Nostalgische verhalen …hier graag!

Literaire pareltjes van maatschappelijke gebeurtenissen.

Fikske
Lid geworden op: 16 dec 2003, 12:31
Locatie: W-O 1970

07 jul 2005, 07:53

Ach nu vergeet ik nog dat ik ook weer een verhaaltje klaar heb.

Diep in mij schuilt nog altijd een ‘klein kind’ , een KINNEKE zoals mijn vader dat in ons dialect noemde. Hij vond me een dromer en zei het dan ook te pas en te onpas tegen iedereen.

Toen mijn broer Mil hier eergisteren was en ik liet hem het volgende verhaaltje lezen zei hij smalend: ‘Ja en ge zijt toch nog altijd een kinneke gebleven ook hé?’

Hier komt het.


1950 - Het Vliegmachien !
-

Al vóór je veertiende van de schoolbanken geplukt worden om te gaan werken in het atelier bij je vader is geen pretje.
Na het achtste studiejaar mag je officieel van school blijven en de laatste grote vakantie kan je maar gerust op je buik schrijven. Pa heeft je nodig.

Plots moet je ‘ groot ’ zijn. Je krijgt een lange broek en blauwe werkkleren die maken dat iedereen duidelijk ziet dat je nu een man bent.
’s Avonds na de dagtaak mag je niet meer gaan spelen met de kinderen op straat of je wordt vierkant uitgelachen.
Alleen al zéggen dat je nog graag speelt is een doodzonde, ook al ben je in wezen nog een kind.

In tegenstelling tot mijn broer heb ik een nogal levende fantasie en wordt daarom vaak bestempeld als een dromer.
Als ik werk moet doen waarbij mijn volle aandacht niet vereist is gaan mijn gedachten naar de andere jongens van mijn leeftijd en vraag ik me af waar ze op dit ogenblik mee bezig zijn.
Wanneer mijn vader mij tijdens mijn mijmeringen betrapt zegt hij steeds: ‘ Droom zo niet en werk voort kinneke. ’ Dat woord: Kinneke is dan ook zijn favoriete scheldwoord geworden.

Pa kan maar niet verstaan dat mijn gedachten niet gedurig bij het werk zijn en dat ik vaak nog eens terugdenk aan de school en de tijd dat we nog met de kameraden gingen ravotten in het bos en langs de velden.
De tijd toen we nog konden gaan zwemmen in de kweekvijver of in de afgedamde beek bij het kerkhof.
De tijd als we nog op donderdagnamiddag ten strijde trokken met houten zwaard en katapult tegen de ‘ bende van de Beek ’. Allemaal vrij onschuldig want die ‘ strijd ’ was meestal een schijngevecht waarin we probeerden mekaar van een denkbeeldig paard te sabelen.
De tijd dat wij de cowboys waren en de ‘ Bekers ’ de indianen. De Bekers hadden pijl en boog en wij maakten uit houten plankjes revolvers en geweren die echt konden schieten met elastiekjes van confituurpotten of steriliseer bokalen.

Het lijkt nu plots allemaal zo ver weg.

Ik zie nog voor me hoe we op school deze krijgshaftige ontmoetingen bespraken en voorbereidden.
We fantaseerden er op los en de twee kampen probeerden mekaar te overbluffen met ingebeelde superwapens die we bij een volgende veldslag zouden gebruiken.
We maakten plannen om kannonen te bouwen en zelfs een vliegmachine waarmee we volgende donderdag de vijand van uit de lucht zouden bestoken.

De grootse plannen werden echter nooit uitgevoerd bij gebrek aan geschikt materiaal en het vakmanschap om het te realiseren.
Toch bleef het vliegmachineproject steeds door mijn gedachten spoken en tijdens mijn dagdromen brak ik vaak mijn hersens op alle mogelijke manieren om zo een ding echt te kunnen laten vliegen.
Op zekere dag kwam ik op een idee.

Met het spaargeld dat onze ouders al enkele jaren in eigen zaak hadden verdiend kochten ze het huisje van René van Fritz dat we tot nu toe hadden gehuurd.
Mijn vader die nogal handig was wilde de lelijke houten balken van het plafond nu eindelijk eens bedekken met dunne kartonnen ‘ Unalit ’ platen zodat het geheel er wat chiquer zou uitzien.
Blijkbaar had hij zich een beetje misrekend en bleef er nog wat overschot aan panlatten en platen.
Bij het zien van dit ‘ lichte ’ materiaal schoot mijn fantasie weer in gang en besloot ik toch één van mijn stoutste jongensdromen te verwezenlijken.
Door mijn atelierervaring kon ik nu al vrij aardig omspringen met hamer, zaag, trektang en ijzerdraad.
Op zolder vond ik een oude kinderkoets die als onderstel voor mijn vliegtuig zou dienen.
Vele zondagen verdween ik in het ‘ kot ’ achter ons huis waar ik zaagde en timmerde aan mijn ‘ uitvinding ’.
Hoe verder mijn werk vorderde des te meer raakte ik ervan overtuigd dat vliegen toch echt niet zo moeilijk kon zijn...

Een motor, dat was veel te zwaar en eigenlijk ook niet eens nodig want je hoefde maar naar de vogels te kijken hoe die met hun vleugels klapten en blijkbaar moeiteloos de lucht in stegen.
De Unaliten vleugels van mijn toestel waren bovenaan op de kinderkoets vastgemaakt met scharnieren en onderaan met dikke veren uit de matras van een oud strobed.
Als ik in de koets zat kon ik met twee waskoorden de vleugels omhoog trekken en door de veren kwamen ze weer in hun ruststand.
Door vlug en krachtig trekken zou ik heel veel lucht verplaatsen en opstijgen.
In theorie klopte alles!


