Afdwalen kolder (deel II)
-
telloorlekker - Lid geworden op: 26 nov 2002, 17:46
Kwezel ! ... leedvermaakster... Nu heb ik echter tijd te kort, maar over "de zingende lat" gaan we het nog eens hebben. Als jij de broek draagt... 
-
T'Stropke - Lid geworden op: 26 jul 2004, 08:52
- Locatie: Gent
Ja, dat rietje (zweepje) ken ik ook nog Kwezel, en inderdaad ik heb het in mijn geval een leraar (een onkreukbare Jezuïet) nooit weten gebruiken, maar het lag er, verdorie goed zichtbaar, het lag er als het zwaard van Damocles. Ik heb zelf geen kleinkinderen, maar als ik er ooit krijg en ik kan nog het geluk beleven, ze naar hun eerste leerjaar te begeleiden, zou ik bijna wensen dat het rietje er terug zou liggen, oh ja nostalgie naar de strenge opvoeding? Het kan? Maar mede door dat rietje(zweepje) zijn wij geworden wat we nu zijn vind ik. Mensen die weten het verschil te kennen tussen losbandigheid en ordelijkheid, tussen verveling en niet weten wat eerst te doen, tussen schoolmoeheid en nog steeds op zoek naar nieuwe uitdagingen, ook tot mensen die nog eerbied hebben voor andere mensen, maar bovenal mensen die weten hoe zich te moeten gedragen in onze maatschappij. Ik wens jou en je kleinkind oprecht heerlijke tijden toe. Moge je Kleinkind dezelfde mooie levensnormen als jij leren kennen. Maar dat rietje op de lessenaar van mijn leraar, heeft bij mij geen blijvende letsels achtergelaten; Noch lichamelijk, nog geestelijk. Ik durf bijna zeggen. Integendeel.
'Als ik een zaak niet begrijp, is dat geen reden om te zeggen dat zij verkeerd is; het is veeleer een bewijs van mijn onwetendheid.'
- Cicero
- Cicero
-
Gast
Tussen de doodsberichten stond een bekende naam een tijdje geleden. Bij nader inzicht leek hij verdacht veel op mijn leraar Handenarbeid van vroeger. Niet dat we daar de handen uit de mouwen moesten steken maar het was een les die hoorde bij de Latijnse en aan handenarbeid had ik een broertje dood. De man had een engelengeduld met iedereen. Onvermoeid zwaaide hij de plak voor de klas en legde honderd keer hetzelfde uit als hem honderd keer dezelfde vraag was gesteld. En iedere keer vroeg hij opnieuw met een uitgestreken gezicht: “ begrijp je het?”
De man is op zeer hoge leeftijd onder een wagen gesukkeld. Wie zal het verklaren, hij die zo voorzichtig was en zo vermanend met de vinger omhoog op de gevaren van het leven kon wijzen. Een plotselinge overgang voor hem naar het hiernamaals, waarvan hij vijftig jaar geleden reeds de afbeelding op grote kartonnen kaarten bezat en waarover hij met ontzag en met eerbied vertellen kon. Engelen in lange witte jurken van wie je toch nog heel even de blote roze voeten kon zien, sloegen met slanke armen een stel witte wolken uit elkaar en daar zag je in de opening een oude witte man op een gouden troon op ons zitten wachten. Een saai bestaan voor een God die enkel om de tachtig jaar telkens moest zeggen: “Ha, ben je eindelijk daar!” Bij de begrafenis stond er zelfs een agent midden op de weg het verkeer te regelen. Had die dat nu enkele dagen eerder gedaan, maar je kan niet alles weten. De kerk zat nokvol alsof wel iedereen bij deze man in het vijfde ooit had gezeten. Een verrassend gevoel, en hoe ouder je wordt hoe minder appeal je hebt op het grote publiek. Als je dat nastreeft, kun je beter doodgaan op het totaal verkeerde moment.
Het was een erg donkere dag. Het najaar dat naar de winter schoof en zo waren dus ook de dagen geweest die ik mij nu ineens en heel sterk tot in het detail herinnerde. Van luciferdoosjes had hij een kerstkribbe gebouwd en het was onze opdracht er de mooiste ezel en de meest overtuigende herder bij te ontwerpen en te kleuren.
