Nostalgische verhalen …hier graag!
-
Gast
Hola, er is een vervanger opgedaagd voor Kwezel, Fikske en Tll.
Knap stukje, Bomi. Mijn dag is weeral goed...
Knap stukje, Bomi. Mijn dag is weeral goed...
-
Bomi - Lid geworden op: 09 aug 2002, 20:54
- Locatie: Hasselt
Hoi zorro ik heb deze topic toevallig ontdekt en er maar dadelijk gebruik van gemaakt. Als het mag, ik heb een map vol verhalen. Wel niet allemaal uit de oude doos maar ( in mijn ogen ) toch plezant.
bomi
//blog.seniorennet.be/bomi
bomi
//blog.seniorennet.be/bomi
Dankbaar met het verleden, je blik open voor het heden!
-
Bomi - Lid geworden op: 09 aug 2002, 20:54
- Locatie: Hasselt
OK jongens jullie hebben er om gevraagd, ik schrijf voor 't plezier. Er zijn waargebeurde en dik gefantaseerde bij.
Ik wil me even voorstellen, vrouw straks 70 gehuwd met Jos, 2 kinderen met aanhang en 3 grote kleinkinderen. Altijd een gezellige bende.
Het interview
Een paar weken geleden kondigde mijn jongste kleinzoon van vijftien aan, dat hij van mij een interview zou komen afnemen,, voor Engels Bomi,, Ondertussen was de Bomi dat al lang vergeten, hij niet!
We waren gaan shoppen voormiddag, daardoor ook later aan tafel. In die gevallen is de DV. een ideale oplossing, er steekt altijd wel een portie in voor noodgevallen. Kippenfricasee met frietjes smaakt altijd.
Net begonnen met eten vliegt de achterdeur open en daar zijn ze, onze twee slungels met zwarte mutsjes. Ooooh frietjes !!! Maar we hebben al gegeten hoor! Benjamin, de jongste, zegt dadelijk ,, ik kwam voor dat interview bomi,,
Ik dan > Hoe kan ik nu zitten praten terwijl ik aan ’t eten ben?,, O dat lukt wel tussen twee happen door,, is zijn antwoord. Hij heeft zich al naast mij geinstalleerd, zijn broer aan de andere zijde langs bompa. Van uit mijn ooghoeken zie ik van beiden de steelse blikken naar de frieten.
Eerst je geboortedatum bomi, dat is dus geen probleem.
Welke scholen je doorlopen hebt, Lager Onderwijs, Waar? Bij de Blauw Nonnen
“ Droegen jullie uniformen? “ > Ja, in ’t lager alleen zwarte satijnen schorten.
De oudste merkt op, jullie hebben alle twee de oorlog meegemaakt, weet je daar nog wat van? En of we daar nog wat van weten. Alleen kon de jongste niet begrijpen wat ‘ Rantsoenering ‘ was. ,, ha jullie kregen dus zegeltjes, moesten dus niet betalen in de winkel,, Neen je kreeg niets gratis, je moest alleen een bepaald aantal zegeltjes hebben, om een bepaalde hoeveelheid van iets te kunnen krijgen. Terwijl ze zitten te overpeinzen gaan twee handen naar twee borden en verdwijnen de frietjes, smering voor de hersenen denk ik bij mezelf.
> Welk speelgoed had je vroeger? Ik vertel over de pop met een gezichtje van karton en een lappen lichaampje gevuld met zaagsel. Ook dat mijn broer het klaar gespeeld had er een gat in te maken zo dat al het zaagsel er uit liep! Weg pop!
“ Die heeft toch wel een pak rammel gekregen? “ Neen ons vader heeft hem wel gestraft! “
> Waren er dan geen winkels in de stad waar je iets anders kon gaan kopen? > Hoe zag de stad er toen uit? Een handvol winkels jongen en de stad die jij nu kent was niet groter dan een tiental straten, met kasseien en armzalige winkeltjes. We praten hier over 60 jaar geleden en méér!
Al pratend heb ik een korfje frieten gebakken, twee borden bijgezet en voor elk er al ’n schep frikassee opgedaan. Op bestelling hadden we curryketchup meegebracht voormiddag, dat samen met een kwak mayo maakt het geheel af.
> Waar ben je nog naar school geweest bomi? “ > In stad bij de Dames Ursulinen ik heb er het regentaat ‘ Snit en Naad ‘ gevolgd. > Waarom zo iets saai?,, Omdat mijn vader vond dat meisjes moesten kunnen naaien dat zou ze van pas komen later in ’t huishouden. Groot protest, “ Dat kan toch niet, dat is niet fair, je kan toch niemand iets tegen z’n zin laten doen …. Enz.”
>Mijn vader was een rechtvaardige lieve man, de tijd was toen anders jongen, hij deed gewoon wat hij dacht dat goed voor ons was.
“ Eigenlijk toch nog goed he bomi, anders kon je nu onze kleren niet naaien als we ergens iets kapot hebben! “ Ik heb maar geknikt.
> Wat gebeurde er in je jeugd, mochten jullie uitgaan? “ Mijn man en ik zijn samen in lachen uitgebarsten, ja wij mochten na ons achttiende uit, bij gelegenheid maar nooit zonder chaperone en ten laatste om 23u thuis. “ Djiezus “ klinkt uit twee monden. “ De consternatie wordt nog groter als bompa zegt dat tot 3 weken voor ons huwelijk mijn ouders nog altijd meegingen naar de film. Ongeloof, bijna verbijstering is het resultaat.
> Hoe heb je dan bompa leren kennen bomi? “ Wel ik moest met mijn broer mee als chaperone, die had verkering met een zus van bompa. Van zijn kant moest bompa mee om op zijn zus te passen en zo zaten we met mekaar opgescheept ! Hilariteit !!!
Het lijkt wel of ik over het ‘stenen tijdperk’ vertel!
> Ik heb genoeg stof bomi, ik moet dat nu in ’t Engels vertalen en ga je zeker laten weten hoeveel punten ik gehaald heb! Goed manneke, ik ben benieuwd! Aan mij zal het wel niet liggen denk ik in stilte. De borden zijn leeg de kommen ook, ze vliegen recht, een kus is mijn beloning. Ze hebben het ineens erg druk, zijn verdwenen gelijk ze gekomen zijn met veel bravoure.
60 jaren overbruggen in één uur tijd, onmogelijk!
Bomi,
17-11-03
Ook op mijn blog,
http://blog.seniorennet.be/bomi
Ik wil me even voorstellen, vrouw straks 70 gehuwd met Jos, 2 kinderen met aanhang en 3 grote kleinkinderen. Altijd een gezellige bende.
Het interview
Een paar weken geleden kondigde mijn jongste kleinzoon van vijftien aan, dat hij van mij een interview zou komen afnemen,, voor Engels Bomi,, Ondertussen was de Bomi dat al lang vergeten, hij niet!
We waren gaan shoppen voormiddag, daardoor ook later aan tafel. In die gevallen is de DV. een ideale oplossing, er steekt altijd wel een portie in voor noodgevallen. Kippenfricasee met frietjes smaakt altijd.
Net begonnen met eten vliegt de achterdeur open en daar zijn ze, onze twee slungels met zwarte mutsjes. Ooooh frietjes !!! Maar we hebben al gegeten hoor! Benjamin, de jongste, zegt dadelijk ,, ik kwam voor dat interview bomi,,
Ik dan > Hoe kan ik nu zitten praten terwijl ik aan ’t eten ben?,, O dat lukt wel tussen twee happen door,, is zijn antwoord. Hij heeft zich al naast mij geinstalleerd, zijn broer aan de andere zijde langs bompa. Van uit mijn ooghoeken zie ik van beiden de steelse blikken naar de frieten.
Eerst je geboortedatum bomi, dat is dus geen probleem.
Welke scholen je doorlopen hebt, Lager Onderwijs, Waar? Bij de Blauw Nonnen
“ Droegen jullie uniformen? “ > Ja, in ’t lager alleen zwarte satijnen schorten.
De oudste merkt op, jullie hebben alle twee de oorlog meegemaakt, weet je daar nog wat van? En of we daar nog wat van weten. Alleen kon de jongste niet begrijpen wat ‘ Rantsoenering ‘ was. ,, ha jullie kregen dus zegeltjes, moesten dus niet betalen in de winkel,, Neen je kreeg niets gratis, je moest alleen een bepaald aantal zegeltjes hebben, om een bepaalde hoeveelheid van iets te kunnen krijgen. Terwijl ze zitten te overpeinzen gaan twee handen naar twee borden en verdwijnen de frietjes, smering voor de hersenen denk ik bij mezelf.
> Welk speelgoed had je vroeger? Ik vertel over de pop met een gezichtje van karton en een lappen lichaampje gevuld met zaagsel. Ook dat mijn broer het klaar gespeeld had er een gat in te maken zo dat al het zaagsel er uit liep! Weg pop!