De eerste ‘ proefvlucht ’ was niet erg succesvol want al trok ik met volle kracht aan de koorden; het toestel kwam geen centimeter van de grond.
Mil, mijn dertien maanden jongere broer lachte zich bijna en kriek toen hij me bezig zag.

Toch gaf ik de moed niet op. Ik was er heilig van overtuigd dat het wel zou lukken als ik wat snelheid kon halen door in volle vaart van een helling naar beneden te rijden.
Het idee kwam niet zomaar want ik herinnerde mij dat we kort na de oorlog een parachute gemaakt hadden van een grote Engelse vlag die we van één van de soldaten, waarvoor ons moeder altijd de was deed, gekregen hadden.
Aan elk van de vier hoeken van de vlag maakten we een touw vast en de uiteinden bonden we aan onze broeksriem zodat alles stevig rond ons midden zat.
Daarna sprongen we van de hoge zavelput aan de Lange Eik, ruim zes meter diep naar beneden en kwamen met een zachte plof in een dikke hoop malse zavel terecht. Wij hadden het gevoel van tijdens de val enigszins te blijven zweven door de luchtdruk onder de vlag.
Dit moest met mijn vliegtuig ook lukken. Tijdens mijn dagdromen maakte ik plannen om het uit te proberen.

Als ik in de kist van mijn vliegtuigje zit zal Mil mij een ferme duw geven zodat ik goed gelanceerd over de rand van de zavelput kan geraken en dan moet ik nog enkel hard aan de vleugels trekken, die door trekkracht van de veren terug naar beneden schieten en ik dan weer trekken, en lossen en trekken, op en af, en op en af, klep, klap, klepper , klapper... en vliegen als een vogel!
Doodsimpel !
Het gaf mij een heerlijk gevoel.

‘De Gène’ (Eugène) onze buurjongen en vroegere schoolkameraad kwam eens kijken hoe ver het met mijn werkzaamheden stond.
‘Zijt ge zeker dat hij zal vliegen?’ vroeg hij bedenkelijk.
‘Daar twijfel ik niet aan man. Volgende zondag gaan we hem uittesten aan de zavelput.’
De Gène was nu ook enthousiast. ‘ Vanuit de lucht gaan we dan de Bekers bestoken met aarden kluiten en emmers water en nog veel meer...misschien kunnen we vanuit de lucht zelfs op hunne kop k...en? Ha, ha, mannen dan gaan we lachen.’
De rest van de week zat ik te mijmeren over de mogelijkheden die we nu zouden hebben.

Als ik donderdagavond van het werk thuis kwam ging ik weer dadelijk achter ons huis om in het kot naar mijn machine te kijken. Eerst zag ik ze niet goed staan maar als mijn ogen wat meer gewend waren aan het duister kreeg ik een grote schok.
Helemaal in een hoek geduwd stond mijn creatie met slechts één vleugel, de andere was in twee gebroken en lag midden op de grond. Ook de kist was niet meer gaaf want er ontbrak een voorwiel en de as was verwrongen.
De krop in mijn keel belette mij om enig geluid uit te brengen. Ik snakte naar adem en zag hoe mijn droom hier voor mijn voeten aan diggelen lag.

Na enkele seconden maakte mijn teleurstelling plaats voor woede.
Wie anders dan mijn broer kon hiervoor verantwoordelijk zijn ?

‘ Mil! Waar zijt ge? ’ Schreeuwde ik en stoof razend de keuken binnen.
Instinctief wist ik dat Mil er voor iets tussen zat en vloog op hem af.
‘ Wat heb jij met mijn vliegtuig gedaan? ’ Brulde ik.
Hij dook langs de voordeur naar buiten en zocht dadelijk dekking achter de rug van mijn moeder die met mij van de tram naar huis was gestapt maar mijn vlugge tred niet had kunnen volgen.
‘ Wel wat is dat hier allemaal.’ Zei ze en hield mij tegen.
‘ Hij heeft mijn vliegmachien kapot gemaakt.’ Jankte ik vol spijt.
‘ Het is de schuld van De Gène, ’ riep Mil, nog steeds bescherming zoekend, ‘ hij kon niet wachten tot zondag en wij hebben deze namiddag je vlieger eens op straat uitgetest en toen we van de stoep reden viel het voorwiel er af en dan kantelde de kist en de vleugel brak in twee!’
‘ Och laat dat kinderachtig gedoe toch Roger.’ Suste ons ma. ‘ Ge zijt nu al veertien jaar en nog altijd zit ge met dat spelen in uwe kop.’
‘ Ge weet toch wat uw pa weer zal zeggen als hij hier van hoort?’

‘ Ja, ik weet het.’ : ‘ Kinneke, groot kinneke ! ’

Ik was diep, diep ontgoocheld en veel te moe om nog langer achter mijn broer aan te zitten.

Een verdere poging om vanaf de zavelput op te stijgen is er nooit meer gekomen.

Veel later pas besefte ik dat Mil en de Gène, door hun roekeloze nieuwsgierigheid, mij misschien het leven hebben gered.