Bij de drie koningen kon je goud gebruiken en zilver. Enkel van mirre wisten we niet hoe de kleur was. Niemand van ons had ooit mirre gezien. De man zelf ook niet, doch hij redde zich door dit woord telkens met een zekere geheimzinnigheid en met ontzag uit te spreken. “Zij droegen mirre bij zich”. En dat vonden wij geweldig. Toen het kribbetje helemaal voltooid was en alle bewoners op hun plaats gekleefd stonden, zou eindelijk gaan gebeuren wat hij drie weken tevoren al had meegedeeld. Op de tweede dag voor Kerstmis, de middag vòòr de vakantie begon, zou het kribbetje worden uitgeloot. Wie het juiste nummer raadde, mocht het mee naar huis nemen. Met mirre en al. Ik heb tombola’s altijd gehaat. Anderen beweren dat het een rechtvaardig en waterdicht systeem is en de man zal dat zelf ook wel gedacht hebben, maar ik heb in dertig jaar nog nooit iets gewonnen en ik wist toen al dat ik thuis nooit met de mirre zou binnenkomen.
Gek dat ik daar zovele jaar later, toen de man begraven werd aan terugdacht. Het jongetje dat destijds de kribbe wél gewonnen had, zag ik niet. Hij heeft jaren lang bakken bier aan huis besteld, maar wat hij nu doet, weet ik niet. Hij zal toch niet die bewuste chauffeur geweest zijn die dag?
De man stak de weg over en niemand waarschuwde hem. Hij die de anderen altijd had tegengehouden en ‘sstsstsst’ had gezegd.
Hij moet nu wel alles weten van de engelen met de witte jurken en van de oude man in de gouden zetel, die 85 jaar op hem zat te wachten. Misschien leidt hij nu wel met een rietje het koor van de engelen. Als die er zijn natuurlijk! Salute!
De man is op zeer hoge leeftijd onder een wagen gesukkeld. Wie zal het verklaren, hij die zo voorzichtig was en zo vermanend met de vinger omhoog op de gevaren van het leven kon wijzen. Een plotselinge overgang voor hem naar het hiernamaals, waarvan hij vijftig jaar geleden reeds de afbeelding op grote kartonnen kaarten bezat en waarover hij met ontzag en met eerbied vertellen kon. Engelen in lange witte jurken van wie je toch nog heel even de blote roze voeten kon zien, sloegen met slanke armen een stel witte wolken uit elkaar en daar zag je in de opening een oude witte man op een gouden troon op ons zitten wachten. Een saai bestaan voor een God die enkel om de tachtig jaar telkens moest zeggen: “Ha, ben je eindelijk daar!” Bij de begrafenis stond er zelfs een agent midden op de weg het verkeer te regelen. Had die dat nu enkele dagen eerder gedaan, maar je kan niet alles weten. De kerk zat nokvol alsof wel iedereen bij deze man in het vijfde ooit had gezeten. Een verrassend gevoel, en hoe ouder je wordt hoe minder appeal je hebt op het grote publiek. Als je dat nastreeft, kun je beter doodgaan op het totaal verkeerde moment.
Het was een erg donkere dag. Het najaar dat naar de winter schoof en zo waren dus ook de dagen geweest die ik mij nu ineens en heel sterk tot in het detail herinnerde. Van luciferdoosjes had hij een kerstkribbe gebouwd en het was onze opdracht er de mooiste ezel en de meest overtuigende herder bij te ontwerpen en te kleuren.
Bij de drie koningen kon je goud gebruiken en zilver. Enkel van mirre wisten we niet hoe de kleur was. Niemand van ons had ooit mirre gezien. De man zelf ook niet, doch hij redde zich door dit woord telkens met een zekere geheimzinnigheid en met ontzag uit te spreken. “Zij droegen mirre bij zich”. En dat vonden wij geweldig. Toen het kribbetje helemaal voltooid was en alle bewoners op hun plaats gekleefd stonden, zou eindelijk gaan gebeuren wat hij drie weken tevoren al had meegedeeld. Op de tweede dag voor Kerstmis, de middag vòòr de vakantie begon, zou het kribbetje worden uitgeloot. Wie het juiste nummer raadde, mocht het mee naar huis nemen. Met mirre en al. Ik heb tombola’s altijd gehaat. Anderen beweren dat het een rechtvaardig en waterdicht systeem is en de man zal dat zelf ook wel gedacht hebben, maar ik heb in dertig jaar nog nooit iets gewonnen en ik wist toen al dat ik thuis nooit met de mirre zou binnenkomen.
