Hilarische feestdagen
-
Gast
Zoals een jachthond plotseling aanslaat wanneer hij wild ruikt, zo verstijft de taalkundige af en toe bij de waarneming van een interessant taalfeit. Het is niet meteen zo dat met een taalkundige geen normaal gesprek te voeren is, maar die sluimerende waaksheid voor het meta-niveau van de conversatie vormt een inherent onderdeel van de linguïstische constitutie. Het is een bekend gegeven dat reclameslogans vaak een grammaticaal eigenaardigheidje bevatten om de aandacht te trekken van de argeloze luisteraar of lezer. Doorgaans betreft het een dubbelzinnigheid, zoals bij ‘de bus laat je niet staan’ of ‘in Leuven studeer je niet alleen’, of een opvallende constructie, zoals in ‘hou je van vlees, braad je in Becel’, waarbij het ontbreken van het woordje’dan’ opvalt. De (onbewuste?) gedachte van de reclamemakers is dat de grammaticale machine van de taalgebruiker net even hapert voor backtracking en daardoor een fractie van een seconde langer bij de uiting blijft hangen.
De term ‘jaloers’ heeft volgens het Groot Woordenboek der Nederlandse taal de basisbetekenis. Nog zoiets, lees ik daar een oude spreuk ergens aan de wand: ‘die vreest dat het gene dat hy lieft heeft aan eenen anderen gemeyn werde’. Van daaruit zijn twee gebruikswijzen ontstaan: de eerste is dat je niet kunt verdragen dat anderen iets hebben dat je zelf niet hebt (je bent jaloers op iets of op iemand vanwege iets), en de tweede is dat je niet kunt verdragen dat anderen iets willen hebben dat je zelf wel hebt. Deze laatste betekenis wordt alleen gebruikt in zaken van liefde of genegenheid (de jaloerse minnaar). Mooi citaat: ‘Die de schoonheid eener vrouwe... alzoo bemint, dat hij bekommert is, dat een ander die schoonheid mogt genieten, werd gezeid jaloersch te zijn’. Het gaat hier ‘bepaaldelijk’ om ‘zinnelijke liefde’, zoals het woordenboek fijntjes opmerkt.
In een item van het radiojournaal hoorde ik eens een nieuwslezer de volgende zin gebruiken: "Er waren honderden mensen die hun disks zagen worden vernietigd". Alhoewel het item over de opmars van de computervirussen handelde, is dit afgrijselijke feit verder aan mij voorbij gegaan. Mij interesseerde vooral de vraag als gevolg van wat voor virus ‘zagen worden vernietigd’ zo gek klinkt. Waarom klinkt ‘vernietigd zagen worden’ zoveel beter?
En zeggen dat mijn Dikke Van Daele ouderwets is geworden of ben ik het die zich niet kan aanpassen aan moderne woordspelingen? Doe mij maar een nieuw woordenboek in de bus!
De term ‘jaloers’ heeft volgens het Groot Woordenboek der Nederlandse taal de basisbetekenis. Nog zoiets, lees ik daar een oude spreuk ergens aan de wand: ‘die vreest dat het gene dat hy lieft heeft aan eenen anderen gemeyn werde’. Van daaruit zijn twee gebruikswijzen ontstaan: de eerste is dat je niet kunt verdragen dat anderen iets hebben dat je zelf niet hebt (je bent jaloers op iets of op iemand vanwege iets), en de tweede is dat je niet kunt verdragen dat anderen iets willen hebben dat je zelf wel hebt. Deze laatste betekenis wordt alleen gebruikt in zaken van liefde of genegenheid (de jaloerse minnaar). Mooi citaat: ‘Die de schoonheid eener vrouwe... alzoo bemint, dat hij bekommert is, dat een ander die schoonheid mogt genieten, werd gezeid jaloersch te zijn’. Het gaat hier ‘bepaaldelijk’ om ‘zinnelijke liefde’, zoals het woordenboek fijntjes opmerkt.
In een item van het radiojournaal hoorde ik eens een nieuwslezer de volgende zin gebruiken: "Er waren honderden mensen die hun disks zagen worden vernietigd". Alhoewel het item over de opmars van de computervirussen handelde, is dit afgrijselijke feit verder aan mij voorbij gegaan. Mij interesseerde vooral de vraag als gevolg van wat voor virus ‘zagen worden vernietigd’ zo gek klinkt. Waarom klinkt ‘vernietigd zagen worden’ zoveel beter?
En zeggen dat mijn Dikke Van Daele ouderwets is geworden of ben ik het die zich niet kan aanpassen aan moderne woordspelingen? Doe mij maar een nieuw woordenboek in de bus!
-
Gast
“Vanavond hoor je het vuurwerk knallen, zei mijn zoon, dus niet verschieten. Het hoort allemaal bij onze fuif die we geven.” Hij kan het weten want het is een echt feestbeest! Eeuwenlang voor het begin van onze jaartelling trachtten Mesopotamische astrologen de blauwdruk van de schepping uit de sterrenhemel af te leiden. Met een imponerende nauwkeurigheid namen zij verschijnselen in het firmament waar en probeerden die te duiden. Sommige hemellichamen vertoonden zich eenmalig, andere cyclisch terwijl nog weer andere onbeweeglijk in het zwerk geparkeerd stonden. Welk verband bestond er tussen wat daarboven gebeurde en wat zich hier beneden op aarde afspeelde?
Dat er een verband was sprak vanzelf. Zoals het voor mijn buurman ook volstrekt duidelijk is waarom er een gat in de ozonlaag zit: "Dat schiete ze der zellef in met die raket !"
Dat wat er daarboven geschiedde superieur was aan wat er op aarde gebeurde evenzeer. Die Assyrische astrologie is samen met de daaruit ontwikkelde getalsymboliek in het Oude Testament terecht gekomen. De christenen namen het op hun beurt weer over van de Joden. Vandaar dat de wereld in zeven dagen geschapen is, dat de vasten veertig dagen duurt, dat er vier evangelisten zijn, een voor elke windstreek, twaalf apostelen, voor elk uur een.
Het christendom is semi-dualistisch: er is een goede macht God en een kwade macht, de ‘duivel.’ Deze machten zijn echter niet gelijkwaardig. Het goede zal uiteindelijk het slechte overwinnen. Maar voor het zover is, worden wij mensen heen en weer geslingerd tussen beide tegengestelde machten. God is goed, de duivel is slecht. Licht is goed, want zonder licht is er geen leven. Dus staat de duivel voor de duisternis, want die symboliseert de dood. Reden waarom wij wit dragen als er feest is en zwart als wij rouwen.
Die zwart-wit, licht-donker, schoon-vuil symboliek is alom tegenwoordig. Ook het jaar is een weerspiegeling van de strijd tussen goed en kwaad. In de loop van vier seizoenen en twaalf maanden zien wij het licht winnen en verliezen. Met feesten moedigen wij het licht aan om het gras te laten groeien en onze oogsten veilig te stellen, met andere feesten trachten wij de duisternis te bezweren, belachelijk en daarmee onschuldig en onschadelijk te maken: vuurwerk, carnaval, midwinterblazen. Het is geen toeval dat de donkere periode op 11 november begint, het feest van Sint Maarten, de grootste Euro heilige, en dat die periode zijn dieptepunt bereikt in de nacht van 24 op 25 december. Vandaar ook dat het christendom, toen het een geboortedag moest kiezen voor Zijn Verlosser, Hem in die nacht geboren liet worden. Zoals men Zijn wegbereider, Jan de Doper, exact een halfjaar daarvoor het levenslicht deed zien op ... ‘midzomerdag.’ De Drie Koningen waren ook geen koningen, maar magiërs, dat wil zeggen dat zij konden lezen wat er in de sterren geschreven stond. Maar wat ze niet konden voorspellen of lezen, dat is welke spuit tegen de griep ieder jaar moet worden gezet. Verleden jaar had ik me tegen de griep van ‘Hongkong’ laten inenten en toen kreeg ik die van Singapore. Een ganse maand lag ik uitgeteld op de divan, het bed was de hele tijd bezet door mijn man of door mijn gesukkel. Dit jaar zet ik de griep een dikke neus, geen gespuit aan mijn lijf deze keer. Ik zal mij wapenen met een doos aspirine-C en een doos kamillethee. In nood mag en moet men dopen.
Dat er een verband was sprak vanzelf. Zoals het voor mijn buurman ook volstrekt duidelijk is waarom er een gat in de ozonlaag zit: "Dat schiete ze der zellef in met die raket !"
Dat wat er daarboven geschiedde superieur was aan wat er op aarde gebeurde evenzeer. Die Assyrische astrologie is samen met de daaruit ontwikkelde getalsymboliek in het Oude Testament terecht gekomen. De christenen namen het op hun beurt weer over van de Joden. Vandaar dat de wereld in zeven dagen geschapen is, dat de vasten veertig dagen duurt, dat er vier evangelisten zijn, een voor elke windstreek, twaalf apostelen, voor elk uur een.
Het christendom is semi-dualistisch: er is een goede macht God en een kwade macht, de ‘duivel.’ Deze machten zijn echter niet gelijkwaardig. Het goede zal uiteindelijk het slechte overwinnen. Maar voor het zover is, worden wij mensen heen en weer geslingerd tussen beide tegengestelde machten. God is goed, de duivel is slecht. Licht is goed, want zonder licht is er geen leven. Dus staat de duivel voor de duisternis, want die symboliseert de dood. Reden waarom wij wit dragen als er feest is en zwart als wij rouwen.
Die zwart-wit, licht-donker, schoon-vuil symboliek is alom tegenwoordig. Ook het jaar is een weerspiegeling van de strijd tussen goed en kwaad. In de loop van vier seizoenen en twaalf maanden zien wij het licht winnen en verliezen. Met feesten moedigen wij het licht aan om het gras te laten groeien en onze oogsten veilig te stellen, met andere feesten trachten wij de duisternis te bezweren, belachelijk en daarmee onschuldig en onschadelijk te maken: vuurwerk, carnaval, midwinterblazen. Het is geen toeval dat de donkere periode op 11 november begint, het feest van Sint Maarten, de grootste Euro heilige, en dat die periode zijn dieptepunt bereikt in de nacht van 24 op 25 december. Vandaar ook dat het christendom, toen het een geboortedag moest kiezen voor Zijn Verlosser, Hem in die nacht geboren liet worden. Zoals men Zijn wegbereider, Jan de Doper, exact een halfjaar daarvoor het levenslicht deed zien op ... ‘midzomerdag.’ De Drie Koningen waren ook geen koningen, maar magiërs, dat wil zeggen dat zij konden lezen wat er in de sterren geschreven stond. Maar wat ze niet konden voorspellen of lezen, dat is welke spuit tegen de griep ieder jaar moet worden gezet. Verleden jaar had ik me tegen de griep van ‘Hongkong’ laten inenten en toen kreeg ik die van Singapore. Een ganse maand lag ik uitgeteld op de divan, het bed was de hele tijd bezet door mijn man of door mijn gesukkel. Dit jaar zet ik de griep een dikke neus, geen gespuit aan mijn lijf deze keer. Ik zal mij wapenen met een doos aspirine-C en een doos kamillethee. In nood mag en moet men dopen.
-
Gast
Leven creëert vormen. Leven is een natuurlijk, evolutionair proces welke voortdurend vormen creëert. Deze vormen zijn deel van een organiserend proces die emoties, gedachten, en ervaring in een structuur belichaamd. Ook ordent het structuur in de existentiële gebeurtenissen van het bestaan. Het lichaam is een levend, creatief proces. Het is niet in de eerste plaats een object van bewustzijn, noch is het de materiële kant van de geest. Ons lichaam is geen klomp vlees, welke wij ronddragen of iets waaraan wij moeten proberen te ontsnappen. In de meest basale zin zijn wij onze lichamen, en in diepste zin, zijn onze lichamen een uitdrukking, microkosmisch gezien, van het creatieve organiserend principe van het universum.
