Kempenland, Lommel
De Blauwe Kei in Lommel, sluis 1. De eerste transportverbinding voor de industrie waren waterwegen. De Zuid-Willemsvaart, voltooid in 1826, had weinig invloed op de Limburgse industrialisatie. Van grote betekenis was de aanleg van het Kempisch Kanaal of de verbinding van de Schelde met de Maas in 1846. De belangrijke verbinding met Hasselt kwam pas in 1858 tot stand
*****************************
*****

Laatst gewijzigd door majke op 21 dec 2005, 11:13, 1 keer totaal gewijzigd.
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
1839 - nu
Belgisch Limburg
***
Na 1839 verdween Limburg van de politieke agenda en er werd een schuchtere aanzet voor groter veranderingen gegeven. Om de ontginning van de grote bos- en heidegebieden in de Kempen te stimuleren, vaardigde de regering in 1846 de ontginningswetten uit. Tussen 1840 en 1850 werd ook het Maas-Schelde-kanaal gegraven. In Lommel kwam een landbouwkolonie, die echter weinig economische resultaten haalde.

Museum Kempenland, Lommel
Omstreeks 1850 spoorden de eerste treinen in Zuid-Limburg en Hasselt. Een belangrijke verbinding was de IJzeren Rijn tussen Antwerpen en Mönchen-Gladbach, in 1879 ingereden. Het landschap raakte bezaaid met indrukwekkende stations zoals hier in Lommel. Zelfs de boeren maakten gebruik van de spoorwegverbinding door uit de steden afvalstoffen te betrekken voor de bemesting van arme zandgronden.
*****
Later werd er doorheen de Kempen een spoorweg aangelegd, die Antwerpen met het Roergebied moest verbinden. Neerpelt werd een spoorwegknooppunt toen ook de lijn Eindhoven-Hasselt doorgetrokken werd. Het vruchtbare Haspengouw bleef bij uitstek een landbouwgebied, met de productie van granen, suikerbieten en fruit. Sint-Truiden, Borgloon en Tongeren waren er de regionale centra met belangrijke vee- en fruitmarkten. Ook in het Maasland lag het accent op de landbouw. Maar de industriële ontwikkeling hinkte sterk achterop bij kernen als Luik en Gent. Vooral de Kempen was arm. De handel was op de terugweg en het harde labeur op de versnipperde, zandige percelen leverde niet genoeg op om de groeiende bevolking te voeden. Het bevolkingsaantal in Limburg nam tussen 1830 en 1913 met 60% toe. Toen er vanaf 1870 een landbouwcrisis uitbrak door de import van goedkoop graan uit Amerika, werd de Kempen extra zwaar getroffen. Uitwijkmogelijkheden waren er nauwelijks. Rond Bree, Hamont en Neerpelt was er wat sigarennijverheid, in de Kempen en het Maasland lager er pannen- en steenbakkerijen. In de omgeving van Beringen werd vanaf 1860 ijzererts ontgonnen, dat in de Kempen dicht onder de oppervlakte lag. Op het grensgebied tussen Kempen en Haspengouw, met Hasselt als centrum, bloeiden de jeneverstokerijen. Vanaf circa 1875 verhuisden een aantal bedrijven naar de Noorderkempen die het startsein gaven voor een lokale non-ferronijverheid. In 1882 werd in Kaulille een springstoffenfabriek opgericht, in 1888 startte in Overpelt de productie van arsenicum. De chemische industrie in Tessenderlo volgde een jaar later, in 1895 opende de arseenfabriek van Reppel de poorten. In Lommel (1904) en Rotem (1912) werd zink geproduceerd. Dat al die ongezonde bedrijven net naar dit deel van de Kempen verhuisde, mag niet verbazen: de arbeid was er goedkoop, net als de gronden. De inwoners van de dunbevolkte streek maakten weinig heisa over de gevolgen voor het milieu. Wie niet terechtkon in een familiebedrijf of lokale industrie, restte niets anders dan uit te wijken, te pendelen naar het Luikse of seizoensarbeid te