---------------------------------------

telloorlekker
Lid geworden op: 26 nov 2002, 17:46

07 jul 2005, 08:15

Wie droomde er niet van op piloot te worden als ie jong was ? Tja, ik ook, maar later bleek dat ik een handicap had; een Jurionbrilletje moest mijn afwijking corrigeren. Maar toch was er hoop... Via via (een bevriend testpiloot destijds) kwam ik aan de weet dat ook brildragers konden vliegenier worden, zij het in de burgerluchtvaart. Mijn droom was dus nog niet vervlogen.
Op iets latere leeftijd had ik al mijn spaarcentjes bijeengeschaard en me ingeschreven in de vliegschool te Brasschaat. De cursus was toen 10 lessen lang, lessen van een vol week-end.
Dat er zoveel aan voorafgaat voor je van de grond af mag, wist ik voordien ook niet; maar je werd er niet dommer van, elk van die lessen kon je individueel in een andere hobby benutten, moch het "vliegen" je niet goed afgaan. Zo had ik, na die cursussen, een stel hobbies méér.
Maar lang heeft het niet mogen duren; mijn studies braken die droom aan diggelen. Net op het ogenblik dat ik een proefvlucht zou mogen meemaken met de instructeur kwam mijn eindexamen eraan. Tja, dan moet je kiezen hé... of hobby of toekomst ? Eenmaal het eindwerk in de vliegerij gemist, kon je van vooraf aan herbeginnen. En mijn budget was toen al helemaal opgesoepeerd door die "droom". En ik was die school ook al kotsmoe, dus eerst die lidkaart "economie" en nadien zien we wel.

Jaren nadien beklaag ik het me niet, geen piloot te zijn geworden. Eénmaal heb ik het mogen beleven een bijna-crash te hebben overleefd in een lijntoestel. Nou moe, sindsdien is mijn vliegangst gestegen in het tempo als die droom is verdwenen...

Bomi
Lid geworden op: 09 aug 2002, 20:54
Locatie: Hasselt

07 jul 2005, 09:48

Fikske en telloorlekker twee piloten in spé, wat hebben mannen toch altijd stoere dromen. Ik ben dan ook 'maar' 'n vrouw en zal er wel niets van begrijpen.
Fikske tegen jou zou ik willen zeggen bewaar je fantasie het maakt het leven een stuk makkelijker. Zelf kan ik ook nog altijd fantaseren zelfs tewijl ik de aardappelen schil. Wat ik dan bedenk schrijf ik later op en maak er gedichten en verhalen van. Twee vliegen in een slag he!.

Groeten van bomi.


Neem eens een kijkje op mijn blog,

http://blog.seniorennet.be/bomi



Afbeelding
Dankbaar met het verleden, je blik open voor het heden!

Bomi
Lid geworden op: 09 aug 2002, 20:54
Locatie: Hasselt

07 jul 2005, 11:48

Moeder komt naar buiten gelopen één hand tegen haar mond geklemd roepend “ Het is oorlog! O mijn God! O mijn God! Wat gaat er nu gebeuren? ‘ De mannen kwamen vroeger thuis dan normaal, het nieuws zorgde overal voor paniek.
Die avond werd er samen met de familie en buren beslist, ze zouden vluchten zo ver mogelijk weg van de vijand. Koortsachtig werden de nodige voorbereidingen getroffen, de vrouwen zorgden voor alles wat het huishouden aanging, de mannen voor het transport. Mijn vader en één van de ooms hadden twee herenfietsen aan elkaar gesleuteld, op de twee buizen in ’t middenstuk lag een stevige houten plank die dienen moest om zoveel mogelijk bagage op te stapelen. Ieder in de groep had een fiets bij de hand volgeladen met huisgerief. Alleen mijn moeder en een van de buurvrouwen stootten elk een wandelwagentje met soms één soms twee kinderen in. De bodem was nog volgestouwd met dekens waar ik als één van de twee kleinste op torende.

Het vertrek is me ontgaan, alleen weet ik dat we de ganse dag stapten duwden en trokken elkaar verder helpend waar nodig was. De grote wegen werden zoveel mogelijk gemeden, te gevaarlijk vonden ze. Een paar nachten kregen we onderdak op een boerderij in de hooischuur. Slapen gebeurde met de kleren aan en een deken over je heen. Wat me het meest bijgebleven is zijn de vroege morgens . Opstaan en regelrecht iedereen naar de waterput, de mannen haalden de emmer naar boven en de wasbeurt kon beginnen. Mannen in bloot bovenlijf de bretellen hingen over de broek omlaag, kinderen spetterden en maakten ook dan plezier. Her rare is dat er me van eten niets is bijgebleven, maakten de vrouwen het zelf, kochten ze het op de boerderij of kregen we het? Ik weet het niet meer.

Stappen en lopen dat was het enige wat telde, om de weg zo kort mogelijk te houden liepen we dwars door de weiden om zo het volgende dorp te bereiken. Uit de groep achter ons werd luid geroepen en gefoeterd, een van de buurvrouwen had in een koeienvla getrapt! De mannen hadden plezier en grinnikten, de vrouwen probeerden met een handvol gras de schade te herstellen. Die kleine tegenslag was snel vergeten toen even later de sirene in de verte bomalarm gaf. Iedereen sleepte de fietsen onder een boom en ging schuilen in een greppel tot het alarm afgeblazen werd. Op één van die schuilpartijen vlogen mijn neef en ik snel in een gracht, te laat merkten we dat er water in stond. Resultaat een uitbrander van de twee mama’s. Droge kleren gezocht en weer verder.

