Is de Bijbel een mythe ( deel 2)
-
Vesselin - Lid geworden op: 28 jul 2012, 07:52
Nog een verhaaltje om je voor altijd van de bijbel te laten houden!
Richteren 19:1-30
Het geschiedde ook in die dagen, als er geen koning was in Israel, dat er een Levietisch man was, verkerende als vreemdeling aan de zijden van het gebergte van Efraim, die zich een vrouw, een bijwijf, nam van Bethlehem-juda.
Maar zijn bijwijf hoereerde, bij hem zijnde, en toog van hem weg naar haars vaders huis, tot Bethlehem-juda; en zij was aldaar enige dagen, te weten vier maanden.
En haar man maakte zich op, en toog haar na, om naar haar hart te spreken, om haar weder te halen; en zijn jongen was bij hem, en een paar ezels. En zij bracht hem in het huis haars vaders. En als de vader van de jonge vrouw hem zag, werd hij vrolijk over zijn ontmoeting.
En zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, behield hem, dat hij drie dagen bij hem bleef; en zij aten en dronken, en vernachtten aldaar.
Op den vierden dag nu geschiedde het, dat zij des morgens vroeg op waren, en hij opstond om weg te trekken; toen zeide de vader van de jonge dochter tot zijn schoonzoon: Sterk uw hart met een bete broods, en daarna zult gijlieden wegtrekken.
Zo zaten zij neder, en zij beiden aten te zamen, en dronken. Toen zeide de vader van de jonge vrouw tot den man: Bewillig toch en vernacht, en laat uw hart vrolijk zijn.
Maar de man stond op, om weg te trekken. Toen drong hem zijn schoonvader, dat hij aldaar wederom vernachtte.
Als hij op den vijfden dag des morgens vroeg op was, om weg te trekken, zo zeide de vader van de jonge vrouw: Sterk toch uw hart. En zij vertoefden, totdat de dag zich neigde; en zij beiden aten te zamen.
Toen maakte zich de man op, om weg te trekken, hij, en zijn bijwijf, en zijn jongen; en zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, zeide: Zie toch, de dag heeft afgenomen, dat het avond zal worden, vernacht toch; zie, de dag legert zich, vernacht hier, en laat uw hart vrolijk zijn, en maak u morgen vroeg op uws weegs, en ga naar uw tent.
Doch de man wilde niet vernachten, maar stond op, en trok weg, en kwam tot tegenover Jebus (dewelke is Jeruzalem), en met hem het paar gezadelde ezelen; ook was zijn bijwijf met hem.
Als zij nu bij Jebus waren, zo was de dag zeer gedaald; en de jongen zeide tot zijn heer: Trek toch voort, en laat ons in deze stad der Jebusieten wijken, en daarin vernachten.
Maar zijn heer zeide tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot een vreemde stad, die niet is van de kinderen Israels; maar wij zullen voorttrekken tot Gibea toe.
Voorts zeide hij tot zijn jongen: Ga voort, dat wij tot een van die plaatsen naderen, en te Gibea of te Rama vernachten.
Alzo togen zij voort, en wandelden; en de zon ging hun onder bij Gibea, dewelke Benjamins is;
En zij weken daarheen, dat zij inkwamen, om in Gibea te vernachten. Toen hij nu inkwam, zat hij neder in een straat der stad, want er was niemand, die hen in huis nam, om te vernachten.
En ziet, een oud man kwam van zijn werk van het veld in den avond, welke man ook was van het gebergte van Efraim, doch als vreemdeling verkeerde te Gibea; maar de lieden dezer plaats waren kinderen van Jemini.
Als hij nu zijn ogen ophief, zo zag hij dien reizenden man op de straat der stad; en de oude man zeide: Waar trekt gij henen, en van waar komt gij?
En hij zeide tot hem: Wij trekken door van Bethlehem-juda tot aan de zijden van het gebergte van Efraim, van waar ik ben; en ik was naar Bethlehem-juda getogen, maar ik trek nu naar het huis des Heeren; en er is niemand, die mij in huis neemt.
Daar toch onze ezelen zowel stro als voeder hebben, en ook brood en wijn is voor mij, en voor uw dienstmaagd, en voor den jongen, die bij uw knechten is; er is aan geen ding gebrek.
Toen zeide de oude man: Vrede zij u! al wat u ontbreekt, is toch bij mij; alleenlijk vernacht niet op de straat.
En hij bracht hem in zijn huis, en gaf aan de ezelen voeder; en hun voeten gewassen hebbende, zo aten en dronken zij.
Toen zij nu hun hart vrolijk maakten, ziet, zo omringden de mannen van die stad (mannen, die Belials kinderen waren) het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot den ouden man, den heer des huizes, zeggende: Breng den man, die in uw huis gekomen is, uit, opdat wij hem bekennen.
En de man, de heer des huizes, ging tot hen uit, en zeide tot hen: Niet, mijn broeders, doet toch zo kwalijk niet; naardien deze man in mijn huis gekomen is, zo doet zulke dwaasheid niet.
Ziet, mijn dochter die maagd is, en zijn bijwijf, die zal ik nu uitbrengen, dat gij die schendt, en haar doet, wat goed is in uw ogen; maar doet aan dezen man zulk een dwaas ding niet.
Maar de mannen wilden naar hem niet horen. Toen greep de man zijn bijwijf, en bracht haar uit tot hen daarbuiten; en zij bekenden haar, en waren met haar bezig den gansen nacht tot aan den morgen, en lieten haar gaan, als de dageraad oprees.
En deze vrouw kwam tegen het aanbreken van den morgenstond, en viel neder voor de deur van het huis des mans, waarin haar heer was, totdat het licht werd.
Als nu haar heer des morgens opstond en de deuren van het huis opendeed, en uitging om zijns weegs te gaan, ziet, zo lag de vrouw, zijn bijwijf, aan de deur van het huis, en haar handen op den dorpel.
En hij zeide tot haar: Sta op, en laat ons trekken; maar niemand antwoordde. Toen nam hij haar op den ezel, en de man maakte zich op, en toog naar zijn plaats.
Als hij nu in zijn huis kwam, zo nam hij een mes, en greep zijn bijwijf, en deelde haar met haar beenderen in twaalf stukken; en hij zond ze in alle landpalen van Israel.
