Het is gewoon niet te geloven, dat er voor dat kleine strookje grond tussen de grote rivier en de grote weg een tijd geweest is, waarin de fiets onbekend was. In de Maaskant immers rijdt alles, zowel de oudjes van tachtig jaar als de kinderen van vijf, op de fiets. En met die kinderen is het een wonder, want ze kunnen alleen bij de trappers komen door links en rechts scheef te gaan hangen, zodat ook hun fiets naar links en naar rechts laveert, maar vooruit komen ze. De oude boeren rijden voor het merendeel op damesfietsen, terwijl de oude grondbezitters met hun dikke buikjes nog steeds de voorkeur geven aan de oude ‘Triumph’ met het hoge frame, en in het zadel klimmen met behulp van een opstapje of ‘step’ ter hoogte van de as van het achterwiel.
Het is werkelijk om te lachen, als men dan de fietsen van de stedelingen ziet, die glimmende gevallen, van allerlei speciale metalen gemaakt, met elektrische lampen en hun solexkes , met versnellingen, bijzonder vernuftige bagagedragers, kettingkasten, kilometertellers en meer van die belachelijke rommel. Dat zijn geen fietsen, maar speelgoed voor de benen. De echte fiets moet minstens dertig kilo wegen zei mijn vader altijd, en die kon het weten, want die fietste nooit. Ontdaan van alle lak, zodat er nog maar enkele sporen van te zien zijn, moet de echte fiets om te beginnen maar één pedaal hebben. En van het andere pedaal moet enkel de pin over zijn, die, glad geschuurd door de zool van de schoen, prachtig glanst en het enige glimmende is van het hele geval.
Het stuur, ontdaan van handvatten, moet niet stomweg haaks staan op het vlak van het wiel, maar moet minstens tien graden naar rechts of naar links afwijken. De echte fiets moet geen achterspatbord hebben, maar enkel een spatbord van voren, en daar moet een flink stuk van een autoband achteraan bengelen, liefst van rood rubber, om het opspatten van modder en slijk te verhinderen.
Er kan ook van achteren een spatbord zijn, wanneer de fietser het vervelend vindt, om bij regenweer zijn rug met een laagje modder bedekt te krijgen. Maar in dit geval moet het spatbord voldoende gebarsten zijn om de fietser in staat te stellen om op zijn Amerikaans te remmen, hetgeen daarin bestaat, dat er met het zitvlak van de broek van de fietser een voldoende wrijvingsweerstand op het achterwiel wordt uitgeoefend om het rijwiel tot staan te krijgen. De echte pedalo, zoals die de wegen van onze streek bevolkt, heeft geen rem en haar buitenbanden moeten allerwegen met stukjes oude rubber geplakt zijn, hetgeen via de veerkracht van de binnenbanden aan het geheel een werkelijk bezield schokken en rammelen geeft. Eerst dan maakt de fiets een werkelijk onderdeel van het landschap uit en wekt zij zelfs in de verste verte niet het idee dat ze door haar uitzonderlijkheid op zou willen vallen, zoals dit nu juist het geval is met de rare fietsen, die tegenover de echte fietsen afsteken als een of ander opgeprikt danseresje tegenover een brave en degelijke huisvrouw. Overigens als een stedeling die dingen nooit kunnen begrijpen, omdat de stedeling van de dingen des gevoels niets snapt. Die stedelingen, die tot aan hun oren in het zedelijk verderf steken, noemen een koe een rund, omdat het volgens hen niet beschaafd is om een koe een koe te noemen. En ze noemen het privaat ‘toilet’ of ‘W.C’, maar ze hebben zo’n ding in huis, terwijl ze in de Maaskant zonder meer van privaat spreken, maar het ver van hun huis houden, achter op de binnenplaats. Die met hun W.C. vlak naast de kamer, waar ze slapen of eten, mogen dan al vooruitstrevend zijn, maar zij, die het privaat buiten de plaats waar zij leven, houden, hebben beschaving. Het is minder gemakkelijk, minder elegant, maar het is fatsoenlijker.
In ons straatbeeld is de fiets even noodzakelijk als een paar schoenen, zelfs nog noodzakelijker, want terwijl iemand, die geen schoenen maar wel een fiets heeft, rustig overal met zijn bike naar toe kan, moet iemand, die schoenen maar geen fiets heeft, te voet gaan. Iemand zal misschien opmerken, dat dit ook voor de stad opgaat. Maar in de stad is het toch anders gesteld, want daar heeft men de tram, terwijl de wegen van het dorp geen rails rijk zijn, maar enkel, ingeprent in het stof, de rechte sporen van fietsen, karren en motorrijwielen, hier en daar doorsneden door het lichte kronkelspoor der ringslangen, op weg van de ene sloot naar de andere. Hopelijk staan er geen netels in!