Hoe ver we al waren weet ik niet maar het was wel zo dat er vluchtelingen ons voorbij kwamen uit de andere richting. Informatie werd uitgewisseld toch trokken we verder. Mijn grootmoeder had haar been bezeerd was denkelijk ook doodmoe kon haast niet meer stappen. Geen probleem besloten de mannen, waar eerst de meeste bagage gelegen had op die dubbele fiets werd plaats gemaakt zo dat ze er kon zitten, gesteund door de hoop bagage. Voor de mannen een extra last. Het grote probleem was dat telkens er bomalarm was de bomma er niet al te zacht vanaf werd gehaald en aan de kant gedeponeerd. Jaren later werd er thuis door de kinderen nog mee gelachen ‘ Alarm bomma in de gracht! ‘ Je riskeerde wel een oorvijg want ook dat hoorde bij die tijd.

Méér en meer kwamen er ons mensen uit de andere richting tegemoet, we hoorden dan voor de eerste keer dat de Duitsers zich vóór ons bevonden en dat we bijna aan de Franse grens zaten. Het was een klein dorp, één grote straat met een paar uitlopers. Na overleg werd er beslist dat we bij de pastorij zouden aanbellen, de pastoor trok een bedenkelijk gezicht bij het aanhoren van ons verhaal maar was dadelijk bereid ons te helpen. Hij vergezelde ons naar de kleine feestzaal die de parochie rijk was. Op de scène liet hij door een paar inwoners uit het dorp stro uitspreiden daar konden we de nacht doorbrengen. Er werd geplaagd dat er beslist ratten in het stro zaten wat ons kinderen wel waar leek je hoorde alleen geritsel. Stadskinderen weten niet dat het stro altijd ritselt en kraakt.
Midden in de nacht was er bomalarm, de koster die vlakbij woonde kwam ons halen en bracht ons naar een schuilkelder, koud met dekens omgeslagen zaten we op elkaar gepakt in het donker. Mijn vader zat op een lage bank op elke knie een kind, mij en mijn broer, zijn sterke armen om ons heen. Boven onze hoofden hoorden we de kogels fluiten en doffere slagen van granaten. Angst was allesoverheersend, een van de dorpelingen bad in ’t Frans, wij in ’t Vlaams. Dat heeft zo geduurd tot het begon te klaren en het alarm werd afgeblazen. Iedereen opgelucht naar buiten, alleen mijn vader kon zich niet bewegen, zijn benen weigerden dienst. Door het lange zitten in dezelfde houding was zijn bloedsomloop gestremd. Een van de ooms en mijn grootvader hebben hem naar buiten gedragen met zijn rug in ’t door dauw natte gras gelegd. Hoe lang ze zijn benen gewreven en geplooid hebben weet ik niet maar na een tijdje was hij weer klaar om te lopen. De dorpelingen gaven ons iets te eten en er werd ons aangeraden rechtsomkeer te maken. Eén van hen stond via radio in contact met het geheime leger en bevestigde dat de Duitsers onze kant opkwamen.

Van de terugtocht herinner ik me niets. Raar maar waar, iedereen was moe denkelijk heb ik veel geslapen. Dichter bij huis is een van de buren op zijn fiets gesprongen en vooruit gereden om de toestand thuis te verkennen. De man bracht het nieuws dat onze straat vol stond met geparkeerde legervoertuigen die blijkbaar uit een andere richting Hasselt binnen getrokken waren. Dat beeld van die colonne zie ik nog altijd, hoef er mijn ogen niet eens voor te sluiten.
Toen begon de tijd van duister, ramen en deuren beplakt met donker papier en oude dekens zodra het begon te schemeren. Nog later het schuilen in onze kelder, omgebouwd als slaapruimte de plafonds verstevigd met treinbiels. Het keldergat afgesloten om maar geen licht door te laten.
Een kleine anekdote, onze buren die zelf geen kelder hadden kwamen bij bomalarm bij ons schuilen in de kelder. Op een nacht stond plots de buurman in z’n ondergoed bij ons in de kelder met zijn broek over zijn arm geslagen. Mijn vader vroeg waar zijn vrouw was, hij had haar gewoon vergeten! Dat was angst hebben.

Bomi

( 2004 )
Dankbaar met het verleden, je blik open voor het heden!

Bomi
Lid geworden op: 09 aug 2002, 20:54
Locatie: Hasselt

07 jul 2005, 20:57

Fikske bedankt, ik kan je niet bereiken, normaal als je op de naam klikt verstuurt outlook de mail maar hij weigert te verzenden. Sorry he!

Bomi
Dankbaar met het verleden, je blik open voor het heden!

Bomi
Lid geworden op: 09 aug 2002, 20:54
Locatie: Hasselt

08 jul 2005, 22:38

Dit is een gefantaseerd verhaal, ik heb al toe gegeven dat ik een grote fantasie heb, hopelijk zijn dit soort verhalen hier ook toegelaten anders hoor ik het wel.


Oosters ...


Je houdt de adem in en wacht gespannen af wat er gebeuren gaat. Al je poriën ademen de speciale zwoele sfeer in, er hangt mysterie in de lucht.
Op de achtergrond spelen de muzikanten meeslepende oosterse muziek, zachte klanken wervelen door de grote tent. Ze zijn met drie, één grote contrabas domineert de twee andere instrumenten die een stuk kleiner uitvallen. De man met de fluit kan zich op maat van de muziek ongehinderd voluit laten gaan, de artiest aan de tabla zit er vol overgave bij. Zijn benen gekruist, ogenschijnlijk rustig maar de handen fladderen vederlicht op de twee trommels over en weer. Samen geven ze het beste van zichzelf, hun kleding is van glanzend satijn. Ze zijn alle drie identiek gekleed, rode lange pofbroek en een zwarte bolero met gouddraad afgeboord. Hun gebruinde bovenlijven blinken, nat bezweet door de geleverde inspanning.