En het geschiedde, dat al wie het zag, zeide: Zulks is niet geschied noch gezien, van dien dag af, dat de kinderen Israels uit Egypteland zijn opgetogen, tot op dezen dag; legt uw hart daarop, geeft raad en spreekt!
Richteren 19:1-30
Het geschiedde ook in die dagen, als er geen koning was in Israel, dat er een Levietisch man was, verkerende als vreemdeling aan de zijden van het gebergte van Efraim, die zich een vrouw, een bijwijf, nam van Bethlehem-juda.
Maar zijn bijwijf hoereerde, bij hem zijnde, en toog van hem weg naar haars vaders huis, tot Bethlehem-juda; en zij was aldaar enige dagen, te weten vier maanden.
En haar man maakte zich op, en toog haar na, om naar haar hart te spreken, om haar weder te halen; en zijn jongen was bij hem, en een paar ezels. En zij bracht hem in het huis haars vaders. En als de vader van de jonge vrouw hem zag, werd hij vrolijk over zijn ontmoeting.
En zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, behield hem, dat hij drie dagen bij hem bleef; en zij aten en dronken, en vernachtten aldaar.
Op den vierden dag nu geschiedde het, dat zij des morgens vroeg op waren, en hij opstond om weg te trekken; toen zeide de vader van de jonge dochter tot zijn schoonzoon: Sterk uw hart met een bete broods, en daarna zult gijlieden wegtrekken.
Zo zaten zij neder, en zij beiden aten te zamen, en dronken. Toen zeide de vader van de jonge vrouw tot den man: Bewillig toch en vernacht, en laat uw hart vrolijk zijn.
Maar de man stond op, om weg te trekken. Toen drong hem zijn schoonvader, dat hij aldaar wederom vernachtte.
Als hij op den vijfden dag des morgens vroeg op was, om weg te trekken, zo zeide de vader van de jonge vrouw: Sterk toch uw hart. En zij vertoefden, totdat de dag zich neigde; en zij beiden aten te zamen.
Toen maakte zich de man op, om weg te trekken, hij, en zijn bijwijf, en zijn jongen; en zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, zeide: Zie toch, de dag heeft afgenomen, dat het avond zal worden, vernacht toch; zie, de dag legert zich, vernacht hier, en laat uw hart vrolijk zijn, en maak u morgen vroeg op uws weegs, en ga naar uw tent.
Doch de man wilde niet vernachten, maar stond op, en trok weg, en kwam tot tegenover Jebus (dewelke is Jeruzalem), en met hem het paar gezadelde ezelen; ook was zijn bijwijf met hem.
Als zij nu bij Jebus waren, zo was de dag zeer gedaald; en de jongen zeide tot zijn heer: Trek toch voort, en laat ons in deze stad der Jebusieten wijken, en daarin vernachten.
Maar zijn heer zeide tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot een vreemde stad, die niet is van de kinderen Israels; maar wij zullen voorttrekken tot Gibea toe.
Voorts zeide hij tot zijn jongen: Ga voort, dat wij tot een van die plaatsen naderen, en te Gibea of te Rama vernachten.
Alzo togen zij voort, en wandelden; en de zon ging hun onder bij Gibea, dewelke Benjamins is;
En zij weken daarheen, dat zij inkwamen, om in Gibea te vernachten. Toen hij nu inkwam, zat hij neder in een straat der stad, want er was niemand, die hen in huis nam, om te vernachten.
En ziet, een oud man kwam van zijn werk van het veld in den avond, welke man ook was van het gebergte van Efraim, doch als vreemdeling verkeerde te Gibea; maar de lieden dezer plaats waren kinderen van Jemini.
Als hij nu zijn ogen ophief, zo zag hij dien reizenden man op de straat der stad; en de oude man zeide: Waar trekt gij henen, en van waar komt gij?
En hij zeide tot hem: Wij trekken door van Bethlehem-juda tot aan de zijden van het gebergte van Efraim, van waar ik ben; en ik was naar Bethlehem-juda getogen, maar ik trek nu naar het huis des Heeren; en er is niemand, die mij in huis neemt.
Daar toch onze ezelen zowel stro als voeder hebben, en ook brood en wijn is voor mij, en voor uw dienstmaagd, en voor den jongen, die bij uw knechten is; er is aan geen ding gebrek.
Toen zeide de oude man: Vrede zij u! al wat u ontbreekt, is toch bij mij; alleenlijk vernacht niet op de straat.
En hij bracht hem in zijn huis, en gaf aan de ezelen voeder; en hun voeten gewassen hebbende, zo aten en dronken zij.
Toen zij nu hun hart vrolijk maakten, ziet, zo omringden de mannen van die stad (mannen, die Belials kinderen waren) het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot den ouden man, den heer des huizes, zeggende: Breng den man, die in uw huis gekomen is, uit, opdat wij hem bekennen.
En de man, de heer des huizes, ging tot hen uit, en zeide tot hen: Niet, mijn broeders, doet toch zo kwalijk niet; naardien deze man in mijn huis gekomen is, zo doet zulke dwaasheid niet.
Ziet, mijn dochter die maagd is, en zijn bijwijf, die zal ik nu uitbrengen, dat gij die schendt, en haar doet, wat goed is in uw ogen; maar doet aan dezen man zulk een dwaas ding niet.
Maar de mannen wilden naar hem niet horen. Toen greep de man zijn bijwijf, en bracht haar uit tot hen daarbuiten; en zij bekenden haar, en waren met haar bezig den gansen nacht tot aan den morgen, en lieten haar gaan, als de dageraad oprees.
En deze vrouw kwam tegen het aanbreken van den morgenstond, en viel neder voor de deur van het huis des mans, waarin haar heer was, totdat het licht werd.
Als nu haar heer des morgens opstond en de deuren van het huis opendeed, en uitging om zijns weegs te gaan, ziet, zo lag de vrouw, zijn bijwijf, aan de deur van het huis, en haar handen op den dorpel.
En hij zeide tot haar: Sta op, en laat ons trekken; maar niemand antwoordde. Toen nam hij haar op den ezel, en de man maakte zich op, en toog naar zijn plaats.
Als hij nu in zijn huis kwam, zo nam hij een mes, en greep zijn bijwijf, en deelde haar met haar beenderen in twaalf stukken; en hij zond ze in alle landpalen van Israel.
En het geschiedde, dat al wie het zag, zeide: Zulks is niet geschied noch gezien, van dien dag af, dat de kinderen Israels uit Egypteland zijn opgetogen, tot op dezen dag; legt uw hart daarop, geeft raad en spreekt!