Gek dat ik daar zovele jaar later, toen de man begraven werd aan terugdacht. Het jongetje dat destijds de kribbe wél gewonnen had, zag ik niet. Hij heeft jaren lang bakken bier aan huis besteld, maar wat hij nu doet, weet ik niet. Hij zal toch niet die bewuste chauffeur geweest zijn die dag?
De man stak de weg over en niemand waarschuwde hem. Hij die de anderen altijd had tegengehouden en ‘sstsstsst’ had gezegd.
Hij moet nu wel alles weten van de engelen met de witte jurken en van de oude man in de gouden zetel, die 85 jaar op hem zat te wachten. Misschien leidt hij nu wel met een rietje het koor van de engelen. Als die er zijn natuurlijk! Salute!
-
zandmannetje - Lid geworden op: 02 feb 2003, 23:15
- Locatie: Het land met meer ministers dan inwoners
Kwezeltje, hopelijk zien die engelen er anders uit dan deze...


Zo, dat was het dan.
Heb nog een goed leven en we zien mekaar misschien weer in de hel.
Tot zolang dan zal zandmannetje jou wel in slaap lullen !
Heb nog een goed leven en we zien mekaar misschien weer in de hel.
Tot zolang dan zal zandmannetje jou wel in slaap lullen !
-
Gast
In paradisum deducant te angeli …. We stonden bij elkaar om een oude vriend ten graven te dragen. Het gekke is dat je elkander pas terug ziet op droevige of op vrolijke bijeenkomsten. Dan begint iedereen dingen op te noemen wat we tezamen vroeger deden. Nu stonden we een beetje beteuterd hier …
We hadden er allemaal een naam voor. De een zei “Het is het noodlot.” De ander zei: “Het zal je gebeuren.” De oude vaste waarheid was er uiteraard ook: “Ga naar het andere eind van de wereld, als je uur geslagen is, dan vinden ze je toch.” Er was er zelfs een die alleen maar telkens opnieuw drie keer na elkaar vloekte. En dat was misschien het dichtst bij wat de priester zei: “God riep hem naar de overkant.” Het regende natuurlijk, zoals bijna altijd wanneer je een vriend uitgeleide moet doen. Daar is dit een prachtig land voor, regen, wind en kou, een grimmigheid alsof het nooit nog beter wordt. Je hebt mekaar in geen maanden nog gezien en daar sta je dan plots weer samen, in een kerkportaal, en je stelt elkaar de bijna heiligschennende vraag: “Hoe is het?” er was er zelfs één bij die antwoordde: “Met mij beter” en ik zag dat hij aan dit cynische antwoord grote behoefte had want een man kan geen tranen dulden, nietwaar.
Het kerkportaal was niet het milieu waar wij gewoon waren elkaar te ontmoeten; dat gebeurde aan witte tafeltjes buiten op het terras. Mannen en vrouwen die naar een mateloos groot weiland keken waar vliegtuigen neerkwamen en weer opstegen, witte en rode en blauwgele toestellen die je dan nakeek. Zwartberg was zo een vergaderplaats.
Toestellen met iemand aan de stuurknuppel, iemand die nog met de hand wuifde naar wie beneden bleven en die dan hoog in de wolken verdween.
Die wolken waren voor een stuk van jou en jij had er een onbeperkt en kameraadschappelijk genoegen in anderen mee te voeren naar terreinen die jou vertrouwd waren, naar witte en soms zwarte maar meestal blauwe wolken en naar stratocumulussen en naar corridors waar jij feilloos doorheen kon.
Ik hoor het je nog zeggen: “Kijk daar is nog een gaatje, daar gaan we doorheen!” doch meestal waren het grenzeloze blauwe en witte slagroomvelden waar jij doorheen vloog en ik als leek die naast je zat, kreeg zelfs de illusie van ‘O als hier wat gebeurt, dan vallen we op dons, dat kan geen kwaad.’ Jij beheerste dat witte toestel van jou alsof het een dinkytoy was. Ik voel de stuurknuppel nog in de hand en ik hoor je woorden nog: “Voilà, neem maar over, als je op dié twee naalden let, die moet je correct zien aan te houden, dan is alles oke.”