De tent is prachtig, op oosterse wijze komen alle zijpanden boven samen in een oplopende punt. Rondom is de binnentent versierd met verschillende lange panden in pastelkleuren. In het midden van de koepel wordt alles samengehouden door één grote gouden rozet, vanaf de buitenring vallen ze losjes naar beneden. Elk zuchtje tocht zorgt ervoor dat er ergens wel iets beweegt, zo dat het er op lijkt of de tent in haar geheel fragiel af en aan wiegt!
Eenvoudigweg prachtig!
De muziek gaat crescendo en iedereen voelt dat hét ogenblik waarop men wacht nabij is. Eén van de voile gordijnen klapt opzij en als een wervelwind komt een danseres de arena binnen gedwarreld. Een prinses uit duizend en één nacht, één met de muziek, haar lichaam zó perfect draait soepel in de juiste bewegingen.
De dame ‘ een schoonheid ‘ heeft naam en faam gemaakt als buikdanseres!

Het publiek zit op het puntje van zijn stoel, gefascineerd te kijken. De jonge vrouw betovert haar omgeving, het is zo mooi, het is af en ze weet het!
Ze vult de piste met haar dans tot in de kleinste hoekjes, aangemoedigd door de muziek. Haar lange zwarte haren zwieren mee in ’t rond, om haar voorhoofd draagt ze een versierde gouden band waar de parels onderaan hangen te bengelen. Rond haar lange slanke hals draagt ze een van gouddraad gevlochten halsband ook weer versierd met parels, waarvan er ééntje zo laag hangt dat hij tussen twee roomkleurige borsten mee op en neer wipt. De bustier is klein steunt en toont wat hij moet tonen, één grote belofte!

Het allerbelangrijkste is de navel, de spieren mooi strak, draait hij heen en weer. De heupen wiegen op de maat van de muziek, met er rond een navelband van dezelfde samenstelling als het halssnoer en de hoofdband. Daaronder fladderen alleen losse panden van doorschijnend tule, in dezelfde pastelkleuren als de bekleding van de tent. Opvallend zwieren ze in het rond, twee lange slanke benen tonen zich regelmatig tussen de panden door. Twee blote armen versierd met massa’s rinkelende armbanden bewegen mee op maat van de muziek, ze maken het geheel compleet!

Dat wezentje is niet aards, onmogelijk, niemand weet uit welke hemel ze is neergedaald.
Haar dansen is meeslepend, verleidelijk sensueel! Mannenharten kloppen extra luid, vrouwen zien wat ze eigenlijk niet willen zien, de perfectie! Dit is een sprookje, minutenlang zweeft de lieftallige verschijning al heupwiegend door de tent. De kleine voeten, bloot en geringd rond de enkels, zijn een attractie op zich, snel, precies en gracieus!
Als ineens de muziek stilvalt en de danseres dubbel gevouwen op de vloer ligt, de zwarte haren als een aureool rond haar gespreid, valt er even een ijzige stilte. Het publiek vergeet te ademen, heel even maar, dan barst er een applaus los zo groot, zo kolkend, zo onbeschrijflijk grandioos! Als één man veert het publiek recht en bezorgt de jonge godin een staande ovatie.
Langzaam komt ze recht en neemt op koninklijke wijze háár applaus in ontvangst als een vanzelfsprekend iets! De tabla roffelt zachtjes op de achtergrond, als om het applaus nog te ondersteunen. Telkens wanneer ze achter het gordijn verdwijnt wordt ze door aanhoudend handgeklap weer terug gehaald.

De droom wordt verbroken de illusie doorboord. Mensen verlaten de tent schuifelend met de voeten en met luide commentaren. Voldoening staat op alle gezichten te lezen, ze zagen wat ze verwacht hadden!
Zelfs méér dan dat!


Bomi,


12-06-04
Dankbaar met het verleden, je blik open voor het heden!

telloorlekker
Lid geworden op: 26 nov 2002, 17:46

09 jul 2005, 08:26

De tijd van de fabriek, nu academie, is lang vervlogen. De fabriek, ze staat er nog, maar niet alleen de oorlog had er een andere bestemming aan gegeven; onze burgt van destijds is nu -door het gemeentebestuur- omgetoverd tot die kunstschool waar heden geen les meer gegeven wordt in de kunst die wij toen beoefenden, het kattekwaad.

