Samen dichten, samen schrijven...
-
lila - Lid geworden op: 11 mei 2005, 18:55
- Locatie: West Vlaanderen
Een sleutelbloem
heb ik zomaar ontvangen
'k heb er niet achter gevraagd
de reuk heeft mij bevangen.
Een sleutelbloem
de sleutel tot een hart
omdat ik er maar één heb
maakt het me wat verward.
Een sleutelbloem
sta er mee te pronken
aan wie ik ze zal geven
maakt me liefde dronken.
Een sleutelbloem
wil ik aan je geven
gekregen van een vriend
zo blijft die in ons leven.
S.
heb ik zomaar ontvangen
'k heb er niet achter gevraagd
de reuk heeft mij bevangen.
Een sleutelbloem
de sleutel tot een hart
omdat ik er maar één heb
maakt het me wat verward.
Een sleutelbloem
sta er mee te pronken
aan wie ik ze zal geven
maakt me liefde dronken.
Een sleutelbloem
wil ik aan je geven
gekregen van een vriend
zo blijft die in ons leven.
S.
"Bezit je niet wat je op prijs stelt, stel dan op prijs wat je bezit."
-
Robol - Lid geworden op: 25 dec 2004, 14:48
- Locatie: Beringen
Lente
Gisteren weende de dag
nog druppels hoop
Vandaag
schrijft de zon
Lente
aan een wolkenloze hemel
Tussen morgen-
en avondrood
sluit ik mijn winterdroefheid op
in een eikenhouten koffer
met zeven sloten
Stevig…
Met een sleutelbloem
Robbe

Gisteren weende de dag
nog druppels hoop
Vandaag
schrijft de zon
Lente
aan een wolkenloze hemel
Tussen morgen-
en avondrood
sluit ik mijn winterdroefheid op
in een eikenhouten koffer
met zeven sloten
Stevig…
Met een sleutelbloem
Robbe

walk on with hope in your heart
And you'll never walk alone...
And you'll never walk alone...
-
Robol - Lid geworden op: 25 dec 2004, 14:48
- Locatie: Beringen
Een schrikkeljaar
Een tropisch jaar (de tijd die de aarde nodig heeft om in haar baan om de zon van lentepunt naar lentepunt te draaien) is niet exact 365 dagen. Het is 365 dagen, 5 uren, 48 minuten en 45,1814 seconden. Als men zich van dat verschil niets zou aantrekken en de duur van een jaar op 365 dagen zou afronden, dan zou men na vier jaar bijna een dag tekortkomen (preciezer: 23 uur en 15 minuten). We zouden dan oud- en nieuw te vroeg vieren; bijna een dag voordat de aarde werkelijk helemaal rond de zon is gegaan. Het toelaten van de afwijking zou tot gevolg hebben dat na langere tijd de seizoenen ten opzichte van het kalenderjaar gaan verschuiven.
Bron: wikipedia
mvg
Robbe
Een tropisch jaar (de tijd die de aarde nodig heeft om in haar baan om de zon van lentepunt naar lentepunt te draaien) is niet exact 365 dagen. Het is 365 dagen, 5 uren, 48 minuten en 45,1814 seconden. Als men zich van dat verschil niets zou aantrekken en de duur van een jaar op 365 dagen zou afronden, dan zou men na vier jaar bijna een dag tekortkomen (preciezer: 23 uur en 15 minuten). We zouden dan oud- en nieuw te vroeg vieren; bijna een dag voordat de aarde werkelijk helemaal rond de zon is gegaan. Het toelaten van de afwijking zou tot gevolg hebben dat na langere tijd de seizoenen ten opzichte van het kalenderjaar gaan verschuiven.
Bron: wikipedia
mvg
Robbe
walk on with hope in your heart
And you'll never walk alone...
And you'll never walk alone...
-
lila - Lid geworden op: 11 mei 2005, 18:55
- Locatie: West Vlaanderen
Mag ik hier ook eens mijn alfabet neerpoten
- Affeceern : goed vooruitgaan
- Buzze geevn: gas geven
- Commisie: boodschap
- Dilte: "zolder" boven stallen, dient op hooi/stro te stockeren
- Ertefretter: een zeurkous
- Frottn: wrijven
- Geel die santeboetik: heel dat zaakske
- hoehel: google
- In kweste zin: Ruzie maken
- Jattetoet: jazeker
- Kwetzoender: Ik ben benieuwd
- Lettre: weinig
- Mullepeehre/mot: klap in t gezicht.