The difference between a Miracle and a Fact is exactly the difference
between a mermaid and a seal.
-- Mark Twain
between a mermaid and a seal.
-- Mark Twain
-
YYZ - Lid geworden op: 11 feb 2013, 09:50
Dat geloof ik Vesselin, de bijbel leest als een boek psychologie waarin alle facetten van het menselijke groeipotentieel aan bod komen. Sommige aspecten zullen misschien onze afschuw wekken maar niettemin is het een beschrijving van hoe mensen met elkaar omgaan. Al weet ik dit niet, ik neem aan dat de term 'bijwijf' (en diens meer) de aandacht trok, hiermee zeggend dat er maar weinig respect jegens de vrouw betoond wordt. Wou je daarnaar verwijzen?Vesselin schreef:Wel... als goddelijke inspiratie kan dit tellen!
-
Silver Wolf - Lid geworden op: 08 apr 2008, 16:51
- Locatie: Thuis
Het was in die dagen....
Als ik zo'n begin lees, verwacht ik bijna hetzelfde als bij
"In de tijd toen de dieren nog konden spreken"
Er is wel een verschil tussen praten en
daadwerkelijk iets te zeggen (hebben).
Op deze topic is al veel geschreven
maar er valt weinig zinnigs te lezen.
Hoewel het buiten druilerg is, denk ik eerder een frisse en natte neus te halen,
dan nog verder op het forum te balen.
sw
"In de tijd toen de dieren nog konden spreken"
Er is wel een verschil tussen praten en
daadwerkelijk iets te zeggen (hebben).
Op deze topic is al veel geschreven
maar er valt weinig zinnigs te lezen.
Hoewel het buiten druilerg is, denk ik eerder een frisse en natte neus te halen,
dan nog verder op het forum te balen.
sw
-
YYZ - Lid geworden op: 11 feb 2013, 09:50
Niet iedereen ziet wat er geschreven staat, misschien helpt het om dat andere oog eens te gebruiken. Als het enkel gaat om strijd te cultiveren, zieltogend natuurlijk.Silver Wolf schreef:Het was in die dagen....
Als ik zo'n begin lees, verwacht ik bijna hetzelfde als bij
"In de tijd toen de dieren nog konden spreken"
Er is wel een verschil tussen praten en
daadwerkelijk iets te zeggen (hebben).
Op deze topic is al veel geschreven
maar er valt weinig zinnigs te lezen.
Hoewel het buiten druilerg is, denk ik eerder een frisse en natte neus te halen,
dan nog verder op het forum te balen.![]()
sw
De nous is bijvoorbeeld aan het werk als je bepaalde ideeën ineens begrijpt, alsof je de werkelijkheid en waarde ervan plots 'ziet'. De nous vertegenwoordigt als het ware een zelfstandig oog van contemplatie, dat in staat is tot een meer holistische, rechtstreekse manier van kennen van de werkelijkheid, en dus niet mag worden verward met een speculatief, analytisch nadenken over de werkelijkheid. De rijke betekenis van de term nous (of het Latijnse intellectus) kan niet volledig door ‘denkvermogen’ of ‘verstand’ worden weergegeven, tenzij we dit nader kwalificeren door het bijvoorbeeld een ‘geestelijk’ of ‘intuïtief’ denkvermogen te noemen.
http://www.noetischwetenschappelijki.../Noetisch.html
-
Vesselin - Lid geworden op: 28 jul 2012, 07:52
Ik wil maar laten zien hoe "inspirerend" de bijbel is wat betreft moraliteit.
Laten we de "Big Boss" nu zelf eens wat bevelen geven. Hoe liefdevol toch nietwaar!
Jozua 8:1-29
Inneming en verwoesting van Ai
Toen zeide de Heere tot Jozua: Vrees niet, en ontzet u niet; neem met u al het krijgsvolk, en maak u op, trek op naar Ai; zie, Ik heb den koning van Ai, en zijn volk, en zijn stad, en zijn land in uw hand gegeven.
Gij nu zult aan Ai en haar koning doen, gelijk als gij aan Jericho en haar koning gedaan hebt; behalve dat gij haar roof en haar vee voor ulieden roven zult; stel u een achterlage tegen de stad, van achter dezelve.
Toen maakte zich Jozua op, en al het krijgsvolk, om op te trekken naar Ai. En Jozua verkoos dertig duizend mannen, strijdbare helden, en hij zond hen bij nacht uit,
En gebood hun, zeggende: Ziet toe, gijlieden zult der stad lagen leggen van achter de stad; houdt u niet zeer verre van de stad, en weest gij allen bereid.
Ik nu, en al het volk, dat bij mij is, zullen tot de stad naderen; en het zal geschieden, wanneer zij ons tegemoet zullen uitgaan, gelijk als in het eerst, zo zullen wij voor hun aangezicht vlieden.
Laat hen dan uitkomen achter ons, totdat wij hen van de stad aftrekken; want zij zullen zeggen: Zij vlieden voor onze aangezichten, gelijk als in het eerst; zo zullen wij vlieden voor hun aangezichten.
Dan zult gijlieden opstaan uit de achterlage, en gij zult de stad innemen; want de Heere, uw God, zal ze in uw hand geven.
En het zal geschieden, wanneer gij de stad ingenomen hebt, zo zult gij de stad met vuur aansteken; naar het woord des Heeren zult gijlieden doen; ziet, ik heb het ulieden geboden.
Alzo zond Jozua hen heen, en zij gingen naar de achterlage, en zij bleven tussen Beth-el en tussen Ai, tegen het westen van Ai; maar Jozua overnachtte dien nacht in het midden des volks.
En Jozua maakte zich des morgens vroeg op, en hij monsterde het volk; en hij trok op, hij en de oudsten van Israel, voor het aangezicht des volks, naar Ai.
Ook trok al het krijgsvolk op, dat bij hem was; en zij naderden en kwamen tegenover de stad, en zij legerden zich tegen het noorden van Ai; en er was een dal tussen hem en tussen Ai.
Hij nam ook omtrent vijf duizend man, en hij stelde hen tot een achterlage tussen Beth-el en tussen Ai, aan het westen der stad.
En zij stelden het volk, het ganse leger, dat aan het noorden der stad was, en zijn lage was aan het westen der stad. En Jozua ging in denzelven nacht in het midden des dals.
En het geschiedde, toen de koning van Ai dat zag, zo haastten zij en maakten zich vroeg op, en de mannen der stad kwamen uit, Israel tegemoet, ten strijde, hij en al zijn volk, ter bestemder tijd, voor het vlakke veld; want hij wist niet, dat hem iemand een achterlage leide van achter de stad.
Jozua dan, en gans Israel, werd geslagen voor hun aangezichten; en zij vloden door den weg der woestijn.
Daarom werd samengeroepen al het volk, dat in de stad was, om hen na te jagen; en zij joegen Jozua na, en werden van de stad afgetrokken.
En er werd niet een man overgelaten, in Ai, noch Beth-el, die niet uittrokken, Israel na; en zij lieten de stad openstaan, en joegen Israel achterna.
Toen sprak de Heere tot Jozua: Strek de spies uit, die in uw hand is, naar Ai, want Ik zal hen in uw hand geven. Toen strekte Jozua de spies, die in zijn hand was, naar de stad aan.
Toen rees de achterlage haastelijk op van haar plaats, en zij liepen toe, met dat hij zijn hand uitgestrekt had, en kwamen aan de stad, en zij namen ze in, en zij haastten zich, en staken de stad aan met vuur.
Als de mannen van Ai zich achterom keerden, zo zagen zij, en ziet, de rook der stad ging op naar den hemel; en zij hadden geen ruimte, om herwaarts of derwaarts te vlieden; want het volk, dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich tegen degenen, die hen najoegen.
En Jozua en gans Israel, ziende, dat de achterlage de stad ingenomen had, en dat de rook der stad opging, zo keerden zij zich om, en sloegen de mannen van Ai.
Ook kwamen die uit de stad hun tegemoet, zodat zij in het midden der Israelieten waren, deze van hier en gene van daar; en zij sloegen hen, totdat geen overige onder hen overbleef, noch die ontkwam.
Doch den koning van Ai grepen zij levend, en zij brachten hem tot Jozua.
En het geschiedde, toen de Israelieten een einde gemaakt hadden van al de inwoners van Ai te doden, op het veld, in de woestijn, in dewelke zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door de scherpte des zwaards gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zo keerde zich gans Israel naar Ai, en zij sloegen ze met de scherpte des zwaards.
En het geschiedde, dat allen, die te dien dage vielen, zo mannen als vrouwen, waren twaalf duizend, al te zamen lieden van Ai.
Jozua trok ook zijn hand niet terug, die hij met de spies had uitgestrekt, totdat hij al de inwoners van Ai verbannen had.
Alleenlijk roofden de Israelieten voor zichzelven het vee en den buit derzelver stad, naar het woord des Heeren, dat Hij Jozua geboden had.
Jozua nu verbrandde Ai, en hij stelde haar tot een eeuwigen hoop, ter verwoesting, tot op dezen dag.
En den koning van Ai hing hij aan een hout, tot aan den avondstond; en omtrent den ondergang der zon gebood Jozua, dat men zijn dood lichaam van het hout afname; en zij wierpen het aan de deur der stadspoort, en richtten daarop een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag.
Laten we de "Big Boss" nu zelf eens wat bevelen geven. Hoe liefdevol toch nietwaar!
Jozua 8:1-29
Inneming en verwoesting van Ai
Toen zeide de Heere tot Jozua: Vrees niet, en ontzet u niet; neem met u al het krijgsvolk, en maak u op, trek op naar Ai; zie, Ik heb den koning van Ai, en zijn volk, en zijn stad, en zijn land in uw hand gegeven.
Gij nu zult aan Ai en haar koning doen, gelijk als gij aan Jericho en haar koning gedaan hebt; behalve dat gij haar roof en haar vee voor ulieden roven zult; stel u een achterlage tegen de stad, van achter dezelve.
Toen maakte zich Jozua op, en al het krijgsvolk, om op te trekken naar Ai. En Jozua verkoos dertig duizend mannen, strijdbare helden, en hij zond hen bij nacht uit,
En gebood hun, zeggende: Ziet toe, gijlieden zult der stad lagen leggen van achter de stad; houdt u niet zeer verre van de stad, en weest gij allen bereid.
Ik nu, en al het volk, dat bij mij is, zullen tot de stad naderen; en het zal geschieden, wanneer zij ons tegemoet zullen uitgaan, gelijk als in het eerst, zo zullen wij voor hun aangezicht vlieden.
Laat hen dan uitkomen achter ons, totdat wij hen van de stad aftrekken; want zij zullen zeggen: Zij vlieden voor onze aangezichten, gelijk als in het eerst; zo zullen wij vlieden voor hun aangezichten.
Dan zult gijlieden opstaan uit de achterlage, en gij zult de stad innemen; want de Heere, uw God, zal ze in uw hand geven.
En het zal geschieden, wanneer gij de stad ingenomen hebt, zo zult gij de stad met vuur aansteken; naar het woord des Heeren zult gijlieden doen; ziet, ik heb het ulieden geboden.
Alzo zond Jozua hen heen, en zij gingen naar de achterlage, en zij bleven tussen Beth-el en tussen Ai, tegen het westen van Ai; maar Jozua overnachtte dien nacht in het midden des volks.
En Jozua maakte zich des morgens vroeg op, en hij monsterde het volk; en hij trok op, hij en de oudsten van Israel, voor het aangezicht des volks, naar Ai.
Ook trok al het krijgsvolk op, dat bij hem was; en zij naderden en kwamen tegenover de stad, en zij legerden zich tegen het noorden van Ai; en er was een dal tussen hem en tussen Ai.
Hij nam ook omtrent vijf duizend man, en hij stelde hen tot een achterlage tussen Beth-el en tussen Ai, aan het westen der stad.
En zij stelden het volk, het ganse leger, dat aan het noorden der stad was, en zijn lage was aan het westen der stad. En Jozua ging in denzelven nacht in het midden des dals.
En het geschiedde, toen de koning van Ai dat zag, zo haastten zij en maakten zich vroeg op, en de mannen der stad kwamen uit, Israel tegemoet, ten strijde, hij en al zijn volk, ter bestemder tijd, voor het vlakke veld; want hij wist niet, dat hem iemand een achterlage leide van achter de stad.
Jozua dan, en gans Israel, werd geslagen voor hun aangezichten; en zij vloden door den weg der woestijn.
Daarom werd samengeroepen al het volk, dat in de stad was, om hen na te jagen; en zij joegen Jozua na, en werden van de stad afgetrokken.
En er werd niet een man overgelaten, in Ai, noch Beth-el, die niet uittrokken, Israel na; en zij lieten de stad openstaan, en joegen Israel achterna.
Toen sprak de Heere tot Jozua: Strek de spies uit, die in uw hand is, naar Ai, want Ik zal hen in uw hand geven. Toen strekte Jozua de spies, die in zijn hand was, naar de stad aan.
Toen rees de achterlage haastelijk op van haar plaats, en zij liepen toe, met dat hij zijn hand uitgestrekt had, en kwamen aan de stad, en zij namen ze in, en zij haastten zich, en staken de stad aan met vuur.
Als de mannen van Ai zich achterom keerden, zo zagen zij, en ziet, de rook der stad ging op naar den hemel; en zij hadden geen ruimte, om herwaarts of derwaarts te vlieden; want het volk, dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich tegen degenen, die hen najoegen.
En Jozua en gans Israel, ziende, dat de achterlage de stad ingenomen had, en dat de rook der stad opging, zo keerden zij zich om, en sloegen de mannen van Ai.
Ook kwamen die uit de stad hun tegemoet, zodat zij in het midden der Israelieten waren, deze van hier en gene van daar; en zij sloegen hen, totdat geen overige onder hen overbleef, noch die ontkwam.
Doch den koning van Ai grepen zij levend, en zij brachten hem tot Jozua.
En het geschiedde, toen de Israelieten een einde gemaakt hadden van al de inwoners van Ai te doden, op het veld, in de woestijn, in dewelke zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door de scherpte des zwaards gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zo keerde zich gans Israel naar Ai, en zij sloegen ze met de scherpte des zwaards.
En het geschiedde, dat allen, die te dien dage vielen, zo mannen als vrouwen, waren twaalf duizend, al te zamen lieden van Ai.
Jozua trok ook zijn hand niet terug, die hij met de spies had uitgestrekt, totdat hij al de inwoners van Ai verbannen had.
Alleenlijk roofden de Israelieten voor zichzelven het vee en den buit derzelver stad, naar het woord des Heeren, dat Hij Jozua geboden had.
Jozua nu verbrandde Ai, en hij stelde haar tot een eeuwigen hoop, ter verwoesting, tot op dezen dag.
En den koning van Ai hing hij aan een hout, tot aan den avondstond; en omtrent den ondergang der zon gebood Jozua, dat men zijn dood lichaam van het hout afname; en zij wierpen het aan de deur der stadspoort, en richtten daarop een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag.
The difference between a Miracle and a Fact is exactly the difference
between a mermaid and a seal.
-- Mark Twain
between a mermaid and a seal.
-- Mark Twain
-
YYZ - Lid geworden op: 11 feb 2013, 09:50
Om dezelfde reden is die bijbel vandaag nog springlevend, zo lijkt evolutie slechts een verandering van decor en aan moreel besef ontbreekt het nog steeds. En dat is waar die (moeilijk woord) exegese naar verwijst, onder (weer moeilijk woord) hermeneutiek verstaat men in dit verband het zoeken naar een toepassing in het hier en nu. Misschien bedenken intellectuelen enkel moeilijke woorden om de bevolking het gevoel te geven dat ze dom zouden zijn? Maar met je eens Vesselin, het getuigt van weinig gezond verstand om op basis daarvan medemensen uit te moorden. Heb je vijand lief, staat dat op de laatste bladzijde misschien?Vesselin schreef:Ik wil maar laten zien hoe "inspirerend" de bijbel is wat betreft moraliteit. Laten we de "Big Boss" nu zelf eens wat bevelen geven. Hoe liefdevol toch nietwaar!
-
talisman - Lid geworden op: 28 sep 2012, 09:05
Genocide in opdracht van ' De Heere '.Vesselin schreef:Ik wil maar laten zien hoe "inspirerend" de bijbel is wat betreft moraliteit.
Laten we de "Big Boss" nu zelf eens wat bevelen geven. Hoe liefdevol toch nietwaar!
Jozua 8:1-29
Inneming en verwoesting van Ai
Toen zeide de Heere tot Jozua: Vrees niet, en ontzet u niet; neem met u al het krijgsvolk, en maak u op, trek op naar Ai; zie, Ik heb den koning van Ai, en zijn volk, en zijn stad, en zijn land in uw hand gegeven.
Gij nu zult aan Ai en haar koning doen, gelijk als gij aan Jericho en haar koning gedaan hebt; behalve dat gij haar roof en haar vee voor ulieden roven zult; stel u een achterlage tegen de stad, van achter dezelve.
Toen maakte zich Jozua op, en al het krijgsvolk, om op te trekken naar Ai. En Jozua verkoos dertig duizend mannen, strijdbare helden, en hij zond hen bij nacht uit,
En gebood hun, zeggende: Ziet toe, gijlieden zult der stad lagen leggen van achter de stad; houdt u niet zeer verre van de stad, en weest gij allen bereid.
Ik nu, en al het volk, dat bij mij is, zullen tot de stad naderen; en het zal geschieden, wanneer zij ons tegemoet zullen uitgaan, gelijk als in het eerst, zo zullen wij voor hun aangezicht vlieden.
Laat hen dan uitkomen achter ons, totdat wij hen van de stad aftrekken; want zij zullen zeggen: Zij vlieden voor onze aangezichten, gelijk als in het eerst; zo zullen wij vlieden voor hun aangezichten.
Dan zult gijlieden opstaan uit de achterlage, en gij zult de stad innemen; want de Heere, uw God, zal ze in uw hand geven.
En het zal geschieden, wanneer gij de stad ingenomen hebt, zo zult gij de stad met vuur aansteken; naar het woord des Heeren zult gijlieden doen; ziet, ik heb het ulieden geboden.
Alzo zond Jozua hen heen, en zij gingen naar de achterlage, en zij bleven tussen Beth-el en tussen Ai, tegen het westen van Ai; maar Jozua overnachtte dien nacht in het midden des volks.
En Jozua maakte zich des morgens vroeg op, en hij monsterde het volk; en hij trok op, hij en de oudsten van Israel, voor het aangezicht des volks, naar Ai.
Ook trok al het krijgsvolk op, dat bij hem was; en zij naderden en kwamen tegenover de stad, en zij legerden zich tegen het noorden van Ai; en er was een dal tussen hem en tussen Ai.
Hij nam ook omtrent vijf duizend man, en hij stelde hen tot een achterlage tussen Beth-el en tussen Ai, aan het westen der stad.
En zij stelden het volk, het ganse leger, dat aan het noorden der stad was, en zijn lage was aan het westen der stad. En Jozua ging in denzelven nacht in het midden des dals.
En het geschiedde, toen de koning van Ai dat zag, zo haastten zij en maakten zich vroeg op, en de mannen der stad kwamen uit, Israel tegemoet, ten strijde, hij en al zijn volk, ter bestemder tijd, voor het vlakke veld; want hij wist niet, dat hem iemand een achterlage leide van achter de stad.
Jozua dan, en gans Israel, werd geslagen voor hun aangezichten; en zij vloden door den weg der woestijn.
Daarom werd samengeroepen al het volk, dat in de stad was, om hen na te jagen; en zij joegen Jozua na, en werden van de stad afgetrokken.
En er werd niet een man overgelaten, in Ai, noch Beth-el, die niet uittrokken, Israel na; en zij lieten de stad openstaan, en joegen Israel achterna.
Toen sprak de Heere tot Jozua: Strek de spies uit, die in uw hand is, naar Ai, want Ik zal hen in uw hand geven. Toen strekte Jozua de spies, die in zijn hand was, naar de stad aan.
Toen rees de achterlage haastelijk op van haar plaats, en zij liepen toe, met dat hij zijn hand uitgestrekt had, en kwamen aan de stad, en zij namen ze in, en zij haastten zich, en staken de stad aan met vuur.
Als de mannen van Ai zich achterom keerden, zo zagen zij, en ziet, de rook der stad ging op naar den hemel; en zij hadden geen ruimte, om herwaarts of derwaarts te vlieden; want het volk, dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich tegen degenen, die hen najoegen.
En Jozua en gans Israel, ziende, dat de achterlage de stad ingenomen had, en dat de rook der stad opging, zo keerden zij zich om, en sloegen de mannen van Ai.
Ook kwamen die uit de stad hun tegemoet, zodat zij in het midden der Israelieten waren, deze van hier en gene van daar; en zij sloegen hen, totdat geen overige onder hen overbleef, noch die ontkwam.
Doch den koning van Ai grepen zij levend, en zij brachten hem tot Jozua.
En het geschiedde, toen de Israelieten een einde gemaakt hadden van al de inwoners van Ai te doden, op het veld, in de woestijn, in dewelke zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door de scherpte des zwaards gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zo keerde zich gans Israel naar Ai, en zij sloegen ze met de scherpte des zwaards.
En het geschiedde, dat allen, die te dien dage vielen, zo mannen als vrouwen, waren twaalf duizend, al te zamen lieden van Ai.
Jozua trok ook zijn hand niet terug, die hij met de spies had uitgestrekt, totdat hij al de inwoners van Ai verbannen had.
Alleenlijk roofden de Israelieten voor zichzelven het vee en den buit derzelver stad, naar het woord des Heeren, dat Hij Jozua geboden had.
Jozua nu verbrandde Ai, en hij stelde haar tot een eeuwigen hoop, ter verwoesting, tot op dezen dag.
En den koning van Ai hing hij aan een hout, tot aan den avondstond; en omtrent den ondergang der zon gebood Jozua, dat men zijn dood lichaam van het hout afname; en zij wierpen het aan de deur der stadspoort, en richtten daarop een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag.
Precies dezelfde smoes die I.S. gebruikt. Wat een stichtend boek.
-
YYZ - Lid geworden op: 11 feb 2013, 09:50
Overigens Vesselin, ik weet niet welke versie je hebt maar de vulgaat is misschien duidelijker, dat is de volkse versie in alledaags Latijn.Vesselin schreef:Ik wil maar laten zien hoe "inspirerend" de bijbel is wat betreft moraliteit. Laten we de "Big Boss" nu zelf eens wat bevelen geven. Hoe liefdevol toch nietwaar!
De Vulgaat (Editio Vulgata) is een belangrijke Bijbelvertaling in het Latijn. Ze is door Hiëronymus gemaakt in opdracht van paus Damasus en kwam tot stand tussen 390 en 405 na Christus. De Vulgaat dankt zijn naam aan de uitdrukking versio vulgata, "volkse versie" en was geschreven in alledaags Latijn (sermo humilis).
https://nl.wikipedia.org/wiki/Vulgaat
-
janx - Lid geworden op: 02 okt 2008, 19:52
(Soera 4, v. 171)
'EN ZEGT OVER GOD ALLEEN MAAR DE WAARHEID"
hierin schuilt het probleem wie is instaat dat te doen?
Ik kan mij visie over God geven maar dat zegt niet
de gehele waarheid te zijn. Ten eerste God is geen persoon.
Het is werking zoals ik het zie, met al z'n wetmatigeheden die al het leven inclusief de mens heeft doen ontstaan instand houd en doet voortgaan. Wij de mens, in haar huidige kennis, kan terug redeneren onderbouwd met bewijzen dat ooit, zoals wij dat momenteel zeggen, er een begin moet zijn geweest het ontstaan van het heelal.
Opzich is dit al niet juist. Immers een begin moet een fundament hebben waaruit een begin gemaakt kan worden uit niets kan niets ontstaan.De wetenschappelijke onderbouwing van de zgn 'bigbang als het begin' moet een voor geschiedenis hebben gekend dat lijkt mij duidelijk. Als we nu
de materie bekijken en ontleden, dan is elke vast deeltje in wezen een gebonden energie vorm. Een atoom als vast deeltje is enkel een voorstelling en een aanname gebleken om het een vorm te kunnen geven zo ook de neutronen en de kern zelf. Einstein heeft dat al vast gelegd in zijn bekende
formule " Energie is het product van massa en de lichtsnelheid in het kwadraad"en wordt uitgedrukt in joule. 1 joule = 1Watt/sec.
Nu kun je gaan bedenken hoeveel energie aanwezig is als je de gehele kosmische massa daarin gaat betrekken een gigantische energie en niet voor te stellen of uit te drukken is mijn gedachte daarin. Maar nu even denken naar een situatie voor dat er massa was. Ik weet wel dat er gedacht wordt
dat alles uit één enkel zg.n materie deeltje, die geen 99.99 % per atomaire ruimte meer heeft, is voortgekomen maar misschien is dat wel geheel onjuist. Ik ben eerder geneigt om te denken dat er ooit enkel rust was van het iets. En dat iets, dat komen we waarschijnlijk nooit te weten hoe dat is
ontstaan evenmin als die, aanname, van één enkel samen gedrukte materie kluit.
Dus ga ik eens uit van de gedachte van dat 'iets' onwerkzame aanwezigheid van.
Ooit, is er een begin van een werking moeten zijn ontstaan van het aanwezige.
Een begin van een werking eigenlijk, zoals ik het mij kan indenken, het ontstaan van energie gedreven door? Het zelve?
Energie is voor de mens onzichtbaar, enkel waarneembaar, dit even terzijde maar houd het wel in gedachten.
Er is werking, energie beweging en in tijdperken van miljoenen en miljoenen
jaren, is uit en door die energiewerking, ahw evolutiewerking van en in het zelve, het intelect ontstaan het verstandelijke vermogen, evenzo als dat bij de mens het geval is wegens zijn evolutiepad.
Het enigste intellect en niets daar buiten.
Hoe eenzaam! Het werkzame energie intellect, de Bron van alles, denkt een
plan uit, het zich willen manifesteren door uit het zelve zich te willen delen in meerdere zelfstandige, aan zichzelf gelijkende enegievorm, met een zelfde
potentiaal aan intellect bezit. Ik denk dat de schepping, zoals wij dat als mens benoemen, daar het doel van is. De mens, als een deeltje van die bron, gesteund door wetmatigheden, materie en vele overigelevensvormen, gestuwd zal worden naar een verruimimg van kennis en bewustzijn gelijkwaardig aan de Bron en dat het ook vele tijdperken nodig zal hebben
lijkt mij duidelijk. Tevens houd dit in dat het wezen mens, niet zichtbaar voor de mens zelf in de materie, net zo onverwoestbaar is als die bron zelf. Immers indien het wezen mens, als leven, zou kunnen worden vernietigd, de Bron zichzelf zou vernietigen wat onmogelijk is. Alle werkingen in en van de kosmos in en als materie vorm, zijn tendienste, geweest en nog, voor het uitvoeren van het Plan tot manifestatie van de bron. En het werkzame met alle wetmatigheden die het bevat, dat kun je als de Godheid beschouwen en
daarnaast is er niets. Daarom is de mens als kern energie, onzichbaar maar wel waarneembaar, een energievorm die zich d.m.v. evolutie zich alles zelf eigen zal maken. Tijd heeft daar geen invloed op. In wezen is er geen tijd enkel werking. Daarom de bijbel is niet meer dan pogingen van mensen om anderen in gareel te houden en/of voor eigendoeleinden aan zich te binden door verwijzingen naar een Macht, inbreng van wat wel of niet is geschied d.m.v. eigen inbreng voor eigen doelstelling en ter onderwerping van de goed gelovige.
Denk zelf.
'EN ZEGT OVER GOD ALLEEN MAAR DE WAARHEID"
hierin schuilt het probleem wie is instaat dat te doen?
Ik kan mij visie over God geven maar dat zegt niet
de gehele waarheid te zijn. Ten eerste God is geen persoon.
Het is werking zoals ik het zie, met al z'n wetmatigeheden die al het leven inclusief de mens heeft doen ontstaan instand houd en doet voortgaan. Wij de mens, in haar huidige kennis, kan terug redeneren onderbouwd met bewijzen dat ooit, zoals wij dat momenteel zeggen, er een begin moet zijn geweest het ontstaan van het heelal.
Opzich is dit al niet juist. Immers een begin moet een fundament hebben waaruit een begin gemaakt kan worden uit niets kan niets ontstaan.De wetenschappelijke onderbouwing van de zgn 'bigbang als het begin' moet een voor geschiedenis hebben gekend dat lijkt mij duidelijk. Als we nu
de materie bekijken en ontleden, dan is elke vast deeltje in wezen een gebonden energie vorm. Een atoom als vast deeltje is enkel een voorstelling en een aanname gebleken om het een vorm te kunnen geven zo ook de neutronen en de kern zelf. Einstein heeft dat al vast gelegd in zijn bekende
formule " Energie is het product van massa en de lichtsnelheid in het kwadraad"en wordt uitgedrukt in joule. 1 joule = 1Watt/sec.
Nu kun je gaan bedenken hoeveel energie aanwezig is als je de gehele kosmische massa daarin gaat betrekken een gigantische energie en niet voor te stellen of uit te drukken is mijn gedachte daarin. Maar nu even denken naar een situatie voor dat er massa was. Ik weet wel dat er gedacht wordt
dat alles uit één enkel zg.n materie deeltje, die geen 99.99 % per atomaire ruimte meer heeft, is voortgekomen maar misschien is dat wel geheel onjuist. Ik ben eerder geneigt om te denken dat er ooit enkel rust was van het iets. En dat iets, dat komen we waarschijnlijk nooit te weten hoe dat is
ontstaan evenmin als die, aanname, van één enkel samen gedrukte materie kluit.
Dus ga ik eens uit van de gedachte van dat 'iets' onwerkzame aanwezigheid van.
Ooit, is er een begin van een werking moeten zijn ontstaan van het aanwezige.
Een begin van een werking eigenlijk, zoals ik het mij kan indenken, het ontstaan van energie gedreven door? Het zelve?
Energie is voor de mens onzichtbaar, enkel waarneembaar, dit even terzijde maar houd het wel in gedachten.
Er is werking, energie beweging en in tijdperken van miljoenen en miljoenen
jaren, is uit en door die energiewerking, ahw evolutiewerking van en in het zelve, het intelect ontstaan het verstandelijke vermogen, evenzo als dat bij de mens het geval is wegens zijn evolutiepad.
Het enigste intellect en niets daar buiten.
Hoe eenzaam! Het werkzame energie intellect, de Bron van alles, denkt een
plan uit, het zich willen manifesteren door uit het zelve zich te willen delen in meerdere zelfstandige, aan zichzelf gelijkende enegievorm, met een zelfde
potentiaal aan intellect bezit. Ik denk dat de schepping, zoals wij dat als mens benoemen, daar het doel van is. De mens, als een deeltje van die bron, gesteund door wetmatigheden, materie en vele overigelevensvormen, gestuwd zal worden naar een verruimimg van kennis en bewustzijn gelijkwaardig aan de Bron en dat het ook vele tijdperken nodig zal hebben
lijkt mij duidelijk. Tevens houd dit in dat het wezen mens, niet zichtbaar voor de mens zelf in de materie, net zo onverwoestbaar is als die bron zelf. Immers indien het wezen mens, als leven, zou kunnen worden vernietigd, de Bron zichzelf zou vernietigen wat onmogelijk is. Alle werkingen in en van de kosmos in en als materie vorm, zijn tendienste, geweest en nog, voor het uitvoeren van het Plan tot manifestatie van de bron. En het werkzame met alle wetmatigheden die het bevat, dat kun je als de Godheid beschouwen en
daarnaast is er niets. Daarom is de mens als kern energie, onzichbaar maar wel waarneembaar, een energievorm die zich d.m.v. evolutie zich alles zelf eigen zal maken. Tijd heeft daar geen invloed op. In wezen is er geen tijd enkel werking. Daarom de bijbel is niet meer dan pogingen van mensen om anderen in gareel te houden en/of voor eigendoeleinden aan zich te binden door verwijzingen naar een Macht, inbreng van wat wel of niet is geschied d.m.v. eigen inbreng voor eigen doelstelling en ter onderwerping van de goed gelovige.
Denk zelf.
Alles is Één en die Éne is Alles.
-
YYZ - Lid geworden op: 11 feb 2013, 09:50
Denk zelf?
Aristoteles beschouwde Nous eveneens als intellect, verschillend van zintuiglijke waarneming. In De Anima (III.3-5) verdeelt Aristoteles Nous in een passief intellect dat beïnvloed wordt door kennis, en een actief intellect dat als enige onsterfelijk en eeuwig is. Aristoteles’ Metafysica identificeert de 'Eerste beweger' met Nous dat zichzelf denkt.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Nous
Aristoteles beschouwde Nous eveneens als intellect, verschillend van zintuiglijke waarneming. In De Anima (III.3-5) verdeelt Aristoteles Nous in een passief intellect dat beïnvloed wordt door kennis, en een actief intellect dat als enige onsterfelijk en eeuwig is. Aristoteles’ Metafysica identificeert de 'Eerste beweger' met Nous dat zichzelf denkt.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Nous
-
Vesselin - Lid geworden op: 28 jul 2012, 07:52
De bijbel bevat zeer veel gewelddadige passages, naast poëtische en filosofische teksten.
Maar zoals Dawkins zegt: gelovigen doen aan "cherry picking". Wat hun bevalt onderschrijven ze en wat hun niet bevalt negeren ze.
Het blijft een feit dat alle teksten mensenwerk zijn en dat "goddelijke inspiratie" een niet te bewijzen hypothese is.
Het niet kunnen loskomen van een indoctrinatie - meestal van in de vroege kindertijd - is het gevolg van existentiële angst. Dit wordt uitgebuit door een priesterklasse - in al zijn vormen in heel de wereld - met hun zogenaamde "goddelijk geïnspireerde" teksten.
Hoe meer mensen weigeren toe te geven aan deze tirannie - die in wezen psychische terreur is - en hoe vlugger dat gebeurt, hoe groter de kans dat rationaliteit eindelijk zegeviert.
Maar zoals Dawkins zegt: gelovigen doen aan "cherry picking". Wat hun bevalt onderschrijven ze en wat hun niet bevalt negeren ze.
Het blijft een feit dat alle teksten mensenwerk zijn en dat "goddelijke inspiratie" een niet te bewijzen hypothese is.
Het niet kunnen loskomen van een indoctrinatie - meestal van in de vroege kindertijd - is het gevolg van existentiële angst. Dit wordt uitgebuit door een priesterklasse - in al zijn vormen in heel de wereld - met hun zogenaamde "goddelijk geïnspireerde" teksten.
Hoe meer mensen weigeren toe te geven aan deze tirannie - die in wezen psychische terreur is - en hoe vlugger dat gebeurt, hoe groter de kans dat rationaliteit eindelijk zegeviert.
The difference between a Miracle and a Fact is exactly the difference
between a mermaid and a seal.
-- Mark Twain
between a mermaid and a seal.
-- Mark Twain
-
talisman - Lid geworden op: 28 sep 2012, 09:05
Beter kan je het niet omschrijven.Vesselin schreef:De bijbel bevat zeer veel gewelddadige passages, naast poëtische en filosofische teksten.
Maar zoals Dawkins zegt: gelovigen doen aan "cherry picking". Wat hun bevalt onderschrijven ze en wat hun niet bevalt negeren ze.
Het blijft een feit dat alle teksten mensenwerk zijn en dat "goddelijke inspiratie" een niet te bewijzen hypothese is.
Het niet kunnen loskomen van een indoctrinatie - meestal van in de vroege kindertijd - is het gevolg van existentiële angst. Dit wordt uitgebuit door een priesterklasse - in al zijn vormen in heel de wereld - met hun zogenaamde "goddelijk geïnspireerde" teksten.
Hoe meer mensen weigeren toe te geven aan deze tirannie - die in wezen psychische terreur is - en hoe vlugger dat gebeurt, hoe groter de kans dat rationaliteit eindelijk zegeviert.
-
YYZ - Lid geworden op: 11 feb 2013, 09:50
Je kan het ook andersom stellen Vesselin, het getuigt immers van creativiteit om überhaupt al deze obsceniteiten te bedenken. Zonder zouden we deze dialoog ook niet hebben, de optie 'het verstand gebruiken' een menselijke keuze. In het andere geval blijven we dwalen, zoals de gnostici aller tijden dan ook altijd gezegd hebben.Vesselin schreef:De bijbel bevat zeer veel gewelddadige passages, naast poëtische en filosofische teksten. Maar zoals Dawkins zegt: gelovigen doen aan "cherry picking". Wat hun bevalt onderschrijven ze en wat hun niet bevalt negeren ze. Het blijft een feit dat alle teksten mensenwerk zijn en dat "goddelijke inspiratie" een niet te bewijzen hypothese is. Het niet kunnen loskomen van een indoctrinatie - meestal van in de vroege kindertijd - is het gevolg van existentiële angst. Dit wordt uitgebuit door een priesterklasse - in al zijn vormen in heel de wereld - met hun zogenaamde "goddelijk geïnspireerde" teksten. Hoe meer mensen weigeren toe te geven aan deze tirannie - die in wezen psychische terreur is - en hoe vlugger dat gebeurt, hoe groter de kans dat rationaliteit eindelijk zegeviert.