verrichten in den vreemde. Zo trokken tot de Eerste Wereldoorlog jaarlijks duizenden Maaslandse 'brikkèkkesj' naar Duitsland om daar bakstenen te produceren voor de bloeiende industrie. Vooral het Luikse industriebekken trok erg veel volk. In die situatie kwam pas verandering nadat in 1901 steenkool werd ontdekt in Limburg. Het duurde nog enkele jaren voordat de ontginning echt van start ging. Maar na de Eerste Wereldoorlog speelden de mijnenLater werd er doorheen de Kempen een spoorweg aangelegd, die Antwerpen met het Roergebied moest verbinden. Neerpelt werd een spoorwegknooppunt toen ook de lijn Eindhoven-Hasselt doorgetrokken werd. Het vruchtbare Haspengouw bleef bij uitstek een landbouwgebied, met de productie van granen, suikerbieten en fruit. Sint-Truiden, Borgloon en Tongeren waren er de regionale centra met belangrijke vee- en fruitmarkten. Ook in het Maasland lag het accent op de landbouw. Maar de industriële ontwikkeling hinkte sterk achterop bij kernen als Luik en Gent. Vooral de Kempen was arm. De handel was op de terugweg en het harde labeur op de versnipperde, zandige percelen leverde niet genoeg op om de groeiende bevolking te voeden. Het bevolkingsaantal in Limburg nam tussen 1830 en 1913 met 60% toe. Toen er vanaf 1870 een landbouwcrisis uitbrak door de import van goedkoop graan uit Amerika, werd de Kempen extra zwaar getroffen. Uitwijkmogelijkheden waren er nauwelijks. Rond Bree, Hamont en Neerpelt was er wat sigarennijverheid, in de Kempen en het Maasland lager er pannen- en steenbakkerijen. In de omgeving van Beringen werd vanaf 1860 ijzererts ontgonnen, dat in de Kempen dicht onder de oppervlakte lag. Op het grensgebied tussen Kempen en Haspengouw, met Hasselt als centrum, bloeiden de jeneverstokerijen. Vanaf circa 1875 verhuisden een aantal bedrijven naar de Noorderkempen die het startsein gaven voor een lokale non-ferronijverheid. In 1882 werd in Kaulille een springstoffenfabriek opgericht, in 1888 startte in Overpelt de productie van arsenicum. De chemische industrie in Tessenderlo volgde een jaar later, in 1895 opende de arseenfabriek van Reppel de poorten. In Lommel (1904) en Rotem (1912) werd zink geproduceerd. Dat al die ongezonde bedrijven net naar dit deel van de Kempen verhuisde, mag niet verbazen: de arbeid was er goedkoop, net als de gronden. De inwoners van de dunbevolkte streek maakten weinig heisa over de gevolgen voor het milieu. Wie niet terechtkon in een familiebedrijf of lokale industrie, restte niets anders dan uit te wijken, te pendelen naar het Luikse of seizoensarbeid te verrichten in den vreemde. Zo trokken tot de Eerste Wereldoorlog jaarlijks duizenden Maaslandse 'brikkèkkesj' naar Duitsland om daar bakstenen te produceren voor de bloeiende industrie. Vooral het Luikse industriebekken trok erg veel volk. In die situatie kwam pas verandering nadat in 1901 steenkool werd ontdekt in Limburg. Het duurde nog enkele jaren voordat de ontginning echt van start ging. Maar na de Eerste Wereldoorlog speelden de mijnen de eersterangsrol inzake tewerkstelling.
*****
In 1907 werd de SA (Societé Annonyme) des Charbonnages de Helchteren-Zolder opgericht. Na proefboringen werd de zetel van deze maatschappij in Zolder-Voort gevestigd. Pas in 1930 werd er de eerste steenkool bovengehaald. De twee schachttorens bepaalden het landschap. De eerste diende als luchtkeerschacht en voor het afdalen van de mijnwerkers. De tweede schacht leverde de verse lucht en was voorzien van vier liften met elk vier verdiepingen voor het ophalen van de steenkool.