Door de eeuwen heen heeft de mens zich ontwikkeld tot een onafhankelijke denker die zijn eigen bestemming kan bepalen, en ons huidige stadium van ontwikkeling kan worden gesymboliseerd door de held of strijder. In de legenden bezit de held vaak een zwaard, het symbool voor onderscheidingsvermogen, of een speer waarvan de punt wijsheid symboliseert. Zo gewapend gaat hij op pad in de door hemzelf geschapen wereld van zijn lagere natuur. Daar ontmoet hij al zijn oude gedachtepatronen en gewoonten in de gedaante van vijanden en zelfs monsters maar hij ontmoet ook vrienden, zijn zelf verworven deugden, die hem in zijn strijd steunen. Op zijn zoektocht moet de held zich bevrijden van alles dat zijn evolutieproces verhindert en hem belet zijn doel te bereiken, waaronder het monster of de vijand die in feite zijn huidige zelf is.
Het pad naar het hart van het heelal is één en toch voor ieder mens verschillend. De betekenis is dat ieder mens zelf dat pad is, dat pad dat bestaat uit gedachten en bewustzijn en uit het weefsel van je eigen wezen. Het is gebouwd uit de substantie van het hart van de natuur.
Stel op een mooie zondag besluiten veel mensen te gaan wandelen op een berg. Er zijn groepen jongere en oudere mensen en ook ambitieuze eenlingen, allen met uiteenlopende redenen voor hun tocht. Ze kiezen allemaal verschillende manieren om de top te bereiken, maar het doel is voor allen hetzelfde: hun namen schrijven in het boek van de bergtop. Sommigen zijn misschien al verschillende keren naar de top geweest, ze kennen de weg en de moeilijkheden. Sommige van hen kunnen adviezen geven die de minder ervaren klimmers al of niet kunnen volgen, dat is een kwestie van individuele keuze. Iedere wandelaar kan zijn of haar route zelf uitstippelen. Het evolutiepad van de mens lijkt op zo’n uitstapje. Tijdens elke kosmische dag zijn we pelgrims die reizen door een levend universum. Aan het einde van elke kosmische dag rusten we uit. Zoals nu dus, er is weer een lange dag ten einde en wat heeft hij voortgebracht? De mensen die we graag wilden zien, die hebben we ontmoet, mensen die we liever al eens ontlopen, die hebben we genegeerd. Aan ons lot ontsnappen we toch niet, wat voor ons weggelegd is, dat krijgen we toch. Nog verder een fijne avond!
Door de eeuwen heen heeft de mens zich ontwikkeld tot een onafhankelijke denker die zijn eigen bestemming kan bepalen, en ons huidige stadium van ontwikkeling kan worden gesymboliseerd door de held of strijder. In de legenden bezit de held vaak een zwaard, het symbool voor onderscheidingsvermogen, of een speer waarvan de punt wijsheid symboliseert. Zo gewapend gaat hij op pad in de door hemzelf geschapen wereld van zijn lagere natuur. Daar ontmoet hij al zijn oude gedachtepatronen en gewoonten in de gedaante van vijanden en zelfs monsters maar hij ontmoet ook vrienden, zijn zelf verworven deugden, die hem in zijn strijd steunen. Op zijn zoektocht moet de held zich bevrijden van alles dat zijn evolutieproces verhindert en hem belet zijn doel te bereiken, waaronder het monster of de vijand die in feite zijn huidige zelf is.
Het pad naar het hart van het heelal is één en toch voor ieder mens verschillend. De betekenis is dat ieder mens zelf dat pad is, dat pad dat bestaat uit gedachten en bewustzijn en uit het weefsel van je eigen wezen. Het is gebouwd uit de substantie van het hart van de natuur.
Stel op een mooie zondag besluiten veel mensen te gaan wandelen op een berg. Er zijn groepen jongere en oudere mensen en ook ambitieuze eenlingen, allen met uiteenlopende redenen voor hun tocht. Ze kiezen allemaal verschillende manieren om de top te bereiken, maar het doel is voor allen hetzelfde: hun namen schrijven in het boek van de bergtop. Sommigen zijn misschien al verschillende keren naar de top geweest, ze kennen de weg en de moeilijkheden. Sommige van hen kunnen adviezen geven die de minder ervaren klimmers al of niet kunnen volgen, dat is een kwestie van individuele keuze. Iedere wandelaar kan zijn of haar route zelf uitstippelen. Het evolutiepad van de mens lijkt op zo’n uitstapje. Tijdens elke kosmische dag zijn we pelgrims die reizen door een levend universum. Aan het einde van elke kosmische dag rusten we uit. Zoals nu dus, er is weer een lange dag ten einde en wat heeft hij voortgebracht? De mensen die we graag wilden zien, die hebben we ontmoet, mensen die we liever al eens ontlopen, die hebben we genegeerd. Aan ons lot ontsnappen we toch niet, wat voor ons weggelegd is, dat krijgen we toch. Nog verder een fijne avond!
-
Gast
Telkens ik op bezoek ga bij mijn meter ergens in het Maaslandse, rij ik even voorbij mijn oude school. Deze keer stond het gebouw in de steigers en zonder omhoog te kijken wist ik dat het dringend aan restauratie toe was. Over de speelplaats liepen vreemde mannen die daar niet thuishoorden. Zij deden nochtans alsof dat wel zo was en ze zeiden: “Haha, wie we daar hebben. Kent u de weg of willen we u gidsen?”
Vanboven klonk ineens een heel harde stem die riep: “Mevrouw, hela mevrouw, ja daar beneden met die blauwe jas aan, oppassen, niet onder de steigers doorlopen.” Een andere stem hoorde ik erbij komen die zei: “Wat mevrouw, niks mevrouw, dat is mijn moeder die hier vroeger naar school is gekomen.”
Ik herkende duidelijk de zangerige stem van mijn oudste zoon. “Hoe is het toch mogelijk,” riep ik terug, “jij hier in dit gebouw!” Fier als een gieter verduidelijkte hij mij dat hun firma de opdracht had gekregen om aan dit gebouw een nieuw uiterlijk te geven. Als het gebouw in de handen van hem was gegeven, dan kon je er donder op zeggen, dat het iemand was die met zijn hart restaureerde en zeker dit gebouw waar ik hem zoveel anekdoten over verteld heb.
Mij gidsen in het gebouw waarvan ik alle details tot in de meest duistere hoeken kende en er waren er velen . Ik had er zes jaar dwangarbeid uitgezeten en door een speling van het lot nog eens zovele jaren avondschool gevolgd. Je zou voor minder een trauma overhouden, doch voor mij werd het een stoffige kartonnen doos vol dierbare herinneringen. Eerst ging mijn vader er ooit naar school en ik volgde hem op omdat ik wilde weten hoe het in die school wel was. De vele verhalen van hem wilde ik van kortbij eens meemaken maar vlug besefte ik dat het er heel hard aan toe ging. Ze deden je daar heel de dag leren, oefenen en nog eens allerhande talen aanleren. Nog maar te zwijgen van het immense huiswerk dat je ’s avonds nog moest verzetten, bergen verbuigingen hebben ik moeten uit het hoofd leren. Accusatief en ablatiefjes, genitief en datief, spreken van nominatief en superlatieven, ezelsbruggetjes om qui, que, quod, ‘kiekekot’ te onthouden.
Dit gebouw stond nu in de steigers en ik wandelde echter niet door de gangen en klasruimten maar door mijn verleden. De trappen waren uitgesleten van de miljoenen keren op en af en op en af en weer op en weer af. De geur in de gangen hadden ze niet kapot gekregen, elke gang had nog zijn eigen identieke geur van straks zovele jaren geleden. Je kon er blijven middag eten, warm eten of soep alleen, je mocht er je meegebrachte boterhammekes met choco opeten en een consumptie gebruiken waarvoor je eerst een bonneke diende te kopen.
Ik zie nog de vrouwen die aardappelen schilden, bergen aardappelen want de jongens hadden allemaal reuze honger van die sportactiviteiten die je daar kon doen en van papieren vliegtuigjes door het raam te laten vliegen die dan op de geparkeerde auto’s terecht kwamen.
En dan de bel, wie had de bel weggenomen die je voor het eerst deed beseffen wat het was, ‘door merg en been, ‘ want daar drong het geluid doorheen. Men had ze weggenomen, wie had die afgehaakt? Wie had ze meegenomen als een souvenir naar huis? Had ik misschien recht op de bel?
Wanneer je stilstond in de gang waar de directeur en de hoogste leraren woonden en je durfde te hoesten, dan trilden al de ijzeren deurklinken mee en je hoest stierf pas uit wanneer die helemaal tot aan het andere einde van de gang was gerold. Dat was nu nog zo, en het leek wel of al degenen die er gewerkt hadden, met hun uit gewapend beton opgebouwde gezag, nu voor de gelegenheid meehoestten. Postuum, om te horen hoe afgrijselijk indrukwekkend dat toen geklonken moest hebben. Ik wilde de portier gaan groeten, tot ik bedacht dat de man al minstens vijfentwintig jaar dood moest zijn. Zijn naam, ik geloof dat hij Leo of Harry heette, in alle geval snuifde ik nog zijn sigaartjes die hij rookte waar de beeltenis van Guido Gezelle opstond. Ik kan mij nog perfect voorstellen hoe hij eruitzag en de directeur die noemden we meneer ‘Prefect’. De oude school, alles weg, zelfs de lokalen die genummerd waren om ieder uur van lokaal te veranderen, die klopten niet meer.
Plots haalde de zoon mij uit mijn gedachten, “Mam, we hebben nr 306 van binnen gezien, chique biologie en fysica lokaal en de kranen mam, zuurstof etc….afgewerkt met cromé die staan er nog op de tafels. En die schijf mam, waar je kan aandraaien tot alle kleuren wit worden, prachtige klas mam,…. tot vanavond.” Toen moest ik toch even een traantje wegpinken, moet kunnen.
Vanboven klonk ineens een heel harde stem die riep: “Mevrouw, hela mevrouw, ja daar beneden met die blauwe jas aan, oppassen, niet onder de steigers doorlopen.” Een andere stem hoorde ik erbij komen die zei: “Wat mevrouw, niks mevrouw, dat is mijn moeder die hier vroeger naar school is gekomen.”
Ik herkende duidelijk de zangerige stem van mijn oudste zoon. “Hoe is het toch mogelijk,” riep ik terug, “jij hier in dit gebouw!” Fier als een gieter verduidelijkte hij mij dat hun firma de opdracht had gekregen om aan dit gebouw een nieuw uiterlijk te geven. Als het gebouw in de handen van hem was gegeven, dan kon je er donder op zeggen, dat het iemand was die met zijn hart restaureerde en zeker dit gebouw waar ik hem zoveel anekdoten over verteld heb.
Mij gidsen in het gebouw waarvan ik alle details tot in de meest duistere hoeken kende en er waren er velen . Ik had er zes jaar dwangarbeid uitgezeten en door een speling van het lot nog eens zovele jaren avondschool gevolgd. Je zou voor minder een trauma overhouden, doch voor mij werd het een stoffige kartonnen doos vol dierbare herinneringen. Eerst ging mijn vader er ooit naar school en ik volgde hem op omdat ik wilde weten hoe het in die school wel was. De vele verhalen van hem wilde ik van kortbij eens meemaken maar vlug besefte ik dat het er heel hard aan toe ging. Ze deden je daar heel de dag leren, oefenen en nog eens allerhande talen aanleren. Nog maar te zwijgen van het immense huiswerk dat je ’s avonds nog moest verzetten, bergen verbuigingen hebben ik moeten uit het hoofd leren. Accusatief en ablatiefjes, genitief en datief, spreken van nominatief en superlatieven, ezelsbruggetjes om qui, que, quod, ‘kiekekot’ te onthouden.
Dit gebouw stond nu in de steigers en ik wandelde echter niet door de gangen en klasruimten maar door mijn verleden. De trappen waren uitgesleten van de miljoenen keren op en af en op en af en weer op en weer af. De geur in de gangen hadden ze niet kapot gekregen, elke gang had nog zijn eigen identieke geur van straks zovele jaren geleden. Je kon er blijven middag eten, warm eten of soep alleen, je mocht er je meegebrachte boterhammekes met choco opeten en een consumptie gebruiken waarvoor je eerst een bonneke diende te kopen.
Ik zie nog de vrouwen die aardappelen schilden, bergen aardappelen want de jongens hadden allemaal reuze honger van die sportactiviteiten die je daar kon doen en van papieren vliegtuigjes door het raam te laten vliegen die dan op de geparkeerde auto’s terecht kwamen.
En dan de bel, wie had de bel weggenomen die je voor het eerst deed beseffen wat het was, ‘door merg en been, ‘ want daar drong het geluid doorheen. Men had ze weggenomen, wie had die afgehaakt? Wie had ze meegenomen als een souvenir naar huis? Had ik misschien recht op de bel?
Wanneer je stilstond in de gang waar de directeur en de hoogste leraren woonden en je durfde te hoesten, dan trilden al de ijzeren deurklinken mee en je hoest stierf pas uit wanneer die helemaal tot aan het andere einde van de gang was gerold. Dat was nu nog zo, en het leek wel of al degenen die er gewerkt hadden, met hun uit gewapend beton opgebouwde gezag, nu voor de gelegenheid meehoestten. Postuum, om te horen hoe afgrijselijk indrukwekkend dat toen geklonken moest hebben. Ik wilde de portier gaan groeten, tot ik bedacht dat de man al minstens vijfentwintig jaar dood moest zijn. Zijn naam, ik geloof dat hij Leo of Harry heette, in alle geval snuifde ik nog zijn sigaartjes die hij rookte waar de beeltenis van Guido Gezelle opstond. Ik kan mij nog perfect voorstellen hoe hij eruitzag en de directeur die noemden we meneer ‘Prefect’. De oude school, alles weg, zelfs de lokalen die genummerd waren om ieder uur van lokaal te veranderen, die klopten niet meer.
Plots haalde de zoon mij uit mijn gedachten, “Mam, we hebben nr 306 van binnen gezien, chique biologie en fysica lokaal en de kranen mam, zuurstof etc….afgewerkt met cromé die staan er nog op de tafels. En die schijf mam, waar je kan aandraaien tot alle kleuren wit worden, prachtige klas mam,…. tot vanavond.” Toen moest ik toch even een traantje wegpinken, moet kunnen.
-
zandmannetje - Lid geworden op: 02 feb 2003, 23:15
- Locatie: Het land met meer ministers dan inwoners
Natuurlijk hoort er een zekere dosis geluk bij. Maar het is ook niet zo, zoals een bepaalde connaisseur hier eens kwam vertellen, dat hoe meer je betaalt hoe beter hij is. Dat is larie!
Ik heb het over een fles wijn. Die weer in enorme hoeveelheden gaat aangekocht worden om met de feestdagen binnengekieperd te worden. Want wijn is de favoriete drank geworden bij feestelijke aangelegenheden.
De prijs rijst de pan uit de laatste tijd, maar bij de niet zo prijzige soorten kunnen aangename verrassingen tussen zitten.
Komt daarbij nog dat een wijn die bij de BBQ gedronken wordt, niet van dezelfde kwaliteit hoeft te zijn als die geschonken wordt bij een kerstdiner.
Komt daarbij nog dat iedere mens een verschillende smaak heeft.
Ikzelf drink graag een iets oudere Bordeauxwijn, deze valt dan weer niet in de smaak bij mijn zoon en diens eega, die liever een fris jong wijntje drinken. Liefst een Montepulciano, uit zijn favoriete vakantieland Italië.
Mijn echtgenote zweert dan weer bij een Cote du Rhône of een Beaujolais.
Dat herinnert me aan de tijd, de manier waarop wij wijn zijn beginnen drinken. We gingen reeds geruime tijd met verlof naar Italië, en daar was een pintje bier behoorlijk prijzig. Een fles wijn daarentegen kostte slechts een habbekrats. "Ja, dan proberen we dat maar eens hé! Bah, doe daar eens de helft water bij zeg, niet te drinken!"
De hoeveelheden water erbij worden alsmaar kleiner, en we beginnen zowaar verschil tussen de soorten te proeven, soorten die we maar lukraak kopen, niet te duur maar niet te goedkoop ook niet, want die zal wel op niets trekken!
Tot wij DE wijn voor ons vinden, Barbera d'Asti del Piemonte, in een fles van 1 1/2 liter aan een schappelijke prijs. De oude wijnhandelaar in het dorp weet ons te vertellen dat dit nog een wijn is die gemaakt wordt zonder chemische toevoegingen. Mensen wat hebben we van die wijn wat weggezet, we moesten met ons zelf lachen om de tijd dat we water bij de wijn deden, letterlijk dan…
Mijn Italiaanse vriend Bruno, Allah hebbe zijn ziel (je ziet, ik ben reeds aangepast!) want hij is niet meer onder de levenden, heeft me dan verder op de hoogte gebracht van de soorten aldaar.
Zo ook in Spanje. We waren in een vakantiedorp in Villanova i la Geltru, in de streek van Penèdes.
In de chique centrale haciënda kon je aan een schappelijke prijs eten, en de prijs voor een fles plaatselijke wijn bedroeg tussen € 2,5 en € 8.
Ik zeg de prijs maar in euro, het was toen nog wel in peseta's...
We kiezen voor een fles van €3, kwestie van niet de goedkoopste te nemen, maar mensen lief!
Wij dachten dat ze ons een verkeerde fles gebracht hadden, en namen ons voor de rekening te controleren naderhand. Ongelooflijk lekkere wijn, en de prijs bleek juist zijn!
Maar in de weekends bleef je beter weg uit hun etablissement, want het eten was niet gaar ofwel aangebrand, en de fles wijn, hoewel dezelfde prijs, droeg een ander etiket en was van een andere kwaliteit. Dat lesje hadden we gauw geleerd.
Om op het heden terug te komen, een dezer dagen richt ik het stuur van de auto in de richting van Frankrijk, om daar mijn wijninkopen te gaan verrichten. Want op een of andere geheimzinnige manier kosten dezelfde flessen in België algauw 25% meer!
In een bepaald grootwarenhuis (ik maak geen reclame, maar de musketiers waren met 4) zijn ze tamelijk gespecialiseerd in wijnen, en voor elke soort hebben ze een keurlabel ingevoerd. De experten club hecht zijn goedkeuring aan de beste wijn voor de beste prijs.
En daarmee ben ik nog nooit bedrogen geweest...
Ik heb het over een fles wijn. Die weer in enorme hoeveelheden gaat aangekocht worden om met de feestdagen binnengekieperd te worden. Want wijn is de favoriete drank geworden bij feestelijke aangelegenheden.
De prijs rijst de pan uit de laatste tijd, maar bij de niet zo prijzige soorten kunnen aangename verrassingen tussen zitten.
Komt daarbij nog dat een wijn die bij de BBQ gedronken wordt, niet van dezelfde kwaliteit hoeft te zijn als die geschonken wordt bij een kerstdiner.
Komt daarbij nog dat iedere mens een verschillende smaak heeft.
Ikzelf drink graag een iets oudere Bordeauxwijn, deze valt dan weer niet in de smaak bij mijn zoon en diens eega, die liever een fris jong wijntje drinken. Liefst een Montepulciano, uit zijn favoriete vakantieland Italië.
Mijn echtgenote zweert dan weer bij een Cote du Rhône of een Beaujolais.
Dat herinnert me aan de tijd, de manier waarop wij wijn zijn beginnen drinken. We gingen reeds geruime tijd met verlof naar Italië, en daar was een pintje bier behoorlijk prijzig. Een fles wijn daarentegen kostte slechts een habbekrats. "Ja, dan proberen we dat maar eens hé! Bah, doe daar eens de helft water bij zeg, niet te drinken!"
De hoeveelheden water erbij worden alsmaar kleiner, en we beginnen zowaar verschil tussen de soorten te proeven, soorten die we maar lukraak kopen, niet te duur maar niet te goedkoop ook niet, want die zal wel op niets trekken!
Tot wij DE wijn voor ons vinden, Barbera d'Asti del Piemonte, in een fles van 1 1/2 liter aan een schappelijke prijs. De oude wijnhandelaar in het dorp weet ons te vertellen dat dit nog een wijn is die gemaakt wordt zonder chemische toevoegingen. Mensen wat hebben we van die wijn wat weggezet, we moesten met ons zelf lachen om de tijd dat we water bij de wijn deden, letterlijk dan…
Mijn Italiaanse vriend Bruno, Allah hebbe zijn ziel (je ziet, ik ben reeds aangepast!) want hij is niet meer onder de levenden, heeft me dan verder op de hoogte gebracht van de soorten aldaar.
Zo ook in Spanje. We waren in een vakantiedorp in Villanova i la Geltru, in de streek van Penèdes.
In de chique centrale haciënda kon je aan een schappelijke prijs eten, en de prijs voor een fles plaatselijke wijn bedroeg tussen € 2,5 en € 8.
Ik zeg de prijs maar in euro, het was toen nog wel in peseta's...
We kiezen voor een fles van €3, kwestie van niet de goedkoopste te nemen, maar mensen lief!
Wij dachten dat ze ons een verkeerde fles gebracht hadden, en namen ons voor de rekening te controleren naderhand. Ongelooflijk lekkere wijn, en de prijs bleek juist zijn!
Maar in de weekends bleef je beter weg uit hun etablissement, want het eten was niet gaar ofwel aangebrand, en de fles wijn, hoewel dezelfde prijs, droeg een ander etiket en was van een andere kwaliteit. Dat lesje hadden we gauw geleerd.
Om op het heden terug te komen, een dezer dagen richt ik het stuur van de auto in de richting van Frankrijk, om daar mijn wijninkopen te gaan verrichten. Want op een of andere geheimzinnige manier kosten dezelfde flessen in België algauw 25% meer!
In een bepaald grootwarenhuis (ik maak geen reclame, maar de musketiers waren met 4) zijn ze tamelijk gespecialiseerd in wijnen, en voor elke soort hebben ze een keurlabel ingevoerd. De experten club hecht zijn goedkeuring aan de beste wijn voor de beste prijs.
En daarmee ben ik nog nooit bedrogen geweest...
Zo, dat was het dan.
Heb nog een goed leven en we zien mekaar misschien weer in de hel.
Tot zolang dan zal zandmannetje jou wel in slaap lullen !
Heb nog een goed leven en we zien mekaar misschien weer in de hel.
Tot zolang dan zal zandmannetje jou wel in slaap lullen !
-
telloorlekker - Lid geworden op: 26 nov 2002, 17:46
Zandmannetje... begeef jij je niet op een gevaarlijk pad ? Was het niet de ega van Democrates die iets bij de wijn gevoegd had om hem tot andere gedachten te brengen. Was het niet een ietsje teveel ? Menige oudstudent van die literaire gedachtenis had wel meer van hem verwacht, maar hij is daarna door de flessehals getrokken, zij ega heeft er een stokje voor gestoken.
Wijn in flessen is alleen goed, als de prijs is navenant de smaak. Of het nu een Bojoléh grand cru of een Mirambeau Villages is maakt toch niet uit.
Ik heb me de laatste jaren wel toegelegd op kwaliteitsvruchten. Nee, niet die Sjovignons en andere merkwaardige produkten, maar dat wat onder de kurk zit. De bezitters van "vignerons" zal het een zorg wezen wat een oeneug zich afslooft om de kwaliteit daarvan op te leggen. De klant, de zuiper, bepaald de geaardheid van 'des goden's drank'.
Sinds enige tijd schuim ik alleen de grote winkelketens af, teneinde mij die wijntjes eigen te maken die nog jaren mee kunnen. Daar ikzelf al jaren met een "wijnen" geplaagd zit, moet me dit ook lukken hé... Ik heb er nog geen spijt van; hoewel het "drinken" bij haar vrij moelijk is. Zij heeft nooit iets dergelijks aangemaakt. Al wat ik daarbij smaak, lijkt op kurk. Maar het is haar vergeven, zij is al op jaren ...
"Goede wijn behoeft geen krans"... en dit geldt ook voor wat er ons aan import wordt voorgeschoteld. Het is evenwel de vatbeheerder, de futist, meer dan de geschoolde specialist, die ons -gebruikers- moet kunnen overtuigen van de kwaliteit van dergelijk wijntjes. Ik mag mezelf wel expert noemen, gezien ik al meer dan 37 jaar van 't zelfde vaatje drink. Zij is van Belgische origine met een vleugje Hollands axcent.
Wij, in de grensstreek, hebben meer van die smaken. Wij zijn -wellicht door meerderen op dat vlak voor Kwezels versleten- men minder bindingen en bouquet daaraan verknocht.
Nu begeef ik me wél op een gevaarlijk pad, dat weet ik. Waar "onze Kwezel" thuis is, waren vroeger... veel vroeger wijngaarden waar Julius z'n lippen van afdroop als ie bij onze Ambiorix iets anders wou dan het zelfgebrouwen gerstennat. Zij, Kwezel, zou daar menige futus de kriebels mee kunnen bezorgen... Maar zij is op geen enkele wijze bij dit debat betrokken... Benieuwd of zij daarvan terug heeft ?
TLL
Wijn in flessen is alleen goed, als de prijs is navenant de smaak. Of het nu een Bojoléh grand cru of een Mirambeau Villages is maakt toch niet uit.
Ik heb me de laatste jaren wel toegelegd op kwaliteitsvruchten. Nee, niet die Sjovignons en andere merkwaardige produkten, maar dat wat onder de kurk zit. De bezitters van "vignerons" zal het een zorg wezen wat een oeneug zich afslooft om de kwaliteit daarvan op te leggen. De klant, de zuiper, bepaald de geaardheid van 'des goden's drank'.
Sinds enige tijd schuim ik alleen de grote winkelketens af, teneinde mij die wijntjes eigen te maken die nog jaren mee kunnen. Daar ikzelf al jaren met een "wijnen" geplaagd zit, moet me dit ook lukken hé... Ik heb er nog geen spijt van; hoewel het "drinken" bij haar vrij moelijk is. Zij heeft nooit iets dergelijks aangemaakt. Al wat ik daarbij smaak, lijkt op kurk. Maar het is haar vergeven, zij is al op jaren ...
"Goede wijn behoeft geen krans"... en dit geldt ook voor wat er ons aan import wordt voorgeschoteld. Het is evenwel de vatbeheerder, de futist, meer dan de geschoolde specialist, die ons -gebruikers- moet kunnen overtuigen van de kwaliteit van dergelijk wijntjes. Ik mag mezelf wel expert noemen, gezien ik al meer dan 37 jaar van 't zelfde vaatje drink. Zij is van Belgische origine met een vleugje Hollands axcent.
Wij, in de grensstreek, hebben meer van die smaken. Wij zijn -wellicht door meerderen op dat vlak voor Kwezels versleten- men minder bindingen en bouquet daaraan verknocht.
Nu begeef ik me wél op een gevaarlijk pad, dat weet ik. Waar "onze Kwezel" thuis is, waren vroeger... veel vroeger wijngaarden waar Julius z'n lippen van afdroop als ie bij onze Ambiorix iets anders wou dan het zelfgebrouwen gerstennat. Zij, Kwezel, zou daar menige futus de kriebels mee kunnen bezorgen... Maar zij is op geen enkele wijze bij dit debat betrokken... Benieuwd of zij daarvan terug heeft ?
TLL
-
Gast
Over de markten afdwalen dat doe ik wekelijks om mijn allesziende ogen de kost te geven en ook mijn grote oren vangen dikwijls larie op. Is het altijd wijsheid of proberen mensen wijs te doen, ik weet het niet. Soms is de wijsheid na veel wijselijke neutjes te hebben genoten, in de kan want zeg nu zeg: drank in de man, de wijsheid gaat uit de man!
“Had ik vroeger maar gestudeerd, dan zat ik hier nou niet, dan zat ik nu lekker op kantoor met en blonde griet op mijn knie.” De man die deze late spijtbetuiging aflegde, had een kraam op de markt in het stadje, waar ik al lang niet meer geweest was. Een wellustige kraam was het, ze puilde uit van het roze en het blauwe ondergoed en aan lange stokken weerszijden van de kraam hingen hele collecties beha’s in maten die je in deze nochtans vooruitstrevende tijd niet meer voor mogelijk hield. Een gezond volkje moest deze stad en omgeving bewonen.
Toen ik deze voortreffelijke volzin had opgevangen, besloot ik af te zien van het bezoek aan het Jenevermuseum, het mooiste cultuurbezit loopt nog altijd zomaar vrij over straat en als je aandachtig toeluistert, hoor je merkwaardige dingen. Het is natuurlijk niet altijd een volzin uit Cyriel Buysse of uit Willem Elsschot maar ik had een vrije dag en dan kan ik intens genieten van het oeverloos tijdverliezen.
Een heel mager mevrouwtje maar wél een mevrouwtje, op het randje af een dame, had ze de boodschappentas niet bij zich gehad, dan was het er een geweest, zei hardop tegen een onzichtbaar iemand: “Lekker buiten, hé! Lekker hé!” Een pas de dag tevoren geschoren grijs poedeltje keek dankbaar naar haar op. De juffrouw van de hondentoiletzaak had zich gisteren zelfs een fantasietje veroorloofd want helemaal bij het uiteinde van de staart droeg het hondje een rond grijs bolletje haar. Poedels zijn zo niet geschapen maar het maakt ze naar het schijnt leuker.
Zo geweldig als mededeling was dit dus niet maar je moet geduld hebben. “Heerlijk hier buiten hé, lekker.” Vermoedelijk had tot voor een paar jaar haar man nog geantwoord: “Nou lekker, ik vind het eerder grijs, is dit een zomer.” Maar poedeltjes protesteren niet en na een moeizaam lang huwelijksleven is zo’n diertje voor vele weduwen een dankbare aanspraak. Je kunt er welhaast dezelfde dingen tegen zeggen als vroeger tegen hém en als je het van een goede kennel hebt, gromt het nooit terug.
Twee volksvrouwen kwamen naar me toe. Zware boodschappentassen droegen ze, ze hadden wel inkopen voor de hele maand gedaan en om het evenwicht te houden, liepen ze allebei een beetje schommelend zoals schippers die je aan boord van een platte aak soms geluidloos ziet voorbijvaren.
“Maar we nemen de caravan, “ zei de een, “daar gaat het allemaal in, het is de limiet maar het gaat erin en dan hupsakee, dan kan het hier regenen zo hard als het wil.”
De andere vrouw antwoordde niet, ze plaatste haar twee boodschappentassen op de grond en begon aan een verschrikkelijke hoestbui die ze met twee handen in de heupen ondersteunde. Even hield ze op om te zeggen: “Het is ook nog geen zomer geweest van het jaar,” en toen hoestte ze op volle kracht verder.
Ik ving niets meer op maar ik had tenslotte al de caravan gekregen. Daar ging het allemaal in, tot bijna over de limiet. Het konden valiezen zijn en dozen met eetwaren en proviand en de draagbare kleurentelevisie misschien en stapels gezelschapsspelen maar het kon ook best dat de bagage tot het minimum beperkt dienden te blijven omdat hij en zij erin moesten en Jef en Marie nog, Marie met haar vrijer die van het jaar ook al mee moest, dat waren dus Jef, Louis en Marie. Dan nog de Robert en Karel want die waren een tweeling, niet die tweeling die ik op die kraam had zien hangen maar eentje van vlees en bloed. Het kon, zeker in deze streek waar zulke weelderig uitgevoerde forse beha’s aan lange houten stokken op de markt in de kramen hingen. Hier kreeg je niet zomaar alle gezinnen in één caravan.
Hoorde ik de vrouw nog verdergaan terwijl ze helemaal uitgehoest was: “ dertien euro vroeg die voor dat fluitketeltje,” zei ze schamper. “Maar nog in geen dertien jaar, dertien euro, tegen zijn galetten!”
Dat woord had ik in lange tijd niet meer gehoord. Het was een veredelde vorm, een sjiek woord, om naar precies hetzelfde te verwijzen, waar het gewone volk zulke laagbijdegrondse aanduidingen voor had. Mijn vader gebruikte dat woord vroeger ook wel eens en het behoorde tot de woordenschat die ook wij niet ongestraft mochten bezigen. Kijk, nu denk ik plots aan mijn vader. Hij is al jaren niet meer, de arme man heeft het tijdelijke voor het eeuwige verwisselt bijna 21 jaar geleden.
“Wat je vandaag niet koopt, kun je morgen niet meer vinden,” riep een heel forse man vanachter zijn koopwaar. “Keukengereedschap, vleeshaken en lange scherpe messen.”
Zo was het ja, wat je vandaag niet kocht, kon je morgen niet meer vinden. Jammer dat mijn vader nooit dat glaasje wijn met me gedronken heeft, het zou ons gesmaakt hebben. Jammer, doodjammer, want je kan het niet meer vinden, hij is weg, hij komt niet meer terug.
“Had ik vroeger maar gestudeerd, dan zat ik hier nou niet, dan zat ik nu lekker op kantoor met en blonde griet op mijn knie.” De man die deze late spijtbetuiging aflegde, had een kraam op de markt in het stadje, waar ik al lang niet meer geweest was. Een wellustige kraam was het, ze puilde uit van het roze en het blauwe ondergoed en aan lange stokken weerszijden van de kraam hingen hele collecties beha’s in maten die je in deze nochtans vooruitstrevende tijd niet meer voor mogelijk hield. Een gezond volkje moest deze stad en omgeving bewonen.
Toen ik deze voortreffelijke volzin had opgevangen, besloot ik af te zien van het bezoek aan het Jenevermuseum, het mooiste cultuurbezit loopt nog altijd zomaar vrij over straat en als je aandachtig toeluistert, hoor je merkwaardige dingen. Het is natuurlijk niet altijd een volzin uit Cyriel Buysse of uit Willem Elsschot maar ik had een vrije dag en dan kan ik intens genieten van het oeverloos tijdverliezen.
Een heel mager mevrouwtje maar wél een mevrouwtje, op het randje af een dame, had ze de boodschappentas niet bij zich gehad, dan was het er een geweest, zei hardop tegen een onzichtbaar iemand: “Lekker buiten, hé! Lekker hé!” Een pas de dag tevoren geschoren grijs poedeltje keek dankbaar naar haar op. De juffrouw van de hondentoiletzaak had zich gisteren zelfs een fantasietje veroorloofd want helemaal bij het uiteinde van de staart droeg het hondje een rond grijs bolletje haar. Poedels zijn zo niet geschapen maar het maakt ze naar het schijnt leuker.
Zo geweldig als mededeling was dit dus niet maar je moet geduld hebben. “Heerlijk hier buiten hé, lekker.” Vermoedelijk had tot voor een paar jaar haar man nog geantwoord: “Nou lekker, ik vind het eerder grijs, is dit een zomer.” Maar poedeltjes protesteren niet en na een moeizaam lang huwelijksleven is zo’n diertje voor vele weduwen een dankbare aanspraak. Je kunt er welhaast dezelfde dingen tegen zeggen als vroeger tegen hém en als je het van een goede kennel hebt, gromt het nooit terug.
Twee volksvrouwen kwamen naar me toe. Zware boodschappentassen droegen ze, ze hadden wel inkopen voor de hele maand gedaan en om het evenwicht te houden, liepen ze allebei een beetje schommelend zoals schippers die je aan boord van een platte aak soms geluidloos ziet voorbijvaren.
“Maar we nemen de caravan, “ zei de een, “daar gaat het allemaal in, het is de limiet maar het gaat erin en dan hupsakee, dan kan het hier regenen zo hard als het wil.”
De andere vrouw antwoordde niet, ze plaatste haar twee boodschappentassen op de grond en begon aan een verschrikkelijke hoestbui die ze met twee handen in de heupen ondersteunde. Even hield ze op om te zeggen: “Het is ook nog geen zomer geweest van het jaar,” en toen hoestte ze op volle kracht verder.
Ik ving niets meer op maar ik had tenslotte al de caravan gekregen. Daar ging het allemaal in, tot bijna over de limiet. Het konden valiezen zijn en dozen met eetwaren en proviand en de draagbare kleurentelevisie misschien en stapels gezelschapsspelen maar het kon ook best dat de bagage tot het minimum beperkt dienden te blijven omdat hij en zij erin moesten en Jef en Marie nog, Marie met haar vrijer die van het jaar ook al mee moest, dat waren dus Jef, Louis en Marie. Dan nog de Robert en Karel want die waren een tweeling, niet die tweeling die ik op die kraam had zien hangen maar eentje van vlees en bloed. Het kon, zeker in deze streek waar zulke weelderig uitgevoerde forse beha’s aan lange houten stokken op de markt in de kramen hingen. Hier kreeg je niet zomaar alle gezinnen in één caravan.
Hoorde ik de vrouw nog verdergaan terwijl ze helemaal uitgehoest was: “ dertien euro vroeg die voor dat fluitketeltje,” zei ze schamper. “Maar nog in geen dertien jaar, dertien euro, tegen zijn galetten!”
Dat woord had ik in lange tijd niet meer gehoord. Het was een veredelde vorm, een sjiek woord, om naar precies hetzelfde te verwijzen, waar het gewone volk zulke laagbijdegrondse aanduidingen voor had. Mijn vader gebruikte dat woord vroeger ook wel eens en het behoorde tot de woordenschat die ook wij niet ongestraft mochten bezigen. Kijk, nu denk ik plots aan mijn vader. Hij is al jaren niet meer, de arme man heeft het tijdelijke voor het eeuwige verwisselt bijna 21 jaar geleden.
“Wat je vandaag niet koopt, kun je morgen niet meer vinden,” riep een heel forse man vanachter zijn koopwaar. “Keukengereedschap, vleeshaken en lange scherpe messen.”
Zo was het ja, wat je vandaag niet kocht, kon je morgen niet meer vinden. Jammer dat mijn vader nooit dat glaasje wijn met me gedronken heeft, het zou ons gesmaakt hebben. Jammer, doodjammer, want je kan het niet meer vinden, hij is weg, hij komt niet meer terug.
-
telloorlekker - Lid geworden op: 26 nov 2002, 17:46
Het jaarlijks gedwongen ritueel is weer terug. Waarom dat hier te lande steeds maar moet herhaald worden, wetende dat er zovele allochtone voertuigen onze wegen onveilig maken, blijft mij een raadsel. Geen Tjech, Roemeen, Rus of Turk rijdt hier met een veilig voertuig; uitgerekend ik moet jaarlijks naar die technische keuring, en zo vele autochtonen met mij. Alleen al als het om roetdeeltjes gaat, bezwijk ik bijna aan de uitlaatgassen van die vreemde voertuigen. En dan komt men ons lakoniek vertellen dat het uitgerekend Neder- en Belgenland zijn die de grootste vervuilers zijn van het Europese continent.
Eigenlijk zou onze landsgrenzen geen tolhuisjes maar wél keuringsstations moeten hebben, je zou er niet doorkomen als je auto niet goedgekeurd was. Dat zou ons een hele oplichting zijn, géén files meer in de tunnels, geen lange wachttijden meer op autostrades. Want geef toe, ons land is een doorgeefluik. De overgrote meerderheid van buitenlandse voertuigen passeert hier maar toevallig. En dan nog, waar Turken en Marokanen het halen op die 300x200 km te doorkruisen terwijl ze in Frankrijk of Duitsland moeten zijn, blijft me ook een raadsel. Net of ze doen een ommetje om het ons te bemoeilijken. Spijtig dat zij geen mobiele keuringsstations hebben waar wij, voor een prikje, ons gammel en van roest voorziene vehikel konden laten keuren met hun wijsheid "zolang het bolt is het een auto".
Mij kost het weeral geld om te weten dat mijn garagehouder zijn werk goed doet...
TLL
Eigenlijk zou onze landsgrenzen geen tolhuisjes maar wél keuringsstations moeten hebben, je zou er niet doorkomen als je auto niet goedgekeurd was. Dat zou ons een hele oplichting zijn, géén files meer in de tunnels, geen lange wachttijden meer op autostrades. Want geef toe, ons land is een doorgeefluik. De overgrote meerderheid van buitenlandse voertuigen passeert hier maar toevallig. En dan nog, waar Turken en Marokanen het halen op die 300x200 km te doorkruisen terwijl ze in Frankrijk of Duitsland moeten zijn, blijft me ook een raadsel. Net of ze doen een ommetje om het ons te bemoeilijken. Spijtig dat zij geen mobiele keuringsstations hebben waar wij, voor een prikje, ons gammel en van roest voorziene vehikel konden laten keuren met hun wijsheid "zolang het bolt is het een auto".
Mij kost het weeral geld om te weten dat mijn garagehouder zijn werk goed doet...
TLL
-
zandmannetje - Lid geworden op: 02 feb 2003, 23:15
- Locatie: Het land met meer ministers dan inwoners
De feestdagen naderen met rasse schreden, binnenkort begint weer de grote uittocht naar de skigebieden.
Is het jullie ook al opgevallen, wanneer je een reis maakt die perfect verloopt, dat je die snel vergeten bent?
Wanneer je bruute pech hebt echter, dat is iets dat in je geheugen gebrand blijft.
De jaartallen ben ik vergeten, maar niet de gebeurtenissen.
Zoals die keer toen mijn Nissan coupé (slechts 2 deuren dus, heet het misschien daarom een coupé?) geparkeerd stond naast mijn caravan op de camping in Italië. Toen die dikke Duitser met grote strandsandalen aan zijn al even grote voeten in zijn zware BMW stapte, om gauw een boodschap te gaan verrichten.
Zijn automatique verkeerdelijk in achteruit schakelde, en tegelijkertijd op gas-en rempedaal duwde, zodat hij in de flank van mijn auto ramde. Mijn deur werd ingedrukt tot in de helft van mijn zetel. En ik op deze manier van Italië naar huis moest rijden, twee dagen later. In-en uitstappen, steeds aan de passagierskant, was pure acrobatie.
De Duitser was verbluft naderhand, toen hier thuis de garage een rekening opmaakte. Voor die prijs kon je in Duitsland een kleine recente occasiewagen kopen!
Of die keer toen in ik, ( zoals later bleek) vuile benzine had getankt, zodat de motor om de paar tientallen kilometer nog slechts op "rallentir" draaide.
Je kon met geen mogelijkheid nog gas geven, gedurende die reis heb ik langere tijd aan de kant van de weg gestaan dan de tijd dat ik gereden heb. Want geen enkele wegenwachter vond de oorzaak, slechts terug in België gekomen kwam dit aan het licht. In onze Ardennen gekomen, heeft een wegenwachter de auto getest. Indien hij Duits had gesproken ipv. Frans, was zijn naam Schumacher geweest. Tegen 170Km/u over die smalle bochtige wegeltjes, omhoog en omlaag…Goed dat mijn eega bij de caravan was gebleven. Maar die kerel vond wel een voorlopige oplossing, de carburator overbruggen, een soort rechtstreekse injectie.
Of zoals die keer toen we op de "place Stanislas" in volle centrum van Nancy lekke band reden, en we de totale inhoud van de koffer (en het was veel) op straat dienden te etaleren, om aan de reserveband te geraken. De voorbijgangers dachten dat het vlooienmarkt was…
En dan die keer in Italië, toen de bestuurder van een grote bestelwagen die half op het voetpad geparkeerd stond, zijn moment van vertrekken gekozen achtte net op het ogenblik dat wij voorbij reden. En dan met Italiaans flegma beweerde, dat de reparatie slechts een tienduizend lire (toen 380 BFr.)zou kosten. Ja die Italiaanse chauffeurs!
We brachten eens een keertje een bezoek aan een Italiaanse vriend van onze zoon. We hadden onze auto aan de kant gelaten, en de trein genomen naar Novara. 's Avonds moesten we dus opnieuw de trein nemen, om campingwaards te keren. De laatste trein vertrok om 19u.
Vijf minuten voor die tijd vertrokken we bij hem thuis.
Hij woonde aan de zuidkant van de stad, het treinstation was aan de noordkant. Jullie hebben waarschijnlijk al wel eens een kluchtfilm gezien, met zo'n dolkomische situaties, veroorzaakt door een gekke chauffeur.
Hij reedt met een miniwagentje, zo eentje dat nog net tussen twee andere wagens door kon die voor het rode licht stonden te wachten. Als hij al wachtte voor het rode licht. In de wegcode staat immers dat je een rood licht niet mag passeren dat zich aan uw rechterkant bevindt. Als je nu over het voetpad rijdt staat er geen stoplicht aan uw rechterkant, en hoef je niet te wachten…We haalden WEL onze trein, hadden zelfs nog 15 sec. overschot!
Als we nu nog, jaren later, eraan terugdenken beginnen mijn eega haar tanden nog te klapperen.
In de buurt van Schaffhausen zochten we eens een "zimmer frei", zoals gewoonlijk was onze auto behoorlijk volgeladen. Een vriendelijke Duitse boerin bood ons aan om de weg te wijzen, want haar boerderij was wel een beetje verder, en steil bergop. Zij zelf woog +/- 120Kg. Zodat ik mijn passagiers moest verzoeken om uit te stappen en de benen te strekken, anders geraakte ik met geen mogelijkheid boven!
De keer dat we door Frankrijk reden in de richting van Vallorbe, toen de ronde van Frankrijk daar juist passeerde. Verder rijden mocht niet, aan de kant van de weg stilstaan evenmin, ongegeneerd stuurde de Franse politie ons terug de richting uit vanwaar we kwamen, een omweg van + 50Km…
Met die kleine voorvalletjes kan ik een boek vullen. Toch merkwaardig dat zulke dingen je bijblijven, en wanneer een reis vlekkeloos verloopt ben je het enkele jaartjes later reeds vergeten!
Is het jullie ook al opgevallen, wanneer je een reis maakt die perfect verloopt, dat je die snel vergeten bent?
Wanneer je bruute pech hebt echter, dat is iets dat in je geheugen gebrand blijft.
De jaartallen ben ik vergeten, maar niet de gebeurtenissen.
Zoals die keer toen mijn Nissan coupé (slechts 2 deuren dus, heet het misschien daarom een coupé?) geparkeerd stond naast mijn caravan op de camping in Italië. Toen die dikke Duitser met grote strandsandalen aan zijn al even grote voeten in zijn zware BMW stapte, om gauw een boodschap te gaan verrichten.
Zijn automatique verkeerdelijk in achteruit schakelde, en tegelijkertijd op gas-en rempedaal duwde, zodat hij in de flank van mijn auto ramde. Mijn deur werd ingedrukt tot in de helft van mijn zetel. En ik op deze manier van Italië naar huis moest rijden, twee dagen later. In-en uitstappen, steeds aan de passagierskant, was pure acrobatie.
De Duitser was verbluft naderhand, toen hier thuis de garage een rekening opmaakte. Voor die prijs kon je in Duitsland een kleine recente occasiewagen kopen!
Of die keer toen in ik, ( zoals later bleek) vuile benzine had getankt, zodat de motor om de paar tientallen kilometer nog slechts op "rallentir" draaide.
Je kon met geen mogelijkheid nog gas geven, gedurende die reis heb ik langere tijd aan de kant van de weg gestaan dan de tijd dat ik gereden heb. Want geen enkele wegenwachter vond de oorzaak, slechts terug in België gekomen kwam dit aan het licht. In onze Ardennen gekomen, heeft een wegenwachter de auto getest. Indien hij Duits had gesproken ipv. Frans, was zijn naam Schumacher geweest. Tegen 170Km/u over die smalle bochtige wegeltjes, omhoog en omlaag…Goed dat mijn eega bij de caravan was gebleven. Maar die kerel vond wel een voorlopige oplossing, de carburator overbruggen, een soort rechtstreekse injectie.
Of zoals die keer toen we op de "place Stanislas" in volle centrum van Nancy lekke band reden, en we de totale inhoud van de koffer (en het was veel) op straat dienden te etaleren, om aan de reserveband te geraken. De voorbijgangers dachten dat het vlooienmarkt was…
En dan die keer in Italië, toen de bestuurder van een grote bestelwagen die half op het voetpad geparkeerd stond, zijn moment van vertrekken gekozen achtte net op het ogenblik dat wij voorbij reden. En dan met Italiaans flegma beweerde, dat de reparatie slechts een tienduizend lire (toen 380 BFr.)zou kosten. Ja die Italiaanse chauffeurs!
We brachten eens een keertje een bezoek aan een Italiaanse vriend van onze zoon. We hadden onze auto aan de kant gelaten, en de trein genomen naar Novara. 's Avonds moesten we dus opnieuw de trein nemen, om campingwaards te keren. De laatste trein vertrok om 19u.
Vijf minuten voor die tijd vertrokken we bij hem thuis.
Hij woonde aan de zuidkant van de stad, het treinstation was aan de noordkant. Jullie hebben waarschijnlijk al wel eens een kluchtfilm gezien, met zo'n dolkomische situaties, veroorzaakt door een gekke chauffeur.
Hij reedt met een miniwagentje, zo eentje dat nog net tussen twee andere wagens door kon die voor het rode licht stonden te wachten. Als hij al wachtte voor het rode licht. In de wegcode staat immers dat je een rood licht niet mag passeren dat zich aan uw rechterkant bevindt. Als je nu over het voetpad rijdt staat er geen stoplicht aan uw rechterkant, en hoef je niet te wachten…We haalden WEL onze trein, hadden zelfs nog 15 sec. overschot!
Als we nu nog, jaren later, eraan terugdenken beginnen mijn eega haar tanden nog te klapperen.
In de buurt van Schaffhausen zochten we eens een "zimmer frei", zoals gewoonlijk was onze auto behoorlijk volgeladen. Een vriendelijke Duitse boerin bood ons aan om de weg te wijzen, want haar boerderij was wel een beetje verder, en steil bergop. Zij zelf woog +/- 120Kg. Zodat ik mijn passagiers moest verzoeken om uit te stappen en de benen te strekken, anders geraakte ik met geen mogelijkheid boven!
De keer dat we door Frankrijk reden in de richting van Vallorbe, toen de ronde van Frankrijk daar juist passeerde. Verder rijden mocht niet, aan de kant van de weg stilstaan evenmin, ongegeneerd stuurde de Franse politie ons terug de richting uit vanwaar we kwamen, een omweg van + 50Km…
Met die kleine voorvalletjes kan ik een boek vullen. Toch merkwaardig dat zulke dingen je bijblijven, en wanneer een reis vlekkeloos verloopt ben je het enkele jaartjes later reeds vergeten!
Zo, dat was het dan.
Heb nog een goed leven en we zien mekaar misschien weer in de hel.
Tot zolang dan zal zandmannetje jou wel in slaap lullen !
Heb nog een goed leven en we zien mekaar misschien weer in de hel.
Tot zolang dan zal zandmannetje jou wel in slaap lullen !
-
Gast
Niemand zal van ons beweren dat we tot het sportieve type behoren. Hebben wij trouwens ook nooit enige inspanning voor gedaan. Sportief in deze zin dat wij ’s morgens met dribbelpasjes door de tuin zouden lopen, touwtje springen onder de kersenboom en haasje over wippen met onze buurman, geen sprake van. Misschien zal zich dat in de loop der jaren wreken, maar zelfs het meest apocalyptische beeld van onze oude dag is niet bij machte ons het tennisveld of het voetbalterrein op te jagen.
Eén keer per jaar maken wij daarop een uitzondering. Er is één sport die wij hartstochtelijk beoefenen. Het fiskuswerpen! Hebben jullie daar nog nooit van gehoord? Fiskuswerpen? Het is een adembenemende sport. Ze wordt door twee mannen tegelijk beoefend één professioneel en één amateur. De amateurs zijn wij. Er wordt dus eigenlijk al vanuit een onsportief standpunt vertrokken want de een weet alles van fiskuswerpen af en de ander moet het met de jaren leren. Er is wat ervaring voor nodig om precies te weten hoe men op de voordeligste manier fiskuswerpen kan. Trouwens, het is een sport met eerder ingewikkelde regels. De inzet is alles of niets, het gaat om wat je hebt, niet minder.
Je mag het niet verwarren met ‘diskuswerpen’ want dat is iets helemaal anders. Bij diskuswerpen slinger jij zelf eerst de schijf weg en dan moet je ze ook zelf weer ginder ver gaan oprapen. En wie het verst gooit, krijgt de bloemetjes. Maar bij ‘fiskuswerpen’ zit het anders. Het is de professioneel die eerst gooit. Het is bijna altijd een slag die eerder brutaal aankomt. Je bent na een jaar helemaal uit die sport en ineens beukt er zo een fiskus bij je binnen.
Je kan dan niet meteen zo maar die schijf weer opnemen en terugslingeren, neen, want er moeten ieder jaar aardig wat formulieren ingevuld worden eer je teruggooien mag. Wie fiskus wil werpen moet zich helemaal blootgeven. Je moet bij de bond laten weten of je getrouwd bent, hoeveel kinderen je hebt, of je toevallig stiekem commissaris bent bij Belgische of buitenlandse actiënvennootschappen, of je aan intensieve groenteteelt doet en of je soms clandestien onroerende goederen bezit die winsten in natura opleveren.
Je moet je daardoor niet laten ontmoedigen want het is in deze vertrekbasis dat het succes van het spel schuilgaat. Nu komt het erop aan: hoe zet ik die fiskus op de ideale manier naar mijn hand? Zit ie goed stevig eer ik hem terugslinger? Gooi je de fiskus zo maar ondoordacht terug naar je tegenstrever, zo maar van ‘lijk ie valt zal ie ook wel aankomen’, dan kun je eigenlijk beter niet teruggooien want dat is ook voorzien in het spel.
Je moet je wel even indenken wat dat betekent: een professioneel die een fiskus wegslingert en die nooit meer wat ziet terugkomen. Dat is op de duur dodend. Je kunt dagen wachten en weken ook, maar wanneer er dan nog niets komt, dan beginnen je zenuwen te prikken, je weet niet wat er aan de hand is. Heb je verkeerd gegooid? Is je fiskus onderweg ergens blijven hangen, waar hij helemaal niet moest zijn? Waarom gooit hij niet terug?
Men noemt dat psychologisch fiskuswerpen. Wij zijn te sportief om daaraan mee te doen. Wij gooien robuust terug. Een heel ander soort schijf dan wijzelf opgepikt hebben. De professioneel maakt geen enkele kans zijn schijf terug te kennen, zo hebben wij die bewerkt en verbeterd.
Dan is het weer de beurt aan de professioneel om die nieuwe schijf naar zijn hand te zetten. Hij doet daar de wonderlijkste dingen mee en dat kan ook niet anders, want fiskuswerpen is de enige sport die niet aan de regels van de logica onderworpen is.
Het ligt er nu enkel aan hoe hij de fiskus weer teruggooit. Wij hebben al partijen gewonnen met boni van 1 euro en ook eens één enkele keer van honderd euro. Verlies je de partij, dan is het altijd duurder. Dan kom je meteen al op een bedrag van 1000 euro, 1500 euro. Dat is normaal, wat wil je tegen een professioneel beginnen? Maar dat is meteen dan ook het adembenemende in deze sporttak. Je weet dat je met een minimum aan kansen begint, dat je iemand tegen hebt die in die sport grootgebracht is en toch wil je fiskuswerpen. Wij kennen geen sport waar de spanning groter is. Als je de schijf van verre ziet aankomen, snijd je dat soms de adem af. Wij kenen mensen die erbij moeten gaan zitten. Die al zittend de fiskus opvangen, met twee handen tegelijk en met rillend gebaar. Je hebt niet de steun of de sympathie van de supporters. Het is een eenzame sport, heel alleen tussen mensen. Het vergt het uiterste aan behendigheid, een concentratie waar biljarten flauwe kul bij is. Voor het vormen van werkelijk geharde mensen voor de samenleving, kennen wij echt geen betere sport dan ‘fiskuswerpen. Laat die bruine omslag nu maar komen, zal hem eens rap teruggooien.
Eén keer per jaar maken wij daarop een uitzondering. Er is één sport die wij hartstochtelijk beoefenen. Het fiskuswerpen! Hebben jullie daar nog nooit van gehoord? Fiskuswerpen? Het is een adembenemende sport. Ze wordt door twee mannen tegelijk beoefend één professioneel en één amateur. De amateurs zijn wij. Er wordt dus eigenlijk al vanuit een onsportief standpunt vertrokken want de een weet alles van fiskuswerpen af en de ander moet het met de jaren leren. Er is wat ervaring voor nodig om precies te weten hoe men op de voordeligste manier fiskuswerpen kan. Trouwens, het is een sport met eerder ingewikkelde regels. De inzet is alles of niets, het gaat om wat je hebt, niet minder.
Je mag het niet verwarren met ‘diskuswerpen’ want dat is iets helemaal anders. Bij diskuswerpen slinger jij zelf eerst de schijf weg en dan moet je ze ook zelf weer ginder ver gaan oprapen. En wie het verst gooit, krijgt de bloemetjes. Maar bij ‘fiskuswerpen’ zit het anders. Het is de professioneel die eerst gooit. Het is bijna altijd een slag die eerder brutaal aankomt. Je bent na een jaar helemaal uit die sport en ineens beukt er zo een fiskus bij je binnen.
Je kan dan niet meteen zo maar die schijf weer opnemen en terugslingeren, neen, want er moeten ieder jaar aardig wat formulieren ingevuld worden eer je teruggooien mag. Wie fiskus wil werpen moet zich helemaal blootgeven. Je moet bij de bond laten weten of je getrouwd bent, hoeveel kinderen je hebt, of je toevallig stiekem commissaris bent bij Belgische of buitenlandse actiënvennootschappen, of je aan intensieve groenteteelt doet en of je soms clandestien onroerende goederen bezit die winsten in natura opleveren.
Je moet je daardoor niet laten ontmoedigen want het is in deze vertrekbasis dat het succes van het spel schuilgaat. Nu komt het erop aan: hoe zet ik die fiskus op de ideale manier naar mijn hand? Zit ie goed stevig eer ik hem terugslinger? Gooi je de fiskus zo maar ondoordacht terug naar je tegenstrever, zo maar van ‘lijk ie valt zal ie ook wel aankomen’, dan kun je eigenlijk beter niet teruggooien want dat is ook voorzien in het spel.
Je moet je wel even indenken wat dat betekent: een professioneel die een fiskus wegslingert en die nooit meer wat ziet terugkomen. Dat is op de duur dodend. Je kunt dagen wachten en weken ook, maar wanneer er dan nog niets komt, dan beginnen je zenuwen te prikken, je weet niet wat er aan de hand is. Heb je verkeerd gegooid? Is je fiskus onderweg ergens blijven hangen, waar hij helemaal niet moest zijn? Waarom gooit hij niet terug?
Men noemt dat psychologisch fiskuswerpen. Wij zijn te sportief om daaraan mee te doen. Wij gooien robuust terug. Een heel ander soort schijf dan wijzelf opgepikt hebben. De professioneel maakt geen enkele kans zijn schijf terug te kennen, zo hebben wij die bewerkt en verbeterd.
Dan is het weer de beurt aan de professioneel om die nieuwe schijf naar zijn hand te zetten. Hij doet daar de wonderlijkste dingen mee en dat kan ook niet anders, want fiskuswerpen is de enige sport die niet aan de regels van de logica onderworpen is.
Het ligt er nu enkel aan hoe hij de fiskus weer teruggooit. Wij hebben al partijen gewonnen met boni van 1 euro en ook eens één enkele keer van honderd euro. Verlies je de partij, dan is het altijd duurder. Dan kom je meteen al op een bedrag van 1000 euro, 1500 euro. Dat is normaal, wat wil je tegen een professioneel beginnen? Maar dat is meteen dan ook het adembenemende in deze sporttak. Je weet dat je met een minimum aan kansen begint, dat je iemand tegen hebt die in die sport grootgebracht is en toch wil je fiskuswerpen. Wij kennen geen sport waar de spanning groter is. Als je de schijf van verre ziet aankomen, snijd je dat soms de adem af. Wij kenen mensen die erbij moeten gaan zitten. Die al zittend de fiskus opvangen, met twee handen tegelijk en met rillend gebaar. Je hebt niet de steun of de sympathie van de supporters. Het is een eenzame sport, heel alleen tussen mensen. Het vergt het uiterste aan behendigheid, een concentratie waar biljarten flauwe kul bij is. Voor het vormen van werkelijk geharde mensen voor de samenleving, kennen wij echt geen betere sport dan ‘fiskuswerpen. Laat die bruine omslag nu maar komen, zal hem eens rap teruggooien.
-
telloorlekker - Lid geworden op: 26 nov 2002, 17:46
Hamerslingeren... zegt je dat wat ? Da's wat anders dan fiskuswerpen. Hoewel... In belastingparadijzen zijn fiskuswerpers beduidend in de meerderheid. Hamerslingeraars worden daar geweerd als kiespijn. In justitiele kringen heeft men de laatste haemer(s) verslingerd, en sindsdien heeft die dienst een behoorlijke knauw gekregen.
Maar aan dat hamerslingeren, als sport, zich toch een staartje. Destijds in de jeugdbeweging, mochten wij aan écht hamerslingeren doen. Een tienkilozware moker met een houten steel, die werd dan door ons -als zelfroterend werpmechanisme- zo ver mogelijk weg gegooid. Nu, de huidige verslingerden, zijn van een andere samenstelling; niet eens nog een hamer. Het zijn die onsportievelingen die bij de kogelstoters te leen zijn gegaan. Hun kogeltje afgepakt en daar een ijzerdraadje aan bevestigd. En dat durven ze tegenwoordig "hamerslingeren" noemen ! Stel je voor dat je met dat attribuut nagels in een plank moet slaan, of loodzware piketten zou heien; wat zou daarvan terecht komen, dacht je ?
En, Kwezel, je moet niet denken dat bij diskus- dan wel fiskuswerpen het voorwerp door de gooier alléén moet worden gehaald. Da's bij boogschieten ook het geval hoor... Je verschiet je pijlen, en als je die niet zelf opraapt, ben je na verloop van tijd een aardig kapitaaltje kwijt...
TLL
Maar aan dat hamerslingeren, als sport, zich toch een staartje. Destijds in de jeugdbeweging, mochten wij aan écht hamerslingeren doen. Een tienkilozware moker met een houten steel, die werd dan door ons -als zelfroterend werpmechanisme- zo ver mogelijk weg gegooid. Nu, de huidige verslingerden, zijn van een andere samenstelling; niet eens nog een hamer. Het zijn die onsportievelingen die bij de kogelstoters te leen zijn gegaan. Hun kogeltje afgepakt en daar een ijzerdraadje aan bevestigd. En dat durven ze tegenwoordig "hamerslingeren" noemen ! Stel je voor dat je met dat attribuut nagels in een plank moet slaan, of loodzware piketten zou heien; wat zou daarvan terecht komen, dacht je ?
En, Kwezel, je moet niet denken dat bij diskus- dan wel fiskuswerpen het voorwerp door de gooier alléén moet worden gehaald. Da's bij boogschieten ook het geval hoor... Je verschiet je pijlen, en als je die niet zelf opraapt, ben je na verloop van tijd een aardig kapitaaltje kwijt...
TLL
-
Gast
Van historische films zijn wij altijd het hart in. Wij kennen geen deprimerender dingen dan historische films. Vroeger hebben wij voor de verdere rest van ons leven een houding daartegenover aangenomen: wij gingen nooit meer kijken. Maar tegenwoordig, met de televisie, kan geen mens nog een houding aannemen.
Je hebt naar een ballet zitten kijken en ineens komt, onaangemeld van achter dat ballet uit, Hendrik de achtste op puntpantoffels de kamer binnen. Je hebt je een half uur veilig gewaand met naar de troebelen in Israël en Irak te kijken, die troebelen vallen ineens onverantwoord weg en er komt een listig vrouwmens met hoogopstaande kantkraag op het scherm, die na drie zinnen de koningin van Spanje blijkt te zijn. Willen of niet, je zit er midden in. Nu moet je dat niet verkeerd interpreteren, wij zijn niet tegen de adel en wij kunnen best hebben dat een koningin van Spanje een avondje bij ons komt. Al is het dan ook duidelijk een listig mens. Maar wij krijgen iedere keer bij zo een film het niet langer te dragen besef dat wij verdomd geluk gehad hebben met in de 20ste eeuw te zijn geboren. Dat wij in die vroegere tijden hopeloos belachelijke jongens en meisjes zouden geweest zijn. Mislukkelingen waaraan de maatschappij zich doorlopend zou geërgerd hebben. Zwakkelingen waarvoor de anderen misprijzend en met een weergaloos filmisch effect de bovenkop zouden opgetrokken hebben.
Nu, als jij dat soms prettig vindt. Niet langer dan drie dagen geleden hebben wij weer zo een film moeten zien waarin de Queen of England met opstaande kraag en bazuingeschal stiekem de kastanjes uit het vuur van de Koning van Spanje wilde halen. Fantastisch hoe geslepen zo een filmqueen is. Maar de Koning van Spanje wist ook waar kip gegeten werd en toen begon het natuurlijk. Er waren galeien waarin Britse kapiteins te roeien lagen met een huiveringwekkende dosis verachting voor de Spaanse soldeniers die hun toch maar om de haverklap met de zweep over de rug gingen. Wij zouden dat roeien geen tien slagen volgehouden hebben. Van verachting op het aangezicht weten wij ook alles: eerlijk, wij geloven niet dat de Queen of England zich erg veel illusies omtrent ons had moeten maken. Wij zien ons dat niet acht maanden volhouden. Dan op de koop toe nachtenlang met een wie weet waar gehaalde dolk aan de kettingen liggen peuteren met slechts één leuze op de lippen: “Wie lang genoeg peutert, peutert zich los!”
Neen, wij zien het ons niet doen. Eens los, zouden wij weer niet durven rechtstaan, rechtstaan is een klein woord voor dat enthousiast opspringen van die kapiteins. Daar zou ook nog bij moeten gegild worden. In dat gillen alleen al zouden wij hopeloos zijn. Stel je tussen die galeiboeven zo een piepertje voor, met bureaucratische spiertjes, komt er nooit uit.
Dan zouden wij ook nog van het ene schip op het andere moeten klauteren, stel je voor, langs een koord. Met water beneden ons, allemaal voor de Queen of England. Wij zouden al die tijd ook nog een gescheurd vaandel in de hand moeten houden. Wij die met vier handen nog niet over die touwen zouden heenkomen. Door die akelige historische films zien wij ons dan telkens halfweg tussen twee schepen hangen, volkomen alle richtingsinstinct kwijt. Daar zou in die tijd ook nog van ons verlangd worden dat wij dan clandestien weer aan land zouden gaan. Recht naar die geheime onderaardse gang die prompt in de zalen van de Queen uitkomt. De Queen zou schrikken, haar handen ijlings bij haar boezem brengen, zodat haar hoofd nog hoger uit haar opstaande kraag zou komen en zij zou gillen: “Captain, You?”
Wij zouden buigen, hoofs buigen. “Yes Majesty!” en dan knielen. Vanaf het begin van de onderaardse gang kunnen wij het ook. Gangen doorlopen en op deuren bonzen en eventueel majesteiten doen schrikken en hoofs knielen, dat kunnen wij ook. Dat is trouwens ook het enige wat ons in historische films bevalt. Wanneer twee edellieden op een of ander kasteeltrap elkaar met de degen willen doodprikken en daarbij almaar verdiepingen op en af gaan, dan worden wij opgejaagd. Opgejaagd door een inferioriteitsgevoel dat niet om dragen is.
Ridders die helemaal in ijzer op een paard gaan zitten, doen ons inwendig geleidelijk oxideren. Het is een langzaam proces maar het voltrekt zich toch maar. Waarom hebben wij dat verdiend? Waarom moet men aldoor weer met dergelijke films naar ons toe komen? Als wij Spanje haten, dan is dat ter wille van de Koning van Spanje die ons met zijn maliënkolder ieder keer de angst op het lijf jaagt. Waarom moet men in ’s hemelsnaam telkens die maliën bij die kolder sleuren?
Geef mij maar Ivanhoe of Bonanza, kan ik tenminste nog de tune van onthouden.
Je hebt naar een ballet zitten kijken en ineens komt, onaangemeld van achter dat ballet uit, Hendrik de achtste op puntpantoffels de kamer binnen. Je hebt je een half uur veilig gewaand met naar de troebelen in Israël en Irak te kijken, die troebelen vallen ineens onverantwoord weg en er komt een listig vrouwmens met hoogopstaande kantkraag op het scherm, die na drie zinnen de koningin van Spanje blijkt te zijn. Willen of niet, je zit er midden in. Nu moet je dat niet verkeerd interpreteren, wij zijn niet tegen de adel en wij kunnen best hebben dat een koningin van Spanje een avondje bij ons komt. Al is het dan ook duidelijk een listig mens. Maar wij krijgen iedere keer bij zo een film het niet langer te dragen besef dat wij verdomd geluk gehad hebben met in de 20ste eeuw te zijn geboren. Dat wij in die vroegere tijden hopeloos belachelijke jongens en meisjes zouden geweest zijn. Mislukkelingen waaraan de maatschappij zich doorlopend zou geërgerd hebben. Zwakkelingen waarvoor de anderen misprijzend en met een weergaloos filmisch effect de bovenkop zouden opgetrokken hebben.
Nu, als jij dat soms prettig vindt. Niet langer dan drie dagen geleden hebben wij weer zo een film moeten zien waarin de Queen of England met opstaande kraag en bazuingeschal stiekem de kastanjes uit het vuur van de Koning van Spanje wilde halen. Fantastisch hoe geslepen zo een filmqueen is. Maar de Koning van Spanje wist ook waar kip gegeten werd en toen begon het natuurlijk. Er waren galeien waarin Britse kapiteins te roeien lagen met een huiveringwekkende dosis verachting voor de Spaanse soldeniers die hun toch maar om de haverklap met de zweep over de rug gingen. Wij zouden dat roeien geen tien slagen volgehouden hebben. Van verachting op het aangezicht weten wij ook alles: eerlijk, wij geloven niet dat de Queen of England zich erg veel illusies omtrent ons had moeten maken. Wij zien ons dat niet acht maanden volhouden. Dan op de koop toe nachtenlang met een wie weet waar gehaalde dolk aan de kettingen liggen peuteren met slechts één leuze op de lippen: “Wie lang genoeg peutert, peutert zich los!”
Neen, wij zien het ons niet doen. Eens los, zouden wij weer niet durven rechtstaan, rechtstaan is een klein woord voor dat enthousiast opspringen van die kapiteins. Daar zou ook nog bij moeten gegild worden. In dat gillen alleen al zouden wij hopeloos zijn. Stel je tussen die galeiboeven zo een piepertje voor, met bureaucratische spiertjes, komt er nooit uit.
Dan zouden wij ook nog van het ene schip op het andere moeten klauteren, stel je voor, langs een koord. Met water beneden ons, allemaal voor de Queen of England. Wij zouden al die tijd ook nog een gescheurd vaandel in de hand moeten houden. Wij die met vier handen nog niet over die touwen zouden heenkomen. Door die akelige historische films zien wij ons dan telkens halfweg tussen twee schepen hangen, volkomen alle richtingsinstinct kwijt. Daar zou in die tijd ook nog van ons verlangd worden dat wij dan clandestien weer aan land zouden gaan. Recht naar die geheime onderaardse gang die prompt in de zalen van de Queen uitkomt. De Queen zou schrikken, haar handen ijlings bij haar boezem brengen, zodat haar hoofd nog hoger uit haar opstaande kraag zou komen en zij zou gillen: “Captain, You?”
Wij zouden buigen, hoofs buigen. “Yes Majesty!” en dan knielen. Vanaf het begin van de onderaardse gang kunnen wij het ook. Gangen doorlopen en op deuren bonzen en eventueel majesteiten doen schrikken en hoofs knielen, dat kunnen wij ook. Dat is trouwens ook het enige wat ons in historische films bevalt. Wanneer twee edellieden op een of ander kasteeltrap elkaar met de degen willen doodprikken en daarbij almaar verdiepingen op en af gaan, dan worden wij opgejaagd. Opgejaagd door een inferioriteitsgevoel dat niet om dragen is.
Ridders die helemaal in ijzer op een paard gaan zitten, doen ons inwendig geleidelijk oxideren. Het is een langzaam proces maar het voltrekt zich toch maar. Waarom hebben wij dat verdiend? Waarom moet men aldoor weer met dergelijke films naar ons toe komen? Als wij Spanje haten, dan is dat ter wille van de Koning van Spanje die ons met zijn maliënkolder ieder keer de angst op het lijf jaagt. Waarom moet men in ’s hemelsnaam telkens die maliën bij die kolder sleuren?
Geef mij maar Ivanhoe of Bonanza, kan ik tenminste nog de tune van onthouden.
-
zandmannetje - Lid geworden op: 02 feb 2003, 23:15
- Locatie: Het land met meer ministers dan inwoners
Ik vrees dat ik wel nooit van die gewoonte zal afraken. 2 x 2 + 0 erachter, oftewel het terugrekenen van de €uro naar de Belgische Frank.
Niet zozeer voor de kleine sommen, maar als het een groter aankoopbedrag betreft, ben ik automatisch bezig.
Dat is al een soort reflex, 2 x 2 + 0 … Onze kinderen zullen er wel geen last van hebben, als je van kleinsaf met een munteenheid leert rekenen ken je niets anders. Maar als je heel je leven met Belgische franks hebt gerekend schakel je niet zomaar één twee drie over. OF het moest zijn dat je altijd al een hekel had aan hoofdrekenen, dan leg je er snel het bijltje bij neer.
Maar zoals dokters aanraden om de hersens actief te houden door kruiswoordraadsels in te vullen, dit is gewoon nog een makkelijker methode om te vermijden dat verkalking optreedt, dat terugrekenen
2 x 2 + 0 …
En soms kom je tot onthutsende vaststellingen. Ha, dat kost MAAR €2,50 dixit de kleinzoon! Jaja, dat was vroeger wel 100Frank hoor! Kijkt hij mij niet-begrijpend aan, hij is heel die Belgische frank reeds vergeten.
Ik niet, heb nog stukken van 5 en van 20, ja zelfs nog van 10 in mijn bezit. Wacht maar wat die waard gaan zijn, binnen 100 jaar!
Gelukkig schijn ik niet alleen te zijn, zelfs de mannen die ervoor gezorgd hebben dat die nieuwe munt er kwam, onze ministers dus, heb ik op TV reeds dikwijls prijzen horen vernoemen nog uitgedrukt in frankskens…
En zij zouden dan het voorbeeld moeten geven!
Ik zal trouwens nooit van mijn standpunt afgaan, dat de hele €uro er in de eerste plaats gekomen is om de olie- sjeiks te kunnen betalen zonder dat ieder Europees landje met zijn eigen muntje steeds wisselkoersen voor de dollar moest bijbetalen…
En toch mooi meegenomen, dat de verenigde Europese volkeren allemaal met dezelfde munt betalen? Dat geeft zo’n samenhorigheidsgevoel vind ik!
En ik ben ongelooflijk fier, dat 1 € meer waard is dan 1$…
Maar dat is dan weer anders rekenen, x 3 : 4 …
Niet zozeer voor de kleine sommen, maar als het een groter aankoopbedrag betreft, ben ik automatisch bezig.
Dat is al een soort reflex, 2 x 2 + 0 … Onze kinderen zullen er wel geen last van hebben, als je van kleinsaf met een munteenheid leert rekenen ken je niets anders. Maar als je heel je leven met Belgische franks hebt gerekend schakel je niet zomaar één twee drie over. OF het moest zijn dat je altijd al een hekel had aan hoofdrekenen, dan leg je er snel het bijltje bij neer.
Maar zoals dokters aanraden om de hersens actief te houden door kruiswoordraadsels in te vullen, dit is gewoon nog een makkelijker methode om te vermijden dat verkalking optreedt, dat terugrekenen
2 x 2 + 0 …
En soms kom je tot onthutsende vaststellingen. Ha, dat kost MAAR €2,50 dixit de kleinzoon! Jaja, dat was vroeger wel 100Frank hoor! Kijkt hij mij niet-begrijpend aan, hij is heel die Belgische frank reeds vergeten.
Ik niet, heb nog stukken van 5 en van 20, ja zelfs nog van 10 in mijn bezit. Wacht maar wat die waard gaan zijn, binnen 100 jaar!
Gelukkig schijn ik niet alleen te zijn, zelfs de mannen die ervoor gezorgd hebben dat die nieuwe munt er kwam, onze ministers dus, heb ik op TV reeds dikwijls prijzen horen vernoemen nog uitgedrukt in frankskens…
En zij zouden dan het voorbeeld moeten geven!
Ik zal trouwens nooit van mijn standpunt afgaan, dat de hele €uro er in de eerste plaats gekomen is om de olie- sjeiks te kunnen betalen zonder dat ieder Europees landje met zijn eigen muntje steeds wisselkoersen voor de dollar moest bijbetalen…
En toch mooi meegenomen, dat de verenigde Europese volkeren allemaal met dezelfde munt betalen? Dat geeft zo’n samenhorigheidsgevoel vind ik!
En ik ben ongelooflijk fier, dat 1 € meer waard is dan 1$…
Maar dat is dan weer anders rekenen, x 3 : 4 …
Zo, dat was het dan.
Heb nog een goed leven en we zien mekaar misschien weer in de hel.
Tot zolang dan zal zandmannetje jou wel in slaap lullen !
Heb nog een goed leven en we zien mekaar misschien weer in de hel.
Tot zolang dan zal zandmannetje jou wel in slaap lullen !
-
telloorlekker - Lid geworden op: 26 nov 2002, 17:46
Iets waarvan het voorgaande rijkeluisleventje nu de vruchten draagt, heb ik gisteren mogen ervaren. Een dame met een uitzicht van opgehaalde zakken verscheen in de gelagzaal met een plunje waarvan ik veronderstelde 't bij nachtgewaad hoorde. Een gebronzeerde huid, koffiekleur benaderend en door zonlicht waarschijnlijk aangetaste blote hals vol roestplekken. Sportief, dat wel... maar erg bedenkelijk. Heeft waarschijnlijk voorheen te veel naar die kijkkast gekeken waarop dagdagelijks steeds diezelfde fitnesreklame wordt getoond waarin jonge freules zich voordoen als ouwe dames. De voor- en na-aantoonbaarheden zijn mijns inziens totaly "nep". Afgezien van borsten hebben die dametjes niets aantoonbaars dat op een zekere ouderdom doet wijzen. Borsten ? Je zou verwachten dat die fitnesdames een "boezem" hadden zoals destijds mijn oma. Daar kon je toenertijd een brood op snijden; dat deed zij dan ook. Weet je nog ? Een groot rond boerenbrood werd tussen die borsten geklemd, en met een broodmes werd dat gehalveerd brood in plaggen gesneden. En wel op zo'n manier dat je zou denken dat er ook beleg bij hoorde terzelfdertijd. Met de snijkant richting borsten... Nee, zo'n dametjes toont men niet op de tv; van die vermageringskuren, daar dacht oma niet aan. Zij had iets Rubensiaans met een mixing van het Michelin-manneke en de fusten van onze wijnboer. Die fitnesdame die ik tegenkwam, die had nu eens "niets". Ofwel was dat wat ze hebben moest, afgeleefd. Het plunje daarentegen deed vermoeden dat ze een zekere adelstand moest bezitten. Ik spreek me nu niet uit over de waarde van al dat ekstergedoe rond haar polsen en nek. Om nog maar te zwijgen van de symbolische waarde van dat enkelkettinkje. Is zo'n gadget nu eigenlijk een afstamming van de slavenketting of de voetboei ? Net zoals de stropdas bij de heren ? Het zou me niet verwonderen, moest ze onder die kleding ook nog een navel- of tepelpiercing hebben. Maar wat heb je nu aan die uiterlijke vertoning van welstand ? Wordt je daar beter van ? Zou ze, buiten het ziekelijke van lichaam ook geestelijk helemaal in orde zijn ? Ik vraag het mij af; in zo'n outfit kom je toch niet dineren hé...
Wedden dat er buiten nog een mountainbike van haar staat met ossekop...
Wedden dat er buiten nog een mountainbike van haar staat met ossekop...