“ Die heeft toch wel een pak rammel gekregen? “ Neen ons vader heeft hem wel gestraft! “
> Waren er dan geen winkels in de stad waar je iets anders kon gaan kopen? > Hoe zag de stad er toen uit? Een handvol winkels jongen en de stad die jij nu kent was niet groter dan een tiental straten, met kasseien en armzalige winkeltjes. We praten hier over 60 jaar geleden en méér!
Al pratend heb ik een korfje frieten gebakken, twee borden bijgezet en voor elk er al ’n schep frikassee opgedaan. Op bestelling hadden we curryketchup meegebracht voormiddag, dat samen met een kwak mayo maakt het geheel af.
> Waar ben je nog naar school geweest bomi? “ > In stad bij de Dames Ursulinen ik heb er het regentaat ‘ Snit en Naad ‘ gevolgd. > Waarom zo iets saai?,, Omdat mijn vader vond dat meisjes moesten kunnen naaien dat zou ze van pas komen later in ’t huishouden. Groot protest, “ Dat kan toch niet, dat is niet fair, je kan toch niemand iets tegen z’n zin laten doen …. Enz.”
>Mijn vader was een rechtvaardige lieve man, de tijd was toen anders jongen, hij deed gewoon wat hij dacht dat goed voor ons was.
“ Eigenlijk toch nog goed he bomi, anders kon je nu onze kleren niet naaien als we ergens iets kapot hebben! “ Ik heb maar geknikt.
> Wat gebeurde er in je jeugd, mochten jullie uitgaan? “ Mijn man en ik zijn samen in lachen uitgebarsten, ja wij mochten na ons achttiende uit, bij gelegenheid maar nooit zonder chaperone en ten laatste om 23u thuis. “ Djiezus “ klinkt uit twee monden. “ De consternatie wordt nog groter als bompa zegt dat tot 3 weken voor ons huwelijk mijn ouders nog altijd meegingen naar de film. Ongeloof, bijna verbijstering is het resultaat.
> Hoe heb je dan bompa leren kennen bomi? “ Wel ik moest met mijn broer mee als chaperone, die had verkering met een zus van bompa. Van zijn kant moest bompa mee om op zijn zus te passen en zo zaten we met mekaar opgescheept ! Hilariteit !!!
Het lijkt wel of ik over het ‘stenen tijdperk’ vertel!
> Ik heb genoeg stof bomi, ik moet dat nu in ’t Engels vertalen en ga je zeker laten weten hoeveel punten ik gehaald heb! Goed manneke, ik ben benieuwd! Aan mij zal het wel niet liggen denk ik in stilte. De borden zijn leeg de kommen ook, ze vliegen recht, een kus is mijn beloning. Ze hebben het ineens erg druk, zijn verdwenen gelijk ze gekomen zijn met veel bravoure.
60 jaren overbruggen in één uur tijd, onmogelijk!
Bomi,
17-11-03
Ook op mijn blog,
http://blog.seniorennet.be/bomi
Dankbaar met het verleden, je blik open voor het heden!
-
Gast
En of je gelijk hebt, Hermano. Ik zou zelfs beweren dat Bomi VERPLICHT is om haar "schrijfsels" te publiceren.hermano schreef:Bomi, als je verhalen hebt dan zou het misdadig zijn om ze niet te delen met de mensen die daarop zitten te wachten. Heb ik gelijk Zorro?
-
Bomi - Lid geworden op: 09 aug 2002, 20:54
- Locatie: Hasselt
Ringetjes!
Mijn huis is momenteel om door ’n ringetje te halen! Niet dat het voordien zo een puinhoop was, maar toch. Hoe méér senior je wordt, hoe méér dat je, je ogen af en toe dicht knijpt en met een liefdevolle hand over je hart strijkt. Noodgedwongen maar toch! Je hebt in al die jaren al zoveel leren relativeren, ook dat kan er met de glimlach nog bij, als het maar dát is!
Onze ministers, ijverig als ze zijn, hebben de dienstencheque uitgevonden om het zwartwerk tegen te gaan. Wel als goede onderdaan voelde ik me dan ook bijna verplicht er gebruik van te maken. Niemand werkt graag voor niets, ook de regering niet, dus zeg ik volmondig ja! Liever dát dan nog eens ergens extra belasting betalen. Zij tevreden, wij ook tevreden!
Het was onze dochter die met het idee kwam binnen vallen, samen met de schoondochter zijn we met z’n drieën scheep gegaan.
De administratie liet ik met plezier aan hen over, van mij werd alleen verwacht dat ik met de nieuwe aanwinst kwam kennismaken. Het viel allemaal nogal snel in de plooi, een lief kind, vlot en vriendelijk. Ze kwam voor de eerste keer een beetje onwennig, de tweede keer al meer bekend en begint nu al een beetje bij de familie te horen.
Onze zoon en schoonzoon, die haar tijdens de feestdagen voor de eerste keer zagen, vroegen me of ik een metaaldetector in huis had. Op mijn verbaasde blik schoten ze beiden in de lach, ter verduidelijking kreeg ik te horen dat ze één oorschelp had doorprikt met ringetjes.
Nieuwsgierig maar toch geduldig heb ik gewacht op die ringetjes, de twee keren dat ze bij ons was droeg ze die niet, een mens zou nog denken dat ze het met opzet deed, dat ze zich aanpaste aan de leeftijd van haar klanten! Geef toe, je weet dat je senior bent maar wil daarom niet gedegradeerd worden tot versleten, uit circulatie of ouderwets!
Gisteren was het eindelijk zo ver, het lieve kind droeg haar ringetjes. Je moest je bedwingen om niet telkens naar die wiebelende dingetjes te kijken. Bovendien was dat nog niet alles, ze liep ook te zweven 5 cm boven de grond op zwarte plateauschoenen. Ik kende wel de “ Plateauprijs “ nu ook de plateauzool, het verschil van hoog naar laag. Ze waren bijna niet zichtbaar onder een lange zwarte broek met olifantenpijpen. Mijn verbazing was groot, zeer groot, voorzichtig vroeg ik haar of haar brede broek niet hinderde bij het poetsen. Overtuigd zei ze ‘neen’ en ze had gelijk! Al die tijd zweefde ze door de kamers op háár speciale hoogte, alles blonk toen ze wegging en er zat niet één spatje op haar broek.
Blij en weer een ervaring rijker ben ik dankbaar, breng ik bij deze hulde áán; de uitvinders van de oorringetjes, de plateauzolen, de olifantenpijpen en de dienstencheque’s !
Bomi,
08-01-04
Mijn huis is momenteel om door ’n ringetje te halen! Niet dat het voordien zo een puinhoop was, maar toch. Hoe méér senior je wordt, hoe méér dat je, je ogen af en toe dicht knijpt en met een liefdevolle hand over je hart strijkt. Noodgedwongen maar toch! Je hebt in al die jaren al zoveel leren relativeren, ook dat kan er met de glimlach nog bij, als het maar dát is!
Onze ministers, ijverig als ze zijn, hebben de dienstencheque uitgevonden om het zwartwerk tegen te gaan. Wel als goede onderdaan voelde ik me dan ook bijna verplicht er gebruik van te maken. Niemand werkt graag voor niets, ook de regering niet, dus zeg ik volmondig ja! Liever dát dan nog eens ergens extra belasting betalen. Zij tevreden, wij ook tevreden!
Het was onze dochter die met het idee kwam binnen vallen, samen met de schoondochter zijn we met z’n drieën scheep gegaan.
De administratie liet ik met plezier aan hen over, van mij werd alleen verwacht dat ik met de nieuwe aanwinst kwam kennismaken. Het viel allemaal nogal snel in de plooi, een lief kind, vlot en vriendelijk. Ze kwam voor de eerste keer een beetje onwennig, de tweede keer al meer bekend en begint nu al een beetje bij de familie te horen.
Onze zoon en schoonzoon, die haar tijdens de feestdagen voor de eerste keer zagen, vroegen me of ik een metaaldetector in huis had. Op mijn verbaasde blik schoten ze beiden in de lach, ter verduidelijking kreeg ik te horen dat ze één oorschelp had doorprikt met ringetjes.
Nieuwsgierig maar toch geduldig heb ik gewacht op die ringetjes, de twee keren dat ze bij ons was droeg ze die niet, een mens zou nog denken dat ze het met opzet deed, dat ze zich aanpaste aan de leeftijd van haar klanten! Geef toe, je weet dat je senior bent maar wil daarom niet gedegradeerd worden tot versleten, uit circulatie of ouderwets!
Gisteren was het eindelijk zo ver, het lieve kind droeg haar ringetjes. Je moest je bedwingen om niet telkens naar die wiebelende dingetjes te kijken. Bovendien was dat nog niet alles, ze liep ook te zweven 5 cm boven de grond op zwarte plateauschoenen. Ik kende wel de “ Plateauprijs “ nu ook de plateauzool, het verschil van hoog naar laag. Ze waren bijna niet zichtbaar onder een lange zwarte broek met olifantenpijpen. Mijn verbazing was groot, zeer groot, voorzichtig vroeg ik haar of haar brede broek niet hinderde bij het poetsen. Overtuigd zei ze ‘neen’ en ze had gelijk! Al die tijd zweefde ze door de kamers op háár speciale hoogte, alles blonk toen ze wegging en er zat niet één spatje op haar broek.
Blij en weer een ervaring rijker ben ik dankbaar, breng ik bij deze hulde áán; de uitvinders van de oorringetjes, de plateauzolen, de olifantenpijpen en de dienstencheque’s !
Bomi,
08-01-04
Dankbaar met het verleden, je blik open voor het heden!
-
Gast
Wat God bewaart is wel bewaard en wat Hij komt halen heeft zijn tijd gehad. Ze stond met haar foto een tijdje geleden, in een bekende krant op blz. 7. De oude wijze dame die ons in de kleuterklas ter zijde heeft gestaan. Onze juffrouw Jet, ze was niet meer, dood, voor eeuwig en zes weken. Honderden kinderen hadden bij haar hun eerste wijsheid opgedaan en die bestond uit het gebed des Heren, het weesgegroet en matjes vlechten. Misschien schonk ze ook al eens een neut poëzie in de vorm van ‘Jantjes pruimen’ of ‘ik was zo lang op zee dat ik een hennetje werd.’ Ook maakte ze de muziek in ons wakker door liedjes als: ‘Het regent, het regent, de pannen worden nat…’ met de klemtoon op nat. Ze was met een karig pensioen tevreden geweest wel twintig jaar en ineens stond ze zo maar in de krant. Geveld door een slepende kankerziekte, een ziekte die haar eens zo welgevormde lijf uitmergelde en geen genade bood. Onverbiddelijk! In al die jaren had ze niet stilgezeten, neen, ze was toen nog de vlugste en vlijtigste van al de missie- en andere ‘bijtjes’, een novicemeesteres van de wereldse kinderen van St-Franciscus. Ze naaide bruine scapulieren die ze vervaardigde uit lapjes van een paterspij die ze vervolgens liet bengelen aan een maagdelijk lintje. Geknoopte touwtjes, symbolen van boetvaardigheid, die ze kwistig uitdeelde in de klas. We wisten er allemaal van mee te praten want ook wij behoorde bijna tot het derde legioen van vadertje Frans. We kweelden heilige liedjes voor die wereldse troubadour van God en ieder geloofde dat hij in de hemel kwam zonder teveel ongelukken. Maar de scapulierkes die lagen thuis veilig in de lade opgeborgen. Het zigeunerbloed in mijn aderen langs vaderskant geërfd liet me geloven dat zelfs heiligen een andere kijk op de dingen des levens hadden. Hij zou het me vast niet kwalijk nemen dat ik het boetekleed en de heiligenbeeldjes in de lade diep weggeborgen had. Vaarwel boekjes van St-Franske en St-Antonius en broederschappen van alle Gods lieve heiligen, vaarwel. Het juffertje verbleef de laatste jaren in haar eenzame huisje en ze had geen enkele notie meer van tijd nu de eeuwigheid zo vlakbij was. Het verschil tussen haar overbevolkte wereld van vroeger, waarin zij, de immer lachende, vriendelijke, echt bijbelse vrouw, leefde en werkte en de zwijgende eenzaamheid van haar kluisje, waarin ze niets meer ondernam dan de tocht van haar bed naar de leunstoel en omgekeerd. Dat verschil kon ze maar niet overbrugd krijgen en was haar zwaarste kruis, zwaarder nog dan de eeuwige last van haar maag, die ze haar ‘oude doedelzak’ noemde. Het behoorde allemaal tot het verleden. Juffrouw Jet, ze was niet meer. Ze kon alles van ons gedaan krijgen, maar niet met boze woorden of straffen, neen, met zachtheid en liefde. Ze hield van haar kleine schapen met heel haar hart, ze zou voor ieder kind gevochten hebben, die hun iets strobreed in de weg legden. Het vrouwtje dat de honden en de katten, de vogels en de kinderen van heel de straat verwende met suikerbrood was geen engel van vergelding maar een ingetogen mens met rode renetwangen. Haar klasje was een modelklas, ze was de keurigheid in persoon. Haar laatste dagen waren zo stil geweest, de dagen die zo lang duurden maar haar glimlach die verloor ze niet. Ik dacht nog aan een laatste bezoek aan haar, het leek alsof het nog gisteren was en toch is het al een hele tijd geleden. “Als jij hier bent geweest is alles zoveel blijer. Ik weet wel dat je het druk hebt en ik vraag ook niet dat je lang blijft. Het is niet prettig bij oude mensen, ik weet het wel maar ik hou zo van je vriendelijk gezicht.” Ze hield mijn handen in haar oude handen, die koel waren en heel zacht en ik was bang om er lichtelijk doorheen te knijpen. Ze kon me zo ontroeren als ze me aankeek met haar mooie ogen. Ik kuste het oudje op haar wang, die, net als haar handen, heel week en slapjes aanvoelde. Naar een man had ze zeker niet durven omzien en als ze nu, als stokoud vrouwtje, nog zo’n kinderlijke honger naar genegenheid had, wat moest het vroeger dan geweest zijn? Een mens blijft toch altijd mens, nietwaar? En ook een oude doedelzak blijft nog muziek maken. 
-
Bomi - Lid geworden op: 09 aug 2002, 20:54
- Locatie: Hasselt
Mijnheer Gustaaf! ( Deel 1 )
Na het overlijden van z’n vrouw ging Gustaaf naar één van de plaatselijke rusthuizen. Het was geen opwelling ook geen dwang, hij had ál de voorzieningen om nog lang in z’n huis te blijven wonen. Maar neen samen met zijn vrouw stond hij al méér dan een jaar op de wachtlijst om samen een dubbelkamer te betrekken. Door haar sterven stond hij in een keer boven aan de lijst, er waren meer enkele dan dubbele kamers voorhanden. Ze hadden er samen lang over gepraat, besloten dat ‘wie ook eerst ging’ de ander zich aan de afspraak zou houden. Zo gebeurde!
Hij was er na de eerste aanpassingsweken zo gelukkig als een vis in ’t water. Alles was er even goed en dik in orde, hij had er al een paar stadsgenoten ontmoet, oude bekenden van vroeger. Na zijn middagdutje was Gustaaf niet te houden dan was het tijd voor ’t cafetaria.
Zijn dochter kwam dan op bezoek, kreeg nauwelijks de tijd haar jas op te hangen en de was weg te leggen of om het gevraagde in de koelkast te bergen. Het was een ritueel geworden ,, als je morgen komt breng je dan …. Wat dan ook mee? ,,
Wat was hij fier gearmd met zijn dochter lopen door de lange gang, overal stonden deuren open klonk telkens een groet “ Dag Mijnheer Gustaaf! “ Waarop Gustaaf fier,, kijk Madame X dat is mijn dochter,,. Het duurde daardoor altijd een tijdje voor ze in ’t cafetaria waren.
Traditioneel dronk Gustaaf zijn geuze, de dochter een koffietje, daarna nog een rondje want op één been kan je niet staan he!. Aan alle tafeltjes zaten de bewoners met hun bezoekers. Na een paar weken kent dan ook iedereen, iedereen.
Het wel en wee van de bewoners en bezoekers werd er in ’t lang en in ’t breed besproken. Madame X was zus en Y weer wat anders. De politiek kwam aan bod, het weer, alle kwalen uit een medische encyclopedie, met de geneeswijzen er boven op.
Wat opvallend was, er waren veel meer vrouwen dan mannen, is algemeen geweten ook! Gustaaf was toen 83, ging nog altijd fier, stijf rechtop. De heren werden door de dames echt verwend, hij liet het zich welgevallen. De titel ‘ Mijnheer Gustaaf ‘deed het hem. Op elke verdieping was een kleine ruimte voorzien waar de bewoners gezellig konden samen zitten en praten. Bij het terugkomen van ’t cafetaria was dit dan de vaste stek tot aan etenstijd. Was er geen stoel of zetel meer vrij stond één van de dames wel op om hem een plaatsje te geven. Gustaaf vond dat normaal, de dochter dacht er anders over. Er was in zijn ogen niets verkeerd aan, zo was het altijd geweest, de man eerst en dan de vrouw.
Zijn overbuurvrouw was een nogal rondborstig type de vriendelijkheid zelve. Ze toonde aan de dochter haar kamer, hun huwelijksfoto in vergulde lijst boven het bed, en al de foto’s van haar dierbaren overal verspreid waar een plaatsje over was.
Mevrouw hoefde niet,, zeg maar Bertha kind,, dat zegt iedereen hier.
Bertha toonde in haar enthousiasme de inhoud van haar kasten, zelfs van de koelkast, Een schoteltje met koekjes toverde ze uit haar kast,, kind je moet daar toch eens ééntje van proeven want Mijnheer Gustaaf lust die ook graag,, wat dochterlief met de wenkbrauwen deed fronsen. Maar ja ze kon niet anders en mompelde dan maar iets van ‘lekker zeer lekker euh … Bertha’. Het was de gewoonte wie iets lekkers had deelde eens rond in het praathoekje.
Eindelijk weer terug op de kamer begon Gustaaf uit te leggen in welke winkel Bertha die koekjes ging kopen, de goede ziel. Die vrouw van twee deuren verder had het niet zo breed, dat was Madame Mertens, ze had een open been. Bertha had hem in vertrouwen gezegd dat het nooit meer dicht zou gaan, het zat in haar bloed. Wat doet een liefhebbende dochter dan, ‘dat al jaknikkend bevestigen!’ Zo ging de namiddag voorbij, het was bijna etenstijd, alles was verteld tot de volgende dag.
Dochter kon vertrekken ze liep langs de trap naar beneden. De liftdeuren waren op dit ogenblik taboe. Mensen in rolwagens stonden opgesteld in de gang klaar om per lift naar beneden gebracht te worden richting eetzaal. Meneer Gustaaf had ondertussen postgevat aan zijn raam, van daaruit kon hij gans de parking overzien. Geduldig wachtte hij tot hij z’n dochter zag verschijnen. Even zwaaien van beide kanten, nog eens omdraaien, nog eens zwaaien daarna in de auto stappen en zo met de auto draaien dat ze onder zijn raam voorbij reed.
Een laatste saluke dan pas ging ‘ Mijnheer Gustaaf ‘ naar de eetzaal!
Bomi,
24-11-03
Na het overlijden van z’n vrouw ging Gustaaf naar één van de plaatselijke rusthuizen. Het was geen opwelling ook geen dwang, hij had ál de voorzieningen om nog lang in z’n huis te blijven wonen. Maar neen samen met zijn vrouw stond hij al méér dan een jaar op de wachtlijst om samen een dubbelkamer te betrekken. Door haar sterven stond hij in een keer boven aan de lijst, er waren meer enkele dan dubbele kamers voorhanden. Ze hadden er samen lang over gepraat, besloten dat ‘wie ook eerst ging’ de ander zich aan de afspraak zou houden. Zo gebeurde!
Hij was er na de eerste aanpassingsweken zo gelukkig als een vis in ’t water. Alles was er even goed en dik in orde, hij had er al een paar stadsgenoten ontmoet, oude bekenden van vroeger. Na zijn middagdutje was Gustaaf niet te houden dan was het tijd voor ’t cafetaria.
Zijn dochter kwam dan op bezoek, kreeg nauwelijks de tijd haar jas op te hangen en de was weg te leggen of om het gevraagde in de koelkast te bergen. Het was een ritueel geworden ,, als je morgen komt breng je dan …. Wat dan ook mee? ,,
Wat was hij fier gearmd met zijn dochter lopen door de lange gang, overal stonden deuren open klonk telkens een groet “ Dag Mijnheer Gustaaf! “ Waarop Gustaaf fier,, kijk Madame X dat is mijn dochter,,. Het duurde daardoor altijd een tijdje voor ze in ’t cafetaria waren.
Traditioneel dronk Gustaaf zijn geuze, de dochter een koffietje, daarna nog een rondje want op één been kan je niet staan he!. Aan alle tafeltjes zaten de bewoners met hun bezoekers. Na een paar weken kent dan ook iedereen, iedereen.
Het wel en wee van de bewoners en bezoekers werd er in ’t lang en in ’t breed besproken. Madame X was zus en Y weer wat anders. De politiek kwam aan bod, het weer, alle kwalen uit een medische encyclopedie, met de geneeswijzen er boven op.
Wat opvallend was, er waren veel meer vrouwen dan mannen, is algemeen geweten ook! Gustaaf was toen 83, ging nog altijd fier, stijf rechtop. De heren werden door de dames echt verwend, hij liet het zich welgevallen. De titel ‘ Mijnheer Gustaaf ‘deed het hem. Op elke verdieping was een kleine ruimte voorzien waar de bewoners gezellig konden samen zitten en praten. Bij het terugkomen van ’t cafetaria was dit dan de vaste stek tot aan etenstijd. Was er geen stoel of zetel meer vrij stond één van de dames wel op om hem een plaatsje te geven. Gustaaf vond dat normaal, de dochter dacht er anders over. Er was in zijn ogen niets verkeerd aan, zo was het altijd geweest, de man eerst en dan de vrouw.
Zijn overbuurvrouw was een nogal rondborstig type de vriendelijkheid zelve. Ze toonde aan de dochter haar kamer, hun huwelijksfoto in vergulde lijst boven het bed, en al de foto’s van haar dierbaren overal verspreid waar een plaatsje over was.
Mevrouw hoefde niet,, zeg maar Bertha kind,, dat zegt iedereen hier.
Bertha toonde in haar enthousiasme de inhoud van haar kasten, zelfs van de koelkast, Een schoteltje met koekjes toverde ze uit haar kast,, kind je moet daar toch eens ééntje van proeven want Mijnheer Gustaaf lust die ook graag,, wat dochterlief met de wenkbrauwen deed fronsen. Maar ja ze kon niet anders en mompelde dan maar iets van ‘lekker zeer lekker euh … Bertha’. Het was de gewoonte wie iets lekkers had deelde eens rond in het praathoekje.
Eindelijk weer terug op de kamer begon Gustaaf uit te leggen in welke winkel Bertha die koekjes ging kopen, de goede ziel. Die vrouw van twee deuren verder had het niet zo breed, dat was Madame Mertens, ze had een open been. Bertha had hem in vertrouwen gezegd dat het nooit meer dicht zou gaan, het zat in haar bloed. Wat doet een liefhebbende dochter dan, ‘dat al jaknikkend bevestigen!’ Zo ging de namiddag voorbij, het was bijna etenstijd, alles was verteld tot de volgende dag.
Dochter kon vertrekken ze liep langs de trap naar beneden. De liftdeuren waren op dit ogenblik taboe. Mensen in rolwagens stonden opgesteld in de gang klaar om per lift naar beneden gebracht te worden richting eetzaal. Meneer Gustaaf had ondertussen postgevat aan zijn raam, van daaruit kon hij gans de parking overzien. Geduldig wachtte hij tot hij z’n dochter zag verschijnen. Even zwaaien van beide kanten, nog eens omdraaien, nog eens zwaaien daarna in de auto stappen en zo met de auto draaien dat ze onder zijn raam voorbij reed.
Een laatste saluke dan pas ging ‘ Mijnheer Gustaaf ‘ naar de eetzaal!
Bomi,
24-11-03
Dankbaar met het verleden, je blik open voor het heden!
-
Fikske - Lid geworden op: 16 dec 2003, 12:31
- Locatie: W-O 1970
Hallo allemaal! Ben terug van weggeweest en wat zie ik hier? Er is nogal wat geschreven zeg.
Prachtig eigenlijk dat meer en meer nostalgische zielen deze topic ontdekken en er één ( of meer) verhaaltjes van vroeger in neerpennen.
Ondertussen ben ik goed uitgerust terug van drie weekjes vakantie en kan er weer tegenaan, al beweert het vrouwtje dat er eerst nog een hele hoop werk te wachten staat in de tuin…
Toch heb ik nog één “echt gebeurd” verhaaltje uit een ver verleden opgeschreven. Hier is het.
- 1947- Friet met biefstuk.
Op vrijdagavond is het bij ons thuis steevast frieten met biefstuk; paardenbiefstuk wel te verstaan.
Ons vader, Louis, is er dol op.
Hij brengt dan ook bijna elke vrijdag een duimdikke ' snee van 't paard ' mee van bij de beste paardenbeenhouwer die hij kent op de Boondaelse steenweg in Elsene.
In die tijd werd er op vrijdag in de meeste Vlaamse (katholieke) gezinnen nog vis gegeten, geen vlees.
Wij zijn thuis niet zó katholiek en zeker niet wat het vlees eten op vrijdag betreft. Daarbij als het eigenlijk niet mag, smaakt het nog beter.
Zanderin (Alexandrina), ons moeder, houdt niet van vis en ook niet veel van vlees, zeker niet van paardenvlees. De geur alleen al doet haar maag ondersteboven draaien.
Bij haar thuis waren het boerenmensen, keuterboeren eigenlijk, en die aten niet veel vlees, zegt ze. Misschien maar eens per week en dan nog meestal varkenvlees van eigen gewin.
Ons moeder heeft er ook een handje van weg om vlees goed te laten doorbakken vooral spek, dat moet kraken als ge er in bijt vindt ze. Iets waar ons vader een hekel aan heeft.
‘ En niet te lang laten bakken, hé ... want dan is 't precies weer een plank en zit er gene smaak meer in.’ Zegt hij steevast als ma vlees bakt.
‘ Ene keer omdraaien in de pan is voor mij al genoeg, dan loopt er tenminste nog wat bloed uit als ge het doorsnijdt.’