************
Afgezien van enkele dorpsnotabelen als pastoor, burgemeester, notaris, dokter, brouwer, kenden de meeste Limburgers in de 19de en in het begin van de 20ste eeuw een hard bestaan. Voor de Eerste Wereldoorlog waren de meeste huizen nog opgetrokken in leem, met een aarden vloer. Méér dan brood, aardappelen, pap en, in het beste geval, spek kwam er door de band genomen niet op tafel. Ook de hoeveelheid kleding was beperkt: één werkpak en één zondags kostuum of jurk was vaak alles. De dokter woonde ver weg en was duur. Geen wonder dat men meer op volksremedies vertrouwde of genezingen afsmeekte tijdens bedevaarten. Schoolbezoek was tot 1918 zeer wisselvallig. De schooloorlog (1879-1894) had de uitbreiding van het katholiek lager onderwijs sterk gestimuleerd. In 1900 telde de provincie nog 52 bewaarscholen en een aantal colleges. De grote meerderheid van de kinderen maakte echter niet eens de lagere school af of ging enkel in de winter naar school. De klassen waren overbevolkt - zestig leerlingen in een lokaal was geen uitzondering - en niet zelden zaten alle leeftijden bij elkaar. De meester hield zich met ijzeren discipline overeind en de ouders hadden hier geen problemen mee. Limburg raakte in de 20ste eeuw met de ontdekking van steenkool in zijn ondergrond in een economische en maatschappelijke stroomversnelling. Maar met behulp van Monseigneur Broekx en zijn secretariaat van christelijke werken in de Hasseltse Tramstraat behield de Kerk lange tijd haar greep op maatschappelijke ontwikkelingen. Toch groeide langzaam maar zeker de invloed van de socialistische partij en
vakverenigingen in de provincie.
Na de tweede wereldoorlog
maakte de provincie een stormachtige ontwikkeling door. In 1950 waren land- en mijnbouw nog de onbetwiste economische pijlers van een vrij dun bevolkte provincie. Daarna begon een sterke groei van de bevolking, een fikse uitbreiding van de tewerkstelling en de verkeersinfrastructuur, een verbreding van het onderwijsaanbod en de vestiging van enkele buitenlandse bedrijven. Ook het toerisme werd een factor van betekenis, met Bokrijk als grote trekpleister. Zo kwam Limburg stilaan vanuit de marge van België in het in het hart van de Euregio te liggen.
*****
Museum Kempenland, Lommel
Voor de oprichting van de steenkoolmijnen werden in Noord-Limburg enkele non-ferrobedrijven opgericht. Het werd de eerste industrie van de provincie. De zinkfabriek van Lommel-Werkplaatsen ontstond in 1904. Zij fusioneerden in 1913 met de oudere zinkfabriek van Overpelt
*****
Belgisch Limburg
***
Na 1839 verdween Limburg van de politieke agenda en er werd een schuchtere aanzet voor groter veranderingen gegeven. Om de ontginning van de grote bos- en heidegebieden in de Kempen te stimuleren, vaardigde de regering in 1846 de ontginningswetten uit. Tussen 1840 en 1850 werd ook het Maas-Schelde-kanaal gegraven. In Lommel kwam een landbouwkolonie, die echter weinig economische resultaten haalde.

Museum Kempenland, Lommel
Omstreeks 1850 spoorden de eerste treinen in Zuid-Limburg en Hasselt. Een belangrijke verbinding was de IJzeren Rijn tussen Antwerpen en Mönchen-Gladbach, in 1879 ingereden. Het landschap raakte bezaaid met indrukwekkende stations zoals hier in Lommel. Zelfs de boeren maakten gebruik van de spoorwegverbinding door uit de steden afvalstoffen te betrekken voor de bemesting van arme zandgronden.