Onze jeugdbende was zo'n tien man sterk, zelfs meisjes stonden hun "man" in onze gelederen. Wij aanzagen hen meer als onze slaven dan de maagden die er nog inzaten. Zij mochten schoonmaken, helpen duwen waar nodig en voor de rest zich koest houden als wij plannen smeedden.
De fabriek -een door de oorlog half vernielde kousenmakerij- stond pal achter onze woonst, het consciergehuis. Dat vervallen bouwsel palmden wij in als "onze burgt", want "de bende van de blauwe vlam" moest toch een onderkomen hebben hé. Niemand waagde zich op ons terrein, zelfs de champetter niet. Enkel de gemeentearbeiders en de brandweer namen daarvan een deel in beslag; brandweerwagens en allerlei allooi was voor ons dan ook uitnodigend speelgoed. Een echte wagen, die -als je op een knopke duwde- ook nog durfde "broem, broem" doen... daar kon zelfs Sinterklaas niet tegenop. En als dat voertuig, ook door een andere handle uit te trekken, begon te janken stonden de mannen van de brandweer voor de zoveelste maal voor een gesloten poort. Zij hadden wel een sleutel, maar wij baricadeerden die poort langs binnen met dwarsbalken. Die syrene zette dan heel het dorpsplein in rep en roer, en wij maar gniffelen...
Maar, wij waren niet de enige jeugdbende in ons dorp. Uit de toenmalige sociale buurt kwam nog erger schorremorrie, en die hadden het meestal niet zo gezien in de "blauwe vlam" van de dorpskern. Die brachten messen en zeisen mee, knuppels en stokken en ander werptuig om ons te belagen. In onze burgt waren we wel veilig, we hadden stenen genoeg om mee te gooien, tot zelfs oude motorolie in vaten waarmee menige indringer -mocht hij toevallig toch binnengeraakt zijn- rijkelijk mee overgoten werd.
Eénmaal hadden ze ons wel te pakken; de gemeentearbeiders moesten de grote dubbele poort herstellen en hadden die daarvoor uit de hengsels gehaald. Owee, nu was ons clubhuis een lekkende zeef; iedereen kon ongestoord binnen. Door het kluwen van gangetjes, keldergewelven en de zoldering, waar alleen wij ons op waagden, konden we onze belagers toen wel afschudden. Niemand valt graag van vier hoog, want die zoldering was zo rot als mispel, wie niet uitkeek belandde zonder pardon door de rotte planken een verdieping lager. De planchee vertoonde hier en daar wél droge plekken, en zo konden wij ons dan ook daarover uit de voeten maken. Maar soms moesten wij ook, als de ratten, onder de gorringen en de panlatten gaan hangen; ene die ons daar trachtte te achtervolgen ontliep zijn definitief noodlot niet; een val van tien hoog... Bij mijn weten is er maar één die dat gewaagd heeft, maar daarna ook nooit meer. Hij kwam er gelukkig vanaf met enkele gekneusde ribben en een gebroken been.
En dan was er nog die fabrieksschouw... ons telecomsysteem. Om onze bendeleden op te trommelen; er waren erbij die vanuit het andere gehucht moesten komen, verbrandden wij ouwe vodden gedrenkt in motorolie. Dat gaf een geweldige zwarte rook, en de schouwpijp leidde die signalen zo hoog, dat dit zelfs in het naburige dorp kon waargenomen worden. Dan wisten onze leden dat ze dringend aanwezig moesten zijn.
Zoals gezien hadden wij aan communicatiemiddelen geen gebrek.
Maar nu is die "blauwe vlam" gedoofd; de bende bestaat niet meer... en ik vraag me af of ze zich zelf het nog wel allemaal kunnen herinneren; het is ook alweer zo lang geleden...
TLL

Fikske
Lid geworden op: 16 dec 2003, 12:31
Locatie: W-O 1970

09 jul 2005, 13:08

telloorlekker schreef:... Maar nu is die "blauwe vlam" gedoofd; de bende bestaat niet meer... en ik vraag me af of ze zich zelf het nog wel allemaal kunnen herinneren; het is ook alweer zo lang geleden...
TLL

Ja telloorlekker dit is pure nostalgie en zéér interessant om te lezen.

Oude fabriekjes waren in die tijd het speelterrein van menige jongen (en meisje).
Met een beetje fantasie werd het een heuse burcht die we met man en macht moesten verdedigen.

Ik denk heel vaak met weemoed terug aan die tijd en vraag me dan ook af of de anderen van toen er ook nog eens aan denken.
Door uw verhaaltje te lezen weet ik zeker dat er nog velen zijn die terugdenken maar ze kruipen daarom niet altijd in hun pen zoals wij doen.
Toch beleef ik veel plezier aan het opschrijven van die “heldendaden”.
Achteraf bekeken lijkt het allemaal een beetje banaal maar toch vind ik het prettig als mijn kinderen en kleinkinderen gretig deze verhalen lezen en vragen naar nog meer daarvan.