- Neuten: Zagen
- Oalkartjeel: beerkar
- Pertanks: nochtans.
- Qontrarie: Integendeel
- Rutte: venster
- Sloare: sloor, arme vrouw
- Tettink: regenworm
- Ullewuppre: kroontjeswipper, flesopener
- Van tweistn: Dwars
- Wietie: onnozelaar
- Xie bekof: ben doopop
- Yunder: julllie
- Zeemtote: slijmbal, zagevent
- Affeceern : goed vooruitgaan
- Buzze geevn: gas geven
- Commisie: boodschap
- Dilte: "zolder" boven stallen, dient op hooi/stro te stockeren
- Ertefretter: een zeurkous
- Frottn: wrijven
- Geel die santeboetik: heel dat zaakske
- hoehel: google
- In kweste zin: Ruzie maken
- Jattetoet: jazeker
- Kwetzoender: Ik ben benieuwd
- Lettre: weinig
- Mullepeehre/mot: klap in t gezicht.
- Neuten: Zagen
- Oalkartjeel: beerkar
- Pertanks: nochtans.
- Qontrarie: Integendeel
- Rutte: venster
- Sloare: sloor, arme vrouw
- Tettink: regenworm
- Ullewuppre: kroontjeswipper, flesopener
- Van tweistn: Dwars
- Wietie: onnozelaar
- Xie bekof: ben doopop
- Yunder: julllie
- Zeemtote: slijmbal, zagevent
"Bezit je niet wat je op prijs stelt, stel dan op prijs wat je bezit."
-
Robol - Lid geworden op: 25 dec 2004, 14:48
- Locatie: Beringen
Dit sprookje las ik in een oud boek, zo’n 80 jaren oud, geschreven in oude spelling. Daarom moderniseer ik het een beetje. En hier en daar heb ik het een beetje aangepast…Het gaat over vogels…
Sprookje
De stilte ging geruisloos door het bos. De nacht was gans blauw en roerloos, met vele melkwitte sterren in de lucht en een groot stuk maan dat hoog en klaar boven de toppen van de bomen wandelde.
Het was een mooie nacht. De warmte van de voorbije dag sliep hier en daar nog in de takken van een oude boom, maar vanuit de grond kwam overal de verse frisheid naar omhoog. De bladeren op de grond hadden een straffe geur en bliezen de zomerwarmte van de voorbije dag uit, héél zacht om de bloemen niet te wekken. Die sliepen nu allen heel teer, de fijne blaadjes om hun gouden hartje gedekt. De grote, goede bomen stonden roerloos in de blauwe klaarte en soms was er een die in zijn slaap zoetjes iets vertelde, waar de anderen een stondeke naar luisterden en dan voortdroomden van warme zon en blauwe nachten, of lichte nevel en gezellige sneeuw. Ja, het was een schone nacht in het bos.
Plots! Een ritselen in de boomtakken…wat gebeurde er? Het was het gefladder van zes, zeven vogels in de takken van een populier. De bladeren op de grond hielden hun adem in, de slapende bloemen werden wakker, de bomen rekten zich uit en de paddenstoelen gingen op hun tenen staan om te zien of te horen wat er gebeurde. De stilte in het bos was weg.
Het was een bijzondere nacht. De vogels hadden afgesproken om een zangwedstrijd te houden. Een soort songfestival en de winnaar kreeg de titel van beste zangvogel. De populier was de rechter en gans het bosvolk was getuige. Daar zat de kleine nachtegaal naast de nederige mus. De plompe nachtuil en de kleurige paradijsvogel. De witte zeemeeuw en de geweldige adelaar.
De vogels zongen ieder om beurt. De nacht was blauw en roerloos met vele melkwitte sterren aan de hemel. Het was een pracht van een nacht.
“Tio-tio-tio,” zong de nachtegaal, “tio-tio-tio, de blauwe luchten van het zonnige zuiden…tio-tio-tio…de klare sterren boven de bergen met de blauwe sneeuw in de heldere maannachten…tio-tio-tio…de grote parken met ruisende olijfbomen en weidse palmen…tio-tio-tio- de stille vijvers met dromende zwanen…tio-tio-tio…het bronsgroene eikenhout…tio-tio-tio…”
Roerloos luisterden de bomen en de melkwitte sterren. Roerloos.