Het verschrikkelijke genot van hoog in de lucht een witte donsdeken naar je toe te zien drijven, je daarnaar te richten en die dan rechttoe rechtaan doormidden te klieven. Een verrukkelijk spel boven de dorpen van het vreemde land dat intussen geduldig onder ons door bleef schuiven.
Je schaterlach wanneer je ons erop wees hoever wij afgeweken waren. Wij die dachten dat we al die tijd de juiste koers hadden gehouden. Alleen jij had de juiste koers, vrijwel in alle dingen die je ondernam. Dat was trouwens je sterkte en het kameraadschappelijk ontzag dat je uitstraalde.
Een witte stip in de wolken. Ik weet nog hoe je urenlang ergens boven ons dorpje cirkelde en telkens opnieuw zocht je de lagere regionen op, steeds in cirkels draaiend omdat je scherpe oog naar iets aan het speuren was. Het verwonderde mij dat je het niet bleek te vinden en toen ik je dat uiteindelijk ook zei, antwoordde jij: “Als ik wil wél, maar als ik het vind, dan is het plezier van het te zoeken weg.” En dat was een stuk van jouw manier van zijn.
Een witte stip tegen de wolken. “Het noodlot”, zei iemand. Ach, laten we het daar maar bij houden, wat heb je aan de juiste naam? De onderzoekscommissie zal het wel vinden. Iets heeft er gefaald, techniek is slechts een wonder met gebreken. En als het verhaal juist is, dan moet jij nog tegen wie bij je zaten gezegd hebben: “Pas op, hou je klaar, daar gaan we!” maar waar je het toestel nog aan de grond wilde zetten, stond een zware eik in de weg en niet hij maar jij werd zoals een eik geveld.
Toen de priester heel op het laatst zei dat de engelen jou nu naar het paradijs zouden begeleiden, in paradisum deducant te angeli, toen zag ik jou in de cockpit de kaarten nemen en de punten aanduiden: “Kijk, dààr en dààr en dààr en dan is het recht op recht”. Jij was de man om zelf aan te duiden waar het paradijs precies lag. En dan was jij onaantastbaar zeker van je stuk.
Op je prentje staat: “Tegen de avond zei de Heer: Laat ons naar de overkant gaan.” Ik behoor nog tot de generatie die overtuigd is dat jij daar nu staat en dat jij ziet hoe wij naar je wuiven. En dankuwel roepen, maar dat wist je al, zonder al te veel woorden. Hou een plaats vrij aan de overkant, een mens weet nooit hoeveel eikenbomen er op zijn weg staan. Je zou soms uit de lucht vallen als je dat wist.
We hadden er allemaal een naam voor. De een zei “Het is het noodlot.” De ander zei: “Het zal je gebeuren.” De oude vaste waarheid was er uiteraard ook: “Ga naar het andere eind van de wereld, als je uur geslagen is, dan vinden ze je toch.” Er was er zelfs een die alleen maar telkens opnieuw drie keer na elkaar vloekte. En dat was misschien het dichtst bij wat de priester zei: “God riep hem naar de overkant.” Het regende natuurlijk, zoals bijna altijd wanneer je een vriend uitgeleide moet doen. Daar is dit een prachtig land voor, regen, wind en kou, een grimmigheid alsof het nooit nog beter wordt. Je hebt mekaar in geen maanden nog gezien en daar sta je dan plots weer samen, in een kerkportaal, en je stelt elkaar de bijna heiligschennende vraag: “Hoe is het?” er was er zelfs één bij die antwoordde: “Met mij beter” en ik zag dat hij aan dit cynische antwoord grote behoefte had want een man kan geen tranen dulden, nietwaar.
Het kerkportaal was niet het milieu waar wij gewoon waren elkaar te ontmoeten; dat gebeurde aan witte tafeltjes buiten op het terras. Mannen en vrouwen die naar een mateloos groot weiland keken waar vliegtuigen neerkwamen en weer opstegen, witte en rode en blauwgele toestellen die je dan nakeek. Zwartberg was zo een vergaderplaats.