Fikske

telloorlekker
Lid geworden op: 26 nov 2002, 17:46

10 jul 2005, 08:33

Soldaatje spelen, dat konden wij als geen ander. Wij bezaten een heel arsenaal aan wapentuig wat de Duitsers in hun vlucht hadden nagelaten.
Zo zat er, verscholen achter de struiken aan een waterloopkronkel, een geschutskoepel ingegraven, tenminste dat wat zichtbaar was. Achteraf bleek het om een hele tank te gaan die verzonken was in de drassige bodem. Met vereende krachten en een aantal hulpmiddelen konden we toch de verroeste schutterskoepel open krijgen. Binnenin hadden we mogelijkheden zat om soldaatje te spelen; een complete uitrusting, zoals dat bij een tank hoort, was nog intakt. Aleen aan die lege obussen hadden wij niet veel, je kon ze hooguit gebruiken om op de schouw te zetten als bloemenvaas. Slagpinnen en andere minutie was niet meer voorradig, maar dat kon de pret niet drukken. Na enig wring en sleurwerk kregen we toch die geschutskoepel gedraaid, maar het struikgewas rondom belette ons de loop te kunnen richten naar het haantje van de kerk. Want naast het loopgat zagen we dat de hoek ongeveer met dat uitsteeksel zou uitkomen, en mochten we kruid hebben én de goeie gradatie, gegarandeerd was ie eraan gegaan. Maar niet dus...
Met ouwe vodden en smeerolie fabriceerden wij dan zelf maar "ons kanon". Vodden in brand, in de loop... de klep sluiten en afwachten maar...
" Willen jullie eens maken dat je daaruit komt ! " Hoorden we buitenaf roepen, " dit is geen speelgoed voor kleine kinderen... " Tja, dat wisten wij ook wel, dat moest de champetter ons niet komen vertellen.
"Kom ons maar halen, als je kan... " riepen wij in koor. De geschutskoepel hadden wij van binnenuit vergrendeld, geen veldwachter kon ons klissen, dat wisten wij wel zeker. Zij hadden de oorlog niet gewonnen, maar wij wel...
Wij hadden geduld, geen pakkeman blijft zolang staan op een drassige bodem; wij hadden alle tijd.
Even later hoorden wij "Nu is het welletjes geweest, als jullie niet maken dat jullie binnen één twee drie niet buiten zijt, zwaait er wat vanavond..."
Het drong tot ons door dat dit niet de stem van de veldwachter was, maar wel van ons vader. De veldwachter had hem ervan gaan verwittigen dat wij "vuurke stook" aan 't spelen waren... en als er iets was waar mijn vader een hekel aan had, was dit waarschijnlijk ook het commandement van enige hogere officier " VUUR !"... :lol:
TLL
Gast

10 jul 2005, 13:47

Vandaag is het de dag vóór 11 juli, de verjaardag van mijn zus die een pak jonger is en wellicht ook blozender maar dat doet er nu niet toe. :wink:
Laatst gewijzigd door Gast op 11 jul 2007, 09:36, 1 keer totaal gewijzigd.

Bomi
Lid geworden op: 09 aug 2002, 20:54
Locatie: Hasselt

10 jul 2005, 14:51

Awel Jef Breydel da was nog eens een om duimen en vingers af te likken.

Bomi

:) :) :)
Dankbaar met het verleden, je blik open voor het heden!

telloorlekker
Lid geworden op: 26 nov 2002, 17:46

10 jul 2005, 20:43

Die soephistorie van Jan Breydel lijkt me verdacht veel op dat van wat eens Nest Claes neerpende in een story van de Witte van Zichem. Alleen was het daar een peuter die zorgde voor een teveel van dat witte goedje... :lol:

telloorlekker
Lid geworden op: 26 nov 2002, 17:46

12 jul 2005, 09:20

" Pompier ? " Dat zei me wel iets. Mette, klusjesman van de brandweer, vroeg me of ik niet even wilde helpen met het koper poetsen. Kranen, spuitlansen, bedieningsknoppen... het moest allemaal blinken op den Dennis, het pomptechniekje dat ik zo graag z'n werk zag doen. Maar ik mocht niet schrobben op het scharlaken-rood van de tussenstukken, want dan blotte de verf eraf. Het was dus ook nog een secuur werkje.
Als de "blauwe vlam" eens niet in de buurt was, en er moest onderhoud gepleegd worden aan het alaam, stond de poort van onze burcht wagewijd open; dan was er wel een of andere die liep te sjouwen met rollen brandslang of met zakken bluspoeder.
"Maar je bent nog jong, ventje... " suste Mette me, "nog een tiental jaartjes en dan mag jij ook kraantjes draaien, zwengelen en spuiten !"
Zwanzen kon Mette als geen ander, het hoofdje op hol brengen met zijn heldhaftige blusdaden ook; maar ik ondervond weldra dat niet alleen water het ellement van pompiers was, ook ander vocht uit een plat fleske was ook de inspiratiebron van menige pompier. En bij Mette moest je dat niet vragen, je rook het vanop afstand. En als je bezweet van het poetsen even ophield, kwam hij op z'n sokken met dat plat ding te voorschijn, of ik ook niet even wilde proeven ?
In een van de werkmanskasten hing een briefje aan de binnenkant van de klepdeur " Pompier, bier... plezier". Ik herinner me het nog ter dege; het had ergens eens gebrand in het dorp, een heide- of schouwbrand of iets dergelijks. De wagens en aanhang rolden bij ons de koer op; vuil en vol modder aan de banden. De natte slangen werden uitgerold en de koperen koppelstukken kletterden op de keien. Dan was het een hels lawaai in de buurt; de helmen werden op die ijzeren kasten gezwierd, de botten en overalls zwierden ze nonchalant in de werkmanskamer, werd met deuren geslagen... ik zou denken, dicht is dicht, maar leg dat maar eens uit aan de ladderzatte spuitgasten. Het enige wat nooit sloot, de stoppen op de flessen... die bierflesjes slingerden na zo uitval ook welig op onze speelplaats. Menig achtergebleven druppelke had ik dan ook opgeslokt, want glas moest leeg zijn; je geeft tenslotte geen half bierflesje terug aan de brouwer...
TLL

Fikske
Lid geworden op: 16 dec 2003, 12:31
Locatie: W-O 1970

17 jul 2005, 07:54

We zitten volop in de zomervakantie, de grote uittocht is begonnen.
Vroeger hebben velen onder ons waarschijnlijk de mooiste vakanties in eigen streek doorgebracht.