“Gorre” riep de adelaar, hij vloog op zijn beurt vooruit in de populier, dat de boom er van schudde en de bloemen er van sidderden “gorre…wie weet er van de eindloze lucht die groen is en ongemeten…gorre…van de onbereikbare bergtoppen en de donderende watervallen?...gorre…Van de zon die leven schenkt en van de wolken die medebewoners zijn van mijn luchtrijk…gorre…van de ontzachelijke diepten en kloven, waarin ik zweef…gorre…de rode zomeravonden, de zwijgende lentenachten…gorre…de woedende stormgevaarten, mijn speelgenoten …de wilde windstoten…gorre…wie…wie…wie?”
De bloemen sidderden en de paddenstoelen krompen ineen.
“Hoor! “ zei de paradijsvogel, hij draaide zich rond in het blauwe licht, dat prachtig zijn verenkleed bespatte…"hoor…en luistert allen…ik zing over de verre landen van overzee, waar de zon koningin is…die gaf me kleuren en parels. Laat me zingen van mijn geboortegrond en waar mijn vrouwtje me wacht…laat me zingen van de woestijn, waar de zon danst met het zand…laat me zingen van mandolines en glinsterende watervallen…van de mooie amandelkleurige vrouwen met zwarte ogen…Laat me zingen van de brullende leeuw en de zwijgende wouden…van dronkenmakende bloemengeuren, stikhete winden en groene manenschijn…Laat me zingen van mijn land, waar mijn vrouwtje wacht…”
De bomen luisterden roerloos. De sterren luisterden roerloos.
“Woehio!” deed de uil en hij schudde zijn grote kop en zijn ogen draaiden rond, met spookachtig sterrenlicht erin…”woehio…wie houdt de wacht als anderen slapen?...woehio…wie weet er wat van oude toren, van luidende klokken en knoestige bomen…woehio…als de ijzige stormwind zingt in de galmgaten…wie weet van de prachtige beiaardklanken…woehio…wie woont in het huis van de Schepper?...wie zweeft geruisloos door de nacht op zoek naar schamele prooi?...woehio…woehio…”
Terwijl de sterren blonken in zijn ogen luisterde het bos roerloos toe.
De witte meeuw fladderde naar voren en met gestrekte vleugels wiegde ze op een dunne tak. De bloemen, de planten rekten zich uit om ze beter te zien. ’t Was voor het eerst dat er een meeuw in het bos kwam.
“Zie…zie…” zong ze “weet gij van eindeloze vlakten…onpeilbare luchten…zie-zie…van bergenhoge golven en ongemeten diepten…zie-zie- van razende stormnachten en donderend gehuil…van smaragdgroene bliksems en ijlende wolken…zie-zie…de zee…de grote zee…bolle witte zeilen…zie-zie…dartelende dolfijnen…”
De bomen luisterden roerloos en roerloos luisterden de sterren.
Toen was het de beurt aan de simpele mus, die op een takje van de populier wipte. Toen ze hem zagen ging er gelach door het bos….de bomen…de bloemen…de sterren…
“Hoe zou zij zingen van grote en schone dingen…” schimpte de berk…”ze komt niet verder dan haar dakgoot!”
Het bos schaterde…de bomen, de bloemen, de sterren.
“Sjirp…” deed de mus en ze trok verlegen haar kopke in…”’t is niet lang en schoon dat ik ga zingen…sjirp…ik zing van een klein blond meisje…met blauwe oogjes en blote voetjes…sjirp…ze had me op een zekere morgen gevangen en toen ik angstig wilde wegfladderen…legde ze haar rozig-warme wangetje tegen mijn hoofd en kuste me héél, héél zacht…sjirp…Het kindje was zo mooi…met blonde haren, blauwe oogjes en roze voetjes…sjirp…Ik mocht eten uit haar hand en rusten op haar schouders…en iedere morgen kuste ze me zo teder…sjirp…maar laatst werd ze ziek en bleekjes…héél bleekjes…met blauw onder haar oogjes. …sjirp…als ze me voederde kon ik het zonlicht rood door haar dunne vingertjes zien..sjirp…en…sjirp…en toen het kindje op zekere morgen…sjirp…stil en wit lijk een engeltje liggen bleef, wierp men me buiten…sjirp…en sloot men het venster achter mij…ik schreide niet…sjirp…bij de dood van zijn moedertje schreit men niet…men zingt van het mooie…het goede van die blauwe oogjes…sjirp…die nu dicht zijn…dat bleke witte gezichtje…die twee roerloze handjes, die nu koud zijn…sjirp…men zingt van de liefde die je kreeg van je dode moedertje…sjirp…van grote en mooie dingen kan ik niet zingen…wel van sterven en liefde…sjirp…”
De bomen luisterden ademloos, de bloemen rilden en de sterren bleven roerloos.
