Kamperen ?
‘Dit jaar gaan we niet met vakantie, we hebben gewoon geen geld.’
‘Maar waarom ga je toch niet kamperen?’ Vraagt François, mijn werkmakker.
‘Kamperen?’ Vraag ik verbaasd. ‘Nee Suske jongen, daar moet ik thuis niet mee afkomen.’
‘Mijn vrouw is geen natuurmens en vooral, ze is erg bang van spinnen!’
‘Het kost omzeggens niks en jullie kinderen zullen het fantastisch vinden!’
De Sus heeft mijn gevoelige snaar geraakt.
‘Ach ja, de kinderen ... maar ik heb toch geen materiaal?’ Argumenteer ik flauwtjes.
‘Je mag alles van mij lenen, gratis!’ Is het prompte antwoord.
‘Ik weet niet, ‘k zal nog wel zien. Bedankt.’
Als ik er thuis over begin is mijn vrouwtje in alle staten.
‘Ge zijt zot zeker! Peinst ge nu echt dat ik veertien dagen op de grond ga slapen? Nee, dan blijf ik liever thuis!'
Ik voel dat het nu niet het goede moment is en besluit om vandaag niet verder aan te dringen. Als we dit jaar nog met vakantie willen gaan, zal ik het anders moeten aanpakken.
Die avond lig ik te wroeten in bed als de woorden van Sus me weer door het hoofd schieten: ‘... de kinderen zullen het fantastisch vinden!’
Dat is het! Ik moet de kinderen inschakelen!
De volgende ochtend bij het ontbijt zeg ik met een diepe zucht, richting kinderen.
‘Ja, mannen ... dit jaar kunnen we niet met vakantie gaan hoor ... ‘
‘En waarom niet papa?’ Klinkt het teleurgesteld in koor.’
‘ ... tenzij we met de tent op kamp zouden gaan.’
Onmiddellijk heeft Tineke mijn plannetje door. ‘Ha nee, je gaat de kinderen toch niet opstoken om ...’
Maar het is al te laat.
‘Oh ja! Kamperen met de tent. Joepie! Tof hé mams?’
Er is geen tegenhouden meer aan. De kinderen blijven maar zagen en elk tegenargument van hun moeder wordt door die drie snaken afgekraakt en onder een nieuwe laag zeuren en smeken bedolven.
‘Allé toe mamske, wij zullen helpen afwassen en eten maken en jij moet niks doen!’ Alsof ze dit allemaal zelf geloven, zo overtuigend klinken ze.
Uiteindelijk bezwijkt ze – lijk alle brave moeders doen – en zegt met een zucht: ‘Het is goed, maar slechts voor één keer hé. Als we volgend jaar weer beter bij kas zijn huren we een appartementje aan zee.’
Vandaag, 35 jaar later zijn onze kleinkinderen al heel wat ouder dan onze kinderen van toen. Zij gaan niet meer kamperen ... maar wij wel!
We gaan niet meer met de tent weliswaar maar met de caravan. En wie spreekt er nog niet van opgeven? Je mag twee keer raden ...