Toestellen met iemand aan de stuurknuppel, iemand die nog met de hand wuifde naar wie beneden bleven en die dan hoog in de wolken verdween.
Die wolken waren voor een stuk van jou en jij had er een onbeperkt en kameraadschappelijk genoegen in anderen mee te voeren naar terreinen die jou vertrouwd waren, naar witte en soms zwarte maar meestal blauwe wolken en naar stratocumulussen en naar corridors waar jij feilloos doorheen kon.
Ik hoor het je nog zeggen: “Kijk daar is nog een gaatje, daar gaan we doorheen!” doch meestal waren het grenzeloze blauwe en witte slagroomvelden waar jij doorheen vloog en ik als leek die naast je zat, kreeg zelfs de illusie van ‘O als hier wat gebeurt, dan vallen we op dons, dat kan geen kwaad.’ Jij beheerste dat witte toestel van jou alsof het een dinkytoy was. Ik voel de stuurknuppel nog in de hand en ik hoor je woorden nog: “Voilà, neem maar over, als je op dié twee naalden let, die moet je correct zien aan te houden, dan is alles oke.”
Het verschrikkelijke genot van hoog in de lucht een witte donsdeken naar je toe te zien drijven, je daarnaar te richten en die dan rechttoe rechtaan doormidden te klieven. Een verrukkelijk spel boven de dorpen van het vreemde land dat intussen geduldig onder ons door bleef schuiven.
Je schaterlach wanneer je ons erop wees hoever wij afgeweken waren. Wij die dachten dat we al die tijd de juiste koers hadden gehouden. Alleen jij had de juiste koers, vrijwel in alle dingen die je ondernam. Dat was trouwens je sterkte en het kameraadschappelijk ontzag dat je uitstraalde.
Een witte stip in de wolken. Ik weet nog hoe je urenlang ergens boven ons dorpje cirkelde en telkens opnieuw zocht je de lagere regionen op, steeds in cirkels draaiend omdat je scherpe oog naar iets aan het speuren was. Het verwonderde mij dat je het niet bleek te vinden en toen ik je dat uiteindelijk ook zei, antwoordde jij: “Als ik wil wél, maar als ik het vind, dan is het plezier van het te zoeken weg.” En dat was een stuk van jouw manier van zijn.
Een witte stip tegen de wolken. “Het noodlot”, zei iemand. Ach, laten we het daar maar bij houden, wat heb je aan de juiste naam? De onderzoekscommissie zal het wel vinden. Iets heeft er gefaald, techniek is slechts een wonder met gebreken. En als het verhaal juist is, dan moet jij nog tegen wie bij je zaten gezegd hebben: “Pas op, hou je klaar, daar gaan we!” maar waar je het toestel nog aan de grond wilde zetten, stond een zware eik in de weg en niet hij maar jij werd zoals een eik geveld.
Toen de priester heel op het laatst zei dat de engelen jou nu naar het paradijs zouden begeleiden, in paradisum deducant te angeli, toen zag ik jou in de cockpit de kaarten nemen en de punten aanduiden: “Kijk, dààr en dààr en dààr en dan is het recht op recht”. Jij was de man om zelf aan te duiden waar het paradijs precies lag. En dan was jij onaantastbaar zeker van je stuk.
Op je prentje staat: “Tegen de avond zei de Heer: Laat ons naar de overkant gaan.” Ik behoor nog tot de generatie die overtuigd is dat jij daar nu staat en dat jij ziet hoe wij naar je wuiven. En dankuwel roepen, maar dat wist je al, zonder al te veel woorden. Hou een plaats vrij aan de overkant, een mens weet nooit hoeveel eikenbomen er op zijn weg staan. Je zou soms uit de lucht vallen als je dat wist.
-
zandmannetje - Lid geworden op: 02 feb 2003, 23:15
- Locatie: Het land met meer ministers dan inwoners
Kwezeltje,
na zo'n mooi ontroerend verhaal, zoals jij ze schijnbaar zonder moeite uit het toetsenbord weet te tokkelen, is het bijna heiligschennis dat ik hierop weer een stompzinnig commentaar ga geven.
Maar ik kan het niet laten, vergeef het mij, je kent me al langer hé?