Toen ging er een lange zucht door het bos en de witte vergeet-me-nietjes weenden elk een traantje…
De vogels vlogen geruisloos heen.
Het was een mooie nacht met blauwe manenklaarte.
Er was ’s morgens wat meer dauw dan op andere dagen…
Naar E. Van der Hallen
Robbe

Sprookje
De stilte ging geruisloos door het bos. De nacht was gans blauw en roerloos, met vele melkwitte sterren in de lucht en een groot stuk maan dat hoog en klaar boven de toppen van de bomen wandelde.
Het was een mooie nacht. De warmte van de voorbije dag sliep hier en daar nog in de takken van een oude boom, maar vanuit de grond kwam overal de verse frisheid naar omhoog. De bladeren op de grond hadden een straffe geur en bliezen de zomerwarmte van de voorbije dag uit, héél zacht om de bloemen niet te wekken. Die sliepen nu allen heel teer, de fijne blaadjes om hun gouden hartje gedekt. De grote, goede bomen stonden roerloos in de blauwe klaarte en soms was er een die in zijn slaap zoetjes iets vertelde, waar de anderen een stondeke naar luisterden en dan voortdroomden van warme zon en blauwe nachten, of lichte nevel en gezellige sneeuw. Ja, het was een schone nacht in het bos.
Plots! Een ritselen in de boomtakken…wat gebeurde er? Het was het gefladder van zes, zeven vogels in de takken van een populier. De bladeren op de grond hielden hun adem in, de slapende bloemen werden wakker, de bomen rekten zich uit en de paddenstoelen gingen op hun tenen staan om te zien of te horen wat er gebeurde. De stilte in het bos was weg.
Het was een bijzondere nacht. De vogels hadden afgesproken om een zangwedstrijd te houden. Een soort songfestival en de winnaar kreeg de titel van beste zangvogel. De populier was de rechter en gans het bosvolk was getuige. Daar zat de kleine nachtegaal naast de nederige mus. De plompe nachtuil en de kleurige paradijsvogel. De witte zeemeeuw en de geweldige adelaar.
De vogels zongen ieder om beurt. De nacht was blauw en roerloos met vele melkwitte sterren aan de hemel. Het was een pracht van een nacht.
“Tio-tio-tio,” zong de nachtegaal, “tio-tio-tio, de blauwe luchten van het zonnige zuiden…tio-tio-tio…de klare sterren boven de bergen met de blauwe sneeuw in de heldere maannachten…tio-tio-tio…de grote parken met ruisende olijfbomen en weidse palmen…tio-tio-tio- de stille vijvers met dromende zwanen…tio-tio-tio…het bronsgroene eikenhout…tio-tio-tio…”
Roerloos luisterden de bomen en de melkwitte sterren. Roerloos.
“Gorre” riep de adelaar, hij vloog op zijn beurt vooruit in de populier, dat de boom er van schudde en de bloemen er van sidderden “gorre…wie weet er van de eindloze lucht die groen is en ongemeten…gorre…van de onbereikbare bergtoppen en de donderende watervallen?...gorre…Van de zon die leven schenkt en van de wolken die medebewoners zijn van mijn luchtrijk…gorre…van de ontzachelijke diepten en kloven, waarin ik zweef…gorre…de rode zomeravonden, de zwijgende lentenachten…gorre…de woedende stormgevaarten, mijn speelgenoten …de wilde windstoten…gorre…wie…wie…wie?”
De bloemen sidderden en de paddenstoelen krompen ineen.
“Hoor! “ zei de paradijsvogel, hij draaide zich rond in het blauwe licht, dat prachtig zijn verenkleed bespatte…"hoor…en luistert allen…ik zing over de verre landen van overzee, waar de zon koningin is…die gaf me kleuren en parels. Laat me zingen van mijn geboortegrond en waar mijn vrouwtje me wacht…laat me zingen van de woestijn, waar de zon danst met het zand…laat me zingen van mandolines en glinsterende watervallen…van de mooie amandelkleurige vrouwen met zwarte ogen…Laat me zingen van de brullende leeuw en de zwijgende wouden…van dronkenmakende bloemengeuren, stikhete winden en groene manenschijn…Laat me zingen van mijn land, waar mijn vrouwtje wacht…”
De bomen luisterden roerloos. De sterren luisterden roerloos.