*****
Later werd er doorheen de Kempen een spoorweg aangelegd, die Antwerpen met het Roergebied moest verbinden. Neerpelt werd een spoorwegknooppunt toen ook de lijn Eindhoven-Hasselt doorgetrokken werd. Het vruchtbare Haspengouw bleef bij uitstek een landbouwgebied, met de productie van granen, suikerbieten en fruit. Sint-Truiden, Borgloon en Tongeren waren er de regionale centra met belangrijke vee- en fruitmarkten. Ook in het Maasland lag het accent op de landbouw. Maar de industriële ontwikkeling hinkte sterk achterop bij kernen als Luik en Gent. Vooral de Kempen was arm. De handel was op de terugweg en het harde labeur op de versnipperde, zandige percelen leverde niet genoeg op om de groeiende bevolking te voeden. Het bevolkingsaantal in Limburg nam tussen 1830 en 1913 met 60% toe. Toen er vanaf 1870 een landbouwcrisis uitbrak door de import van goedkoop graan uit Amerika, werd de Kempen extra zwaar getroffen. Uitwijkmogelijkheden waren er nauwelijks. Rond Bree, Hamont en Neerpelt was er wat sigarennijverheid, in de Kempen en het Maasland lager er pannen- en steenbakkerijen. In de omgeving van Beringen werd vanaf 1860 ijzererts ontgonnen, dat in de Kempen dicht onder de oppervlakte lag. Op het grensgebied tussen Kempen en Haspengouw, met Hasselt als centrum, bloeiden de jeneverstokerijen. Vanaf circa 1875 verhuisden een aantal bedrijven naar de Noorderkempen die het startsein gaven voor een lokale non-ferronijverheid. In 1882 werd in Kaulille een springstoffenfabriek opgericht, in 1888 startte in Overpelt de productie van arsenicum. De chemische industrie in Tessenderlo volgde een jaar later, in 1895 opende de arseenfabriek van Reppel de poorten. In Lommel (1904) en Rotem (1912) werd zink geproduceerd. Dat al die ongezonde bedrijven net naar dit deel van de Kempen verhuisde, mag niet verbazen: de arbeid was er goedkoop, net als de gronden. De inwoners van de dunbevolkte streek maakten weinig heisa over de gevolgen voor het milieu. Wie niet terechtkon in een familiebedrijf of lokale industrie, restte niets anders dan uit te wijken, te pendelen naar het Luikse of seizoensarbeid te verrichten in den vreemde. Zo trokken tot de Eerste Wereldoorlog jaarlijks duizenden Maaslandse 'brikkèkkesj' naar Duitsland om daar bakstenen te produceren voor de bloeiende industrie. Vooral het Luikse industriebekken trok erg veel volk. In die situatie kwam pas verandering nadat in 1901 steenkool werd ontdekt in Limburg. Het duurde nog enkele jaren voordat de ontginning echt van start ging. Maar na de Eerste Wereldoorlog speelden de mijnenLater werd er doorheen de Kempen een spoorweg aangelegd, die Antwerpen met het Roergebied moest verbinden. Neerpelt werd een spoorwegknooppunt toen ook de lijn Eindhoven-Hasselt doorgetrokken werd. Het vruchtbare Haspengouw bleef bij uitstek een landbouwgebied, met de productie van granen, suikerbieten en fruit. Sint-Truiden, Borgloon en Tongeren waren er de regionale centra met belangrijke vee- en fruitmarkten. Ook in het Maasland lag het accent op de landbouw. Maar de industriële ontwikkeling hinkte sterk achterop bij kernen als Luik en Gent. Vooral de Kempen was arm. De handel was op de terugweg en het harde labeur op de versnipperde, zandige percelen leverde niet genoeg op om de groeiende bevolking te voeden. Het bevolkingsaantal in Limburg nam tussen 1830 en 1913 met 60% toe. Toen er vanaf 1870 een landbouwcrisis uitbrak door de import van goedkoop graan uit Amerika, werd de Kempen extra zwaar getroffen. Uitwijkmogelijkheden waren er nauwelijks. Rond Bree, Hamont en Neerpelt was er wat sigarennijverheid, in de Kempen en het Maasland lager er pannen- en steenbakkerijen. In de omgeving van Beringen werd vanaf 1860 ijzererts ontgonnen, dat in de Kempen dicht onder de oppervlakte lag. Op het grensgebied tussen Kempen en Haspengouw, met Hasselt als centrum, bloeiden de jeneverstokerijen. Vanaf circa 1875 verhuisden een aantal bedrijven naar de Noorderkempen die het startsein gaven voor een lokale non-ferronijverheid. In 1882 werd in Kaulille een springstoffenfabriek opgericht, in 1888 startte in Overpelt de productie van arsenicum. De chemische industrie in Tessenderlo volgde een jaar later, in 1895 opende de arseenfabriek van Reppel de poorten. In Lommel (1904) en Rotem (1912) werd zink geproduceerd. Dat al die ongezonde bedrijven net naar dit deel van de Kempen verhuisde, mag niet verbazen: de arbeid was er goedkoop, net als de gronden. De inwoners van de dunbevolkte streek maakten weinig heisa over de gevolgen voor het milieu. Wie niet terechtkon in een familiebedrijf of lokale industrie, restte niets anders dan uit te wijken, te pendelen naar het Luikse of seizoensarbeid te verrichten in den vreemde. Zo trokken tot de Eerste Wereldoorlog jaarlijks duizenden Maaslandse 'brikkèkkesj' naar Duitsland om daar bakstenen te produceren voor de bloeiende industrie. Vooral het Luikse industriebekken trok erg veel volk. In die situatie kwam pas verandering nadat in 1901 steenkool werd ontdekt in Limburg. Het duurde nog enkele jaren voordat de ontginning echt van start ging. Maar na de Eerste Wereldoorlog speelden de mijnen de eersterangsrol inzake tewerkstelling.