Hij zegt dit echt om haar een beetje te pesten want hij weet dat ze bij de gedachte aan rood en bloederig vlees rillingen over haar rug krijgt.
Als klap op de vuurpijl heeft pa dan nog de eigenaardige gewoonte om over zijn hete frieten een rauw geklutst ei te gieten.
Zanderin griezelt bij al die rauwigheid en bakt voor haarzelf meestal een ei in een paardenoog of een stukje spek dat ze dan nog zes keer omdraait in de pan terwijl ze het met haar vork plat duwt zodat ze zeker is dat al het vet eruit is.
Die bewuste vrijdag zitten ma, mijn broer Mil en ik al te eten als pa de keuken binnenkomt.
Ma heeft al drie keer geroepen dat hij moet komen eten maar hij was buiten nog wat aan het zwanzen met Dikke Maria en dan weet hij van geen ophouden.
De dampende biefstuk ligt al op zijn teloor en Zanderin kiept er nu een portie hete frieten over.
De jongens hebben zelf al een rauw ei bij hun frieten geklutst, want die viezigheid die ze van hun pa geleerd hebben moeten ze maar zelf klaarmaken, vindt ma.
‘ Waar is mijn ei? ’ Vraagt pa, terwijl hij onderzoekend in onze borden kijkt.
‘ Er zijn er geen meer’ zegt ze een beetje wraakzuchtig, ‘ gij moet maar niet blijven kletsen als het eten klaar is, de jongens hebben de twee laatste genomen en de kippen hebben vandaag niet gelegd.’
‘ Hoe kan dat nu? ’ zegt hij ongelovig, ‘ ge hebt zeker niet goed gekeken, 'k zal zelf maar eens gaan zien...’ en weg is hij naar het kiekenkot.
Triomfantelijk komt hij twee minuten later binnen met drie eieren.
‘ Hier zie ! Wie zoekt die vindt.’ En hij maakt aanstalten om het ei zomaar, zonder klutsen, direct over zijn bord frieten open te breken.
‘ Pak nu toch een kop en kluts dat ei eerst goed ’, zegt ma bezorgd.
‘ Ik weet niet hoe ge zoiets glibberig in uw lijf krijgt.’
‘ Dat is allemaal te veel afwas’, lacht hij en breekt de schaal al open tegen de rand van zijn bord en kiept de inhoud over zijn frieten en biefstuk.
Verschrikt spert hij zijn ogen en mond open .
‘ Miljaar, z’ is rot ! ’ zegt hij vol afgrijnzen ‘Din*..., doe iets. Vlug !’
Onhandig tracht ma met haar vork het ei nog te verwijderen, maar prikt in haar zenuwachtigheid door de dooier die openbarst en de stinkende bruingele inhoud stroomt over Louis zijn lievelingskost.
‘Nondedju ! Nu is mijn eten naar de kloten ! ’ , schreeuwt hij.
Wij kunnen onze lachspieren niet langer bedwingen en proesten het uit. Nu is hij pas echt kwaad. ‘ En jullie moeten daar nog mee lachen ook! ’
Het wordt stilaan ‘ onhoudbaar ’ in de keuken en onder het voorwendsel dat de stank onze eetlust bederft gaan we ons bord verder leegeten buiten op de stoep.
‘ Wel, is dat hier nu een plaats om te komen eten? ’ Vraagt Dikke Maria spottend.
‘ Nee, 't is veel te ' warm ' daarbinnen. ’ Zegt Mil met volle mond en als hij mij aankijkt vallen we beide om van het lachen.
Achter onze rug horen we pa nog vloeken als hij zijn maaltijd met bord en al in de vuilbak kiepert en zichzelf een paar boterhammen afsnijdt.
* Din is het verkleinwoord dat pa altijd gebruikt voor Zanderin.
----------------------
Prachtig eigenlijk dat meer en meer nostalgische zielen deze topic ontdekken en er één ( of meer) verhaaltjes van vroeger in neerpennen.
Ondertussen ben ik goed uitgerust terug van drie weekjes vakantie en kan er weer tegenaan, al beweert het vrouwtje dat er eerst nog een hele hoop werk te wachten staat in de tuin…
Toch heb ik nog één “echt gebeurd” verhaaltje uit een ver verleden opgeschreven. Hier is het.
- 1947- Friet met biefstuk.
Op vrijdagavond is het bij ons thuis steevast frieten met biefstuk; paardenbiefstuk wel te verstaan.
Ons vader, Louis, is er dol op.
Hij brengt dan ook bijna elke vrijdag een duimdikke ' snee van 't paard ' mee van bij de beste paardenbeenhouwer die hij kent op de Boondaelse steenweg in Elsene.
In die tijd werd er op vrijdag in de meeste Vlaamse (katholieke) gezinnen nog vis gegeten, geen vlees.
Wij zijn thuis niet zó katholiek en zeker niet wat het vlees eten op vrijdag betreft. Daarbij als het eigenlijk niet mag, smaakt het nog beter.
Zanderin (Alexandrina), ons moeder, houdt niet van vis en ook niet veel van vlees, zeker niet van paardenvlees. De geur alleen al doet haar maag ondersteboven draaien.
Bij haar thuis waren het boerenmensen, keuterboeren eigenlijk, en die aten niet veel vlees, zegt ze. Misschien maar eens per week en dan nog meestal varkenvlees van eigen gewin.
Ons moeder heeft er ook een handje van weg om vlees goed te laten doorbakken vooral spek, dat moet kraken als ge er in bijt vindt ze. Iets waar ons vader een hekel aan heeft.
‘ En niet te lang laten bakken, hé ... want dan is 't precies weer een plank en zit er gene smaak meer in.’ Zegt hij steevast als ma vlees bakt.
‘ Ene keer omdraaien in de pan is voor mij al genoeg, dan loopt er tenminste nog wat bloed uit als ge het doorsnijdt.’
Hij zegt dit echt om haar een beetje te pesten want hij weet dat ze bij de gedachte aan rood en bloederig vlees rillingen over haar rug krijgt.
Als klap op de vuurpijl heeft pa dan nog de eigenaardige gewoonte om over zijn hete frieten een rauw geklutst ei te gieten.
Zanderin griezelt bij al die rauwigheid en bakt voor haarzelf meestal een ei in een paardenoog of een stukje spek dat ze dan nog zes keer omdraait in de pan terwijl ze het met haar vork plat duwt zodat ze zeker is dat al het vet eruit is.
Die bewuste vrijdag zitten ma, mijn broer Mil en ik al te eten als pa de keuken binnenkomt.
Ma heeft al drie keer geroepen dat hij moet komen eten maar hij was buiten nog wat aan het zwanzen met Dikke Maria en dan weet hij van geen ophouden.
De dampende biefstuk ligt al op zijn teloor en Zanderin kiept er nu een portie hete frieten over.
De jongens hebben zelf al een rauw ei bij hun frieten geklutst, want die viezigheid die ze van hun pa geleerd hebben moeten ze maar zelf klaarmaken, vindt ma.
‘ Waar is mijn ei? ’ Vraagt pa, terwijl hij onderzoekend in onze borden kijkt.
‘ Er zijn er geen meer’ zegt ze een beetje wraakzuchtig, ‘ gij moet maar niet blijven kletsen als het eten klaar is, de jongens hebben de twee laatste genomen en de kippen hebben vandaag niet gelegd.’
‘ Hoe kan dat nu? ’ zegt hij ongelovig, ‘ ge hebt zeker niet goed gekeken, 'k zal zelf maar eens gaan zien...’ en weg is hij naar het kiekenkot.
Triomfantelijk komt hij twee minuten later binnen met drie eieren.
‘ Hier zie ! Wie zoekt die vindt.’ En hij maakt aanstalten om het ei zomaar, zonder klutsen, direct over zijn bord frieten open te breken.
‘ Pak nu toch een kop en kluts dat ei eerst goed ’, zegt ma bezorgd.
‘ Ik weet niet hoe ge zoiets glibberig in uw lijf krijgt.’
‘ Dat is allemaal te veel afwas’, lacht hij en breekt de schaal al open tegen de rand van zijn bord en kiept de inhoud over zijn frieten en biefstuk.
Verschrikt spert hij zijn ogen en mond open .
‘ Miljaar, z’ is rot ! ’ zegt hij vol afgrijnzen ‘Din*..., doe iets. Vlug !’
Onhandig tracht ma met haar vork het ei nog te verwijderen, maar prikt in haar zenuwachtigheid door de dooier die openbarst en de stinkende bruingele inhoud stroomt over Louis zijn lievelingskost.
‘Nondedju ! Nu is mijn eten naar de kloten ! ’ , schreeuwt hij.
Wij kunnen onze lachspieren niet langer bedwingen en proesten het uit. Nu is hij pas echt kwaad. ‘ En jullie moeten daar nog mee lachen ook! ’
Het wordt stilaan ‘ onhoudbaar ’ in de keuken en onder het voorwendsel dat de stank onze eetlust bederft gaan we ons bord verder leegeten buiten op de stoep.
‘ Wel, is dat hier nu een plaats om te komen eten? ’ Vraagt Dikke Maria spottend.
‘ Nee, 't is veel te ' warm ' daarbinnen. ’ Zegt Mil met volle mond en als hij mij aankijkt vallen we beide om van het lachen.
Achter onze rug horen we pa nog vloeken als hij zijn maaltijd met bord en al in de vuilbak kiepert en zichzelf een paar boterhammen afsnijdt.
* Din is het verkleinwoord dat pa altijd gebruikt voor Zanderin.
----------------------
-
Bomi - Lid geworden op: 09 aug 2002, 20:54
- Locatie: Hasselt
Fikske bedankt voor je vriendelijke woorden. Je kent het spreekwoord ' Vragen staat vrij. ' een neen heb je, een ja kan je krijgen.
Hier komt dan deel 2. Het is nog nooit ergens geplaatst ik heb de stukken geschreven jaren na het overlijden van mijn vader, het heeft me geholpen om het te verwerken. Zelfs de stukjes herlezen brengt heel die periode weer voor de geest, ditmaal met een zekere heimwee.
Als er iemand wat aan heeft ben ik al tevrden.
Mijnheer Gustaaf 2
Het was een mooie zonnige dag Gustaaf en z’n dochter maakten een wandeling in het nabijgelegen stadspark. De gazons mooi onderhouden kregen alle aandacht, de beplanting kwam nog beter tot z’n recht door het zonlicht, bloemen in zoveel verschillende kleuren hebben dan toch iets apart. Banken waren er genoeg, overal wandelden of zaten de bewoners van het rusthuis te genieten. Het leek, oneerbiedig uitgedrukt, een beetje op een processie. De bankzitters keken en keurden, de wandelaars zagen en gaven onder mekaar even goed commentaar.
Het cafetaria werd vandaag overgeslagen, vervangen door een groot terras van het Cultureel Centrum grenzend aan ‘t park. Bij mooi weer een dankbare plaats voor de bewoners van het rusthuis. Eigenlijk was de sfeer hetzelfde als in ’t cafetaria maar dan in open lucht. Iedereen werd gewikt en gewogen, de mensen met rolstoelen genoten extra, blij dat ze nog eens buiten kwamen. Gustaaf en dochter zaten te genieten van hun drankje. Wie kwam er voorbij gestapt met een kleine boodschappentas in de hand? Bertha!
“ Zeg Mijnheer Gustaaf nu moet ik je toch eens iets vragen! “ ja Bertha vraag maar, alleen geen geld,, “ Heb jij vanmorgen ook de kleinzoon van madammeke Trekels zien binnen komen, hij had weer een grote aktetas onder de arm. “ Op het ontkennend antwoord van Gustaaf begon ze uit te leggen tegen de dochter, ondertussen een stoel beetpakkend, waar ze zich gezien haar gewicht met een plof liet op neervallen. “ Ja kind dat is toch een speciaal geval hoor! Ze woont bij ons op de gang de laatste deur rechts tegen de nooduitgang. Brieven schrijven is haar hobby, ze is 88 en zit gans de dag te schrijven. Heel haar familie krijgt regelmatig post van haar. Iedereen die op bezoek komt brengt dan ook altijd briefpapier en postzegels mee. Dat zal die kleinzoon ook wel weer meegebracht hebben in die zwarte aktetas. “ Ik zou het niet weten Bertha in de voormiddag lees ik altijd mijn krant, ook al staat de deur open geef ik er geen aandacht aan,, zei Mijnheer Gustaaf.
Bertha begon nu aan de dochter uit te leggen naar wie madammeke allemaal schreef, ze had het gevraagd toen ze eens op visite geweest was bij haar. Ja ze moest er eigenlijk niet zijn maar wou toch graag eens zien hoe madammeke daar zat te schrijven! Ze had het er al een paar keer met de verzorgsters over gehad maar ja die kinderen hadden nooit veel tijd en van de kuisvrouw werd ze ook niet veel wijzer. Wil je niks drinken? vroeg de dochter vriendelijk. Neen dat wou ze niet, het leek wel een sein dat ze moest opstappen, wat ze dan ook prompt deed.
Vader en dochter schoten beiden in de lach, och het was een goede ziel, een vriendelijk mens maar soms een beetje te nieuwsgierig. Voor hen werd het trouwens ook tijd om op te stappen, het was vlakbij maar toch. Al wandelend vertelde haar vader dat madammeke echt wel een beetje eigenaardig deed. Als ze naar de kapel ging voor de zondagsmis droeg ze altijd een klein zwart hoedje, je weet wel zo eentje met een voilleke voor de ogen, zo tot net over haar neus. Aan de zijkant stak een klein zwart pluimpje dat mee wipte elke keer madammeke haar hoofd bewoog. Het moest een oud geval zijn, veronderstelde Gustaaf, want herinnert ge U nog die foto’s van Bomma zaliger die stond ook ergens zó op een foto.
Ja de dochter kende die foto, van klein meisje af had ze verschillende keren de foto gezien in het fotoalbum van haar ouders. Door aan ’t album te denken dacht ze ook weer terug aan de foto ’s van haar moeder. Haar vader bleef even stil, ook hij was denkelijk in gedachten bij haar.
Boven terug op de kamer was het eerste wat hij deed de foto van z’n vrouw die naast het bed op het nachtkastje stond, in zijn handen nemen en er met zijn hand eens over strelen.
De ontroering was duidelijk voelbaar voor beiden. Gelijk het altijd gaat wil de een het niet geweten hebben tegenover de andere. Tijd om te vertrekken, vader aan ’t raam, dochter spurtend naar beneden een paar maal zwaaien en weg.
Vader moest nu naar de eetzaal de dochter moest bijwerken, alles wat ze had laten staan om haar vader te bezoeken. Maar ja haar moeder zei altijd “ De lucht hangt vol van de werkdagen waar nog niemand aan begonnen is! “ en gelijk had ze.
Bomi
26-11-03
Hier komt dan deel 2. Het is nog nooit ergens geplaatst ik heb de stukken geschreven jaren na het overlijden van mijn vader, het heeft me geholpen om het te verwerken. Zelfs de stukjes herlezen brengt heel die periode weer voor de geest, ditmaal met een zekere heimwee.
Als er iemand wat aan heeft ben ik al tevrden.
Mijnheer Gustaaf 2
Het was een mooie zonnige dag Gustaaf en z’n dochter maakten een wandeling in het nabijgelegen stadspark. De gazons mooi onderhouden kregen alle aandacht, de beplanting kwam nog beter tot z’n recht door het zonlicht, bloemen in zoveel verschillende kleuren hebben dan toch iets apart. Banken waren er genoeg, overal wandelden of zaten de bewoners van het rusthuis te genieten. Het leek, oneerbiedig uitgedrukt, een beetje op een processie. De bankzitters keken en keurden, de wandelaars zagen en gaven onder mekaar even goed commentaar.
Het cafetaria werd vandaag overgeslagen, vervangen door een groot terras van het Cultureel Centrum grenzend aan ‘t park. Bij mooi weer een dankbare plaats voor de bewoners van het rusthuis. Eigenlijk was de sfeer hetzelfde als in ’t cafetaria maar dan in open lucht. Iedereen werd gewikt en gewogen, de mensen met rolstoelen genoten extra, blij dat ze nog eens buiten kwamen. Gustaaf en dochter zaten te genieten van hun drankje. Wie kwam er voorbij gestapt met een kleine boodschappentas in de hand? Bertha!
“ Zeg Mijnheer Gustaaf nu moet ik je toch eens iets vragen! “ ja Bertha vraag maar, alleen geen geld,, “ Heb jij vanmorgen ook de kleinzoon van madammeke Trekels zien binnen komen, hij had weer een grote aktetas onder de arm. “ Op het ontkennend antwoord van Gustaaf begon ze uit te leggen tegen de dochter, ondertussen een stoel beetpakkend, waar ze zich gezien haar gewicht met een plof liet op neervallen. “ Ja kind dat is toch een speciaal geval hoor! Ze woont bij ons op de gang de laatste deur rechts tegen de nooduitgang. Brieven schrijven is haar hobby, ze is 88 en zit gans de dag te schrijven. Heel haar familie krijgt regelmatig post van haar. Iedereen die op bezoek komt brengt dan ook altijd briefpapier en postzegels mee. Dat zal die kleinzoon ook wel weer meegebracht hebben in die zwarte aktetas. “ Ik zou het niet weten Bertha in de voormiddag lees ik altijd mijn krant, ook al staat de deur open geef ik er geen aandacht aan,, zei Mijnheer Gustaaf.
Bertha begon nu aan de dochter uit te leggen naar wie madammeke allemaal schreef, ze had het gevraagd toen ze eens op visite geweest was bij haar. Ja ze moest er eigenlijk niet zijn maar wou toch graag eens zien hoe madammeke daar zat te schrijven! Ze had het er al een paar keer met de verzorgsters over gehad maar ja die kinderen hadden nooit veel tijd en van de kuisvrouw werd ze ook niet veel wijzer. Wil je niks drinken? vroeg de dochter vriendelijk. Neen dat wou ze niet, het leek wel een sein dat ze moest opstappen, wat ze dan ook prompt deed.
Vader en dochter schoten beiden in de lach, och het was een goede ziel, een vriendelijk mens maar soms een beetje te nieuwsgierig. Voor hen werd het trouwens ook tijd om op te stappen, het was vlakbij maar toch. Al wandelend vertelde haar vader dat madammeke echt wel een beetje eigenaardig deed. Als ze naar de kapel ging voor de zondagsmis droeg ze altijd een klein zwart hoedje, je weet wel zo eentje met een voilleke voor de ogen, zo tot net over haar neus. Aan de zijkant stak een klein zwart pluimpje dat mee wipte elke keer madammeke haar hoofd bewoog. Het moest een oud geval zijn, veronderstelde Gustaaf, want herinnert ge U nog die foto’s van Bomma zaliger die stond ook ergens zó op een foto.
Ja de dochter kende die foto, van klein meisje af had ze verschillende keren de foto gezien in het fotoalbum van haar ouders. Door aan ’t album te denken dacht ze ook weer terug aan de foto ’s van haar moeder. Haar vader bleef even stil, ook hij was denkelijk in gedachten bij haar.
Boven terug op de kamer was het eerste wat hij deed de foto van z’n vrouw die naast het bed op het nachtkastje stond, in zijn handen nemen en er met zijn hand eens over strelen.
De ontroering was duidelijk voelbaar voor beiden. Gelijk het altijd gaat wil de een het niet geweten hebben tegenover de andere. Tijd om te vertrekken, vader aan ’t raam, dochter spurtend naar beneden een paar maal zwaaien en weg.
Vader moest nu naar de eetzaal de dochter moest bijwerken, alles wat ze had laten staan om haar vader te bezoeken. Maar ja haar moeder zei altijd “ De lucht hangt vol van de werkdagen waar nog niemand aan begonnen is! “ en gelijk had ze.
Bomi
26-11-03
Dankbaar met het verleden, je blik open voor het heden!
-
telloorlekker - Lid geworden op: 26 nov 2002, 17:46
Onbegrijpelijk, die Belgische Wapenwetgeving... Telkens opnieuw wordt zij aangepast aan noden en ontwikkeling, maar telkens slaat men de bal mis...
Wij waren nog snotapen en daagden mekaar uit om ter verst het marktkeitje zo ver mogelijk weg te slingeren, zij het met een lier of een catapult. Mag nu niet meer, is een 'dodelijk wapen' (alsof een keukenmes of een vork dat niét is !?)
Van zelfgemaakt wiggenhout gefabriceerd wiggetje tot gesmeedde vorkjes (een afgedankte fiets kon, met behulp van die oude fietsband behoorlijk wat wegcatapulteren) tot hoefijzers toe werden werpwerktuigen gesmeed. Menige weckpotrek moest eraan geloven; soms, bij gebrek aan scherven, zelfs een deel van de glazen stolpen waarin de dag voordien zelfs erwten werden opgelegd. Mag nu niet meer, terwijl eenieder nog één arm overhoudt om te gooien...
Nog een geluk dat er nu een vereniging is, beschermd door de wereldorganisatie Unesco als wereldkundig erfgoed, die dergelijke 'oude volkssporten' promoot. Maar onze wetgever schijnt zich daarbij niet te storen, éénmaal wét altijd wét.
Ik vraag me eigenlijk af of, indien je een overtreding begaat door bv. met een mik (=catapult) een heethoofdige staatsman raakt je door dit bij wet verboden artikel wél begenadigd zou kunnen worden omwille van de bescherming op wereldlijk vlak van dit volksvermaak destijds.
Ik heb nog steeds geen vergunning nodig om konijntjes en kippen te villen met mes en vork... maar voor hoe lang nog ?
Wij waren nog snotapen en daagden mekaar uit om ter verst het marktkeitje zo ver mogelijk weg te slingeren, zij het met een lier of een catapult. Mag nu niet meer, is een 'dodelijk wapen' (alsof een keukenmes of een vork dat niét is !?)
Van zelfgemaakt wiggenhout gefabriceerd wiggetje tot gesmeedde vorkjes (een afgedankte fiets kon, met behulp van die oude fietsband behoorlijk wat wegcatapulteren) tot hoefijzers toe werden werpwerktuigen gesmeed. Menige weckpotrek moest eraan geloven; soms, bij gebrek aan scherven, zelfs een deel van de glazen stolpen waarin de dag voordien zelfs erwten werden opgelegd. Mag nu niet meer, terwijl eenieder nog één arm overhoudt om te gooien...
Nog een geluk dat er nu een vereniging is, beschermd door de wereldorganisatie Unesco als wereldkundig erfgoed, die dergelijke 'oude volkssporten' promoot. Maar onze wetgever schijnt zich daarbij niet te storen, éénmaal wét altijd wét.
Ik vraag me eigenlijk af of, indien je een overtreding begaat door bv. met een mik (=catapult) een heethoofdige staatsman raakt je door dit bij wet verboden artikel wél begenadigd zou kunnen worden omwille van de bescherming op wereldlijk vlak van dit volksvermaak destijds.
Ik heb nog steeds geen vergunning nodig om konijntjes en kippen te villen met mes en vork... maar voor hoe lang nog ?
-
Bomi - Lid geworden op: 09 aug 2002, 20:54
- Locatie: Hasselt
Jure goed verhaal hier komt er nog eentje waar gebeurd zegt de volksmond.
Een tijdje geleden kwam de gedachte bij me op dat er in mijn kindertijd een familie was, gelijk ‘de familie Flodder’ op de Nederlandse TV! Het was niet één gezin het was een gans straatje, een buurt waar je volgens de volwassenen maar beter vandaan bleef!
Mijn ouders, vooral mijn vader, kon er de meest bizarre verhalen over vertellen. Die moesten dan dienen om ons, kinderen, er weg te houden. Dat de bestbedoelde waarschuwingen meestal de nieuwsgierigheid wekken was in die tijd ook al zo.
De gebeurtenissen speelden zich af vóór de oorlog en ook nog de jaren erna. De meest beruchte familie was de familie Van Vooren. Een gezin met 16 kinderen, die leefden en groot werden op de straat. Overal waar er ook maar iets gebeurde kon je er van op aan dat er één of meerdere bengels van de Van Voorens bij betrokken waren. Mijn vader vertelde dat de ouders hun eigen kinderen niet kenden. Zeker de man niet, gezien het grote aantal! De man had rode haren wild door elkaar groeiend, wat dan ook zijn naam geworden was. ‘ de Rooje ‘ Onnodig dat een vreemde naar de heer Van Vooren zou vragen die was onbekend, ‘ de Rooje ‘ des te beter. Elk jaar stond de Rooje trouw op het stadhuis om weer ’n nieuwe spruit te laten inschrijven. In die tijd was het zo dat een trouwboekje ruimte had om 12 namen van je kinderen in te schrijven. Toen het 13de geboren werd beloofde de ambtenaar een nieuw exemplaar te bestellen, hij schreef de baby (tijdelijk) in op het kartonnen kaft van het boekje. Al de volgende zijn daar ook beland. De administratie in die tijd was kennelijk ook niet op punt.
De Rooje werkte samen met zijn vrouw, ze gingen overal waterputten graven, Zij stond beneden schepte de emmers vol met grond, de man gooide een touw naar beneden waar een haak aan vast zat. De vrouw moest dan de emmer er aanhaken en de Rooje trok die naar boven. Het koppel leefde zacht uitgedrukt nogal een turbulent leven, eerst geld verdienen daarna alles opdrinken, de vrouw net zo goed als hij. Op een dag gooide de man zijn touw naar beneden, de vrouw stond gebogen bezig met haar emmer. De haak kwam terecht in haar haren en brullend van het lachen, gelijk een stier trok de rooje een pruik naar boven want Mina droeg een pruik. Mina was al even woest en gilde dat hij haar pruik moest terug naar beneden gooien, de rooje wachtte zo lang mogelijk tot er genoeg volk rond de put stond om mee te kijken en te lachen. Er was altijd wel iemand van de omstanders die de man tot bedaren kon brengen, hem overhaalde zijn vrouw eindelijk uit haar trieste situatie te redden.
Zij van haar kant zette haar pruik weer op klom woedend de ladder op en liep richting kanaal. Luid schreeuwend ‘ Ik ga me verzuipen! ‘, gevolgd door haar man die bleef lachen en een schare kijklustige omstanders.
In die tijd lagen er nog niet zoveel boten in de kom van het kanaal (Albertkanaal) Mina kwam er aan en sprong, de rooje stond aan de kant haar uit te schelden. Ze droeg ’n lange wijde rok die er voor zorgde dat ze bleef boven drijven, tijdelijk toch. ‘ Komaan verzuip dan, ‘ stond hij te roepen ‘ kijk mensen nu wil ze nog niet ondergaan! ‘ Het spektakel werd onderbroken door één van de schippers die de vrouw met een lange haak op zijn boot trok. In het eerste het beste café werd de ruzie weer bijgelegd tot ze beiden beschonken naar huis waggelden.
Mijn vader vertelde ook altijd dat alle kinderen, die het aandurfden, mee mochten op zijn stootkar. Meestal waren er dat van uit hun buurt, de rooje maakte er geen zaak van, was hij in een goede bui reed hij er de ganse stad mee rond. Terug bij hem voor de deur riep hij dan altijd ‘ Al wie niet van mij is, van de kar af! ‘ Langs het huis liep een smalle steeg, daar reed hij ‘de zijnen’ achterom.
Hoevéél er van die verhalen waarheid is of aangedikt door overlevering is niet bekend.
Wel hebben mijn nichtje en ik het op een mooie dag aangedurfd toch eens één keer door dat straatje te lopen. Zouden we ‘de rooije’ zien of het geheimzinnige steegje? Ja we hebben hem gezien, een bonkige kerel rood verwilderd haar die zijn kar stond vol te laden. Hij droeg een broek van een onbepaalde kleur ribfluweel met lappen en scheuren. In bloot bovenlijf stond hij daar met een verweerde bast, zijn borstkas bedekt met rossig haar. Ook de smalle steeg langs het vervallen huis zagen we, in onze ogen de weg naar een geheimzinnig onbekende.
Echt lang kijken zat er niet in, daar waren we te bang voor. Opluchting en ook een beetje trots waren de gevoelens die we beiden ondervonden. Bij elke stap werd de trots groter, alleen het heeft niet lang geduurd. In een kleine gemeenschap blijft iets niet lang geheim. Wie ons gezien had en het aan onze ouders verteld had wisten we niet.
Een paar weken kamerarrest na school was het gevolg, echt spijt hebben we nooit gehad!
Nu ik het zo navertel nog niet.
Een mooie herinnering aan een tijd die niet meer bestaat, gelukkig maar! Toch had het voor ons kinderen een aparte charme. Waar vindt je nu nog van die figuren, echte stadslegendes?
Bomi,
2003
http://blog.seniorennet.be/bomi
Een tijdje geleden kwam de gedachte bij me op dat er in mijn kindertijd een familie was, gelijk ‘de familie Flodder’ op de Nederlandse TV! Het was niet één gezin het was een gans straatje, een buurt waar je volgens de volwassenen maar beter vandaan bleef!
Mijn ouders, vooral mijn vader, kon er de meest bizarre verhalen over vertellen. Die moesten dan dienen om ons, kinderen, er weg te houden. Dat de bestbedoelde waarschuwingen meestal de nieuwsgierigheid wekken was in die tijd ook al zo.
De gebeurtenissen speelden zich af vóór de oorlog en ook nog de jaren erna. De meest beruchte familie was de familie Van Vooren. Een gezin met 16 kinderen, die leefden en groot werden op de straat. Overal waar er ook maar iets gebeurde kon je er van op aan dat er één of meerdere bengels van de Van Voorens bij betrokken waren. Mijn vader vertelde dat de ouders hun eigen kinderen niet kenden. Zeker de man niet, gezien het grote aantal! De man had rode haren wild door elkaar groeiend, wat dan ook zijn naam geworden was. ‘ de Rooje ‘ Onnodig dat een vreemde naar de heer Van Vooren zou vragen die was onbekend, ‘ de Rooje ‘ des te beter. Elk jaar stond de Rooje trouw op het stadhuis om weer ’n nieuwe spruit te laten inschrijven. In die tijd was het zo dat een trouwboekje ruimte had om 12 namen van je kinderen in te schrijven. Toen het 13de geboren werd beloofde de ambtenaar een nieuw exemplaar te bestellen, hij schreef de baby (tijdelijk) in op het kartonnen kaft van het boekje. Al de volgende zijn daar ook beland. De administratie in die tijd was kennelijk ook niet op punt.
De Rooje werkte samen met zijn vrouw, ze gingen overal waterputten graven, Zij stond beneden schepte de emmers vol met grond, de man gooide een touw naar beneden waar een haak aan vast zat. De vrouw moest dan de emmer er aanhaken en de Rooje trok die naar boven. Het koppel leefde zacht uitgedrukt nogal een turbulent leven, eerst geld verdienen daarna alles opdrinken, de vrouw net zo goed als hij. Op een dag gooide de man zijn touw naar beneden, de vrouw stond gebogen bezig met haar emmer. De haak kwam terecht in haar haren en brullend van het lachen, gelijk een stier trok de rooje een pruik naar boven want Mina droeg een pruik. Mina was al even woest en gilde dat hij haar pruik moest terug naar beneden gooien, de rooje wachtte zo lang mogelijk tot er genoeg volk rond de put stond om mee te kijken en te lachen. Er was altijd wel iemand van de omstanders die de man tot bedaren kon brengen, hem overhaalde zijn vrouw eindelijk uit haar trieste situatie te redden.
Zij van haar kant zette haar pruik weer op klom woedend de ladder op en liep richting kanaal. Luid schreeuwend ‘ Ik ga me verzuipen! ‘, gevolgd door haar man die bleef lachen en een schare kijklustige omstanders.
In die tijd lagen er nog niet zoveel boten in de kom van het kanaal (Albertkanaal) Mina kwam er aan en sprong, de rooje stond aan de kant haar uit te schelden. Ze droeg ’n lange wijde rok die er voor zorgde dat ze bleef boven drijven, tijdelijk toch. ‘ Komaan verzuip dan, ‘ stond hij te roepen ‘ kijk mensen nu wil ze nog niet ondergaan! ‘ Het spektakel werd onderbroken door één van de schippers die de vrouw met een lange haak op zijn boot trok. In het eerste het beste café werd de ruzie weer bijgelegd tot ze beiden beschonken naar huis waggelden.
Mijn vader vertelde ook altijd dat alle kinderen, die het aandurfden, mee mochten op zijn stootkar. Meestal waren er dat van uit hun buurt, de rooje maakte er geen zaak van, was hij in een goede bui reed hij er de ganse stad mee rond. Terug bij hem voor de deur riep hij dan altijd ‘ Al wie niet van mij is, van de kar af! ‘ Langs het huis liep een smalle steeg, daar reed hij ‘de zijnen’ achterom.
Hoevéél er van die verhalen waarheid is of aangedikt door overlevering is niet bekend.
Wel hebben mijn nichtje en ik het op een mooie dag aangedurfd toch eens één keer door dat straatje te lopen. Zouden we ‘de rooije’ zien of het geheimzinnige steegje? Ja we hebben hem gezien, een bonkige kerel rood verwilderd haar die zijn kar stond vol te laden. Hij droeg een broek van een onbepaalde kleur ribfluweel met lappen en scheuren. In bloot bovenlijf stond hij daar met een verweerde bast, zijn borstkas bedekt met rossig haar. Ook de smalle steeg langs het vervallen huis zagen we, in onze ogen de weg naar een geheimzinnig onbekende.
Echt lang kijken zat er niet in, daar waren we te bang voor. Opluchting en ook een beetje trots waren de gevoelens die we beiden ondervonden. Bij elke stap werd de trots groter, alleen het heeft niet lang geduurd. In een kleine gemeenschap blijft iets niet lang geheim. Wie ons gezien had en het aan onze ouders verteld had wisten we niet.
Een paar weken kamerarrest na school was het gevolg, echt spijt hebben we nooit gehad!
Nu ik het zo navertel nog niet.
Een mooie herinnering aan een tijd die niet meer bestaat, gelukkig maar! Toch had het voor ons kinderen een aparte charme. Waar vindt je nu nog van die figuren, echte stadslegendes?
Bomi,
2003
http://blog.seniorennet.be/bomi
Dankbaar met het verleden, je blik open voor het heden!
-
Fikske - Lid geworden op: 16 dec 2003, 12:31
- Locatie: W-O 1970
Welkom Jure, het is een mooi verhaal en past heel goed in deze nostalgische verhalen vind ik.
En ons Bomi is in vorm zie ik. Prachtig geschreven hoor Bomi. Het zijn echt van die figuren waar wij als kind een beetje bang voor waren.
Of toch misschien juist niet omdat het geheimzinnige in die mensen ons aantrok.
Elk dorp had in die tijd wel een paar zonderlingen rondlopen.
En ons Bomi is in vorm zie ik. Prachtig geschreven hoor Bomi. Het zijn echt van die figuren waar wij als kind een beetje bang voor waren.
Of toch misschien juist niet omdat het geheimzinnige in die mensen ons aantrok.
Elk dorp had in die tijd wel een paar zonderlingen rondlopen.
Wie tevreden is met wat hij heeft,
is de rijkste die er leeft.
is de rijkste die er leeft.