Nostalgische verhalen …hier graag!

Literaire pareltjes van maatschappelijke gebeurtenissen.

telloorlekker
Lid geworden op: 26 nov 2002, 17:46

24 mei 2005, 08:26

Hangt er onweer in de lucht ? :lol:
Gast

24 mei 2005, 15:08

:wink:
Laatst gewijzigd door Gast op 11 jul 2007, 09:27, 1 keer totaal gewijzigd.
Gast

25 mei 2005, 13:47

:wink:
Laatst gewijzigd door Gast op 11 jul 2007, 09:27, 1 keer totaal gewijzigd.
Gast

26 mei 2005, 12:24

:P
Laatst gewijzigd door Gast op 11 jul 2007, 09:28, 1 keer totaal gewijzigd.
Gast

31 mei 2005, 18:08

:wink:
Laatst gewijzigd door Gast op 11 jul 2007, 09:28, 1 keer totaal gewijzigd.
Gast

01 jun 2005, 09:04

:P
Laatst gewijzigd door Gast op 11 jul 2007, 09:29, 1 keer totaal gewijzigd.
Opa Brombeer

01 jun 2005, 10:36

Fikske schreef:Kwezel meisje, dit is nogal wat! Het is een echte woordenwaterval! Als ik het lees voel ik als het ware de hitte en de regen op mijn vel. Machtig geschreven hoor.
Fikske, waar blijf jij met je verhalen. Die waren ook machtig geschreven hoor.

Brombeer.
Gast

01 jun 2005, 11:11

Als ik "Kwezel" lees, bekruipt me altijd het gevoel om zelf te schrijven. Ik zou zo graag een boek schrijven. De titel heb ik al in mijn hoofd. Zo iets van: "Don Diego de la Vega en de vrouwtjes."
Ja en dan begin je te schrijven, maar over wat? Over die vrouwtjes? Als ik beken dat ik, buiten mijne champetter, niet zo hoog van de toren moet blazen over de vrouwtjes, dan is mijn boek ver "af" zeker?
Nu nog een "slot" en 't is klaar.
Het "slot" van mijn boek zal maar één woord bevatten en dat is "Yale"!
Ziezo, mijn boek is klaar en over een jaartje zal ik het tijdens de boekenbeurs gaan handtekenen. Je zult wel vlug moeten zijn om er een te bemachtigen want ik denk dat ze alle drie vlug zullen uitverkocht zijn.
Maar da's niets, hoe minder talent hoe beter want dan kan ik stadsdichter worden. Ik zal dan een gedicht maken om op te hangen aan de Boerentoren.
'k Wil je wel de eerste regels van mijn "stadsgedicht" verklappen. Het begint zo: "Antwerpen, oh stad met opengebroken banen. Antwerpen stad met honderdduizend Marokkanen. Antwerpen mijn hart is U gewijd. Antwerpen, gij kunt die ......aan de Schelde kwijt.
Voilà, een nieuw talent is geboren, ge zult nog van me horen.(dit laatste hoort niet meer bij mijn stadsgedicht)
Degene die een foto met handtekening moet hebben, laat het mij zo vlug mogelijk weten. ('k Heb er maar 5)
'k Ga nu vlug eens aan mijn Duvel drinken want 'k heb nog wat inspiratie nodig.
Scholl !!! :?

felix1
Lid geworden op: 09 jan 2005, 15:47
Locatie: DE KLINGE

01 jun 2005, 11:19

zorro schreef:Als ik "Kwezel" lees, bekruipt me altijd het gevoel om zelf te schrijven. Ik zou zo graag een boek schrijven. De titel heb ik al in mijn hoofd. Zo iets van: "Don Diego de la Vega en de vrouwtjes."
Ja en dan begin je te schrijven, maar over wat? Over die vrouwtjes? Als ik beken dat ik, buiten mijne champetter, niet zo hoog van de toren moet blazen over de vrouwtjes, dan is mijn boek ver "af" zeker?
Nu nog een "slot" en 't is klaar.
Het "slot" van mijn boek zal maar één woord bevatten en dat is "Yale"!
Ziezo, mijn boek is klaar en over een jaartje zal ik het tijdens de boekenbeurs gaan handtekenen. Je zult wel vlug moeten zijn om er een te bemachtigen want ik denk dat ze alle drie vlug zullen uitverkocht zijn.
Maar da's niets, hoe minder talent hoe beter want dan kan ik stadsdichter worden. Ik zal dan een gedicht maken om op te hangen aan de Boerentoren.
'k Wil je wel de eerste regels van mijn "stadsgedicht" verklappen. Het begint zo: "Antwerpen, oh stad met opengebroken banen. Antwerpen stad met honderdduizend Marokkanen. Antwerpen mijn hart is U gewijd. Antwerpen, gij kunt die ......aan de Schelde kwijt.
Voilà, een nieuw talent is geboren, ge zult nog van me horen.(dit laatste hoort niet meer bij mijn stadsgedicht)
Degene die een foto met handtekening moet hebben, laat het mij zo vlug mogelijk weten. ('k Heb er maar 5)
'k Ga nu vlug eens aan mijn Duvel drinken want 'k heb nog wat inspiratie nodig.
Scholl !!! :?

Beste zorro als ik geen foto krijg van jou ga een nieuwe foto vragen aan
SS dus Zorro waag je kans of ik loop met een verkeerde foto over de straat

groetjes Felix1

____________________
SUPORTER MOTO CROS :oops:
SENIORENNET LEG ONS HET ZWIJGEN OP
GEZOCHT LIZE

telloorlekker
Lid geworden op: 26 nov 2002, 17:46

01 jun 2005, 20:53

Schrijvertjes, schrijvertjes... denk niet dat ik wég ben hé... Ja, ik ben wég, maar dan in bepaalde sferen. Mijn inspiratie laat me in de steek de laatste dagen; nostalgie wordt hier gevraagd, maar de herinneringen aan vroeger (wat meestal nostalgie opwerpt) ontbreekt me. Ik heb zo'n resem oude verhalen dat ik niet weet waarmee eerst aanvangen. Ze liggen me nog te vers in het geheugen om van nostalgie te kunnen spreken. Als ik daarbij naga dat het merendeel der schrijvertjes, wat gisteren is voorgevallen, nu ook voor nostalgie gaan neerpennen bekruipt mij nog meer het gevoel nog even op de achtergrond te blijven. Eéns moet die retro-gedachte toch ophouden; misschien dat ik daarna wel uitpak met mijn voorgeschiedenis...
Na al deze non-sense weten jullie allicht dat ik nog besta... dus treur niet om mijn gemis... :lol:
Gast

02 jun 2005, 16:39

:D
Laatst gewijzigd door Gast op 11 jul 2007, 09:30, 2 keer totaal gewijzigd.

Fikske
Lid geworden op: 16 dec 2003, 12:31
Locatie: W-O 1970

02 jun 2005, 19:33

Brombeer schreef: Fikske, waar blijf jij met je verhalen. Die waren ook machtig geschreven hoor.

Brombeer.
Ja jongens (en meisjes) ik ben niet zo productief hé? Het duurt bij mij nogal eer ik iets op papier zet dat volgens mij de moeite loont om gelezen te worden door anderen dan mijzelf.
Er zitten nog heel wat verhaaltjes in mijn kop maar nog niet in mijn pen...
Vertellen aan de kleinkinderen gaat veel vlotter dan schrijven voor meer kritische lezers.
Maar er volgen er nog wel hoor.
Dank in elk geval voor jullie waardering, het doet me deugd.

Groetjes,
Fikske
Gast

03 jun 2005, 09:14

:wink:
Laatst gewijzigd door Gast op 11 jul 2007, 09:30, 1 keer totaal gewijzigd.

Fikske
Lid geworden op: 16 dec 2003, 12:31
Locatie: W-O 1970

03 jun 2005, 18:39

Vooruit, dit is er weer eentje uit de oude doos, van tijdens of kort na de oorlog.
Mijn verhaaltjes zijn niet chronologisch gerangschikt, ik schrijf als ze in mijn herinneringen opkomen.
Soms hoor ik iemand iets zeggen over vroeger of gebeurt er iets dat mij aan een of ander voorval doet denken en dan gaat het ineens weer vlotter.


- 1946 -
Het koffieservies.


Als loodgieter/zinkbewerker maakt onze pa zinken buizen en dakvensters voor andere loodgieters en moeder helpt hem daarbij.
Onlangs is hij met zijn eenmanszaakje naar Brussel verhuisd in een oude huurgarage die als atelier werd ingericht.
Elke ochtend zijn onze ouders voor half acht al de deur uit en komen pas ’s avonds rond zeven uur weer thuis.
Mijn broer en ik zijn nog maar net negen en tien jaar oud en al wel veel alleen thuis.

Wanneer we om vier uur van school komen vinden we de grote sleutel van de voordeur terug op dezelfde plaats waar we hem die ochtend verstopt hebben, achter een losse plank van de deur in ons schijthuisje.
Onmiddellijk beginnen we aan de ons opgedragen huistaken.
Mijn eerste werk is het aansteken van de Leuvense stoof en het leegmaken van de asbak. Daarna moet ik naar de kelder voor het vullen van de kolenbus.
Mijn broer is al bezig met het schillen van de aardappels en het kuisen van de groeten die ma de avond daarvoor heeft klaargezet.
Daarna loop ik langs achter door onze tuin langs de boomgaard van René van Fritz naar de enige pomp met drinkwater die onze buurt rijk is. Omdat we ons huisje huren van deze rijke boer mogen we daar ons water halen.
Meer dan een halfvolle emmer kan ik niet dragen en daarom loop ik meerdere keren heen en weer tot de twee wit gelakte emmers die in ons washuis staan gevuld zijn.

Als de kachel eenmaal goed brandt en het wordt wat warmer in huis, maken we wat plaats op de keukentafel, draaien de vlam van de petroleumlamp wat hoger en beginnen aan ons huiswerk.

In de lente van 1946, kort na de bevrijding, is echt wit brood nog vrij schaars en duur.
Mijn vader heeft vernomen dat het in Kraainem bij Lomme Krol al te verkrijgen is en zijn moeder, mijn meter, zal er voor ons één kopen.
Donderdagnamiddag, als het geen school is, heb ik tijd genoeg om het te gaan halen vind pa.

’Vergeet dat wit brood niet te gaan halen, hé.’ Mil is al bang dat ik het vergeet.
’Ik weet het,’ zeg ik, ‘maar waar heeft pa dat geld nu gelegd om te betalen?’
Op de schouw zie ik niets liggen en op het marmeren blad van de enige kast in huis ook al niets.
Misschien wel in de kast?
Onderaan tussen de kasserollen en de borden is niets vinden. Dan maar in het bovenste deel kijken, de vitrinekast...
Ondertussen zit Mil al aan de keukentafel en is bezig met zijn huiswerk.

Ik ben net groot genoeg om één van de glazen deurtjes open te doen maar kan niet goed zien wat er op de bodem ligt.
Ha! Daar ligt precies iets.
Onder een stapel schoteltjes en kopjes van het porseleinen koffieservies ontwaar ik een dun pakje bankbriefjes!
Om erbij te kunnen ga ik op mijn tenen staan en trek me met één hand aan de rand van de kast omhoog...
Plots kantelt de vitrine lichtjes in mijn richting...
Ik schrik en probeer de kast terug rechtop te krijgen. Dat lukt maar half en als in een vertraagde film schuiven alle kopjes een borden naar mij toe.
Ik kan de kast onmogelijk loslaten anders word ik verpletterd.
De hele inhoud valt nu op mijn hoofd en schouders en stort kletterend neer op de rode stenen keukenvloer.

Mil krijgt ook een deel over zijn rug want hij zit pal achter mij aan tafel te schrijven.
’Hé, wat doe jij nu!’ Schreeuwt hij.
In een reflex is hij recht gesprongen en met vereende krachten slagen wij erin om de kast terug op haar plaats te krijgen.

’Aai, aai, aai,’ zijn de enige woorden die we de eerste ogenblikken kunnen uitbrengen en bij het zien van al die scherven op de grond beginnen we gelijktijdig hartstochtelijk te wenen.
Mijn hoofd doet pijn, maar dit is niets in vergelijking met de schade die ik heb aangericht.
Alles wat in de kast gezeten had lag nu in honderdduizend stukjes op de grond.
Heel de keukenvloer is bezaaid met gebroken porselein.
Kwistig over de grond verspreid liggen de bankbiljetten die enkele oude briefjes van tien miljoen Duitse oorlogsmarken blijken te zijn.
Een kleine blikken doos met koffiebonen is opengevallen en ook een grote fles met zuurstofwater heeft de crash niet overleefd.
Door mijn tranen heen zie ik enkele koffiebonen drijven in de zuurstofwaterplas.
Ze beginnen te sissen.
Mijn broer heeft het ook gezien. We kijken er verbaasd naar en vinden het zelfs een beetje grappig.
Het duurt echter maar even want bij het zien van de chaos lopen we naar buiten waar we op de stoep gaan zitten huilen van miserie.

Marie-Louise, een buurvrouw, ziet ons daar en vraagt bezorgd wat er gebeurd is.
Wij kunnen geen woord uitbrengen maar als ze door het raam naar binnen kijkt slaat ze vol verbijstering de hand voor haar mond.
‘Jongens toch, wat hebben jullie uitgestoken?’
Opnieuw barsten we in tranen uit.
We durven niet meer naar binnen kijken en lopen nerveus heen en weer voor het huis.
Slechts één gedachte spookt door ons hoofd: wat gaan onze ouders nu zeggen?
Het mooie servies was nog een huwelijkscadeau dat moeder kreeg van haar collega’s in het fabriekje waar ze voor de oorlog heeft gewerkt.
Het is, was, het enige waardevolle dat onze ouders bezitten.

Gewoonlijk komt ma met een tram vroeger naar huis dan pa en Mil gaat al naar de tramhalte om haar op te wachten. Gelukkig is ze alleen.
Ik zie ze samen het tuinpad afkomen en ma haar kop is rood van opwinding.
Als ze de puinhoop ziet laat ze zich moedeloos op een stoel neervallen.
‘Oh God, oh God, jongens toch…’ Jammert ze.’Hoe hebben jullie dat in Gods naam gedaan?’

Door mijn tranen heen vertel ik over het geld dat in de kast lag om brood te gaan halen.
’Leugenaar!’ Zegt ze, ‘er is geen geld in huis. Ge hebt zeker weer naar de suikerklontjes gezocht? Snoepen hé altijd maar snoepen!’ En in een opwelling van woede wil ze mij een oorveeg geven maar dat lukt maar half omdat ik nog net kan wegduiken.

Na een tijdje herwint ze haar kalmte, haalt een bezem en veegt alle scherven bijeen en vult er een grote verzinkte waskuip mee.
’Jullie pa zal heel erg kwaad zijn’ zegt ze, ‘je kan een dik pak slaag verwachten, ga al maar naar bed, ik zal proberen hem eerst wat te kalmeren als hij thuis komt.’
Dat is geen slecht idee, en zo vlug als we kunnen kruipen we in ons klein tweepersoonsbed.

Na een poosje horen we zijn zware stap op de asweg van het tuinpad en duiken nog dieper weg onder de lakens.
Een ogenblik blijft het stil in de kamer.
Dan horen we de sussende stem van ma maar plots, als een donderslag, klinkt er een luide vloek.
‘Waar zijn ze?’ Roept hij. ‘Nu is het genoeg geweest!’ Briesend stormt hij onze kamer binnen en smijt de dekens van ons af.
’Kom eruit!’ Beveelt hij, ‘moeten wij daarvoor zo hard werken terwijl jullie alles naar den duvel doen?'
Bevend van schrik staan we naast ons bed.
’Vooruit, maak jullie pakjes maar en ga ergens anders wonen. Ik wil jullie hier niet meer zien.’
Als van de hand Gods geslagen blijven we in een hoekje van de kamer staan.
Wat nu? Ik had een bolwassing verwacht, maar dit; buiten gesmeten worden voor iets dat ik niet expres gedaan heb?
Pa raast maar door, hij is ziedend van woede en werpt onze kleren en schoenen op de bedsprei en knoopt ze tot een bundeltje samen.

’Jullie zijn de nagels van mijn doodskist!’ ‘Ik kan niet verdienen wat jullie allemaal kapot maken.’ ‘Peins niet dat ik jullie nog langer zal eten ging geven...’ Zijn woede is buiten alle proporties.
Mil begint opnieuw te huilen en ma wil tussenbeide komen maar pa duwt haar onzacht opzij.

Heel die scène duurt slechts een paar minuten maar schijnt ons een eeuwigheid.
Als orgelpunt zwiert hij ons pakje met kleren de keuken in tot bij de voordeur.

Een wrokkig gevoel maakt zich plots van mij meester.
Als hij ons niet meer wil dan zullen we maar gaan.
Ik bijt op mijn onderlip om niet te huilen en stap resoluut naar de voordeur
‘Kom, Mil, we gaan in ons kamp in het bos wonen.’

Pa schrikt zichtbaar van deze reactie. Hij voelt dat hij te ver is gegaan.
Bliksemsnel springt hij me achterna en houdt me tegen.
’Héla manneke, waar gaat gij naartoe?’ Vraagt hij bijna vriendelijk.
De krop in mijn keel belet me om normaal te spreken.
’Weg...’ Stamel ik, 'weg,' en kan mijn tranen niet langer bedwingen.
’Kom maar binnen nu, ’t is al lang goed geweest.’ Sust hij.
Hij neemt me onder zachte dwang weer mee in de keuken.
’Nee, nee.., kom mee Mil.’Sputter ik nog tegen, terwijl ik eigenlijk blij ben dat we niet moeten gaan.
Nu komt ma tussenbeide. ‘Kom, kom, ’t is al lang goed’, moppert ze tegen pa en kijkt hem verwijtend aan.
De kwaadheid van pa smelt als sneeuw voor de zon..
We krijgen nog een kop warme melk voor het slapen gaan en er wordt met geen woord meer over het voorval gesproken.


Van het hele servies is enkel de porseleinen suikerpot ongeschonden overgebleven, omdat hij op het ogenblik van de ramp niet in de kast stond.
De verklaring is eenvoudig: bij gebrek aan echte snoep was suiker voor ons een lekkernij en daarom stopte ma die suikerpot weg in haar slaapkamer.

In 1993 zijn onze beide ouders gestorven. Ik wilde niks van meubels of huishoudgerief.
Alléén die suikerpot in doorschijnend porselein heb ik meegenomen.
Hij blijft voor mij een heel dierbaar souvenir.


--------------------------------
Opa Brombeer

03 jun 2005, 21:19

Fikske.

Proficiat.

En laat je door niets of niemand afschrikken. Gewoon verder doen zoals je bezig bent.

Brombeer