In dat kerkportaal, het antwoord van de man "Met mij beter", hij wou er nog wat bijvoegen hoor, maar hij slikte het bijtijds in
"dan hij daarbinnen"...
na zo'n mooi ontroerend verhaal, zoals jij ze schijnbaar zonder moeite uit het toetsenbord weet te tokkelen, is het bijna heiligschennis dat ik hierop weer een stompzinnig commentaar ga geven.
Maar ik kan het niet laten, vergeef het mij, je kent me al langer hé?
In dat kerkportaal, het antwoord van de man "Met mij beter", hij wou er nog wat bijvoegen hoor, maar hij slikte het bijtijds in
"dan hij daarbinnen"...
Zo, dat was het dan.
Heb nog een goed leven en we zien mekaar misschien weer in de hel.
Tot zolang dan zal zandmannetje jou wel in slaap lullen !
Heb nog een goed leven en we zien mekaar misschien weer in de hel.
Tot zolang dan zal zandmannetje jou wel in slaap lullen !
-
Gast
Op een vrije dag ging ik maar naar de stad. Als ik eens naar het bankkantoor ging om die waardepapieren af te halen die ik gekocht had omdat je die kon aftrekken van de belastingen. Goed, daar ging ik dus naartoe. De man die achter de balie stond, had ik nog nooit gezien. Vermoedelijk hadden ze weer een nieuwe knaap ingehuurd en was de vorige naar Brussel geroepen. Een bevordering, maar je moest naar Brussel, zo is het altijd. “Haha”, zei de nieuwe man. “Haha, ik weet waarvoor u komt. En u wellicht ook.”
Allicht ja, dat wist ik verdorie goed.
“U weet dus wat er gebeurd is?” vroeg de man. Ik had er geen flauw benul van. Vermoedelijk waren ze weer eens van idee veranderd en was de som niet langer aftrekbaar. “Jawel, jawel,” zei de man, “jawel, dat is nog zoals de vorige jaren, maar u weet wellicht dat de filiaalhouder die dit kantoor openhield…” “Overleden is?” vroeg ik.
“Nee,” zei de man, “althans, dat weten wij niet, hij is met de noorderzon verdwenen en mét hem een heel stel papieren van klanten. Ook de uwe.” “Ge meent het,” zei ik.
“Toch wel,” zei de man, “toch wel. Ik vind het heel erg, onze instelling vindt het ook heel erg, maar de man is vooralsnog spoorloos.”
Kom, laat mij de pijnlijke details besparen, het was een rotdag. Ik liep dan maar naar buiten, zonder waardepapieren. Berooid, beroofd. Iemand had ze mij ontfutseld en zat daarmee nu misschien wel grote sier te maken aan de Azurenkust. Met mijn geld. Bedroefd liep ik naar mijn wagen. Daar stond een agent notitie te nemen van iets. “Hier mag u niet staan,” zei hij. Ik werd ineens heel boos. Ik wees naar de flatgebouwen aan de overkant en zei: “Kijk, daar hebben ze vorige week in acht appartementen ingebroken, in volle dag, en daar was u niet.”
“Neen,” zei de agent, “ik kan niet overal tegelijk zijn, hé.” Een ongunstige dag. Het machientje had het kunnen weten. Toen ik wegreed, leek het ineens of er een tank over het plein reed. Een tank met een kanon eraan vast. God, dacht ik, mijn knalpot. Ook dàt nog. Ik zag in de achteruitkijkspiegel hoe men mij geïrriteerd nakeek. Zeker weer een nietsnut van achttien die de auto van zijn vader aan het stukrijden is. Geen geld meer, waarschijnlijk ook nog een bekeuring van die agent die beter in het flatgebouw was gaan kijken en nu ook nog een pak lawaai achter mijn gat aan. Ik probeerde mezelf bij elkaar te harken. “Morgen gaat het beter,” zei ik luidop tegen mezelf. Het leek wel de Bond Zonder Naam. “Morgen gaat het beter.” iets in mij wilde antwoorden, een heel schampere opmerking, maar ik onderdrukte die. Lorre zal dat zelf ook wel hebben als hem iets tegenslaat. Wat die dan vloekt, zal ook wel nooit op de papieren gedrukt worden.
Allicht ja, dat wist ik verdorie goed.
“U weet dus wat er gebeurd is?” vroeg de man. Ik had er geen flauw benul van. Vermoedelijk waren ze weer eens van idee veranderd en was de som niet langer aftrekbaar. “Jawel, jawel,” zei de man, “jawel, dat is nog zoals de vorige jaren, maar u weet wellicht dat de filiaalhouder die dit kantoor openhield…” “Overleden is?” vroeg ik.
“Nee,” zei de man, “althans, dat weten wij niet, hij is met de noorderzon verdwenen en mét hem een heel stel papieren van klanten. Ook de uwe.” “Ge meent het,” zei ik.
“Toch wel,” zei de man, “toch wel. Ik vind het heel erg, onze instelling vindt het ook heel erg, maar de man is vooralsnog spoorloos.”
Kom, laat mij de pijnlijke details besparen, het was een rotdag. Ik liep dan maar naar buiten, zonder waardepapieren. Berooid, beroofd. Iemand had ze mij ontfutseld en zat daarmee nu misschien wel grote sier te maken aan de Azurenkust. Met mijn geld. Bedroefd liep ik naar mijn wagen. Daar stond een agent notitie te nemen van iets. “Hier mag u niet staan,” zei hij. Ik werd ineens heel boos. Ik wees naar de flatgebouwen aan de overkant en zei: “Kijk, daar hebben ze vorige week in acht appartementen ingebroken, in volle dag, en daar was u niet.”
“Neen,” zei de agent, “ik kan niet overal tegelijk zijn, hé.” Een ongunstige dag. Het machientje had het kunnen weten. Toen ik wegreed, leek het ineens of er een tank over het plein reed. Een tank met een kanon eraan vast. God, dacht ik, mijn knalpot. Ook dàt nog. Ik zag in de achteruitkijkspiegel hoe men mij geïrriteerd nakeek. Zeker weer een nietsnut van achttien die de auto van zijn vader aan het stukrijden is. Geen geld meer, waarschijnlijk ook nog een bekeuring van die agent die beter in het flatgebouw was gaan kijken en nu ook nog een pak lawaai achter mijn gat aan. Ik probeerde mezelf bij elkaar te harken. “Morgen gaat het beter,” zei ik luidop tegen mezelf. Het leek wel de Bond Zonder Naam. “Morgen gaat het beter.” iets in mij wilde antwoorden, een heel schampere opmerking, maar ik onderdrukte die. Lorre zal dat zelf ook wel hebben als hem iets tegenslaat. Wat die dan vloekt, zal ook wel nooit op de papieren gedrukt worden.
-
ED. - Lid geworden op: 16 okt 2003, 19:20
Wanneer ik geen onderwerp heb om over te schrijven, bekijk ik al de voorwerpen die voor mij op mijn werktafel liggen. Gewoonlijk ligt er daar wel iets dat mij inspiratie kan geven. Het zal noppes worden vandaag. Er heeft iemand mijn bureau opgekuist. De onverlaat heeft mijn muze,met al haar hebben en houden, in de vuilnismand gesmeten.
Eigenlijk, ben ik ook te moe om iets deftig te kunnen schrijven. Tot nu toe, heb ik al minstens vijf keer een correctie moeten doen. De ene tikfout na de andere. Mijn ogen vallen dicht en de leden ervan zijn zo zwaar aan het worden, als de kont van de Ezel van de Jef van Nazareth de bijzit van Marieke de niet geplekte ontvangeres en ik krijg dikke vingers die steeds maar twee toetsen tegelijk indrukken.
Ge ziet (komma) ik heb zelfs geen goesting meer om komma's te gebruiken. Alleen nog maar punten.Gewoon omdat er zo twee op mijn toetsenbord staan en ik té lui en te moe ben(komma) om naar die éne onnozele komma te zoeken.
Ik ben nu al tot tweemaal toe met mijn hoofd tegen mijn scherm in slaap gevallen. Jullie zien het! Ik begin hier serieus te zeveren. Ik beslis dan ook om geen woord op mijn glazen papier te zetten.
Dus al wat hier geschreven staat (komma) moet als onbestaande en als niet geschreven worden aanzien.
Ik ga slapen!..... ga slapen.... ! . slapen!.... apen!..... pen!.........
Eigenlijk, ben ik ook te moe om iets deftig te kunnen schrijven. Tot nu toe, heb ik al minstens vijf keer een correctie moeten doen. De ene tikfout na de andere. Mijn ogen vallen dicht en de leden ervan zijn zo zwaar aan het worden, als de kont van de Ezel van de Jef van Nazareth de bijzit van Marieke de niet geplekte ontvangeres en ik krijg dikke vingers die steeds maar twee toetsen tegelijk indrukken.
Ge ziet (komma) ik heb zelfs geen goesting meer om komma's te gebruiken. Alleen nog maar punten.Gewoon omdat er zo twee op mijn toetsenbord staan en ik té lui en te moe ben(komma) om naar die éne onnozele komma te zoeken.
Ik ben nu al tot tweemaal toe met mijn hoofd tegen mijn scherm in slaap gevallen. Jullie zien het! Ik begin hier serieus te zeveren. Ik beslis dan ook om geen woord op mijn glazen papier te zetten.
Dus al wat hier geschreven staat (komma) moet als onbestaande en als niet geschreven worden aanzien.
Ik ga slapen!..... ga slapen.... ! . slapen!.... apen!..... pen!.........
-
hermano - Lid geworden op: 17 mei 2004, 21:11
- Locatie: Aangespoelde
Tillie,
Zit die kerel niet uit de dagen want als hij in zijn pen kruipt en hij weet niets te zeggen dan begint hij mij toch weer van die vragen te stellen waarbij ik naar het antwoord kan fluiten, maar het komt toch niet.
Aan de familie van Ed,
Maak als de weerlicht dat zijn bureau terug vol ligt met het kan mij niet schelen wat. Dat jullie ordentelijk willen leven is jullie goed recht, maar daar moet ik toch niet voor boeten!
Ed,
Lui zijn is niet zo erg, ik heb je elders weeral uit de puree gehaald (als je die smerige troep tenminste puree zou kunnen noemen), we zijn weer bezig met je lievelingssport: verdriet verdrinken en je kent het spreekwoord “Is de drank in de man dan is de wijsheid in de kan”.
Zet die kan voor je PC en misschien komt er wel iets zinnigs uit.
“De luiste varkens krijgen de beste eikels” is een variant op “het paard dat de haver verdient krijgt hem niet”, dus wat je niet kreeg toen je daar stond te trappelen op dat schaakbord valt nu zomaar in je schoot.
Zorg dat je een handdoek hebt klaar liggen want “Lui zweet is rap gereed” en de eerste slechte periode van de dag is al voorbij, maar pas op voor de tweede: “Tegen den avond en de noen heeft de luiaard veel te doen”. Kruip ergens weg waar ze je niet kunnen vinden en je zult toch zacht liggen want “Luiheid is het oorkussen van de duivel”.
Zit die kerel niet uit de dagen want als hij in zijn pen kruipt en hij weet niets te zeggen dan begint hij mij toch weer van die vragen te stellen waarbij ik naar het antwoord kan fluiten, maar het komt toch niet.
Aan de familie van Ed,
Maak als de weerlicht dat zijn bureau terug vol ligt met het kan mij niet schelen wat. Dat jullie ordentelijk willen leven is jullie goed recht, maar daar moet ik toch niet voor boeten!
Ed,
Lui zijn is niet zo erg, ik heb je elders weeral uit de puree gehaald (als je die smerige troep tenminste puree zou kunnen noemen), we zijn weer bezig met je lievelingssport: verdriet verdrinken en je kent het spreekwoord “Is de drank in de man dan is de wijsheid in de kan”.
Zet die kan voor je PC en misschien komt er wel iets zinnigs uit.
“De luiste varkens krijgen de beste eikels” is een variant op “het paard dat de haver verdient krijgt hem niet”, dus wat je niet kreeg toen je daar stond te trappelen op dat schaakbord valt nu zomaar in je schoot.
Zorg dat je een handdoek hebt klaar liggen want “Lui zweet is rap gereed” en de eerste slechte periode van de dag is al voorbij, maar pas op voor de tweede: “Tegen den avond en de noen heeft de luiaard veel te doen”. Kruip ergens weg waar ze je niet kunnen vinden en je zult toch zacht liggen want “Luiheid is het oorkussen van de duivel”.