1945 –1946 - Grote Vakantie –



Tijdens de zomervakantie, die zes weken duurt, zijn we heel vaak bij Tenne in Kraainem en mogen er soms ook logeren.
Een eigen kamertje hebben we niet maar dat lost Tenne wel op.
Boven, op de overloop van de trap naar de eerste verdieping, sleept ze een kafzak, een soort matras gevuld met gehakt stro, en daarop slapen we zonder moeite.
Hele dagen kunnen we gaan spelen met de vrienden die hier al bijna even talrijk zijn als thuis.

De pret kan niet op en Tenne, de kinderloze zus van ons moeder, is heel wat toleranter dan onze ouders.
Vaak gaat ze met ons wandelen in de “diepe straat”, een holle weg tussen de velden waar heel veel braambessen staan.
We nemen een rieten mandje mee, gevuld met lege confituurpotten, en al zingend trekken we erop uit en plukken de rijpe bessen.
Ik ken het liedje dat we bij het bessentrekken zingen al heel goed uit mijn hoofd:

‘* Krokebaaze, duimen di…iiik ! (* Braambessen)
‘Iedereen heeft zijn potje vol,’
‘Behalve ik en Jan de schrik,’
‘en Jan de luierik!’

Veel gaat er echter niet in onze potjes want de meeste rijpe bessen verdwijnen onmiddellijk achter onze kiezen.
Na verloop van tijd zien onze lippen blauw van het kleurige sap.

Soms maken we eens een papieren vlieger van oude kranten en rieten stokjes.
We bedelen bij Tenne om een klosje garendraad dat dik genoeg is om onze vlieger op te laten en trekken naar het pas afgemaaide korenveld van ‘Mon Pareing’.
Die rijke boer jaagt ons echter weg omdat hij vreest dat we niet enkel onze vlieger oplaten maar ook nog wat graanhalmen zullen ‘oogsten’ die na het maaien op de grond zijn blijven liggen.

Een andere keer trekken we naar laag Kraainem waar we achter het oude fabriekje gaan ravotten tussen het riet rond de Woluwe, een klein riviertje van ongeveer vier meter breed.
Een van onze beste vrienden ,Jef van Jeanne van Nee van Stans, heeft een lange boonstaak meegebracht. Jef was altijd al haantje vooruit, en daagt nu iedereen uit om na te doen wat hij kan.
Hij neemt een lange aanloop en gebruikt de boonstaak als een polsstok, plant hem midden in het water en wipt zichzelf naar de andere oever.

De rakker trekt de stok uit de modder naar zich toe en werpt hem als een speer weer naar de andere kant.
‘ Vooruit het is aan jullie nu . Wie is de volgende? Of durven jullie niet?’
De eerste die het ook eens gaat proberen is mijn broer Mil natuurlijk. Hij is de kleinste van de groep maar altijd de eerste als er iets nieuws te beleven valt.
Het volstaat om te zeggen: ‘Dat durf jij niet doen hé Mil?’, om hem dadelijk in actie te laten schieten.
Milleke neemt een korte aanloop en ploft de stok in het water.
Zijn kleine lichaam gaat met een soepele boog de hoogte in maar… zijn vaart mindert en hij blijft hangen boven aan de stok die ondertussen steeds dieper in de modder zakt.
‘Hé, help mij, ik zit vast!’ , brult hij, terwijl hij zijn benen om de stok slaat en probeert hogerop te klimmen.
Wat nu gedaan? Niemand durft in het vrij sterk stromend water gaan, dat bovendien nogal stinkt want heel wat rioolwater van de gemeente Sint Lambrechts Woluwe komt in de Woluwe terecht.
‘Ik krijg krampen.’ Roept Mil, ‘ik kan het niet lang meer uithouden...’
Hij glijdt al een stukje naar beneden…
‘Waggel met uw lijf!’ Roept Jef, ‘ge zult wel omvervallen.’

Mil begint nu heen en weer te bewegen en de stok buigt vervaarlijk door.
Tenslotte kantelt hij heel langzaam, als in een vertraagde film en zakt naar de overkant toe.
Mil grijpt zich snel vast aan het gras op de oever maar kan niet vermijden dat hij met zijn onderlichaam in het smerige water terecht komt.
Jef sleurt hem onmiddellijk aan de kant.
‘Bah, dat stinkt!’ Walgt Mil en begint dadelijk wat gras te trekken om het vieze goedje van zich af te wrijven.
Dat lukt niet zo best en we besluiten om allen terug te keren naar het oude fabriekje. Daar kunnen we via de voetgangersbrug weer samen langs dezelfde kant van het water komen.

Thuis bij Tenne vertellen we maar de halve waarheid en zeggen dat Mil is uitgeleden en zo in het water gesukkeld.
Nadat we door Tenne in de zinken waskuip gestopt zijn en weer op onze kafzak liggen, zien we er uit als twee engeltjes die nog nooit kattenkwaad uithaalden.
Wie tevreden is met wat hij heeft,
is de rijkste die er leeft.
Gast

17 jul 2005, 10:10

Helemaal niet mis, Fikske. Knap werk, maar ik kan moeilijk geloven dat er toen al "stinkende" rivieren waren omdat het rioolwater erin werd geloosd.
Is pas veel later begonnen toen men verplicht werd bij nieuwbouw aan te sluiten op het rioolnet omdat toen de waterleiding een geweldige opgang kende en dra gemeengoed werd.
Stilstaand water werd soms brak en stonk, maar beken en rivieren?
In alle geval doe zo verder Fikske. Zorro zal het met veel plezier afprinten.(cfr. Zandmanneke, Telloorlekker, Kwezel) :!: