cactusstekels
-
jancactus - Lid geworden op: 06 nov 2006, 10:41
- Locatie: meerhout
De nonsense van het huwelijk
Wat ik nu voor U wil verzinnen
Gaat over vervelende dingen
Maar ’t is nu eenmaal
Een simpel verhaal
Dus zwijg nu want ik ga beginnen
Zij waande zichzelve Anubis
Haar taille was enigszins kubisch
Haar snoet trok op niks
Postuur veel te fiks
Maar vast en zeker niet lesbisch
Hij was ambtshalve een klerk
En na zijn uren een vlerk
Zijn naam was alex
Hij dacht steeds aan sex
Maar praatte nog liefst over ’t werk
En toen zij elkaar leerden kennen
Ging hij van haar trouwlust haast rennen
Maar ging toch akkoord
Met één van haar soort
Al moest het een klein beetje wennen
Hij heeft beloofd haar te trouwen
En samen een nestje te bouwen
Zij is nu mevrouw
Ja, hij heeft berouw
Maar loopt met vijf kinders te sjouwen
Al heeft zij hem dan kunnen strikken
Hij kan er zich moeilijk in schikken
Want in het dralon
Van haar nachtjapon
Wenst hij haar des nachts te verstikken…
De moraal
Mijn beste vrijgezellen…
Zit nooit om je noodlot te treuren
Want dit kan met ieder gebeuren
Dus, heb je ooit zin
Sla hard op je kin
… je kan er eens beter aan sleuren!
Wat ik nu voor U wil verzinnen
Gaat over vervelende dingen
Maar ’t is nu eenmaal
Een simpel verhaal
Dus zwijg nu want ik ga beginnen
Zij waande zichzelve Anubis
Haar taille was enigszins kubisch
Haar snoet trok op niks
Postuur veel te fiks
Maar vast en zeker niet lesbisch
Hij was ambtshalve een klerk
En na zijn uren een vlerk
Zijn naam was alex
Hij dacht steeds aan sex
Maar praatte nog liefst over ’t werk
En toen zij elkaar leerden kennen
Ging hij van haar trouwlust haast rennen
Maar ging toch akkoord
Met één van haar soort
Al moest het een klein beetje wennen
Hij heeft beloofd haar te trouwen
En samen een nestje te bouwen
Zij is nu mevrouw
Ja, hij heeft berouw
Maar loopt met vijf kinders te sjouwen
Al heeft zij hem dan kunnen strikken
Hij kan er zich moeilijk in schikken
Want in het dralon
Van haar nachtjapon
Wenst hij haar des nachts te verstikken…
De moraal
Mijn beste vrijgezellen…
Zit nooit om je noodlot te treuren
Want dit kan met ieder gebeuren
Dus, heb je ooit zin
Sla hard op je kin
… je kan er eens beter aan sleuren!
stekelig maar tof
-
jancactus - Lid geworden op: 06 nov 2006, 10:41
- Locatie: meerhout
Bezoek aan concentratiekamp Fort Breendonk
“Vrede is de naam voor de periode tussen twee oorlogen”
Mijmeringen 1
stapvoets stug
en schrille stemmen
gefnuikt in het bars gemoed
met kringenogen leeg en diep
stapt een dwergenstoet voorbij
als een gekraakte rug
bitter knarsen tanden
op ethers van verzuchting
spieren knakken
bruine handen
vruchten van arbeidssleet
bladeren gloeiig stekend af
scherpe vloeken
rake schoppen
porren mensenleed vooruit
als nukkig vee
dronken wakers
vloeken en tieren
schieten stalen lopen leeg
op wat niet meer beweegt
dolle honden
blaffen bijtend
op commando van de baas
die lacht en brult
op het ongewild verdriet
bar gehijg van winterwinden
spant de vezels in elk lijf
waterstroom uit donderkoppen
weekt de lompen tot een huid
zonneschichten pikken spichtig
ruggekluwen rottend vlees
droge kloven bijten
onmeedogend dorre happen uit de lip
en zij, de vormelozen
vervloeken god en kloten
voor een kom koolsoep
en een kropvol schimmelbrood
zwetig zwoegend
koortsig en verfrommeld
spotprent voor magere hein
werken zich de dwergen door de tijd
tellen dagen
snikken maandenlang
hopen jaren op verlossing
tot het onverwacht eind
dat geregeld ongelegen
zijn bezoek brengt aan dit kamp
de verlossing uit het kreperen
het laatste greintje eergevoel
afschilt van de wrakken
uit onbegrip en pijn
waar is nu de trots
blij te mogen lachen
en mee te mogen streven
naar het nieuwe groots concept
de verlossing uit de crisis
de progressie van de tijd
arbeid maakt vrij
de slogan van onze grote leider
in “mein Kampf”
Mijmeringen 2
een brakke stroom van schrille stemmen
scheurt de sonore stilte in mijn koude cel
aufstehen und mitkommen
schopt mijn lome afgepeigerde vlees
tot laatste energie
de zon maakt blind
maar in een glimp zie ik mijn maats
verstard in zwijgend handenwrijven
als een wapperend flard
ik poseer met holle uitgebrande ogen
voor een vredesduif
en haar geweer
een rij soldaten als ik het goed zie
en dood
het wachten op genadeschot
zonder laatste sigaret
mijn lust tot leven is verlept
ik vraag een priester en een troostend kruis
hij hangt aan de paal naast mij
fluistert hij zacht
ziek en uitgedoofd
scherpe kreten en bevelen
doen mij ontwaken uit mijn droom
mijn stoomhoofd bons---t
de eerste kogel treft mijn mond als een knagende zoen
een verwarrende sensatie koud en heet
ik spuug twee tanden en een keelgat en
ik snik of hik
een tweede spijkert mijn hersens aan de houten paal
en perst mij lachend
op het bord “men slacht een ploert”
“Judenfreund”
mijn naamkaart voor de eeuwen
ik voel plots niks
ik zak doorheen mijn obstakel
in de koele warmte van een lichte nacht
als in een donzige bloemkelk
en fluister heel zacht dank je
magisch mooi en toch vertrapt
denk ik
of ik nu herboren word?
“Vrede is de naam voor de periode tussen twee oorlogen”
Mijmeringen 1
stapvoets stug
en schrille stemmen
gefnuikt in het bars gemoed
met kringenogen leeg en diep
stapt een dwergenstoet voorbij
als een gekraakte rug
bitter knarsen tanden
op ethers van verzuchting
spieren knakken
bruine handen
vruchten van arbeidssleet
bladeren gloeiig stekend af
scherpe vloeken
rake schoppen
porren mensenleed vooruit
als nukkig vee
dronken wakers
vloeken en tieren
schieten stalen lopen leeg
op wat niet meer beweegt
dolle honden
blaffen bijtend
op commando van de baas
die lacht en brult
op het ongewild verdriet
bar gehijg van winterwinden
spant de vezels in elk lijf
waterstroom uit donderkoppen
weekt de lompen tot een huid
zonneschichten pikken spichtig
ruggekluwen rottend vlees
droge kloven bijten
onmeedogend dorre happen uit de lip
en zij, de vormelozen
vervloeken god en kloten
voor een kom koolsoep
en een kropvol schimmelbrood
zwetig zwoegend
koortsig en verfrommeld
spotprent voor magere hein
werken zich de dwergen door de tijd
tellen dagen
snikken maandenlang
hopen jaren op verlossing
tot het onverwacht eind
dat geregeld ongelegen
zijn bezoek brengt aan dit kamp
de verlossing uit het kreperen
het laatste greintje eergevoel
afschilt van de wrakken
uit onbegrip en pijn
waar is nu de trots
blij te mogen lachen
en mee te mogen streven
naar het nieuwe groots concept
de verlossing uit de crisis
de progressie van de tijd
arbeid maakt vrij
de slogan van onze grote leider
in “mein Kampf”
Mijmeringen 2
een brakke stroom van schrille stemmen
scheurt de sonore stilte in mijn koude cel
aufstehen und mitkommen
schopt mijn lome afgepeigerde vlees
tot laatste energie
de zon maakt blind
maar in een glimp zie ik mijn maats
verstard in zwijgend handenwrijven
als een wapperend flard
ik poseer met holle uitgebrande ogen
voor een vredesduif
en haar geweer
een rij soldaten als ik het goed zie
en dood
het wachten op genadeschot
zonder laatste sigaret
mijn lust tot leven is verlept
ik vraag een priester en een troostend kruis
hij hangt aan de paal naast mij
fluistert hij zacht
ziek en uitgedoofd
scherpe kreten en bevelen
doen mij ontwaken uit mijn droom
mijn stoomhoofd bons---t
de eerste kogel treft mijn mond als een knagende zoen
een verwarrende sensatie koud en heet
ik spuug twee tanden en een keelgat en
ik snik of hik
een tweede spijkert mijn hersens aan de houten paal
en perst mij lachend
op het bord “men slacht een ploert”
“Judenfreund”
mijn naamkaart voor de eeuwen
ik voel plots niks
ik zak doorheen mijn obstakel
in de koele warmte van een lichte nacht
als in een donzige bloemkelk
en fluister heel zacht dank je
magisch mooi en toch vertrapt
denk ik
of ik nu herboren word?
stekelig maar tof
-
jancactus - Lid geworden op: 06 nov 2006, 10:41
- Locatie: meerhout
De fabel van de vogel en de poes
In ons dorpje ligt een park, een mooi park waar de oudjes van het bejaardenhuis dagelijks op het bankje zitten, de verliefde koppeltjes zacht omarmd rond kuieren en de kinderen naar hartelust spelen in de grote zandbak Een serene plek temidden van het drukke centrum.
En in dat park ligt een vijver. Een prachtvijver, sierlijk aangelegd met een overvloed aan karpers en zonnebaarzen.
Midden in die vijver staat een eilandje, een klein eilandje; kaal weliswaar, maar mooi omzoomd met oevergewas.
Elke dag strijkt op dat eilandje een vogel neer, een schitterende vogel, weldoorvoed en met een kleurrijke pracht aan pluimen, die glanzen van gezondheid. Die vogel komt daar eten. De werkmannen van de gemeente strooien er dagelijks voer; kippeneten, granen en verschillende oliehoudende zaden. In de winter rijgen zij zelfs een zij wit spek op een stok. Een prachtige combinatie dus, waaraan onze gevederde vriend zich dagelijks het buikje rond eet, voor hij gaat rondfladderen boven het dorp.
Maar elke dag komt er ook een poes aan de vijver om te drinken. Een pracht van een beest, struis uit de kluiten gewassen, een rosse. Zij komt de ellendig droge kattenbrokken, die zij dagelijks van haar bazin krijgt, doorspoelen met wat vijverwater. Die brokken is zij kotsbeu gegeten en het koele water brengt haar wat soelaas. Maar terwijl de poes zit te slabberen, houdt zij met een scheve blik die mooie vogel in het oog. Een poes is van nature als dusdanig geen vogelliefhebber, zij het niet dat zij hem bewondert als een heerlijk, hapklaar stukje vlees. Een welkome afwisseling met dat droge, haast niet te verteren voer, dat ze steeds krijgt. En onze jager slurpt likkebaardend en denkt listig:”Eén dezer dagen ben jij toch de mijne. Ik zal je plukken en dan lekker opsmikkelen; ach, mijn buikje gromt al!”.
Was daar toch niet die onoverkomelijke hindernis, die ellendige plas water, die je als poes zomaar niet in één twee drie opgedronken krijgt Maar onoverkomelijk?!? Een kat is niet van het type dat zich zomaar van de wijs laat brengen. Zij beraamt een sluw plan. Vanaf de oever tot het eiland is naar schatting zo’n tiental meter. Met wat oefening overbrugt zij die afstand, dan kan ze eindelijk haar grote slag slaan. En dan, mjam mjam, smullen maar.
Zo gedacht, zo gedaan. Van die dag gaat onze poes serieus trainen. Eerst een uurtje joggen, daarna stretchen en dan oefenen in ’t verspringen. Eerst vijf meter, dan zes, wat later zeven… en ja de moeite wordt beloond met een daverend record van elf meter! Nu heb ik je, denkt onze leperd, morgen maak je kennis met mijn verraderlijke klauwtjes en wacht mij een heus festijn. In blijde afwachting scherpt zij zich, met het vijltje van de bazin, de nagels tot die vlijm en vlijmscherp zijn. Zij test haar wapens op een kussensloop; een grote scheur. Het ‘moment suprème’ is aangebroken, morgen is het feest!
’s Anderdaags, reeds lang voor dag en dauw, ligt zij reeds op de loer aan de vijverkant. Een poes is nu wel een geduldig beest, maar vandaag is ze zenuwachtig. Ongedurig tikt zij met haar moordenaarsklauwen op de grond. Uren verstrijken, lange uren, vreselijk lange uren, zelfs bange uren, “Komt ie of komt ie niet!”.
Uiteindelijk wordt de rusteloze verveling van het wachten beloond… daar is hij, “mijn vethaantje!”, lacht zij binnensmonds. De vogel landt sierlijk op zijn kleine territorium en begint direct hongerig in ’t rond te pikken, zonder enig acht te slaan op zijn omgeving. Het grote uur U… tijd voor actie!
Voorzichtig treedt de kat achteruit. Zorgvuldig telt zij haar stappen voor haar aanloop. Zij meet nog eens nauwkeurig na. Dan bolt zij zich op, zo klein als zij maar kan, de poten ver vooruit gestrekt, klaar voor de magische duik. De salto mortale! Even stilte, nog eens wiebelen met de achterpoten en het kontje… en daar vliegt ons heldin vooruit, als een pijl uit een kruisboog, erger nog, als een kanonskogel… .
De sprong was haar zeker gelukt. Had die domme, losliggende steen daar niet aan de oever gelegen, net aan de opstap van haar tijgersprong. Zij bezeert zich, schrikt, laat een helse “miauwww!”, en plonst pardoes midden in de plas… . als je nu echt van een sisser spreekt!
De vogel, verstoord in zijn maal, maar hij heeft toch lekker gegeten, vliegt krijsend op, maar gaat goedgevuld en goedgemutst zijn rondjes boven het dorp vliegen. En onze poes, nu ja, die heeft het jammerlijk achterna kijken.
Zij ploetert mistroostig door het water, hijst zich hijgend aan de oever op het droge. Zij schudt spattend haar natte pels droog en denkt met walging aan haar volgende maaltijd droge kattenbrokken, dat haar thuis te wachten staat. “Ach,”, troost zij zichzelf in arren moede,” zo erg is het ook weer niet. Het was misschien wel een zieke vogel; dan had ik nu maagpijn gehad, of was ik misschien dood gegaan… .” Tja, meisje, kop op, voor de vos zijn de druiven ooit ook te zuur geweest!
En zoals het bij iedere fatsoenlijke fabel past volgt dan hier:
De moraal
Wat u lezer er ook van voelen mag, één gulden regel geldt nog steeds:
Een vogel die verzadigd én weg is
Laat doorgaans een natte poes na, wat pech is!
In ons dorpje ligt een park, een mooi park waar de oudjes van het bejaardenhuis dagelijks op het bankje zitten, de verliefde koppeltjes zacht omarmd rond kuieren en de kinderen naar hartelust spelen in de grote zandbak Een serene plek temidden van het drukke centrum.
En in dat park ligt een vijver. Een prachtvijver, sierlijk aangelegd met een overvloed aan karpers en zonnebaarzen.
Midden in die vijver staat een eilandje, een klein eilandje; kaal weliswaar, maar mooi omzoomd met oevergewas.
Elke dag strijkt op dat eilandje een vogel neer, een schitterende vogel, weldoorvoed en met een kleurrijke pracht aan pluimen, die glanzen van gezondheid. Die vogel komt daar eten. De werkmannen van de gemeente strooien er dagelijks voer; kippeneten, granen en verschillende oliehoudende zaden. In de winter rijgen zij zelfs een zij wit spek op een stok. Een prachtige combinatie dus, waaraan onze gevederde vriend zich dagelijks het buikje rond eet, voor hij gaat rondfladderen boven het dorp.
Maar elke dag komt er ook een poes aan de vijver om te drinken. Een pracht van een beest, struis uit de kluiten gewassen, een rosse. Zij komt de ellendig droge kattenbrokken, die zij dagelijks van haar bazin krijgt, doorspoelen met wat vijverwater. Die brokken is zij kotsbeu gegeten en het koele water brengt haar wat soelaas. Maar terwijl de poes zit te slabberen, houdt zij met een scheve blik die mooie vogel in het oog. Een poes is van nature als dusdanig geen vogelliefhebber, zij het niet dat zij hem bewondert als een heerlijk, hapklaar stukje vlees. Een welkome afwisseling met dat droge, haast niet te verteren voer, dat ze steeds krijgt. En onze jager slurpt likkebaardend en denkt listig:”Eén dezer dagen ben jij toch de mijne. Ik zal je plukken en dan lekker opsmikkelen; ach, mijn buikje gromt al!”.
Was daar toch niet die onoverkomelijke hindernis, die ellendige plas water, die je als poes zomaar niet in één twee drie opgedronken krijgt Maar onoverkomelijk?!? Een kat is niet van het type dat zich zomaar van de wijs laat brengen. Zij beraamt een sluw plan. Vanaf de oever tot het eiland is naar schatting zo’n tiental meter. Met wat oefening overbrugt zij die afstand, dan kan ze eindelijk haar grote slag slaan. En dan, mjam mjam, smullen maar.
Zo gedacht, zo gedaan. Van die dag gaat onze poes serieus trainen. Eerst een uurtje joggen, daarna stretchen en dan oefenen in ’t verspringen. Eerst vijf meter, dan zes, wat later zeven… en ja de moeite wordt beloond met een daverend record van elf meter! Nu heb ik je, denkt onze leperd, morgen maak je kennis met mijn verraderlijke klauwtjes en wacht mij een heus festijn. In blijde afwachting scherpt zij zich, met het vijltje van de bazin, de nagels tot die vlijm en vlijmscherp zijn. Zij test haar wapens op een kussensloop; een grote scheur. Het ‘moment suprème’ is aangebroken, morgen is het feest!
’s Anderdaags, reeds lang voor dag en dauw, ligt zij reeds op de loer aan de vijverkant. Een poes is nu wel een geduldig beest, maar vandaag is ze zenuwachtig. Ongedurig tikt zij met haar moordenaarsklauwen op de grond. Uren verstrijken, lange uren, vreselijk lange uren, zelfs bange uren, “Komt ie of komt ie niet!”.
Uiteindelijk wordt de rusteloze verveling van het wachten beloond… daar is hij, “mijn vethaantje!”, lacht zij binnensmonds. De vogel landt sierlijk op zijn kleine territorium en begint direct hongerig in ’t rond te pikken, zonder enig acht te slaan op zijn omgeving. Het grote uur U… tijd voor actie!
Voorzichtig treedt de kat achteruit. Zorgvuldig telt zij haar stappen voor haar aanloop. Zij meet nog eens nauwkeurig na. Dan bolt zij zich op, zo klein als zij maar kan, de poten ver vooruit gestrekt, klaar voor de magische duik. De salto mortale! Even stilte, nog eens wiebelen met de achterpoten en het kontje… en daar vliegt ons heldin vooruit, als een pijl uit een kruisboog, erger nog, als een kanonskogel… .
De sprong was haar zeker gelukt. Had die domme, losliggende steen daar niet aan de oever gelegen, net aan de opstap van haar tijgersprong. Zij bezeert zich, schrikt, laat een helse “miauwww!”, en plonst pardoes midden in de plas… . als je nu echt van een sisser spreekt!
De vogel, verstoord in zijn maal, maar hij heeft toch lekker gegeten, vliegt krijsend op, maar gaat goedgevuld en goedgemutst zijn rondjes boven het dorp vliegen. En onze poes, nu ja, die heeft het jammerlijk achterna kijken.
Zij ploetert mistroostig door het water, hijst zich hijgend aan de oever op het droge. Zij schudt spattend haar natte pels droog en denkt met walging aan haar volgende maaltijd droge kattenbrokken, dat haar thuis te wachten staat. “Ach,”, troost zij zichzelf in arren moede,” zo erg is het ook weer niet. Het was misschien wel een zieke vogel; dan had ik nu maagpijn gehad, of was ik misschien dood gegaan… .” Tja, meisje, kop op, voor de vos zijn de druiven ooit ook te zuur geweest!
En zoals het bij iedere fatsoenlijke fabel past volgt dan hier:
De moraal
Wat u lezer er ook van voelen mag, één gulden regel geldt nog steeds:
Een vogel die verzadigd én weg is
Laat doorgaans een natte poes na, wat pech is!
stekelig maar tof
-
Robol - Lid geworden op: 25 dec 2004, 14:48
- Locatie: Beringen
Deze woorden beaam ik !Alterego1 schreef:
Jancactus,
Mooi verhaaltje,maar volgens mij
wel met een dubbele bodem![]()
Je zet hier prachtige dingen neer.
Groetjes,
Bosrankje en Alterego
Herman Brusselmans komt nog niet tot aan je knieën !
Robbe
walk on with hope in your heart
And you'll never walk alone...
And you'll never walk alone...
-
jancactus - Lid geworden op: 06 nov 2006, 10:41
- Locatie: meerhout
“Pictures at an exhibition”, een prachtig symfonisch werk van de hand van Mussorgsky, in een fantastisch aanstekelijke rockversie gegoten door de popgroep Emerson, Lake and Palmer. Een epische impressie van schilderijen op een tentoonstelling… . Een kunstenaar, die zich laat gaan na een begeesterend bezoek. Is dat geen prachtig gegeven?
Bij iedereen vindt een tentoonstelling zijn weerklank. Was het mooi of slecht, een invloed ondergaat men achteraf onvermijdelijk; of men nu kunstenaar is of niet.
Maastricht, heel wat jaren geleden. Een tentoonstelling over het occulte. Een gegeven dat niet onmiddellijk iedereen aanspreekt. Wij waren met vrienden meegegaan, niet direct uit belangstelling, maar meer als gezelschap. Een dagje uit.
Wat ziet men daar zoal? Een bonte verzameling fetisjen, totems, beenderen en doodshoofden, kortom, een hele resem attributen die gebruikt werden en worden in de wereld van de zwarte en de witte magie. Verrijkt met een aantal foto’s van prominenten uit die branche. Niets magisch, niets spookachtig, eerder prettig om naar te kijken. En eens schuin te lachen met de barbaarse prularia waarmee die kinkels zich bezighouden. D’r zaten daar een zootje sjamanen, witte en zwarte heksen –die zich voor de gelegenheid Wicca noemen-, een handvol waarzeggers en nog een bonte verzameling zwarte raven, elk met hun eigen specialiteit. Echt de moeite om eens te bekijken en dan een pils te gaan pakken in een ruime galerij.
En in die galerij hangen een aantal schilderijen van satanische of satanistische meesters.
Terwijl het gezelschap nog eens een tweede ronde wil maken, verontschuldig ik mij en ga die schilderijen eens naderbij bekijken. Ik heb echt bewondering voor die werken, heel ineengekronkeld tot eerder eenvoudig. Tot ik toch met enig onbehagen voel dat niet enkel ik naar die werken wordt toegezogen, maar dat er een rare, onbeschrijfbaar rare, zelfs negatieve uitstraling van uitgaat. Alsof iets mij wil vastgrijpen. Mijn vrouw maakt mij wakker uit mijn beslommering en we gaan naar de uitgang.
’s Nachts kan ik de slaap niet vatten. Ik lig mij hopeloos te wentelen in een wirwar van beelden, die schilderijen in één grote melange. Tot ik er koud zweet van krijg.
Na enkele sigaretten en bij een struise cognac, denk ik:”Ik schrijf het van mij af!”. Ik neem een vel papier en schrijf wat ik zie en wat ik voel.
Een impressie na een tentoonstelling, neen hoor, geen gedicht! Eerder een indruk die de lezer kan misleiden tot het visualiseren van een slecht gevoel. Niets meer, niets minder… .
Hier gaan we…
Mens, een ruw palet vol dwaze kleuren
zes moordzee-ogen op een bleekblauw vlak
met middenin een gouden sfeer … liefde en geluk
gekluisterd door … niets
een zwarte kroon doornt zich omlijnd daarrond
en splitst zich plots in een razend-witte flits
en bijt en zindert in het kartelhoofd van Mens
of breekt diens lijf op zwarte vleugelwolken
die, zilverheet omgeven tot een spits door rijen infrarode lippen
dreigend ruisen…
de gouden zon zakt reeds in zee en wiebelt uit in lichtblauwgroen
naar alle kanten in een zwart heelal – van licht naar donker
van donker naar licht
en andersom
in steeds kleinere kringen
de sterren prikken speldeknoppen angstig blikkerlicht in de paarse hemelschoot
naar de aarde toe, die sissend roodgloeit maar dan dooft
en het leven baart een clown
hij is niet blauw en ook niet rood, niet bruin of geel of groen
maar draagt in zich de bitse kleuren van een rauwe regenboog
die op zijn pees gespannen staat en wacht houdt bij een ranke schacht
een bliksemflits, zich priemend in de ragebol van de nar
en de nar, ach neen, hij is geen nar, duivel zou hem beter staan
zijn vuurvast oog –of hij nu weent of grijnst of schaterlacht
is voortdurend koud geladen en wurmt zich in het onschuldig hart
knaagt wijde gaten in het verdoemd gevoel van hij die hem creëerde
en van hen die hem bedaard bekijken en plots schrikken voor zijn ijzige blik
hij doodt zijn prooien met een speelse lach
hij, de vloek van een demonische hand
kreunend en vloekend op zijn meester
voedt zich met het verkrampte brein een kleine plek in ieders hoofd
om elkeen in het vizier te nemen
steeds moordend in een oogopslag…
Bij iedereen vindt een tentoonstelling zijn weerklank. Was het mooi of slecht, een invloed ondergaat men achteraf onvermijdelijk; of men nu kunstenaar is of niet.
Maastricht, heel wat jaren geleden. Een tentoonstelling over het occulte. Een gegeven dat niet onmiddellijk iedereen aanspreekt. Wij waren met vrienden meegegaan, niet direct uit belangstelling, maar meer als gezelschap. Een dagje uit.
Wat ziet men daar zoal? Een bonte verzameling fetisjen, totems, beenderen en doodshoofden, kortom, een hele resem attributen die gebruikt werden en worden in de wereld van de zwarte en de witte magie. Verrijkt met een aantal foto’s van prominenten uit die branche. Niets magisch, niets spookachtig, eerder prettig om naar te kijken. En eens schuin te lachen met de barbaarse prularia waarmee die kinkels zich bezighouden. D’r zaten daar een zootje sjamanen, witte en zwarte heksen –die zich voor de gelegenheid Wicca noemen-, een handvol waarzeggers en nog een bonte verzameling zwarte raven, elk met hun eigen specialiteit. Echt de moeite om eens te bekijken en dan een pils te gaan pakken in een ruime galerij.
En in die galerij hangen een aantal schilderijen van satanische of satanistische meesters.
Terwijl het gezelschap nog eens een tweede ronde wil maken, verontschuldig ik mij en ga die schilderijen eens naderbij bekijken. Ik heb echt bewondering voor die werken, heel ineengekronkeld tot eerder eenvoudig. Tot ik toch met enig onbehagen voel dat niet enkel ik naar die werken wordt toegezogen, maar dat er een rare, onbeschrijfbaar rare, zelfs negatieve uitstraling van uitgaat. Alsof iets mij wil vastgrijpen. Mijn vrouw maakt mij wakker uit mijn beslommering en we gaan naar de uitgang.
’s Nachts kan ik de slaap niet vatten. Ik lig mij hopeloos te wentelen in een wirwar van beelden, die schilderijen in één grote melange. Tot ik er koud zweet van krijg.
Na enkele sigaretten en bij een struise cognac, denk ik:”Ik schrijf het van mij af!”. Ik neem een vel papier en schrijf wat ik zie en wat ik voel.
Een impressie na een tentoonstelling, neen hoor, geen gedicht! Eerder een indruk die de lezer kan misleiden tot het visualiseren van een slecht gevoel. Niets meer, niets minder… .
Hier gaan we…
Mens, een ruw palet vol dwaze kleuren
zes moordzee-ogen op een bleekblauw vlak
met middenin een gouden sfeer … liefde en geluk
gekluisterd door … niets
een zwarte kroon doornt zich omlijnd daarrond
en splitst zich plots in een razend-witte flits
en bijt en zindert in het kartelhoofd van Mens
of breekt diens lijf op zwarte vleugelwolken
die, zilverheet omgeven tot een spits door rijen infrarode lippen
dreigend ruisen…
de gouden zon zakt reeds in zee en wiebelt uit in lichtblauwgroen
naar alle kanten in een zwart heelal – van licht naar donker
van donker naar licht
en andersom
in steeds kleinere kringen
de sterren prikken speldeknoppen angstig blikkerlicht in de paarse hemelschoot
naar de aarde toe, die sissend roodgloeit maar dan dooft
en het leven baart een clown
hij is niet blauw en ook niet rood, niet bruin of geel of groen
maar draagt in zich de bitse kleuren van een rauwe regenboog
die op zijn pees gespannen staat en wacht houdt bij een ranke schacht
een bliksemflits, zich priemend in de ragebol van de nar
en de nar, ach neen, hij is geen nar, duivel zou hem beter staan
zijn vuurvast oog –of hij nu weent of grijnst of schaterlacht
is voortdurend koud geladen en wurmt zich in het onschuldig hart
knaagt wijde gaten in het verdoemd gevoel van hij die hem creëerde
en van hen die hem bedaard bekijken en plots schrikken voor zijn ijzige blik
hij doodt zijn prooien met een speelse lach
hij, de vloek van een demonische hand
kreunend en vloekend op zijn meester
voedt zich met het verkrampte brein een kleine plek in ieders hoofd
om elkeen in het vizier te nemen
steeds moordend in een oogopslag…
stekelig maar tof
-
jancactus - Lid geworden op: 06 nov 2006, 10:41
- Locatie: meerhout
Het sprookje van het natte poesje.
Het leven van vandaag is helaas jachtig geworden. Mensen zijn koel, zakelijk, beredeneerd, pragmatisch… ik heb er echt geen woorden voor. Zij maken geen tijd meer om te leven zoals vroeger. Daar bestaat geen fantasie meer. Neen, fantasie is iets voor kinderen. Dat aanhoor je als je ’s avonds van het werk komt en aan tafel zit. Je luistert met een half oor terwijl je jouw bord leeg eet. Nadien moet je dat zo snel mogelijk vergeten, want de krant moet nog gelezen en … wat is er op TV?
Neen, mensen zijn misselijk geworden. Ijskoud van binnen. Alleen maar denkend aan geld en carrière. Egoïstisch, want als zij een ander de dieperik in kunnen schoppen voor een graadje hoger, dan doen ze het. Bovendien argwanend en wantrouwig, want niemand is meer te vertrouwen, zelfs je eigen vrouw niet. Vriendschap bestaat niet meer. Daar is tegenwoordig trouwens geen tijd meer voor. Er zijn andere dingen die véél belangrijker zijn. Terwijl ik deze bittere bevindingen schrijf, moet ik echt walgen van de wereld van vandaag… .
Sprookjes. Wat zijn in godsnaam nog sprookjes. Dat zijn pure leugens, waarmee vroeger het volk in bedwang gehouden werd. Het volk? Zeg maar: het gepeupel! Dat zootje ongeregeld dat vroeger beweerde dat werken plezant was. Dat geen televisie keek, maar buiten onder mekaar ging zitten als een bende schooiers. En dan maar ondereen bluffen, liegen en bedriegen… en ja, sprookjes vertellen.
En toch beseft de koele kikker van deze tegenwoordige tijd niet hoe prettig het wel niet was om onder elkander te zitten keuvelen, roken, een kaartje leggen of verhaaltjes vertellen. Dikwijls waren dat zelf meegemaakte belevenissen, deels gelogen, deels overdreven, maar toch, voor het overige, heel echt beleefd, meegemaakt, doorstaan. Boeiend, spannend of guitig… en waar de anderen met rode oortjes naar konden luisteren.
Wij, de oudere generatie, zeg maar gerust: de oude bokken; wij moeten de wereld herstellen. Wij, met kruis en zwaard ten strijde trekkend tegen deze moderne vorm van ketterij, dat brakke ongeloof, dat megalomaan eng denken. Zoniet richten wij een beschaving ten gronde, waarmee wij opgegroeid zijn en die voor ons de grondslag van ons familiegeluk betekent. Zo en niet anders! Ik heb gesproken! Met gans mijn hart, uit heel mijn ziel… .
Ik wil jullie daarom een ware belevenis vertellen, zo enorm prettig, zo geweldig fijn, dat het doodzonde zou zijn die nog langer te verzwijgen. Ik krijg er zelfs de tranen nog van in de ogen. Het begon als het ware als een sprookje, daarom dat ik het ook een sprookje noem.
Normaal zou ik moeten beginnen met:”Er was eens…”, maar zolang is het ook weer niet geleden. En, als geoefend verteller, beschouw ik het als een ‘must’ om de tegenwoordige tijd te gebruiken, want dat komt eerlijker over en dat roept mijn gevoelens beter op.
Dus leent mij uw gewillig oor en luister…
“De ganse ochtend en voormiddag heb ik mijn nikkel afgedraaid, papieren hier, formulieren daar. En dat voor een azijnpisser van een baas, die op alles een aanmerking heeft, waar nooit iets goed voor is en van wie je dan ook bij ’t minste naar je voeten krijgt. Ken je dat gevoel, als je tenslotte je prikkaart uittikt en denkt:”Kust nu eens vierkantig mijn botten!!!”. Eerlijk gezegd, ik dacht aanvankelijk aan een gepaster woord, maar dat wil ik de fatsoenlijke lezer besparen… .
Ik steek mijn hoofd buiten en, foei, het regent. Geen pijpenstelen, alhoewel, zo’n miezerige druilregen die loodrecht naar beneden valt en blaasjes maakt op de plassen. En vanochtend was het nochtans droog. Natuurlijk heb me niet voorzien van beschermende kledij, dus met opgetrokken schouders, handen diep in de zakken, laveer ik tussen die nattigheid naar huis. Het is herfst en behoorlijk kil; dat neem ik er nog bij.
Ter hoogte van het café op de hoek krijg ik wel stijve gedachten. Kloek neem ik me voor:”Eentje pakken kan geen kwaad, maar daar blijft het met mij niet bij. Ook al was de dag zo desastreus, neen is neen, ik ga recht naar huis; geen kapelletjes vandaag!”. Had ik toch maar beter geweten.
Tenandere, mijn vrouw is niet thuis. Zij is met haar zus naar de koekestad winkelen. Vanavond komt ze hongerig thuis, dus ondertussen bereid ik haar een verrukkelijk maal. Zoals ik dat met enthoesiasme kan, wordt dat weerom een culinair hoogstandje.De heren weten, dat wordt ’s avonds feest in bed. Haha! Ik popel reeds al… .
En met dit idee in gedachten wordt de afstand naar huis een heel pak korter.
Naargelang ik mijn blijde woonst nader, wordt mijn rasse tred plots een groot stuk trager. Wat zie daar voor mijn huis? Een immens grote plas water. Op zichzelf niets speciaals, ik weet dat wij met regenweer een grote plas voor de deur hebben. Maar wat zie ik daar in die plas bewegen, Een heel klein wezentje! Ik sluip behoedzaam dichterbij en dan herken ik. Een heel klein katje, dat triestig, helemaal alleen in het brakke water zit en haar voorpootje likt. Een grote auto rijdt voorbij en gooit ongegeneerd een grote zwiep modder over dat miezerige diertje. Het schrikt en schrompelt volledig ineen. Een droevig tafereel, dat garandeer ik u. Ik nader voorzichtig, buig mij en neem héél voorzichtig dat fragiele beestje in mijn beide handen. Het voelt erg koud aan, ocharme, en rilt in trilt tussen mijn grote, bevende vingertoppen. Ach, het kijkt mij zo zielig aan. Zij tracht een schampere “miauw”. Haar oortjes plakken tegen haar kopje van de slijk.
Kijk, van zoiets kan mijn hart recht uit mijn borstkas vliegen. Mijn ogen tranen, de hare ook. Welke judas heeft het toch in zijn lelijk punthoofd gehaald om zo’n weerloos schepseltje, een arme vrucht van moeder natuur, zomaar barbaars achter te laten in de regen in een grote plas voor mijn huis. Mijn gemoed schiet vol, zo week word ik. En dan nog een kattinnetje… dat weet ik op dat ogenblik nog niet, maar daar kom ik later achter. Niet vooruitlopen op mijn verhaal. Want nu komt het…
Ik troon dat arme poesje mee in huis. Ik moet het ver genoeg van mij houden, anders word ik ook vuil. Ik zeg:”luister hier, ik ga je eerst wassen, daarna eten we en dan lekker voor de warme kachel; ja, dat zal je al een heel stuk opknappen!”. Zo gezegd, zo gedaan. Ik vul een teil met warm water, niet te heet, een maak een zacht sopje met badschuim. Tijm, rozemarijn en lavendel van een merk dat niet goedkoop is, zo ben ik dan. Trouwens, dat werkt spierverzachtend. Ik dompel haar voorzichtig en laat haar eerst aan de temperatuur gewennen. Dan masseer ik haar voorzichtig met het zachtste washandje dat we in huis hebben, tot alle slijk verdwenen is en haar echte kleur doorkomt. Een lapjeskat verdorie; en nu merk ik dat het een kattinnetje is. Daar heeft een dierenvriend toch oog voor! Ik wikkel haar in een knusse sponzen handdoek en wrijf haar langzaam droog, alsof ik haar niet wil pijn doen.
Daarna verwarm ik wat melk, met een schepje honing. Acaciahoning uit Guatemala, dat versterkt. Ik schenk het lauwe drankje, eerst gevoeld met de achterkant van mijn hand, in een ondertas, met wat van het binnenste van het brood. Ik zet het voor haar op de grond neer en wacht af. Omzichtig kruipt zij naderbij, proeft, proeft nog eens, en begint dan te smullen. Net of ze in dagen geen eten meer gehad heeft. Het ganse bordje leeg. Ik maan haar:”meer krijg je niet, kleine, daarvoor ben je nog veel te zwak.”.
Ik neem haar mee in de zetel en zet haar op mijn schoot. Zij koezelt mijn billen, geeft kopjes op mijn buik en knort als een jong big, puur van vriendschap en contentement. Ik voel mij warm en trots; ik, haar redder…
Plots heft zij haar kopje op, kijkt mij aan en zegt:”ga met mij naar boven, samen in bed, da’s veel knusser. Bij jou voel ik me veilig…”.
Jaja, nu hoor ik u al zeggen:”Een dier kan toch niet praten!”. Dat weet ik ook wel, maar op zo’n moment is een mens zo van zijn doen, dat hij zulk dom detail totaal uit het oog verliest. Of laat het mij eenvoudiger formuleren:in zulke turbulente ogenblikken denkt een mens nog nauwelijks rationeel. Goed?
I
Ik met dat diertje naar boven, de slaapkamer in. Ik leg haar voorzichtig op bed en wil er naast gaan liggen… “Kleed je uit, volledig uit, dan kan ik me verwarmen aan je blote buik. En kom onder de lakens…”, dat vraagt zij, maar dan oh zo lief. Stomverbaasd, ietwat gegeneerd, maar ik zet mij in mijn volledige naakse en kruip met haar tussen de lakens. Zij schurkt zich in mijn oksel en tevreden dat het beestje is… niet te geloven. Zij knort en ronkt en duwt met haar voorpootjes tegen mij aan, enfin, ik voel mij de held van de dag. En dan wordt het heel even stil. Ik denk:”zij slaapt.”.
Maar neen, hoor. Plots kruipt zijn naar mijn hoofd en fluistert zacht:”Jou wil ik mijn grote geheim toevertrouwen…
Eigenlijk ben ik geen kat maar een klein meisje. Kijk niet zo verwonderd en laat me alles vertellen. Ik woonde gelukkig bij mijn ouders en speelde de ganse dag in onze tuin. Maar ik wilde meer. Kleine meisjes, weet je, zijn héél nieuwsgierig. Achter ons huis lag een bos, een groot bos. Donker en geheimzinnig. Mijn moeder had mij gewaarschuwd:”Het is een toverbos!”. Maar werkte nu juist zo aanstekelijk. Ik wilde en ik zou dat grote, donkere bos verkennen. En op een dag heb ik dat gedaan. Ik waagde mij voorzichtig tussen de eerste bomen, dan de tweede, de derde… en plots was ik verdwaald. Ik werd warm en koud. Ik kreeg het erg benauwd. Ik keek naar links en naar rechts en zocht wanhopig naar een uitgang. Die was nergens te vinden in ik sukkelde steeds verder weg van mijn vertrouwde omgeving. Ik wilde gaan zitten en luid schreien… Ineens kom ik terecht in een open plek. Mooi in de zon, met middenin een lief, landelijk huisje. Net zoals dat peperkoekenhuisje van Hans en Grietje en de toverheks. Ik besefte maar amper dat daar ook zo een dame kon wonen… en niets was minder waar. Voor het huisje lag een tuintje met allemaal sappige groenten en vruchten. Ik zag een grote bos met wel honderden aardbeien, ik, die daar zo verzot op was.
Een oude dame kwam in haar deurtje staan en riep krassend:”Wil je er eentje? Proef dan maar!”. Ik proefde een vrucht, zo sappig en zoet, en nog een en nog een. Te laat werd ik gewaar dat ik begon te krimpen en verschrompelde tot een kleine poes…. . De heks lachte krijsend als een oud wijf, tja, dat was ze. Ze zei:”Zo ga je voor eeuwen blijven, tenzij…” Ik schrok en rende weg en rende en holde en liep, tot het bos plotseling heel ver achter mij lag. Ik zeeg van uitputting ineen. Een grote man raapte mij op en zei:”jij, kippendief, jij gaat mee!”. Hij bracht me naar een asiel, waar ik jarenlang tussen andere katten verbleef. Allemaal verschoppelingen, die wachtten op een baas, die maar niet kwam. Op een dag zei de kerel die ons voerde:”We moeten eens van dat rucht afraken. Dat vreet maar en ’t brengt niets op. We zullen ze maar verdelgen!”. Ik kon gelukkiglijk op tijd ontsnappen en na vele omzwervingen –ik bespaar je de details- kwam ik hier, in de grote plas, voor jouw deur. Jij hebt mij gered.”.
Poeh, foei, ik was helemaal aangedaan door het trieste verhaal. Ik voelde plots leeg van binnen. Ik hoor mijzelf nog wanhopig stamelen:”Is er dan niets op deze wereld dat jou redden kan,”. Zij spint heel lief:”Dat weet ik eigenlijk niet. Ik heb niet meer verstaan wat die oude kraai krijste! Dom! Maar, lees jij geen sprookjes? Probeer is met mij lief te omarmen en met drie innige kussen op mijn snoet te geven…misschien helpt dat.”. Ik fleur op, mijn lamp gaat branden, da’s pas een idee! Ik pak dat katje vast en geeft haar drie dikke, gemeende kussen… .
Mij valt heus niks te verwijten. Plots een wild geraas, het meubilair begint vervaarlijk te schommelen en de kamer vult zich in een zware, rossige nevel, die stinkt naar zwavel en naar stront… . Ik ben bang. Ik ril. Ik beef als een espenblad. Ik weet niet hoe mijn gevoelens te omschrijven. Ik knijp mijn ogen dicht en ik bid. Begrijpt u wel… ik bid.
Als de rook en de geur optrekt en alles weer netjes op zijn plaats staat, open ik voorzichtig mijn ogen. De wereld is terug normaal. Maar naast mij ligt niet meer dat weke, trieste poesje, maar een beauty van, ‘k schat, twintig jaar. Ik zeg nu: een beauty… miss universe is een afzichtelijk mormel, als je eenmaal naar haar kijkt. Zij glimlacht:”Mijn helper! Mijn redder! Mijn held!”, en ze knuffelt mij en kust mij overal. Ja, mannen, letterlijk overal! Dan komt zij terug boven de lakens, ik ben verbouwereerd. Haar gezicht is perfect. Zij heeft van die ronde, perzikzachte borstjes en haar tepeltjes priemen zich nukkig door mijn weinige borsthaar. En wat ik daaronder voel, een hof van Eden. Haar diepblauwe kijkers lachen me toe, haar sensuele lippen smakken:”Met wat kan ik je een wederdienst bewijzen, mijn grote held?”… .
Nu, kijk me aan, jongens, ik ben een brave eerlijkerd, van goeden huize, een man uit één stuk, een hondstrouwe echtgenoot, alles wat je maar wil… maar ik ben ook maar een mens… .
Zij wrijft en perst zich tegen me aan, neemt me in een beenklem. Zij bestijgt mij en berijdt mij, alsof ze een wild paard te temmen heeft. En een wild paard ben ik! Zij verkracht mij en sleurt mij mee in extase. Ik ga weldra klaarkomen en… Ik kijk in het woedend gezicht van mijn vrouw, die net haar hoofd binnensteekt. Ik stamel nog:”Het is maar een poes!”, maar dat is olie op het vuur. En mijn prinses is plots verdwenen… .
Wat er daarna gebeurt, laat ik liever aan jullie verbeelding over. Een boosaardige echtgenote is heus niet van de poes. Ach, zwijg me over poes! Ik wordt beschimpt, vervloekt vermaledijd. Ik word geslagen, gemarteld, gefolterd. Ik wordt haast geslacht, gevierendeeld, gecastreerd… kortom ik beleef alle oneerlijkste dingen in dit leven. Tenslotte wordt ik buiten gesmeten en beland met mijn blote kloten in die grote plas voor ons huis. Ik tracht mijn naakte schaamte te bedekken. Een snelle auto zoeft langs en zwiept ongegeneerd een grote klots modderige slijk tegen mijn hoofd. Mijn oren plakken triest tegen mijn hoofd. Ik schrompel ineen en lik droevig mijn pootje… . Een fietser rijdt voorbij en roept:” hé, nudist, is ’t niet wat laat in ’t jaar om te gaan zwemmen?!?” Dat is het einde. Dat doet de deur dicht. Daar zijn geen woorden voor… .”.
Dit verhaal is wel tien jaar geleden. De tijd heelt de wonden. Mijn vrouw heeft vergeven, maar is nog niet vergeten. Ik zwijg en ik treur om mijn naiëve dwaasheid.
We komen zo stilaan terug onder vrienden. Er wordt over van alles gepraat, behalve over dat ene… .
Soms drink ik, en drink ik een pintje teveel. Dan durf ik al eens melancholisch worden, dan verklaar ik dat het vroegere gebeurde heus waar is. Ik word dan onthaald op ongelovig, stompzinnig gelach. En blikkerende blikken van mijn eega. Dan krimp ik verlegen ineen.
Zoals het elk modern sprookje betaamt, heeft ook dit verhaal een…
Moraal:
Mannen,
Hoe het toeval ook soms lokt,
En hoe behulpzaam ge ook zijt
Haalt nooit een natte poes in huis
Hoe lief ze dan is
Ge geraakt in de goot
En met een koude zak!
Het leven van vandaag is helaas jachtig geworden. Mensen zijn koel, zakelijk, beredeneerd, pragmatisch… ik heb er echt geen woorden voor. Zij maken geen tijd meer om te leven zoals vroeger. Daar bestaat geen fantasie meer. Neen, fantasie is iets voor kinderen. Dat aanhoor je als je ’s avonds van het werk komt en aan tafel zit. Je luistert met een half oor terwijl je jouw bord leeg eet. Nadien moet je dat zo snel mogelijk vergeten, want de krant moet nog gelezen en … wat is er op TV?
Neen, mensen zijn misselijk geworden. Ijskoud van binnen. Alleen maar denkend aan geld en carrière. Egoïstisch, want als zij een ander de dieperik in kunnen schoppen voor een graadje hoger, dan doen ze het. Bovendien argwanend en wantrouwig, want niemand is meer te vertrouwen, zelfs je eigen vrouw niet. Vriendschap bestaat niet meer. Daar is tegenwoordig trouwens geen tijd meer voor. Er zijn andere dingen die véél belangrijker zijn. Terwijl ik deze bittere bevindingen schrijf, moet ik echt walgen van de wereld van vandaag… .
Sprookjes. Wat zijn in godsnaam nog sprookjes. Dat zijn pure leugens, waarmee vroeger het volk in bedwang gehouden werd. Het volk? Zeg maar: het gepeupel! Dat zootje ongeregeld dat vroeger beweerde dat werken plezant was. Dat geen televisie keek, maar buiten onder mekaar ging zitten als een bende schooiers. En dan maar ondereen bluffen, liegen en bedriegen… en ja, sprookjes vertellen.
En toch beseft de koele kikker van deze tegenwoordige tijd niet hoe prettig het wel niet was om onder elkander te zitten keuvelen, roken, een kaartje leggen of verhaaltjes vertellen. Dikwijls waren dat zelf meegemaakte belevenissen, deels gelogen, deels overdreven, maar toch, voor het overige, heel echt beleefd, meegemaakt, doorstaan. Boeiend, spannend of guitig… en waar de anderen met rode oortjes naar konden luisteren.
Wij, de oudere generatie, zeg maar gerust: de oude bokken; wij moeten de wereld herstellen. Wij, met kruis en zwaard ten strijde trekkend tegen deze moderne vorm van ketterij, dat brakke ongeloof, dat megalomaan eng denken. Zoniet richten wij een beschaving ten gronde, waarmee wij opgegroeid zijn en die voor ons de grondslag van ons familiegeluk betekent. Zo en niet anders! Ik heb gesproken! Met gans mijn hart, uit heel mijn ziel… .
Ik wil jullie daarom een ware belevenis vertellen, zo enorm prettig, zo geweldig fijn, dat het doodzonde zou zijn die nog langer te verzwijgen. Ik krijg er zelfs de tranen nog van in de ogen. Het begon als het ware als een sprookje, daarom dat ik het ook een sprookje noem.
Normaal zou ik moeten beginnen met:”Er was eens…”, maar zolang is het ook weer niet geleden. En, als geoefend verteller, beschouw ik het als een ‘must’ om de tegenwoordige tijd te gebruiken, want dat komt eerlijker over en dat roept mijn gevoelens beter op.
Dus leent mij uw gewillig oor en luister…
“De ganse ochtend en voormiddag heb ik mijn nikkel afgedraaid, papieren hier, formulieren daar. En dat voor een azijnpisser van een baas, die op alles een aanmerking heeft, waar nooit iets goed voor is en van wie je dan ook bij ’t minste naar je voeten krijgt. Ken je dat gevoel, als je tenslotte je prikkaart uittikt en denkt:”Kust nu eens vierkantig mijn botten!!!”. Eerlijk gezegd, ik dacht aanvankelijk aan een gepaster woord, maar dat wil ik de fatsoenlijke lezer besparen… .
Ik steek mijn hoofd buiten en, foei, het regent. Geen pijpenstelen, alhoewel, zo’n miezerige druilregen die loodrecht naar beneden valt en blaasjes maakt op de plassen. En vanochtend was het nochtans droog. Natuurlijk heb me niet voorzien van beschermende kledij, dus met opgetrokken schouders, handen diep in de zakken, laveer ik tussen die nattigheid naar huis. Het is herfst en behoorlijk kil; dat neem ik er nog bij.
Ter hoogte van het café op de hoek krijg ik wel stijve gedachten. Kloek neem ik me voor:”Eentje pakken kan geen kwaad, maar daar blijft het met mij niet bij. Ook al was de dag zo desastreus, neen is neen, ik ga recht naar huis; geen kapelletjes vandaag!”. Had ik toch maar beter geweten.
Tenandere, mijn vrouw is niet thuis. Zij is met haar zus naar de koekestad winkelen. Vanavond komt ze hongerig thuis, dus ondertussen bereid ik haar een verrukkelijk maal. Zoals ik dat met enthoesiasme kan, wordt dat weerom een culinair hoogstandje.De heren weten, dat wordt ’s avonds feest in bed. Haha! Ik popel reeds al… .
En met dit idee in gedachten wordt de afstand naar huis een heel pak korter.
Naargelang ik mijn blijde woonst nader, wordt mijn rasse tred plots een groot stuk trager. Wat zie daar voor mijn huis? Een immens grote plas water. Op zichzelf niets speciaals, ik weet dat wij met regenweer een grote plas voor de deur hebben. Maar wat zie ik daar in die plas bewegen, Een heel klein wezentje! Ik sluip behoedzaam dichterbij en dan herken ik. Een heel klein katje, dat triestig, helemaal alleen in het brakke water zit en haar voorpootje likt. Een grote auto rijdt voorbij en gooit ongegeneerd een grote zwiep modder over dat miezerige diertje. Het schrikt en schrompelt volledig ineen. Een droevig tafereel, dat garandeer ik u. Ik nader voorzichtig, buig mij en neem héél voorzichtig dat fragiele beestje in mijn beide handen. Het voelt erg koud aan, ocharme, en rilt in trilt tussen mijn grote, bevende vingertoppen. Ach, het kijkt mij zo zielig aan. Zij tracht een schampere “miauw”. Haar oortjes plakken tegen haar kopje van de slijk.
Kijk, van zoiets kan mijn hart recht uit mijn borstkas vliegen. Mijn ogen tranen, de hare ook. Welke judas heeft het toch in zijn lelijk punthoofd gehaald om zo’n weerloos schepseltje, een arme vrucht van moeder natuur, zomaar barbaars achter te laten in de regen in een grote plas voor mijn huis. Mijn gemoed schiet vol, zo week word ik. En dan nog een kattinnetje… dat weet ik op dat ogenblik nog niet, maar daar kom ik later achter. Niet vooruitlopen op mijn verhaal. Want nu komt het…
Ik troon dat arme poesje mee in huis. Ik moet het ver genoeg van mij houden, anders word ik ook vuil. Ik zeg:”luister hier, ik ga je eerst wassen, daarna eten we en dan lekker voor de warme kachel; ja, dat zal je al een heel stuk opknappen!”. Zo gezegd, zo gedaan. Ik vul een teil met warm water, niet te heet, een maak een zacht sopje met badschuim. Tijm, rozemarijn en lavendel van een merk dat niet goedkoop is, zo ben ik dan. Trouwens, dat werkt spierverzachtend. Ik dompel haar voorzichtig en laat haar eerst aan de temperatuur gewennen. Dan masseer ik haar voorzichtig met het zachtste washandje dat we in huis hebben, tot alle slijk verdwenen is en haar echte kleur doorkomt. Een lapjeskat verdorie; en nu merk ik dat het een kattinnetje is. Daar heeft een dierenvriend toch oog voor! Ik wikkel haar in een knusse sponzen handdoek en wrijf haar langzaam droog, alsof ik haar niet wil pijn doen.
Daarna verwarm ik wat melk, met een schepje honing. Acaciahoning uit Guatemala, dat versterkt. Ik schenk het lauwe drankje, eerst gevoeld met de achterkant van mijn hand, in een ondertas, met wat van het binnenste van het brood. Ik zet het voor haar op de grond neer en wacht af. Omzichtig kruipt zij naderbij, proeft, proeft nog eens, en begint dan te smullen. Net of ze in dagen geen eten meer gehad heeft. Het ganse bordje leeg. Ik maan haar:”meer krijg je niet, kleine, daarvoor ben je nog veel te zwak.”.
Ik neem haar mee in de zetel en zet haar op mijn schoot. Zij koezelt mijn billen, geeft kopjes op mijn buik en knort als een jong big, puur van vriendschap en contentement. Ik voel mij warm en trots; ik, haar redder…
Plots heft zij haar kopje op, kijkt mij aan en zegt:”ga met mij naar boven, samen in bed, da’s veel knusser. Bij jou voel ik me veilig…”.
Jaja, nu hoor ik u al zeggen:”Een dier kan toch niet praten!”. Dat weet ik ook wel, maar op zo’n moment is een mens zo van zijn doen, dat hij zulk dom detail totaal uit het oog verliest. Of laat het mij eenvoudiger formuleren:in zulke turbulente ogenblikken denkt een mens nog nauwelijks rationeel. Goed?
I
Ik met dat diertje naar boven, de slaapkamer in. Ik leg haar voorzichtig op bed en wil er naast gaan liggen… “Kleed je uit, volledig uit, dan kan ik me verwarmen aan je blote buik. En kom onder de lakens…”, dat vraagt zij, maar dan oh zo lief. Stomverbaasd, ietwat gegeneerd, maar ik zet mij in mijn volledige naakse en kruip met haar tussen de lakens. Zij schurkt zich in mijn oksel en tevreden dat het beestje is… niet te geloven. Zij knort en ronkt en duwt met haar voorpootjes tegen mij aan, enfin, ik voel mij de held van de dag. En dan wordt het heel even stil. Ik denk:”zij slaapt.”.
Maar neen, hoor. Plots kruipt zijn naar mijn hoofd en fluistert zacht:”Jou wil ik mijn grote geheim toevertrouwen…
Eigenlijk ben ik geen kat maar een klein meisje. Kijk niet zo verwonderd en laat me alles vertellen. Ik woonde gelukkig bij mijn ouders en speelde de ganse dag in onze tuin. Maar ik wilde meer. Kleine meisjes, weet je, zijn héél nieuwsgierig. Achter ons huis lag een bos, een groot bos. Donker en geheimzinnig. Mijn moeder had mij gewaarschuwd:”Het is een toverbos!”. Maar werkte nu juist zo aanstekelijk. Ik wilde en ik zou dat grote, donkere bos verkennen. En op een dag heb ik dat gedaan. Ik waagde mij voorzichtig tussen de eerste bomen, dan de tweede, de derde… en plots was ik verdwaald. Ik werd warm en koud. Ik kreeg het erg benauwd. Ik keek naar links en naar rechts en zocht wanhopig naar een uitgang. Die was nergens te vinden in ik sukkelde steeds verder weg van mijn vertrouwde omgeving. Ik wilde gaan zitten en luid schreien… Ineens kom ik terecht in een open plek. Mooi in de zon, met middenin een lief, landelijk huisje. Net zoals dat peperkoekenhuisje van Hans en Grietje en de toverheks. Ik besefte maar amper dat daar ook zo een dame kon wonen… en niets was minder waar. Voor het huisje lag een tuintje met allemaal sappige groenten en vruchten. Ik zag een grote bos met wel honderden aardbeien, ik, die daar zo verzot op was.
Een oude dame kwam in haar deurtje staan en riep krassend:”Wil je er eentje? Proef dan maar!”. Ik proefde een vrucht, zo sappig en zoet, en nog een en nog een. Te laat werd ik gewaar dat ik begon te krimpen en verschrompelde tot een kleine poes…. . De heks lachte krijsend als een oud wijf, tja, dat was ze. Ze zei:”Zo ga je voor eeuwen blijven, tenzij…” Ik schrok en rende weg en rende en holde en liep, tot het bos plotseling heel ver achter mij lag. Ik zeeg van uitputting ineen. Een grote man raapte mij op en zei:”jij, kippendief, jij gaat mee!”. Hij bracht me naar een asiel, waar ik jarenlang tussen andere katten verbleef. Allemaal verschoppelingen, die wachtten op een baas, die maar niet kwam. Op een dag zei de kerel die ons voerde:”We moeten eens van dat rucht afraken. Dat vreet maar en ’t brengt niets op. We zullen ze maar verdelgen!”. Ik kon gelukkiglijk op tijd ontsnappen en na vele omzwervingen –ik bespaar je de details- kwam ik hier, in de grote plas, voor jouw deur. Jij hebt mij gered.”.
Poeh, foei, ik was helemaal aangedaan door het trieste verhaal. Ik voelde plots leeg van binnen. Ik hoor mijzelf nog wanhopig stamelen:”Is er dan niets op deze wereld dat jou redden kan,”. Zij spint heel lief:”Dat weet ik eigenlijk niet. Ik heb niet meer verstaan wat die oude kraai krijste! Dom! Maar, lees jij geen sprookjes? Probeer is met mij lief te omarmen en met drie innige kussen op mijn snoet te geven…misschien helpt dat.”. Ik fleur op, mijn lamp gaat branden, da’s pas een idee! Ik pak dat katje vast en geeft haar drie dikke, gemeende kussen… .
Mij valt heus niks te verwijten. Plots een wild geraas, het meubilair begint vervaarlijk te schommelen en de kamer vult zich in een zware, rossige nevel, die stinkt naar zwavel en naar stront… . Ik ben bang. Ik ril. Ik beef als een espenblad. Ik weet niet hoe mijn gevoelens te omschrijven. Ik knijp mijn ogen dicht en ik bid. Begrijpt u wel… ik bid.
Als de rook en de geur optrekt en alles weer netjes op zijn plaats staat, open ik voorzichtig mijn ogen. De wereld is terug normaal. Maar naast mij ligt niet meer dat weke, trieste poesje, maar een beauty van, ‘k schat, twintig jaar. Ik zeg nu: een beauty… miss universe is een afzichtelijk mormel, als je eenmaal naar haar kijkt. Zij glimlacht:”Mijn helper! Mijn redder! Mijn held!”, en ze knuffelt mij en kust mij overal. Ja, mannen, letterlijk overal! Dan komt zij terug boven de lakens, ik ben verbouwereerd. Haar gezicht is perfect. Zij heeft van die ronde, perzikzachte borstjes en haar tepeltjes priemen zich nukkig door mijn weinige borsthaar. En wat ik daaronder voel, een hof van Eden. Haar diepblauwe kijkers lachen me toe, haar sensuele lippen smakken:”Met wat kan ik je een wederdienst bewijzen, mijn grote held?”… .
Nu, kijk me aan, jongens, ik ben een brave eerlijkerd, van goeden huize, een man uit één stuk, een hondstrouwe echtgenoot, alles wat je maar wil… maar ik ben ook maar een mens… .
Zij wrijft en perst zich tegen me aan, neemt me in een beenklem. Zij bestijgt mij en berijdt mij, alsof ze een wild paard te temmen heeft. En een wild paard ben ik! Zij verkracht mij en sleurt mij mee in extase. Ik ga weldra klaarkomen en… Ik kijk in het woedend gezicht van mijn vrouw, die net haar hoofd binnensteekt. Ik stamel nog:”Het is maar een poes!”, maar dat is olie op het vuur. En mijn prinses is plots verdwenen… .
Wat er daarna gebeurt, laat ik liever aan jullie verbeelding over. Een boosaardige echtgenote is heus niet van de poes. Ach, zwijg me over poes! Ik wordt beschimpt, vervloekt vermaledijd. Ik word geslagen, gemarteld, gefolterd. Ik wordt haast geslacht, gevierendeeld, gecastreerd… kortom ik beleef alle oneerlijkste dingen in dit leven. Tenslotte wordt ik buiten gesmeten en beland met mijn blote kloten in die grote plas voor ons huis. Ik tracht mijn naakte schaamte te bedekken. Een snelle auto zoeft langs en zwiept ongegeneerd een grote klots modderige slijk tegen mijn hoofd. Mijn oren plakken triest tegen mijn hoofd. Ik schrompel ineen en lik droevig mijn pootje… . Een fietser rijdt voorbij en roept:” hé, nudist, is ’t niet wat laat in ’t jaar om te gaan zwemmen?!?” Dat is het einde. Dat doet de deur dicht. Daar zijn geen woorden voor… .”.
Dit verhaal is wel tien jaar geleden. De tijd heelt de wonden. Mijn vrouw heeft vergeven, maar is nog niet vergeten. Ik zwijg en ik treur om mijn naiëve dwaasheid.
We komen zo stilaan terug onder vrienden. Er wordt over van alles gepraat, behalve over dat ene… .
Soms drink ik, en drink ik een pintje teveel. Dan durf ik al eens melancholisch worden, dan verklaar ik dat het vroegere gebeurde heus waar is. Ik word dan onthaald op ongelovig, stompzinnig gelach. En blikkerende blikken van mijn eega. Dan krimp ik verlegen ineen.
Zoals het elk modern sprookje betaamt, heeft ook dit verhaal een…
Moraal:
Mannen,
Hoe het toeval ook soms lokt,
En hoe behulpzaam ge ook zijt
Haalt nooit een natte poes in huis
Hoe lief ze dan is
Ge geraakt in de goot
En met een koude zak!
stekelig maar tof
-
jancactus - Lid geworden op: 06 nov 2006, 10:41
- Locatie: meerhout
Noem het dan… vicieus
en tegen de morgen
terwijl buiten
vrouwen kotsen
vallen de heren
lallend in hun roes
of frutselen stiekem
aan vreemde beha’s…
het moet… met oudejaar
nog katerend van oud naar nieuw
en trippelend van boergondisch jicht
opent hij zijn eerste werkdag met een kuch
en een dikke strot van ’t vele roken deze week
vergelijkt geschenken met wat hij zelf heeft gegeven
maakt de rekening en slikt een aspirien
voor hij wintertenig naar zijn werk hinkt
met sigaren voor zijn maats
die net aan hetzelfde hebben gedacht
louter gebrek aan inspiratie…
receptie en daarna een glaasje
in zijn stamkroeg en in het laat
naar huis toe, goedgeluimd en weer het heertje
tot ’s anderdaags het werk degouteert..
de winter duurt nog vreselijk lang
en ’t gure weer klinkt hem in bed
en aan weerzinwekkende medicijn
dus een overmaat aan grogjes
die vrouwlief de ganse dag doet zeuren
van alcohol én dronkenschap én ‘t “pootje”
tot hij daarvan terug genezen is
en zich opnieuw heel ernstig wijden kan
aan de dagdagelijkse sleur
kantoortje in, kantoortje uit
voor een maagzweer van een baas
en wekelijks gaan kaarten met zijn maats
genietend van een gulle trappist…
en zo mist hij het groene bot
dat nu reeds, zeer miniem
de naakte takken siert…
het voorjaarsreuma zingt reeds in zijn leden
nu de winter is geronnen
en de sneeuwbui ruilt voor regen…
de kleine zwaluw wiekt weer terug
en de lente brengt nieuw leven
maar niks daarvan merkt onze klerk
nog sloft hij moe naar de werkkring toe
en doet verveeld zijn ding
klasseren, sorteren en papier verteren
zo ziet hij niet dat de melkboer fluit
zijn jek vergeet en open hemden draagt
en vrouwlief flaneert met diepe décolleté’s…
hij klopt zijn daguur en is blij
als hij thuis de graaf is met zijn pijp
en pantoffels en zijn krant
met een heerlijke likeur
afgepeigerd hijgend en bekaf
in zijn veel te grote pyama
tot het pasen wordt…
konijn met pruimen en een vrije dag
een uitje met zijn eega naar ’t theater
een portje bij de buur van rechts
cognacje hiertegenover
en dan lekker liggen maffen in de luie stoel
met een avondje TV en een sigaar
nog eentje van nieuwjaar
tot het laatste beeld de ether stoort…
daarna zwoegen met de klok
postzegels likken en rekeningen tikken
want het hok moet nog betaald
en een bank geeft geen krediet
dus ploetert hij de lentezon voorbij
en merkt niet dat het warm wordt in de stad…
de zomerwind steelt speels wat stof
en zaait het zonnig
over de zwetende huppelrij hoofden
die wurmen voor dat laatste plekje op de tram
en heetgelopen door vele cijfers
koelte smeken in hun stenen kluis…
de straat ademt hitte…
een verloren stadsmus neemt een zandbad in de goot
en hij zit puffend in ’t appartement
met een vaatdoek op zijn hoofd
en een longdrink binnen handbereik
of tuurt stiekem op het balkon
met zijn nieuwe verrekijker
naar die moordgriet in de blok hierover
die zonnebaadt met boven niets…
met het rijpen van het eerste fruit
begint de trek naar het zuiden
waar gloeiende zonnevlammen schroeien
wat blank en bloot is deze keer
dat rood wordt en met vele ongemakken
later uitdooft tot wat boerenbruin
tenslotte vervelt tot hagelwit, opnieuw…
hij verpoost van een zwaar werkjaar
drinkt veel wijn en pit op ’t strand
met een loens oog voor ’t vrouwelijk schoon
terwijl zijn druifje kaarten schrijft
en verstuurd naar de geburen..
ach, zat jij aan de noordzee met zo’n weer
wij zagen napels en turijn
dansten de flamenco in espania
dronken sangria op de balearen
en sliepen zelfs in het vondelpark..
de bluf verstard met het werkseizoen
het luizenleven is gedaan
en met het nieuwe afbetalingsplan
herbegint het sparen…
nooit zal onze stakker weten
wanneer de zomer in het najaar vloeit
in treurige rosse kleuren
tenzij hij zich wat warmer kleedt
want hij heeft weer last van een stijve nek…
hij werkt zich terug een zere bult
en zit weer noest te pennelikken
mits een vrijafje tussendoor
om te gaan vissen met zijn maten
op jenever en makrelen, of hoe die samengaan…
hij slikt weer maagzout bij het eten
en sloft alweer de wijzers rond
met hoofdpijn en een zere keel
wat hem eens te meer humeurig maakt
en stil doet grijpen naar de fles…
de vorst komt stiekem ’s morgens kijken
of de regen treurt op de daken dagenlang
mistig en kil
soms stijgend tot een hels crescendo
van een ongetemde najaarsstorm af en toe
en hij is zijn plu vergeten…
dan wordt het terug stil in de straat
waar zolen pletsen op de grauwe plavei
en vage sporen trekken van vocht en blad
de melkboer draagt ook terug zijn jas
en de lichten branden ook wat langer
en het zomeruur is opgefeest
dat merkt hij enkel aan zijn klok…
men vreest de eerste sneeuw
die plots aandrijft op een winterwolk
de zwaluw heeft al wekenlang
zijn draad geruild voor rijm
die witte slingers werpt doorheen de stad
hij is gedeserteerd naar warmer oorden…
hijzelf hinkt op zere tenen
en denkt aan kerst en nieuwjaar…
dan zucht hij even melacholiek
bij de kerstboom en een warme wijn
ach, dra is het weer feesten
een weekje vrij om het te vieren
dat maakt hem enigszins toch blij…
maar op de tweede dag van ’t nieuwe jaar
dan is hij toch zo vreselijk ziek
want, katerend van oud naar nieuw…
en tegen de morgen
terwijl buiten
vrouwen kotsen
vallen de heren
lallend in hun roes
of frutselen stiekem
aan vreemde beha’s…
het moet… met oudejaar
nog katerend van oud naar nieuw
en trippelend van boergondisch jicht
opent hij zijn eerste werkdag met een kuch
en een dikke strot van ’t vele roken deze week
vergelijkt geschenken met wat hij zelf heeft gegeven
maakt de rekening en slikt een aspirien
voor hij wintertenig naar zijn werk hinkt
met sigaren voor zijn maats
die net aan hetzelfde hebben gedacht
louter gebrek aan inspiratie…
receptie en daarna een glaasje
in zijn stamkroeg en in het laat
naar huis toe, goedgeluimd en weer het heertje
tot ’s anderdaags het werk degouteert..
de winter duurt nog vreselijk lang
en ’t gure weer klinkt hem in bed
en aan weerzinwekkende medicijn
dus een overmaat aan grogjes
die vrouwlief de ganse dag doet zeuren
van alcohol én dronkenschap én ‘t “pootje”
tot hij daarvan terug genezen is
en zich opnieuw heel ernstig wijden kan
aan de dagdagelijkse sleur
kantoortje in, kantoortje uit
voor een maagzweer van een baas
en wekelijks gaan kaarten met zijn maats
genietend van een gulle trappist…
en zo mist hij het groene bot
dat nu reeds, zeer miniem
de naakte takken siert…
het voorjaarsreuma zingt reeds in zijn leden
nu de winter is geronnen
en de sneeuwbui ruilt voor regen…
de kleine zwaluw wiekt weer terug
en de lente brengt nieuw leven
maar niks daarvan merkt onze klerk
nog sloft hij moe naar de werkkring toe
en doet verveeld zijn ding
klasseren, sorteren en papier verteren
zo ziet hij niet dat de melkboer fluit
zijn jek vergeet en open hemden draagt
en vrouwlief flaneert met diepe décolleté’s…
hij klopt zijn daguur en is blij
als hij thuis de graaf is met zijn pijp
en pantoffels en zijn krant
met een heerlijke likeur
afgepeigerd hijgend en bekaf
in zijn veel te grote pyama
tot het pasen wordt…
konijn met pruimen en een vrije dag
een uitje met zijn eega naar ’t theater
een portje bij de buur van rechts
cognacje hiertegenover
en dan lekker liggen maffen in de luie stoel
met een avondje TV en een sigaar
nog eentje van nieuwjaar
tot het laatste beeld de ether stoort…
daarna zwoegen met de klok
postzegels likken en rekeningen tikken
want het hok moet nog betaald
en een bank geeft geen krediet
dus ploetert hij de lentezon voorbij
en merkt niet dat het warm wordt in de stad…
de zomerwind steelt speels wat stof
en zaait het zonnig
over de zwetende huppelrij hoofden
die wurmen voor dat laatste plekje op de tram
en heetgelopen door vele cijfers
koelte smeken in hun stenen kluis…
de straat ademt hitte…
een verloren stadsmus neemt een zandbad in de goot
en hij zit puffend in ’t appartement
met een vaatdoek op zijn hoofd
en een longdrink binnen handbereik
of tuurt stiekem op het balkon
met zijn nieuwe verrekijker
naar die moordgriet in de blok hierover
die zonnebaadt met boven niets…
met het rijpen van het eerste fruit
begint de trek naar het zuiden
waar gloeiende zonnevlammen schroeien
wat blank en bloot is deze keer
dat rood wordt en met vele ongemakken
later uitdooft tot wat boerenbruin
tenslotte vervelt tot hagelwit, opnieuw…
hij verpoost van een zwaar werkjaar
drinkt veel wijn en pit op ’t strand
met een loens oog voor ’t vrouwelijk schoon
terwijl zijn druifje kaarten schrijft
en verstuurd naar de geburen..
ach, zat jij aan de noordzee met zo’n weer
wij zagen napels en turijn
dansten de flamenco in espania
dronken sangria op de balearen
en sliepen zelfs in het vondelpark..
de bluf verstard met het werkseizoen
het luizenleven is gedaan
en met het nieuwe afbetalingsplan
herbegint het sparen…
nooit zal onze stakker weten
wanneer de zomer in het najaar vloeit
in treurige rosse kleuren
tenzij hij zich wat warmer kleedt
want hij heeft weer last van een stijve nek…
hij werkt zich terug een zere bult
en zit weer noest te pennelikken
mits een vrijafje tussendoor
om te gaan vissen met zijn maten
op jenever en makrelen, of hoe die samengaan…
hij slikt weer maagzout bij het eten
en sloft alweer de wijzers rond
met hoofdpijn en een zere keel
wat hem eens te meer humeurig maakt
en stil doet grijpen naar de fles…
de vorst komt stiekem ’s morgens kijken
of de regen treurt op de daken dagenlang
mistig en kil
soms stijgend tot een hels crescendo
van een ongetemde najaarsstorm af en toe
en hij is zijn plu vergeten…
dan wordt het terug stil in de straat
waar zolen pletsen op de grauwe plavei
en vage sporen trekken van vocht en blad
de melkboer draagt ook terug zijn jas
en de lichten branden ook wat langer
en het zomeruur is opgefeest
dat merkt hij enkel aan zijn klok…
men vreest de eerste sneeuw
die plots aandrijft op een winterwolk
de zwaluw heeft al wekenlang
zijn draad geruild voor rijm
die witte slingers werpt doorheen de stad
hij is gedeserteerd naar warmer oorden…
hijzelf hinkt op zere tenen
en denkt aan kerst en nieuwjaar…
dan zucht hij even melacholiek
bij de kerstboom en een warme wijn
ach, dra is het weer feesten
een weekje vrij om het te vieren
dat maakt hem enigszins toch blij…
maar op de tweede dag van ’t nieuwe jaar
dan is hij toch zo vreselijk ziek
want, katerend van oud naar nieuw…
stekelig maar tof
-
jancactus - Lid geworden op: 06 nov 2006, 10:41
- Locatie: meerhout
De punker.
Bestaat er nu iets gezonder dan werken? Tenminste, als alles meezit. En alles zit mee vandaag. De papieren frutselen als snippers door mijn vingers, de formulieren zijn belachelijk, zo eenvoudig als snot en de dossiers slinken als sneeuw in de zon… en de baas is vandaag naar Brussel, een waar godsgeschenk! Aan de koffie, want aan de staat is er voor- en namiddag koffiepauze, is iedereen vriendelijk, uitgelaten zelfs, want ja, als de kat van huis is… . ja, zelfs die pauze loopt een halfuur langer uit. En na mijn verplichte taken –denk nu niet dat ik iets meer doe dan opgedragen - heb ik nog ruimschoots de tijd om mijn krant te lezen. Zàààlig!!! Zo’n happy day mag mij dagelijks overkomen.
Zelfs de norse portier, dat hautain stuk vreten, is vandaag in zijn nopjes en slaagt er in om een fatsoenlijke grap in plaats van zijn dagelijks kalendermopje. Niets kan vandaag nog stuk!
Ik steek mijn hoofd buiten de poort en word overrompeld door een zonnige dag. Na die vele ellendige regendagen, dringt zich eindelijk het vrolijke voorjaar op. Ik hang mijn jak over de arm en met een kwieke stap keer ik fluitend huiswaarts. Links van mij in het veld zie ik de maïs staan, ach, reeds zo’n twintig centimeter hoog. Ik denk:”En laat nu maar groeien,jongens, in dat warme lentezonnetje.”.
Aan het cafeetje op de hoek aarzel ik even. Ik heb eigenlijk vandaag wel een lekker pintje verdiend,vind ik, en twee ook. En waarom niet, denk ik zo. Mijn vrouw is gaan vloeren leggen in het nieuwe huis van haar zus. Zij werkt tot het donker is en dan blijft ze daar nog eten. Daarna nog een dik halfuur naar huis rijden… dat wordt hoe laat? En ondertussen ben ik het baasje thuis. Ik heb de groenten in de serre gisteren water gegeven, dat hoeft niet meer; ik moet alleen nog mijn pluimvee voederen en zelf eten. Maar ja, ik kan ook een grote friet ophalen in ‘Het patatje”, met andalouse-saus…en een pekelharing. Ze hebben daar toch zo een lekkere, zelf opgelegde, nog half rauw van binnen, die kraakt als je d’r in bijt. Of ik neem een kleiner frietje en twee pekelharingen… . Zo plan ik reeds het verloop van mijn dag, die toch al niet meer stuk kan. Ik tast eens diep in mijn broekzakken en ja, ik vind nog een heleboel grote nikkel. Ik weet zelfs dat ik nog een dikke brief in mijn leer heb zitten; dus, waarom ook niet! Kom jongens, ten aanval!
De kroeg ruikt lekker naar gerstenat, dat snuif ik al terwijl ik handenwrijvend binnenkom. De toog is leeg, op een half glas verschaald bier na. En de baas staat als een treurwilg achter zijn tapkast. Hij zou haast snotteren. Ik lach nog:”Is er iemand dood, soms?”. Ik mag dat zeggen. Ik ken zijn situatie. Hij is vrijgezel. Zijn ouders zijn lang dood en begraven; daar heeft hij trouwens dat café van geërfd. Hij heeft geen broers of zussen en bovendien een heel kleine familiekring, waarmee hij trouwens geen contact heeft… dus hoeft hij daar niet zo te staan doemdenken. Ik zeg nog:”Zeg, lach eens even! ’t Is mooi weer, ’t zonnetje schijnt en vanavond kan je rekenen op een hele hoop dorstige kelen. Kom, geef mij maar rap een pintje!”. Hij knikt nog met grote ogen in de richting van de toiletten –maar ik heb daar eigenlijk geen oog voor- en wrijft bevend een glas onder de tapkraan. Hoho, die eerste slok, een engeltje…ja! En daarmee bestel ik al een volgend glas. Ik wist niet dat zo een dorst had!
En dan maak ik eensklaps kennis met de zorg van de cafébaas… . Uit het toilet komt er een kerel tevoorschijn, of beter gezegd, een sujet. Dat stapt met de benen wagenwijd open. Nog erger of hij zweren op zijn ballen heeft…. En dito armen. Met de schouders hoog opgetrokken, zo van: hier is de man! Dat voorspelt onraad, ik ruik het met mijn linker neusgat. Dat individu komt naast mij zitten en wij staren mekaar aan, hij grimlachend, ik enigszins verbaasd. Ik wist heus niet dat er zo’n lelijke mensen op de wereld rondliepen. Zijn haren zijn zwart en kortgesneden, tenminste langs de zijkanten. In ’t midden van zijn kop draagt hij een hanekam van wel twintig centimeter, net zo hoog als nu de maïs staat. Die is gekleurd van onder naar boven, eerst bruin, dan fakkelrood en zo via oranje overgaand in haast fosforescerend geel en blauw… een misselijke combinatie. In zijn neus draagt hij een grote ijzeren ring, nog verschillende kleine ringetjes in zijn onderlip en ook zijn oren zijn gedrapeerd met zulk ding. Erger nog of hij heeft een gordijnenzaak geplunder! In zijn wenkbrauwen heeft hij een soort van hoornachtige pinnen, drie aan elke kant, wat hem het uitzicht geeft van een duivel. Zijn schouders en armen zijn volledig getatoeëerd en zelfs op zijn gespreide vingers lees ik:”hate cops”. Hij is werkelijk een lopend stripverhaal, een kleurentelevisie… Hij lacht:”Da’s nogal iets, hé mopje! En dan heb je nog niets gezien. Hij heft zijn vuile onderlijfje op en ik aanschouw een levensgroot doodshoofd met daaronder ‘Mother’. In zijn tepels zitten twee gegalvaniseerde bouten met dito moeren. In zijn navel heeft hij een hangslot en daaronder staat geschreven ‘only for ladys’. Ik zucht. “Wil je nog mijn piemel zien?”, balkt hij en stroopt zijn broek af… . Nu kan ik veel hebben, héél veel, maar ik ben een fervente hetero en een mannenpiemel gaat er bij mij niet in! Dus pits ik mijn ogen knoerdicht, maar hoor een ingehouden “wauw!” van de cafébaas. Hij draait zich om, ik open mijn ogen en kijk op twee immense Donald Duck-ogen, waarvan de pupillen scheel naar een vuile, behaarde reet kijken. En in passant laat die kerel een scheet als een donderslag, met een geur om high van te worden. “Op mijn rug heb ik nog een draak!”, vertelt hij, terwijl hij kreunend zijn veel te kleine leren broekje optrekt. Ik sta perplex. Zoiets afzichtelijks heb ik nog nooit gezien. Bah! Ik voel mij gaandeweg niet goed meer, zelfs gefrustreerd.
“En nu gaat ons dropje aan de grote jongen een pint trakteren!”, lalt hij trots. Terwijl drinkt hij dat kletsje verschaald bier op een knalt een luide boer.
Zie, nu ben ik een brave jongen, hoegenaamd niet gierig van aard,en zeker geen ‘dropje’. Als ze mij een pint trakteren, geef ik steeds één terug. Maar dàt is voor mij de druppel, weet je. Ik zeg dus, vanuit de hoogte, neus omhoog:”Baas! Geef mij een pint. En hij kan de zijne zelf betalen!”. En ik vind dat goed gezegd. Voor mijzelf… . Niet voor hem. Hij tikt met zijn vinger op mijn schouder, zelfs iets te hard:”Wil meneer ietsiepietsie aan mij iets weigeren?!? Kleinburgerlijk strontje! Motherfucker! Pietenzuigertje! Patron! Tap een pils!”. De toogheld beeft als een riet, mij breekt het angstzweet eigenlijk ook uit. Maar als ik ‘njet’ zeg, dan is het ook ‘njet’. Hij grijnst en knijpt tergend langzaam zijn vingers in elkaar, dat ze d’rvan kraken:”Patron, bel het alarmnummer maar op! Dat pineutje hier gaat eens wat meemaken!”. De baas zinkt weg achter zijn tap en even later hoor ik ‘piep, piep, piep..’; de druktoetsen van de telefoon… . Hij belt de 100 op. Dat flitst door mijn hoofd. Verdoofd peins ik:”Mijn laatste uur is geslagen…”.
Als de nood het hoogst is, dan is de redding nabij. Dat zegt men in de volksmond en voor mij is dat ook het geval. De deur zwaait open en daar kijk ik in de lachende smikkel van mijn beste kameraad. Nu, beste kameraad, dat is hij ook weer niet, gewoon een collega. Maar ditmaal een welkome hulp. Hij zet zich naast mij en geeft mij een forse klap op mijn schouder:”En? Hoe gaat het vandaag? Zo zonder haast vandaag?”. Nu moet u weten: Leo, want zo heet hij, is een Berlijnse muur!
Drie koppen groter dan ik, een postuur als een uit de kluiten gewassen brandkast, handen als schoppen, maar lenig als een kat. Wat moet ik nog meer vertellen. Hij is sportleraar en doet zijn studentjes dagelijks beven. En, zo te zien, niet alleen de studentjes. Het ongure gezelschap naast mij schrompelt weg als een overjaarse mummie. Ik brabbel stoer:”Ja, Leo, jij komt nu als geroepen. Dat krekeltje naast mij begon mij zowat op mijn systeem te werken. Hij bedreigde mij omdat hij geen pint kreeg.”. Ik hoor naast mij iets piepen. “Dat keuteltje daar?”, buldert de ander,”Durft dat piepkuiken zijn snaveltje tegen jou opentrekken? Baas, geef mijn maat iets en voor mij een dubbele pernod met ijs, allemaal op rekening van dat vuil stuk onbenul!”. Tja, de rollen zijn omgekeerd, nu ben ik het heertje… en ik bestel natuurlijk een grote duvel, ik hoef het toch niet te betalen. De ander komt, zij het braafjes, voorzichtig uit de lucht gevallen:” Ik heb een zwarte band karate! Enne, ik heb geen geld bij…”. “Karate?” grinnikt Leo,”daar doe ik dàt mee!” en hij slaat met zijn rechtervuist in zijn linkerhand, maar dan met een kracht om twaalf harde noten te verbrijzelen. Wat zeg ik, te verpulveren. “En geen geld?! We zullen dat maatje eens op zijn kop zetten!”. De ander knikt als een ponsmachine en tovert een verfrommeld briefje van vijftig euro uit zijn zakken. “Oh,”, Zegt mijn buddy,” dat wordt hier nog feest!”.
“Mmm’”, klatert Leo,”dat was lekker. Ons poepje trakteert mij nog één, en voor mijn maat nog een duvel!”. “Neen,”, stamelt de cafébaas voorzichtig,”da’s eentje van de zaak.”. Hij vreest natuurlijk dat die kerel terugkomt. “Neen! Hij houdt ons vandaag vrij!”, heel gedecideerd, en hij snuift:”Het ruikt hier naar stront! Waarschijnlijk heb ik in een hondendrol getrapt; Hé, maat, zou je mijn schoenen niet kuisen!”. De mummie komt in beweging:”Baas, krijg ik een papiertje?”. “Neen! Met je zakdoek of met je handen, verdorie! Vort!”.
Ik durf heus niet naar beneden kijken. Maar nu komt toch het smeerlapje in mij stilletjes aan
boven. Ik zeg:”Leo, niet te streng zijn! ‘k Heb over twintig jaar een kieken geneukt… hij is misschien mijn zoon!” en,”Met die neusring, hij is misschien uit een varkenskwekerij ontsnapt. Pas maar op voor GAIA!.”. allemaal versleten grapjes, maar ik voel mij in mijn schik. Ik slinger hem nog verschillende verwijten naar zijn hoofd. Ergerlijk, misschien, maar ik kan er maar niet genoeg van krijgen… .
Plots kijkt mijn maat op zijn horloge. “Oei! Zo laat?!? Ik moet mijn vrouw nog ophalen van het werk! Sorry, ik moet weg, anders krijg ik thuis nog kletsen!”. Ik zeg, bedachtzaam:”Ik ga wel mee!”. Ik sta recht… neen… ik probeer recht te staan, maar het lukt niet! Ik kijk naar beneden… ik krijg het warm en koud van ontsteltenis… de ellendige kloothommel heeft mijn schoenveters stiekem losgemaakt en vastgebonden aan de poten van de barkruk!. In duidelijke paniek bulder ik nog:”Leeeoooo!!!”, maar die is reeds verdwenen. Ik zucht héél diep. Rest mij verdoemenis… .
Naast mij begint er iets opnieuw te groeien. Van mummie naar scheetje, naar keuteltje en zo naar volwaardige punker.”Ziezo, mijn strontje,”, hij grijnst een bakkes vol rotte tanden bloot,”En nu tussen ons!It’s partytime!”. Ik wring en wring en wring… ’t zijn sterke veters, van een goed merk. De ander glijdt obsceen een zwarte lederen handschoen aan zijn rechterhand en daarover schuif hij een glimmende boksbeugel. Ik probeer nog:”Ik ken karate!” en, “is die ring niet wat groot?”. Geen effect.Ik kijk voor mij … niets… geen cafébaas meer… al hoor ik een telefoon driemaal ‘piep’ zeggen… Ik denk nog:”Het alarmnummer?”…
Ik schiet plots met een ruk wakker… Oef,een kwade droom… . Mijn ogen halfdicht tast ik mijn tong langs mijn lippen. Die zijn verkorzeld, droog en prikken. Een verre, lieve, zachte stem fluistert:” kalm, meneer, je bent in de verkoeverkamer… straks mag je naar boven…”.
Ik denk nog, flauwtjes:”Ben een pint gaan drinken…. Kippen gevoerd… frietjes met pekelharing… in maïsveld in slaap gevallen… opgerakeld door een pikdorser misschien? …. Maar, mais van twintig centimeter hoog? Slapen….slapen…. ;”.
Op mijn kamer word ik opgewacht door een politie-agent met een donkerblauwe pet en een bloedrosse snor… Als een hanekam… twintig centimeter lang… . En ik denk:”wat een klotendag vandaag!”.
Bestaat er nu iets gezonder dan werken? Tenminste, als alles meezit. En alles zit mee vandaag. De papieren frutselen als snippers door mijn vingers, de formulieren zijn belachelijk, zo eenvoudig als snot en de dossiers slinken als sneeuw in de zon… en de baas is vandaag naar Brussel, een waar godsgeschenk! Aan de koffie, want aan de staat is er voor- en namiddag koffiepauze, is iedereen vriendelijk, uitgelaten zelfs, want ja, als de kat van huis is… . ja, zelfs die pauze loopt een halfuur langer uit. En na mijn verplichte taken –denk nu niet dat ik iets meer doe dan opgedragen - heb ik nog ruimschoots de tijd om mijn krant te lezen. Zàààlig!!! Zo’n happy day mag mij dagelijks overkomen.
Zelfs de norse portier, dat hautain stuk vreten, is vandaag in zijn nopjes en slaagt er in om een fatsoenlijke grap in plaats van zijn dagelijks kalendermopje. Niets kan vandaag nog stuk!
Ik steek mijn hoofd buiten de poort en word overrompeld door een zonnige dag. Na die vele ellendige regendagen, dringt zich eindelijk het vrolijke voorjaar op. Ik hang mijn jak over de arm en met een kwieke stap keer ik fluitend huiswaarts. Links van mij in het veld zie ik de maïs staan, ach, reeds zo’n twintig centimeter hoog. Ik denk:”En laat nu maar groeien,jongens, in dat warme lentezonnetje.”.
Aan het cafeetje op de hoek aarzel ik even. Ik heb eigenlijk vandaag wel een lekker pintje verdiend,vind ik, en twee ook. En waarom niet, denk ik zo. Mijn vrouw is gaan vloeren leggen in het nieuwe huis van haar zus. Zij werkt tot het donker is en dan blijft ze daar nog eten. Daarna nog een dik halfuur naar huis rijden… dat wordt hoe laat? En ondertussen ben ik het baasje thuis. Ik heb de groenten in de serre gisteren water gegeven, dat hoeft niet meer; ik moet alleen nog mijn pluimvee voederen en zelf eten. Maar ja, ik kan ook een grote friet ophalen in ‘Het patatje”, met andalouse-saus…en een pekelharing. Ze hebben daar toch zo een lekkere, zelf opgelegde, nog half rauw van binnen, die kraakt als je d’r in bijt. Of ik neem een kleiner frietje en twee pekelharingen… . Zo plan ik reeds het verloop van mijn dag, die toch al niet meer stuk kan. Ik tast eens diep in mijn broekzakken en ja, ik vind nog een heleboel grote nikkel. Ik weet zelfs dat ik nog een dikke brief in mijn leer heb zitten; dus, waarom ook niet! Kom jongens, ten aanval!
De kroeg ruikt lekker naar gerstenat, dat snuif ik al terwijl ik handenwrijvend binnenkom. De toog is leeg, op een half glas verschaald bier na. En de baas staat als een treurwilg achter zijn tapkast. Hij zou haast snotteren. Ik lach nog:”Is er iemand dood, soms?”. Ik mag dat zeggen. Ik ken zijn situatie. Hij is vrijgezel. Zijn ouders zijn lang dood en begraven; daar heeft hij trouwens dat café van geërfd. Hij heeft geen broers of zussen en bovendien een heel kleine familiekring, waarmee hij trouwens geen contact heeft… dus hoeft hij daar niet zo te staan doemdenken. Ik zeg nog:”Zeg, lach eens even! ’t Is mooi weer, ’t zonnetje schijnt en vanavond kan je rekenen op een hele hoop dorstige kelen. Kom, geef mij maar rap een pintje!”. Hij knikt nog met grote ogen in de richting van de toiletten –maar ik heb daar eigenlijk geen oog voor- en wrijft bevend een glas onder de tapkraan. Hoho, die eerste slok, een engeltje…ja! En daarmee bestel ik al een volgend glas. Ik wist niet dat zo een dorst had!
En dan maak ik eensklaps kennis met de zorg van de cafébaas… . Uit het toilet komt er een kerel tevoorschijn, of beter gezegd, een sujet. Dat stapt met de benen wagenwijd open. Nog erger of hij zweren op zijn ballen heeft…. En dito armen. Met de schouders hoog opgetrokken, zo van: hier is de man! Dat voorspelt onraad, ik ruik het met mijn linker neusgat. Dat individu komt naast mij zitten en wij staren mekaar aan, hij grimlachend, ik enigszins verbaasd. Ik wist heus niet dat er zo’n lelijke mensen op de wereld rondliepen. Zijn haren zijn zwart en kortgesneden, tenminste langs de zijkanten. In ’t midden van zijn kop draagt hij een hanekam van wel twintig centimeter, net zo hoog als nu de maïs staat. Die is gekleurd van onder naar boven, eerst bruin, dan fakkelrood en zo via oranje overgaand in haast fosforescerend geel en blauw… een misselijke combinatie. In zijn neus draagt hij een grote ijzeren ring, nog verschillende kleine ringetjes in zijn onderlip en ook zijn oren zijn gedrapeerd met zulk ding. Erger nog of hij heeft een gordijnenzaak geplunder! In zijn wenkbrauwen heeft hij een soort van hoornachtige pinnen, drie aan elke kant, wat hem het uitzicht geeft van een duivel. Zijn schouders en armen zijn volledig getatoeëerd en zelfs op zijn gespreide vingers lees ik:”hate cops”. Hij is werkelijk een lopend stripverhaal, een kleurentelevisie… Hij lacht:”Da’s nogal iets, hé mopje! En dan heb je nog niets gezien. Hij heft zijn vuile onderlijfje op en ik aanschouw een levensgroot doodshoofd met daaronder ‘Mother’. In zijn tepels zitten twee gegalvaniseerde bouten met dito moeren. In zijn navel heeft hij een hangslot en daaronder staat geschreven ‘only for ladys’. Ik zucht. “Wil je nog mijn piemel zien?”, balkt hij en stroopt zijn broek af… . Nu kan ik veel hebben, héél veel, maar ik ben een fervente hetero en een mannenpiemel gaat er bij mij niet in! Dus pits ik mijn ogen knoerdicht, maar hoor een ingehouden “wauw!” van de cafébaas. Hij draait zich om, ik open mijn ogen en kijk op twee immense Donald Duck-ogen, waarvan de pupillen scheel naar een vuile, behaarde reet kijken. En in passant laat die kerel een scheet als een donderslag, met een geur om high van te worden. “Op mijn rug heb ik nog een draak!”, vertelt hij, terwijl hij kreunend zijn veel te kleine leren broekje optrekt. Ik sta perplex. Zoiets afzichtelijks heb ik nog nooit gezien. Bah! Ik voel mij gaandeweg niet goed meer, zelfs gefrustreerd.
“En nu gaat ons dropje aan de grote jongen een pint trakteren!”, lalt hij trots. Terwijl drinkt hij dat kletsje verschaald bier op een knalt een luide boer.
Zie, nu ben ik een brave jongen, hoegenaamd niet gierig van aard,en zeker geen ‘dropje’. Als ze mij een pint trakteren, geef ik steeds één terug. Maar dàt is voor mij de druppel, weet je. Ik zeg dus, vanuit de hoogte, neus omhoog:”Baas! Geef mij een pint. En hij kan de zijne zelf betalen!”. En ik vind dat goed gezegd. Voor mijzelf… . Niet voor hem. Hij tikt met zijn vinger op mijn schouder, zelfs iets te hard:”Wil meneer ietsiepietsie aan mij iets weigeren?!? Kleinburgerlijk strontje! Motherfucker! Pietenzuigertje! Patron! Tap een pils!”. De toogheld beeft als een riet, mij breekt het angstzweet eigenlijk ook uit. Maar als ik ‘njet’ zeg, dan is het ook ‘njet’. Hij grijnst en knijpt tergend langzaam zijn vingers in elkaar, dat ze d’rvan kraken:”Patron, bel het alarmnummer maar op! Dat pineutje hier gaat eens wat meemaken!”. De baas zinkt weg achter zijn tap en even later hoor ik ‘piep, piep, piep..’; de druktoetsen van de telefoon… . Hij belt de 100 op. Dat flitst door mijn hoofd. Verdoofd peins ik:”Mijn laatste uur is geslagen…”.
Als de nood het hoogst is, dan is de redding nabij. Dat zegt men in de volksmond en voor mij is dat ook het geval. De deur zwaait open en daar kijk ik in de lachende smikkel van mijn beste kameraad. Nu, beste kameraad, dat is hij ook weer niet, gewoon een collega. Maar ditmaal een welkome hulp. Hij zet zich naast mij en geeft mij een forse klap op mijn schouder:”En? Hoe gaat het vandaag? Zo zonder haast vandaag?”. Nu moet u weten: Leo, want zo heet hij, is een Berlijnse muur!
Drie koppen groter dan ik, een postuur als een uit de kluiten gewassen brandkast, handen als schoppen, maar lenig als een kat. Wat moet ik nog meer vertellen. Hij is sportleraar en doet zijn studentjes dagelijks beven. En, zo te zien, niet alleen de studentjes. Het ongure gezelschap naast mij schrompelt weg als een overjaarse mummie. Ik brabbel stoer:”Ja, Leo, jij komt nu als geroepen. Dat krekeltje naast mij begon mij zowat op mijn systeem te werken. Hij bedreigde mij omdat hij geen pint kreeg.”. Ik hoor naast mij iets piepen. “Dat keuteltje daar?”, buldert de ander,”Durft dat piepkuiken zijn snaveltje tegen jou opentrekken? Baas, geef mijn maat iets en voor mij een dubbele pernod met ijs, allemaal op rekening van dat vuil stuk onbenul!”. Tja, de rollen zijn omgekeerd, nu ben ik het heertje… en ik bestel natuurlijk een grote duvel, ik hoef het toch niet te betalen. De ander komt, zij het braafjes, voorzichtig uit de lucht gevallen:” Ik heb een zwarte band karate! Enne, ik heb geen geld bij…”. “Karate?” grinnikt Leo,”daar doe ik dàt mee!” en hij slaat met zijn rechtervuist in zijn linkerhand, maar dan met een kracht om twaalf harde noten te verbrijzelen. Wat zeg ik, te verpulveren. “En geen geld?! We zullen dat maatje eens op zijn kop zetten!”. De ander knikt als een ponsmachine en tovert een verfrommeld briefje van vijftig euro uit zijn zakken. “Oh,”, Zegt mijn buddy,” dat wordt hier nog feest!”.
“Mmm’”, klatert Leo,”dat was lekker. Ons poepje trakteert mij nog één, en voor mijn maat nog een duvel!”. “Neen,”, stamelt de cafébaas voorzichtig,”da’s eentje van de zaak.”. Hij vreest natuurlijk dat die kerel terugkomt. “Neen! Hij houdt ons vandaag vrij!”, heel gedecideerd, en hij snuift:”Het ruikt hier naar stront! Waarschijnlijk heb ik in een hondendrol getrapt; Hé, maat, zou je mijn schoenen niet kuisen!”. De mummie komt in beweging:”Baas, krijg ik een papiertje?”. “Neen! Met je zakdoek of met je handen, verdorie! Vort!”.
Ik durf heus niet naar beneden kijken. Maar nu komt toch het smeerlapje in mij stilletjes aan
boven. Ik zeg:”Leo, niet te streng zijn! ‘k Heb over twintig jaar een kieken geneukt… hij is misschien mijn zoon!” en,”Met die neusring, hij is misschien uit een varkenskwekerij ontsnapt. Pas maar op voor GAIA!.”. allemaal versleten grapjes, maar ik voel mij in mijn schik. Ik slinger hem nog verschillende verwijten naar zijn hoofd. Ergerlijk, misschien, maar ik kan er maar niet genoeg van krijgen… .
Plots kijkt mijn maat op zijn horloge. “Oei! Zo laat?!? Ik moet mijn vrouw nog ophalen van het werk! Sorry, ik moet weg, anders krijg ik thuis nog kletsen!”. Ik zeg, bedachtzaam:”Ik ga wel mee!”. Ik sta recht… neen… ik probeer recht te staan, maar het lukt niet! Ik kijk naar beneden… ik krijg het warm en koud van ontsteltenis… de ellendige kloothommel heeft mijn schoenveters stiekem losgemaakt en vastgebonden aan de poten van de barkruk!. In duidelijke paniek bulder ik nog:”Leeeoooo!!!”, maar die is reeds verdwenen. Ik zucht héél diep. Rest mij verdoemenis… .
Naast mij begint er iets opnieuw te groeien. Van mummie naar scheetje, naar keuteltje en zo naar volwaardige punker.”Ziezo, mijn strontje,”, hij grijnst een bakkes vol rotte tanden bloot,”En nu tussen ons!It’s partytime!”. Ik wring en wring en wring… ’t zijn sterke veters, van een goed merk. De ander glijdt obsceen een zwarte lederen handschoen aan zijn rechterhand en daarover schuif hij een glimmende boksbeugel. Ik probeer nog:”Ik ken karate!” en, “is die ring niet wat groot?”. Geen effect.Ik kijk voor mij … niets… geen cafébaas meer… al hoor ik een telefoon driemaal ‘piep’ zeggen… Ik denk nog:”Het alarmnummer?”…
Ik schiet plots met een ruk wakker… Oef,een kwade droom… . Mijn ogen halfdicht tast ik mijn tong langs mijn lippen. Die zijn verkorzeld, droog en prikken. Een verre, lieve, zachte stem fluistert:” kalm, meneer, je bent in de verkoeverkamer… straks mag je naar boven…”.
Ik denk nog, flauwtjes:”Ben een pint gaan drinken…. Kippen gevoerd… frietjes met pekelharing… in maïsveld in slaap gevallen… opgerakeld door een pikdorser misschien? …. Maar, mais van twintig centimeter hoog? Slapen….slapen…. ;”.
Op mijn kamer word ik opgewacht door een politie-agent met een donkerblauwe pet en een bloedrosse snor… Als een hanekam… twintig centimeter lang… . En ik denk:”wat een klotendag vandaag!”.
stekelig maar tof
-
hild - Lid geworden op: 23 aug 2005, 16:05
- Locatie: malle
Jancactus,Ook ik heb genoten van al je schrijven hier !!
Ook het versje en de tekst die je in het rouwregister, geschreven hebt voor het afscheid van m'n geliefde !!MOOI!!!!!!MOOI!!!!!!!!!Proficiat!!!!!!!!!
Ook het versje en de tekst die je in het rouwregister, geschreven hebt voor het afscheid van m'n geliefde !!MOOI!!!!!!MOOI!!!!!!!!!Proficiat!!!!!!!!!
De groetjes aan iedereen ook aan hen die ik vergeten ben