“Woehio!” deed de uil en hij schudde zijn grote kop en zijn ogen draaiden rond, met spookachtig sterrenlicht erin…”woehio…wie houdt de wacht als anderen slapen?...woehio…wie weet er wat van oude toren, van luidende klokken en knoestige bomen…woehio…als de ijzige stormwind zingt in de galmgaten…wie weet van de prachtige beiaardklanken…woehio…wie woont in het huis van de Schepper?...wie zweeft geruisloos door de nacht op zoek naar schamele prooi?...woehio…woehio…”
Terwijl de sterren blonken in zijn ogen luisterde het bos roerloos toe.
De witte meeuw fladderde naar voren en met gestrekte vleugels wiegde ze op een dunne tak. De bloemen, de planten rekten zich uit om ze beter te zien. ’t Was voor het eerst dat er een meeuw in het bos kwam.
“Zie…zie…” zong ze “weet gij van eindeloze vlakten…onpeilbare luchten…zie-zie…van bergenhoge golven en ongemeten diepten…zie-zie- van razende stormnachten en donderend gehuil…van smaragdgroene bliksems en ijlende wolken…zie-zie…de zee…de grote zee…bolle witte zeilen…zie-zie…dartelende dolfijnen…”
De bomen luisterden roerloos en roerloos luisterden de sterren.
Toen was het de beurt aan de simpele mus, die op een takje van de populier wipte. Toen ze hem zagen ging er gelach door het bos….de bomen…de bloemen…de sterren…
“Hoe zou zij zingen van grote en schone dingen…” schimpte de berk…”ze komt niet verder dan haar dakgoot!”
Het bos schaterde…de bomen, de bloemen, de sterren.
“Sjirp…” deed de mus en ze trok verlegen haar kopke in…”’t is niet lang en schoon dat ik ga zingen…sjirp…ik zing van een klein blond meisje…met blauwe oogjes en blote voetjes…sjirp…ze had me op een zekere morgen gevangen en toen ik angstig wilde wegfladderen…legde ze haar rozig-warme wangetje tegen mijn hoofd en kuste me héél, héél zacht…sjirp…Het kindje was zo mooi…met blonde haren, blauwe oogjes en roze voetjes…sjirp…Ik mocht eten uit haar hand en rusten op haar schouders…en iedere morgen kuste ze me zo teder…sjirp…maar laatst werd ze ziek en bleekjes…héél bleekjes…met blauw onder haar oogjes. …sjirp…als ze me voederde kon ik het zonlicht rood door haar dunne vingertjes zien..sjirp…en…sjirp…en toen het kindje op zekere morgen…sjirp…stil en wit lijk een engeltje liggen bleef, wierp men me buiten…sjirp…en sloot men het venster achter mij…ik schreide niet…sjirp…bij de dood van zijn moedertje schreit men niet…men zingt van het mooie…het goede van die blauwe oogjes…sjirp…die nu dicht zijn…dat bleke witte gezichtje…die twee roerloze handjes, die nu koud zijn…sjirp…men zingt van de liefde die je kreeg van je dode moedertje…sjirp…van grote en mooie dingen kan ik niet zingen…wel van sterven en liefde…sjirp…”
De bomen luisterden ademloos, de bloemen rilden en de sterren bleven roerloos.
Toen ging er een lange zucht door het bos en de witte vergeet-me-nietjes weenden elk een traantje…
De vogels vlogen geruisloos heen.
Het was een mooie nacht met blauwe manenklaarte.
Er was ’s morgens wat meer dauw dan op andere dagen…
Naar E. Van der Hallen
Robbe

Laatst gewijzigd door Robol op 29 feb 2008, 20:01, 1 keer totaal gewijzigd.
walk on with hope in your heart
And you'll never walk alone...
And you'll never walk alone...
-
gustilpe - Lid geworden op: 04 okt 2007, 20:52
- Locatie: vlaams brabant
Robbe,
een mooi en ontroerend verhaal.
Bij het lezen dacht ik, ik kies voor de paradijsvogel, maar nu ik alles gelezen heb kies ik voor de mus.
In onze tuin huizen zo'n 50 mussen, ik zal ze meer waarderen.
groetjes,
gustilpe
een mooi en ontroerend verhaal.
Bij het lezen dacht ik, ik kies voor de paradijsvogel, maar nu ik alles gelezen heb kies ik voor de mus.
In onze tuin huizen zo'n 50 mussen, ik zal ze meer waarderen.
groetjes,
gustilpe
vriendschap is het kostbaarste geschenk!