*****
In 1907 werd de SA (Societé Annonyme) des Charbonnages de Helchteren-Zolder opgericht. Na proefboringen werd de zetel van deze maatschappij in Zolder-Voort gevestigd. Pas in 1930 werd er de eerste steenkool bovengehaald. De twee schachttorens bepaalden het landschap. De eerste diende als luchtkeerschacht en voor het afdalen van de mijnwerkers. De tweede schacht leverde de verse lucht en was voorzien van vier liften met elk vier verdiepingen voor het ophalen van de steenkool.
************
Afgezien van enkele dorpsnotabelen als pastoor, burgemeester, notaris, dokter, brouwer, kenden de meeste Limburgers in de 19de en in het begin van de 20ste eeuw een hard bestaan. Voor de Eerste Wereldoorlog waren de meeste huizen nog opgetrokken in leem, met een aarden vloer. Méér dan brood, aardappelen, pap en, in het beste geval, spek kwam er door de band genomen niet op tafel. Ook de hoeveelheid kleding was beperkt: één werkpak en één zondags kostuum of jurk was vaak alles. De dokter woonde ver weg en was duur. Geen wonder dat men meer op volksremedies vertrouwde of genezingen afsmeekte tijdens bedevaarten. Schoolbezoek was tot 1918 zeer wisselvallig. De schooloorlog (1879-1894) had de uitbreiding van het katholiek lager onderwijs sterk gestimuleerd. In 1900 telde de provincie nog 52 bewaarscholen en een aantal colleges. De grote meerderheid van de kinderen maakte echter niet eens de lagere school af of ging enkel in de winter naar school. De klassen waren overbevolkt - zestig leerlingen in een lokaal was geen uitzondering - en niet zelden zaten alle leeftijden bij elkaar. De meester hield zich met ijzeren discipline overeind en de ouders hadden hier geen problemen mee. Limburg raakte in de 20ste eeuw met de ontdekking van steenkool in zijn ondergrond in een economische en maatschappelijke stroomversnelling. Maar met behulp van Monseigneur Broekx en zijn secretariaat van christelijke werken in de Hasseltse Tramstraat behield de Kerk lange tijd haar greep op maatschappelijke ontwikkelingen. Toch groeide langzaam maar zeker de invloed van de socialistische partij en
vakverenigingen in de provincie.
Na de tweede wereldoorlog
maakte de provincie een stormachtige ontwikkeling door. In 1950 waren land- en mijnbouw nog de onbetwiste economische pijlers van een vrij dun bevolkte provincie. Daarna begon een sterke groei van de bevolking, een fikse uitbreiding van de tewerkstelling en de verkeersinfrastructuur, een verbreding van het onderwijsaanbod en de vestiging van enkele buitenlandse bedrijven. Ook het toerisme werd een factor van betekenis, met Bokrijk als grote trekpleister. Zo kwam Limburg stilaan vanuit de marge van België in het in het hart van de Euregio te liggen.
*****
Museum Kempenland, Lommel
Voor de oprichting van de steenkoolmijnen werden in Noord-Limburg enkele non-ferrobedrijven opgericht. Het werd de eerste industrie van de provincie. De zinkfabriek van Lommel-Werkplaatsen ontstond in 1904. Zij fusioneerden in 1913 met de oudere zinkfabriek van Overpelt
*****
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
oude foto's lommel
****
Op de tweesprong van de Molsekiezel en Gasstraat in Lommel, ligt café 'De Kroon'. Het werd testijds uitgebaat door de Familie Van Engeland-Lavreysen, later door Julia (van Betten) en Jef Van Engeland. Het is nog steeds een echt dorpscafé.
***
Het kanaal van Beverlo vóór 1940 bij Stevensvennen, een gehucht van Lommel. De aangemeerde schepen liggen te wachten op vracht bij de fabrieken van Stanislas-Emsens. Een eenzame fietser in zijn zondagse pak rust even uit op de dichtbegroeide kanaaloever.
****
Een zandgroeve in Lommel-Kattenbos omstreeks 1900. In 1887 werd in Lommel op de Blauwe Kei en in 1891 in Kattenbos een gemeentelijke zandgroeve uitgebaat. Het zand werd met schepnetten ('beugels') uit het water gehaald en door landbouwers uit de omgeving naar het station gebracht. Het 'Lommelzand' was en is nog steeds bekend om zijn uitstekende kwaliteit.
****
De Frans Van Hamstraat in Lommel was tot 1934 slechts een voetweg. Links staat nog de imposante Leyssensmolen, die in 1964 werd verplaatst naar Lommel-Kattenbos.
****
In dit thans verdwenen huis in de Kerkstraat in Lommel werkten tussen 1900 en 1994 achtereenvolgens de notarissen Willem Trouwers, Gustaaf Trouwers, Charles Indekeu, Jacques Indekeu en als laatste Bruno Indekeu. De foto dateert van omstreeks 1910.
****
Het oude gemeentehuis van Lommel werd in 1845 in classicistische stijl opgetrokken. Rechts vooraan staat de oude kiosk die in 1905 werd opgericht naar aanleiding van 75 jaar onafhankelijk België. In 1942 werd deze kiosk afgebroken en 7 jaar later vervangen door de huidige.
*****
****
Op de tweesprong van de Molsekiezel en Gasstraat in Lommel, ligt café 'De Kroon'. Het werd testijds uitgebaat door de Familie Van Engeland-Lavreysen, later door Julia (van Betten) en Jef Van Engeland. Het is nog steeds een echt dorpscafé.
***
Het kanaal van Beverlo vóór 1940 bij Stevensvennen, een gehucht van Lommel. De aangemeerde schepen liggen te wachten op vracht bij de fabrieken van Stanislas-Emsens. Een eenzame fietser in zijn zondagse pak rust even uit op de dichtbegroeide kanaaloever.
****
Een zandgroeve in Lommel-Kattenbos omstreeks 1900. In 1887 werd in Lommel op de Blauwe Kei en in 1891 in Kattenbos een gemeentelijke zandgroeve uitgebaat. Het zand werd met schepnetten ('beugels') uit het water gehaald en door landbouwers uit de omgeving naar het station gebracht. Het 'Lommelzand' was en is nog steeds bekend om zijn uitstekende kwaliteit.
****
De Frans Van Hamstraat in Lommel was tot 1934 slechts een voetweg. Links staat nog de imposante Leyssensmolen, die in 1964 werd verplaatst naar Lommel-Kattenbos.
****
In dit thans verdwenen huis in de Kerkstraat in Lommel werkten tussen 1900 en 1994 achtereenvolgens de notarissen Willem Trouwers, Gustaaf Trouwers, Charles Indekeu, Jacques Indekeu en als laatste Bruno Indekeu. De foto dateert van omstreeks 1910.
****
Het oude gemeentehuis van Lommel werd in 1845 in classicistische stijl opgetrokken. Rechts vooraan staat de oude kiosk die in 1905 werd opgericht naar aanleiding van 75 jaar onafhankelijk België. In 1942 werd deze kiosk afgebroken en 7 jaar later vervangen door de huidige.
*****
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
De Heerstraat was omstreeks de eeuwwisseling de voornaamste straat van Neerpelt. Het was toen een landelijk woondorp, gelegen aan de Dommel en het kanaal Bocholt-Herentals. Neerpelt heeft een sterk verspreide bewoning, met ondermeer de gehuchten Broesein, Herent, Boseind en Grote Heide. Neerpelt heeft Sint-Huibrechts-Lille als fusiegemeente.
***
Kerkstraat in Neerpelt met rechts de kerk, het oude postkantoor en het gemeentehuis. De kerk dateert uit het begin van de 20ste eeuw. Het gemeentehuis, het gebouw met de trappen, werd in 1898 gebouwd en in 1927 toegewijd aan Christus-Koning. De foto dateert in elk geval van na 1910, want tussen de bomen op de achtergrond kan men nog net het torentje zien van het in 1910 gebouwde Sint-Hubertuscollege.
***
Een zicht op de kerkstraat met vooraan het gemeentehuis met oud postkantoor en de Sint-Nicolaaskerk.
***
Een zicht op het gemeentehuis en oud postkantoor vanuit een desolate kerkstraat. Het groen op de achtergrond tierde in die tijd nog welig in het rond op de plaatsen die nu volgebouwd zijn.
****
Het H.-Hartziekenhuis voor de uitbreiding eind jaren '90. Praktisch de gehele voorgevel is verloren gegaan door de plaatsing van een nieuwe ziekenhuisvleugel aan de straatkant.
****
Een luchtfoto van Neerpelt. De straat van boven naar onder is de Heerstraat. Het gemeentehuis en de kerk liggen in de kerkstraat. De beek rechts op de foto is de Dommel. Links op de foto zie je nog net het Vlaams Huis dat op de hoek van de Kerkstraat en de Kloosterstraat ligt. Linksboven zie je de parking die in de Groenstraat ligt. De Groenstraat komt uit op de Heerstraat. Bij het oversteken op dat kruispunt komt men terecht in de Stationsstraat.
******

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Hamont-Achel
***
Het Michielsplein .
******
De kerk was steeds centraal gelegen en van ver zichtbaar als een baken in het landschap. Hier het Michielsplein te Achel met een zicht op de laat-gotische Sint-Monulfus- en Gondulfuskerk. Gedeelten van de kerk stammen uit de 15 de eeuw. De bouw van de huidige toren werd voltooid in 1911.
**************
Nog in 1782 werd in Hamont een kaak- of schandpaal met halsbeugel (carcan) geplaatst om misdadigers openlijk te laten bespotten. De vierkante stenen paal fungeerde tevens als pomp en droeg het wapenschild van de stad. In 1944 werd dit pittoreske monument op de markt door Engelse troepen vernield. De stad Hamont verkreeg van de Luikse prins-bisschop de nodige subsidies voor dit monument omdat zij de pomp als perron liet doorgaan. In 1989 werd de pomp gereconstrueerd.
***********
De St.-Benedictusabdij te Achel (de 'Achelse Kluis') zette tot in de 20ste eeuw de traditie verder van een groot landbouwbedrijf, in eigen beheer uitgebaat door een kloostergemeenschap. De dorpen uit de omgeving kwamen zich bij de paters bevoorraden.
************
Smederij Dijkmans in Hamont op een foto uit 1904. Elk dorp had zijn smid. Dikwijls was de dorpssmid herbergier en was de smidse de uitgelezen plaats om het laatste nieuws te vernemen.
****
***
Het Michielsplein .
******
De kerk was steeds centraal gelegen en van ver zichtbaar als een baken in het landschap. Hier het Michielsplein te Achel met een zicht op de laat-gotische Sint-Monulfus- en Gondulfuskerk. Gedeelten van de kerk stammen uit de 15 de eeuw. De bouw van de huidige toren werd voltooid in 1911.
**************
Nog in 1782 werd in Hamont een kaak- of schandpaal met halsbeugel (carcan) geplaatst om misdadigers openlijk te laten bespotten. De vierkante stenen paal fungeerde tevens als pomp en droeg het wapenschild van de stad. In 1944 werd dit pittoreske monument op de markt door Engelse troepen vernield. De stad Hamont verkreeg van de Luikse prins-bisschop de nodige subsidies voor dit monument omdat zij de pomp als perron liet doorgaan. In 1989 werd de pomp gereconstrueerd.
***********
De St.-Benedictusabdij te Achel (de 'Achelse Kluis') zette tot in de 20ste eeuw de traditie verder van een groot landbouwbedrijf, in eigen beheer uitgebaat door een kloostergemeenschap. De dorpen uit de omgeving kwamen zich bij de paters bevoorraden.
************
Smederij Dijkmans in Hamont op een foto uit 1904. Elk dorp had zijn smid. Dikwijls was de dorpssmid herbergier en was de smidse de uitgelezen plaats om het laatste nieuws te vernemen.
****
Laatst gewijzigd door majke op 01 jan 2006, 12:37, 1 keer totaal gewijzigd.
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet