Historie van Belgie

Dit is de plaats voor cultuur en historie. Ook voor nostalgie en geschiedenis van steden, dorpen, kerken, rivieren, enz. kan je hier terecht.

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

23 okt 2005, 11:29

Wapenschild
Afbeelding
K.B. 26 maart 1914)
In zilver een roode schuinbalk, het schild links gehouden door de Maagd, dragende in de rechterhand eenen schepter en op den linkerarm het Kind Jezus, de Maagd en het Kind elk bedekt met een mantel met lange plooien, het hoofd versierd zijnde met eene kroon en met een lichtkrans alles van zilver.

Geschiedenis

Moorsel bestond sinds de vroege middeleeuwen uit twee heerlijkheden: Moorsel-propre en Moorsel-kapittel. Moorsel-propre, dat ongeveer één derde van de oppervlakte van de huidige gemeente bedroeg, was één van ’s graven propre dorpen met als kern het hof te Eksel, een versterking met motte uit de 9de eeuw (nog steeds zichtbaar ter plaatse). Deze heerlijkheid was eigendom van de heren van Moorsel en werd in 1661 tot baronie verheven.
De andere heerlijkheid, Moorsel-kapittel, vrijheerlijkheid van Moorsel, Gevergem en Wieze, lag in het noorden van de gemeente en werd reeds in 868 vermeld. Het gebied was eigendom van het kapittel van Dendermonde. Stevenkapel is hiervan nog steeds een levend getuigenis.
Eén van de grootste grondbezitters alhier was de abdij van Affligem. Op één van de abdijdomeinen liet abt Karel de Croij, bisschop van Doornik ca. 1546 het nog bestaande waterkasteel bouwen, nadat zijn eerste kasteel te Meldert bij de inhuldiging afbrandde. Met de stenen van dit kasteel werd het aartsbisschoppelijk paleis te Mechelen gebouwd.
Landbouw was ook hier de voornaamste activiteit op een aantal grote domeinen. Vanaf de 19de eeuw kwam er wat industrie (bierbrouwerijen) en kort na 1900 werd de snijbloementeelt geïntroduceerd die Moorsel bekend maakte in heel Europa.
Eeuwenlang tot op het einde van het Ancien Régime, eind 18de eeuw, bleef de bestuurlijke indeling ongewijzigd. Pas met de Franse Revolutie kwam er een einde aan de tweeledigheid van Moorsel en tevens aan het patronaat van de abdij Affligem over de parochiekerk.
De huidige schrijfwijze Moorsel dateert pas uit de 18de eeuw. Voorheen werden diverse schrijfwijzen gehanteerd. De oudste vermelding was Morcella en dateert van 1114. De naam zou een samensmelting zijn van moor, wat staat voor modder, moeras, en sele of sall, wat woning of plaats betekent. Derhalve gaat het dus over een woning gevestigd op of nabij moerasgronden, wat typografisch inderdaad het geval is, nabij de Faluintjes, moerassig gebied.
De gemeente Moorsel is met zijn 943 ha de grootste van de vier Faluintjesgemeenten en telt ook het grootste aantal inwoners, momenteel zowat 4.600.
Bezienswaardigheden zijn: de Sint-Martinuskerk, waarvan de Romaanse onderbouw dateert van de 12de eeuw, met in de onmiddellijke omgeving de pastorie (18de eeuw), de Sint-Gudulakapel (14de eeuw), opgetrokken in Meldertse zandsteen, en vooral het renaissancistische waterkasteel (behoudens kleine verbouwingen bleef het gebouw bewaard in zijn oorspronkelijke toestand). Moorsel bezit ook tal van mooie 19de-eeuwse herenhuizen. Typerend zijn ook het grote aantal kleinschalige boerenhuisjes van 1900 en later, vaak in een schilderachtige omgeving.

Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

24 okt 2005, 11:17

De Geschiedenis van MERELBEKE

Oude kronieken leren ons dat de gemeente in het verleden zeer waterrijk was en dikwijls met watersnood had te kampen. Dat zou dan een verklaring kunnen zijn van de naam Merelbeke.
Het woord zou dan samengesteld zijn uit 'lei-of leebeek naar het meer', zoals de oudste bekende namen Marlebe(c)ca en Meerlebecque doen onderstellen

De Romeinen verschansten zich waarschijnlijk op de hoogten van de gemeente, want nergens werden zoveel munten gevonden van Romeinse keizers : in 1781 een tweehonderdtal;, o.a. van Trajanus, Hadrianus, Antonius, Marcus-Aurelius e.a.

Bij opgravingen in 1785 legde men een oude vaas bloot en kort daarop vond men in de Schaperstraat méér dan 50 urnen gevuld met beenderen en as. Latere vondsten waren net zo belangrijk : in 1797 een aarden vaas met 98 zilveren munten en in 1800 nogmaals 14 bronzen waarvan sommige de beeldenaar droegen van Valens, andere die van Cesar met op de keerzijde de Vesta-tempel. Nog in 1824 groef men een silexbijl op.
Karel de Grote kwam hier waarschijnlijk voorbij toen hij in 811 te Gent de bouw van een oorlogsvloot tegen de Noormannen voorbereidde. Méér dan 150 jaar na het verdrag van Verdun (843) waarbij het rijk van de grote keizer verbrokkelde, dook de naam Merelbeke voor het eerst in de geschiedenis van onze gewesten op.
Merelbeke was toen een heerlijkheid die deel uitmaakte van het graafschap van Aalst en van het leengoed "Ter Steene" dat van Aalst afhing. In het begin van de leenroerige tijd behoorde het gebied aan een adellijk geslacht, waarvan o.a. bekend zijn : Robert van Merelbeke (1118), Michiel van Merelbeke die samen met zijn graaf Gwijde van Dampierre door Philips Le Bel werd gevangen gezet in Parijs vlak voor de Guldensporenslag van 1302, verder Jan en Pieter van Merelbeke (1351) die volgens het "Zoendincbouc" van Gent, in 1378 een schadeloosstelling van 144 pond parisis moesten betalen aan een zekere Jan Penneman, aan wie zij slagen hadden toegebracht.

Na dat geslacht kwam de heerlijkheid van Merelbeke aan de adellijke familie Van der Cameren, aan wie zij tot bij het begin van de 18de eeuw bleef toebehoren. De Gentse familie Triest volgde haar op. Toen Theodoor Triest in 1740 overleed zonder een huwelijk te hebben gesloten, kwam Merelbeke aan de familie Damarin. In datzelfde jaar deed heer Willem-Antoon Damarin, raadsheer en schatbewaarder van Brugge, proost van de gilde van het H. Bloed, hier zijn plechtige intrede. Onder klokgelui en losbranden van geschut werd hem door de baljuw en de pastoor hulde bewezen. Als heer van Merelbeke en Lemberge riep Damarin de vierschaar bijeen "om ieder recht te doen". De dag werd besloten met een groot feestmaal. De dochter van Damarin overleefde twee echtgenoten voor zij werd opgevolgd door de familie van den Bogaerde.
Een groot deel van het rechtsleven van die tijd speelde zich af voor de vierschaar die in de buurt van de Sint-Eligiuskapel stond.
Binnen Merelbeke lagen verscheidene belangrijke bezittingen of "hoven". Het "Hof ter Hagen" aan de Schelde bv. behoorde toe aan de Sint-Pietersabdij, zoals blijkt uit het leenboek van die abdij (1375) dat nauwkeurig de pachtvoorwaarden en de geheven tienden bepaalde.

Er bestond ook een "Klein Hof ter Hagen" dat door de graaf van Vlaanderen in leen werd gegeven. De meier was de ontvanger van de cijnzen van de heer in de omgeving, waakte over de eerbiediging der collectieve landgebruiken (omtuining der bezaaide velden, vruchtwisseling enz...) of vervulde de rol van een lagere gerechtsdienaar die bv. de inbeslagneming uitvoerde wanneer een cijnsplichtige met zijn betaling ten achter bleef. Ofwel zat hij rechtszittingen over kleine geschillen voor. Hij had het recht te Merelbeke een plaatsvervanger aan te stellen, de vierschaar te spannen over alle erfeniszaken, de aangehouden en de door de baljuw wettelijk overgeleverde personen gedurende drie dagen op zijn kosten in hechtenis te houden.

Belangrijker nog dan "Ter Hagen" was het goed van Crombrugge, dat in 963 door de Sint-Pietersabdij werd verworven en dat door Keizer Otto I in 966 werd erkend en beschermd.
Het was diezelfde keizer die er in Duitsland naar streefde de koninklijke macht weer sterk te maken ten nadele van de hertogen. Daarom bekleedde hij de bisschoppen met wereldlijke ambten en creëerde alzo een Rijkskerk. In het begin van de 12de Eeuw ontnam de Vlaamse graaf Karel de Goede het kasteel van Crombrugge aan Boudewijn van Aalst omdat hij geweigerd had leenhulde te brengen aan de abt van de Sint-Pietersabdij. Omstreeks 1275 oefende gravin Margaretha van Constantinopel alle rechtsmacht uit over het goed, daarbij geholpen door een meier en zeven schepenen die niet alleen zaken van erven en onterven en van eigendomsgeschillen voor de vierschaar beslechtten, maar ook driemaal per jaar, in maart, mei en augustus, de staat van wegen, bruggen en waterlopen nagingen om nalatigheid in het onderhoud met boete te straffen.

In 1263 ontstond een geschil tussen de meier Hendrik van Badelinghem en de abt van de Sint-Pietersabdij over de oude landbouwgebruiken. Het toen 12 hofsteden tellende goed van Crombrugge kreeg na een bewogen dispuut een nieuw voorschrift voor de akkerbouw. Dat voorschrift, dat op verzoek van de Waalse meier in het Frans werd gesteld, wordt beschouwd als wellicht het oudste in Vlaanderen. Nooit voorheen werden de rechten en de plichten van de beide partijen zo nauwkeurig vastgelegd. Het drieslagstelsel dat hier sinds Karel de Grote in zwang was en waarbij om het jaar een derde van het bouwland braak lag, werd nogmaals uitdrukkelijk voorgeschreven. De tienden die in natura aan de abdij verschuldigd waren, werden pas in 1371 veranderd in een jaarrente van 10,5 gulden.

Onder de andere bezittingen van de Sint-Pietersabdij was er te Merelbeke een goed waarvan de leenman de plicht had van de baljuw der abdij of de bevelhebber der troepen, telkens als die ten strijde trok, een paar nieuwe sporen aan te spannen. Dat moest gebeuren aan de grenspaal van de abdijbezittingen terwijl de legeraanvoerder te paard zat. Dat er aan alles gedacht werd, vooral aan de rechten van de verpachter blijkt uit een akte van 1248. De eigenaar verpacht de hoeve niet alleen tegen 6 pond grote en 2m³ vlas jaarlijks, daarenboven behoudt hij zich het recht voor beslag te leggen op de helft der duiven "die in het duivenhuis zouden bevonden worden". De pachter moet altijd een gemeubelde kamer ter beschikking stellen van de eigenaar indien het die mocht believen op de hoeve in te trekken. In de boomgaard mag hij plukken van "een Spaanse kerseboom, een pere- en een appelboom en twee kriekebomen". Vermeldenswaardig is wel dat de abdij van Sint-Pieters, behalve de gewone "heerlijke rechten" op haar bezittingen, te Merelbeke ook vrije jacht en vogelvrij had. De tienden behoorden voor de twee derde aan de abt van Sint-Pieters, de rest was voor de pastoor.

Dat Merelbeke veel te lijden had van de middeleeuwse troebelen is niet te verwonderen, wegens de ligging op het kruispunt van belangrijke wegen naar Aalst, Geraardsbergen en natuurlijk Gent. In maart 1382 stond Gent op tegen zijn graaf Lodewijk van Male. Honderden Gentenaren plunderden Ronse op Witte Donderdag. Terwijl ze te Merelbeke hun buit verbrasten, werden ze door de grafelijke troepen overvallen. De edelen versloegen er "al dater van quate seditieuzen bloede was". Sommige opstandelingen sprongen "van grooter verdwelmteit in de Schelde ende versmoorden
Afbeelding
de molen van Thienpont op de molenhoek. Oorspronkelijk een houten constructie, werd in 1857 voorzien van een stenen onderbouw. De oudste vermelding gaat terug tot 1460 maar hij bestond ongetwijfeld reeds voordien. In april 1452 werd hier aan de molen de achterhoede van het Gents gemeenteleger, achthonderd man sterk, door d' Estampes in de pan gehakt. Hierbij sneuvelde de Gentse vaandrig Sneyssens die tot het laatste ogenblik het vaandel verdedigde.
morgen vervolg
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

25 okt 2005, 10:28

Afbeelding
Gravure met afbeelding van het Heerlijk kasteel "Ter Wallen" Woonst van de Heer van Merelbeke-Lemberge. In 1583 legerden er de Malcontenten. Werd gebouwd door een lid van de familie Van der Camere. De familie Van der Camere bezaten de Heerlijkheid van 1460 tot 1601. Antoon Triest, Heer van Merelbeke-Lemberge, liet er zijn wapen op aanbrengen ( 1601 ). Die gebeitelde steen bevindt zich boven de ingang van het Kasteel Stas de Richelle te Heusden.


In januari 1587 roofden de Malcontenten vele koeien uit de Merelbeekse weiden. Ze hadden geen oor voor de bede van de boeren die voor hun dieren graag een losgeld hadden betaald. het vee werd op de markt in Aalst verkocht. Toen dezelfde dieven zich kort daarop voor de tweede maal vergrepen aan het vee van baljuw Geraard van Schoorisse, kreeg die na tussenkomst van de burgemeester zijn eigendom terug. In de nacht van 24 juni kwamen de Malcontenten weer en roofden bij de Sint-Eligiuskapel een groot aantal paarden.
Eindelijk, in november 1583, deed men hier verdedigingstroepen legeren, zodat het in de streek wat rustiger werd.

Ruim een halve eeuw oproer en twist werd voor korte tijd vergeten toen de aartshertogen Albrecht en Isabella het bewind over de Nederlanden voerden. De expansiepolitiek van Lodewijk XIV bracht omstreeksd het midden van de 17de eeuw het begin van een nieuwe onheilsperiode voor Merelbeke.
Zowel te land als te water trokken troepen voorbij die op kosten van de gemeentenaren moesten worden gevoed en geherbergd. De eerste vrede van Aken (1668) bracht mede dat Gent een grensstad werd.

De omgeving van de stad werd grondig vernield, de stad zelf werd afgegrendeld. Begin maart 1678 werd Gent belegerd door Lodewijk XIV. De vorst, die zijn troepen vergezelde, verbleef voor zijn intrede in de stad in het Verlorenbroodhof te Merelbeke. De gemeente werd ertoe gedwongen de oorlogvoerende partijen te bevoorraden. In juni 1706 roofden Franse troepen eenenveertig paarden van de Hollanders die tegen hen te velde trokken. Toen de Fransen in 1708 weer voor de poorten van Gent stonden, vestigde de beruchte Marlborough, van wie sir Winston S. Churchill een directe nazaat was, zijn hoofdjkwartier te Merelbeke. De Gentenaren die hem hier kwamen smeken hun stad van het oorlogsgeweld te willen sparen, zond hij wandelen.

morgen vervolg
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

26 okt 2005, 14:07

Afbeelding
"Villa des Peupliers". Kasteel Baron Rotsaert. Nu gebruikt als gemeentehuis. Het brugje met ijzeren hek staan aan de Fraterstraat. Het kasteel was ook bekend onder de naam van "De la Kethulle",een vroegere bewoner. Reeds in 1619 stond hier een omwald kasteel naast een grote hoeve, de "Hukkelgemstede" Dit kasteel was bewoond door een De Bruyne, het werd in 1774 herbouwd en in 1841 vergroot en voorzien van een neo-classicistische gevel .

Oude kronieken leren ons dat de gemeente in het verleden zeer waterrijk was en dikwijls met watersnood had te kampen. Dat zou dan een verklaring kunnen zijn van de naam Merelbeke.
Het woord zou dan samengesteld zijn uit 'lei-of leebeek naar het meer', zoals de oudste bekende namen Marlebe(c)ca en Meerlebecque doen onderstellen

De Romeinen verschansten zich waarschijnlijk op de hoogten van de gemeente, want nergens werden zoveel munten gevonden van Romeinse keizers : in 1781 een tweehonderdtal;, o.a. van Trajanus, Hadrianus, Antonius, Marcus-Aurelius e.a.

Bij opgravingen in 1785 legde men een oude vaas bloot en kort daarop vond men in de Schaperstraat méér dan 50 urnen gevuld met beenderen en as. Latere vondsten waren net zo belangrijk : in 1797 een aarden vaas met 98 zilveren munten en in 1800 nogmaals 14 bronzen waarvan sommige de beeldenaar droegen van Valens, andere die van Cesar met op de keerzijde de Vesta-tempel. Nog in 1824 groef men een silexbijl op.
Karel de Grote kwam hier waarschijnlijk voorbij toen hij in 811 te Gent de bouw van een oorlogsvloot tegen de Noormannen voorbereidde. Méér dan 150 jaar na het verdrag van Verdun (843) waarbij het rijk van de grote keizer verbrokkelde, dook de naam Merelbeke voor het eerst in de geschiedenis van onze gewesten op.
Merelbeke was toen een heerlijkheid die deel uitmaakte van het graafschap van Aalst en van het leengoed "Ter Steene" dat van Aalst afhing. In het begin van de leenroerige tijd behoorde het gebied aan een adellijk geslacht, waarvan o.a. bekend zijn : Robert van Merelbeke (1118), Michiel van Merelbeke die samen met zijn graaf Gwijde van Dampierre door Philips Le Bel werd gevangen gezet in Parijs vlak voor de Guldensporenslag van 1302, verder Jan en Pieter van Merelbeke (1351) die volgens het "Zoendincbouc" van Gent, in 1378 een schadeloosstelling van 144 pond parisis moesten betalen aan een zekere Jan Penneman, aan wie zij slagen hadden toegebracht.

Na dat geslacht kwam de heerlijkheid van Merelbeke aan de adellijke familie Van der Cameren, aan wie zij tot bij het begin van de 18de eeuw bleef toebehoren. De Gentse familie Triest volgde haar op. Toen Theodoor Triest in 1740 overleed zonder een huwelijk te hebben gesloten, kwam Merelbeke aan de familie Damarin. In datzelfde jaar deed heer Willem-Antoon Damarin, raadsheer en schatbewaarder van Brugge, proost van de gilde van het H. Bloed, hier zijn plechtige intrede. Onder klokgelui en losbranden van geschut werd hem door de baljuw en de pastoor hulde bewezen. Als heer van Merelbeke en Lemberge riep Damarin de vierschaar bijeen "om ieder recht te doen". De dag werd besloten met een groot feestmaal. De dochter van Damarin overleefde twee echtgenoten voor zij werd opgevolgd door de familie van den Bogaerde.
Een groot deel van het rechtsleven van die tijd speelde zich af voor de vierschaar die in de buurt van de Sint-Eligiuskapel stond.
Binnen Merelbeke lagen verscheidene belangrijke bezittingen of "hoven". Het "Hof ter Hagen" aan de Schelde bv. behoorde toe aan de Sint-Pietersabdij, zoals blijkt uit het leenboek van die abdij (1375) dat nauwkeurig de pachtvoorwaarden en de geheven tienden bepaalde.

Er bestond ook een "Klein Hof ter Hagen" dat door de graaf van Vlaanderen in leen werd gegeven. De meier was de ontvanger van de cijnzen van de heer in de omgeving, waakte over de eerbiediging der collectieve landgebruiken (omtuining der bezaaide velden, vruchtwisseling enz...) of vervulde de rol van een lagere gerechtsdienaar die bv. de inbeslagneming uitvoerde wanneer een cijnsplichtige met zijn betaling ten achter bleef. Ofwel zat hij rechtszittingen over kleine geschillen voor. Hij had het recht te Merelbeke een plaatsvervanger aan te stellen, de vierschaar te spannen over alle erfeniszaken, de aangehouden en de door de baljuw wettelijk overgeleverde personen gedurende drie dagen op zijn kosten in hechtenis te houden.

Belangrijker nog dan "Ter Hagen" was het goed van Crombrugge, dat in 963 door de Sint-Pietersabdij werd verworven en dat door Keizer Otto I in 966 werd erkend en beschermd.
Het was diezelfde keizer die er in Duitsland naar streefde de koninklijke macht weer sterk te maken ten nadele van de hertogen. Daarom bekleedde hij de bisschoppen met wereldlijke ambten en creëerde alzo een Rijkskerk. In het begin van de 12de Eeuw ontnam de Vlaamse graaf Karel de Goede het kasteel van Crombrugge aan Boudewijn van Aalst omdat hij geweigerd had leenhulde te brengen aan de abt van de Sint-Pietersabdij. Omstreeks 1275 oefende gravin Margaretha van Constantinopel alle rechtsmacht uit over het goed, daarbij geholpen door een meier en zeven schepenen die niet alleen zaken van erven en onterven en van eigendomsgeschillen voor de vierschaar beslechtten, maar ook driemaal per jaar, in maart, mei en augustus, de staat van wegen, bruggen en waterlopen nagingen om nalatigheid in het onderhoud met boete te straffen.

In 1263 ontstond een geschil tussen de meier Hendrik van Badelinghem en de abt van de Sint-Pietersabdij over de oude landbouwgebruiken. Het toen 12 hofsteden tellende goed van Crombrugge kreeg na een bewogen dispuut een nieuw voorschrift voor de akkerbouw. Dat voorschrift, dat op verzoek van de Waalse meier in het Frans werd gesteld, wordt beschouwd als wellicht het oudste in Vlaanderen. Nooit voorheen werden de rechten en de plichten van de beide partijen zo nauwkeurig vastgelegd. Het drieslagstelsel dat hier sinds Karel de Grote in zwang was en waarbij om het jaar een derde van het bouwland braak lag, werd nogmaals uitdrukkelijk voorgeschreven. De tienden die in natura aan de abdij verschuldigd waren, werden pas in 1371 veranderd in een jaarrente van 10,5 gulden.

Onder de andere bezittingen van de Sint-Pietersabdij was er te Merelbeke een goed waarvan de leenman de plicht had van de baljuw der abdij of de bevelhebber der troepen, telkens als die ten strijde trok, een paar nieuwe sporen aan te spannen. Dat moest gebeuren aan de grenspaal van de abdijbezittingen terwijl de legeraanvoerder te paard zat. Dat er aan alles gedacht werd, vooral aan de rechten van de verpachter blijkt uit een akte van 1248. De eigenaar verpacht de hoeve niet alleen tegen 6 pond grote en 2m³ vlas jaarlijks, daarenboven behoudt hij zich het recht voor beslag te leggen op de helft der duiven "die in het duivenhuis zouden bevonden worden". De pachter moet altijd een gemeubelde kamer ter beschikking stellen van de eigenaar indien het die mocht believen op de hoeve in te trekken. In de boomgaard mag hij plukken van "een Spaanse kerseboom, een pere- en een appelboom en twee kriekebomen". Vermeldenswaardig is wel dat de abdij van Sint-Pieters, behalve de gewone "heerlijke rechten" op haar bezittingen, te Merelbeke ook vrije jacht en vogelvrij had. De tienden behoorden voor de twee derde aan de abt van Sint-Pieters, de rest was voor de pastoor.

Dat Merelbeke veel te lijden had van de middeleeuwse troebelen is niet te verwonderen, wegens de ligging op het kruispunt van belangrijke wegen naar Aalst, Geraardsbergen en natuurlijk Gent. In maart 1382 stond Gent op tegen zijn graaf Lodewijk van Male. Honderden Gentenaren plunderden Ronse op Witte Donderdag. Terwijl ze te Merelbeke hun buit verbrasten, werden ze door de grafelijke troepen overvallen. De edelen versloegen er "al dater van quate seditieuzen bloede was". Sommige opstandelingen sprongen "van grooter verdwelmteit in de Schelde ende versmoorden ".


de molen van Thienpont op de molenhoek. Oorspronkelijk een houten constructie, werd in 1857 voorzien van een stenen onderbouw. De oudste vermelding gaat terug tot 1460 maar hij bestond ongetwijfeld reeds voordien. In april 1452 werd hier aan de molen de achterhoede van het Gents gemeenteleger, achthonderd man sterk, door d' Estampes in de pan gehakt. Hierbij sneuvelde de Gentse vaandrig Sneyssens die tot het laatste ogenblik het vaandel verdedigde.


Toen Gent in 1453 weer de wapens opnam tegen zijn Bourgondische hertog werden de gemeentenaren bloedig verslagen bij Gavere. Op hun vlucht naar Gent werden ze door de ruiterbenden van Filips de Goede achterhaald op de wijk Moelenhoek. Om de aftocht van de vluchtelingen te begunstigen bood een keurtroep van 800 wevers daar weerstand tot het uiterste. De naam van Cornelis Sneysens, vaandrig der Gentenaars, blijft als een symbool van weerbaarheid en plichtsbesef voortleven in het gedicht van Albrecht Rodenbach. Op het einde van de 15de eeuw grepen hier sporadisch schermutselingen plaats tussen Gentse soldeniers en ruiterbenden van Maximiliaan van Oostenrijk.

Ondertussen kwamen vanuit het verre Wittenberg de Lutheraanse ideeën overgewaaid. In 1566 trok de beeldenstorm over onze gewesten. De Spaanse troepen die ter bestrijding van de ketters werden gezonden, kampeerden hier in 1567. In februari 1568 plunderden landlopers de gemeente, een voorbeeld dat door de Spaanse ruiters in 1569 en 1571 geestdriftig werd nagevolgd. Telkens werden de boeren uitgeschud om de Spaanse proviandwagens te vullen. In januari 1572 trokken onze boeren gewapend op om de kerken en andere geestelijke goederen te beschermen tegen de geuzen die zich tengevolge van de strenge plakkaten van Filips II altijd maar driester toonden en over onze gewesten een echt schrikbewind uitoefenden. De lijst van berovingen, onkosten en verwoestingen sedert Alva's komst door de Spanjaarden veroorzaakt, was in 1574 aanzienlijk.

In juli 1575 werd hier een algemene biddag georganiseerd, een voorbeeld dat weldra door andere Vlaamse dorpen werd nagevolgd. Om de bevolking in haar jarenlange verdrukking te troosten en te sterken verleende paus Gregorius XIII in 1576 en volle aflaat "in vorm van jubilee". Nog in hetzelfde jaar werd de gemeente verplicht 100 pond te betalen om het verblijf van een ruiterbende te bekostigen die hier 12 dagen had gekampeerd. In september zond de gouverneur van Vlaanderen Merelbeekse delvers naar het Sint-Claraklooster te Gentbrugge om er aan versterkingswerken te arbeiden. Nauwelijks enige uren later omsingelden de Spanjaarden het dorp en bedreigden de ingezetenen met brand en plundering als ze geen brandschatting betaalden.

De jaarwisseling 1576-1577 was evenmin voorspoedig. Na de ruiters van de heer van Wakken kwamen Franse troepen. Nadien maakten landlopers uit het leger van Mondragon het hier bont dat ze onder de naam van Merelbeekse rovers bekend bleven. Zij waren het die uit de Gentse gevangenis de beruchte Van Hembyse verlosten. Ze hielpen hem in de eerste-schepenzetel en oefenden een Calvinistische terreur uit over de stad. De in de 1576 door Noord en Zuid ondertekende Pacificatie van Gent past hij al te willekeurig toe. Samen met Pieter Datheneus, een afvallige karmeliet uit Frans-Vlaanderen, hitste hij de bevolking op en zette haar aan tot gewelddaden tegen de katholieken, zodat het in Gent en omgeving op een nieuwe beeldenstorm uitliep. Nadat hij voor Oranje had moeten onderdoen, knoopte hij met Farnèse onderhandelingen aan, maar zijn volgelingen vonden het nu welletjes en onthoofden hem wegens hoogverraad.

In april 1579 verbleven hier 100 Schotse ruiters. Ze verplichten de boeren hun allerlei proviand, zowel schapen als bier te leveren en hun zakken met geld te vullen.
Toen bekend werd gemaakt dat de gemeente het hergroeperingscentrum zou worden voor de uiteengeslagen legerbenden, namen de gegoede lieden van Merelbeke en Gent de vlucht naar Holland. Het verlaten dorp viel in de handen van de troepen die de meeste eigendommen plunderden en vernielden. Zelfs de veldgewassen maaiden ze af. Toen het gespuis verder trok naar Gent, kerden sommige boeren naar hun haarstede terug, maar in de namiddag werden ze door de teruggekeerde benden opnieuw bestolen, beschimpt en mishandeld. Deze moedwillige plunderingen vielen onze mensen des te zwaarder daar een rijkbeladen proviandschip alle troepenbewegingen langs de Schelde-oevers volgde.

De 1ste augustus werd het hoofdkwartier van het regiment van Moriant naar Terhand overgebracht. Amper acht dagen later schudden Egmondse ruiters de bevolking nogmaals uit.
De buit, voornamelijk lijnwaad, werd op de Gentse markt verkocht. Tot overmaat van ramp beval de Gentse overheid dat de boeren op straf van verbeurte van goederen, alle gedorste granen naar de stad moesten brengen. Soldaten uit het Aalsterse trokken hier de 16de oktober rovende voorbij. De pastoor werd op 31 december 1579 met geweld gedwongen het door de geuzen gemaakte gelag te betalen.

De Malcontenten, die schoon schip wilden maken met de Calvinistische onverdraagzaamheid, werden ook hier steeds bedrijviger. Nadat Egmondse ruiters reeds in januari 1580 bijna alles hadden opgeëist, voltooiden de Malcontenten het werk in april. Wat voorheen nog niet gebeurd was, had plaats op 24 oktober : vijandlijke ruiters stalen het vee en gijzelden enige boeren. Er ging geen jaar meer voorbij of de ingezetenen van de gemeente werden drie of vier maal lastig gevallen en uitgeschud.


Gravure met afbeelding van het Heerlijk kasteel "Ter Wallen" Woonst van de Heer van Merelbeke-Lemberge. In 1583 legerden er de Malcontenten. Werd gebouwd door een lid van de familie Van der Camere. De familie Van der Camere bezaten de Heerlijkheid van 1460 tot 1601. Antoon Triest, Heer van Merelbeke-Lemberge, liet er zijn wapen op aanbrengen ( 1601 ). Die gebeitelde steen bevindt zich boven de ingang van het Kasteel Stas de Richelle te Heusden.


In januari 1587 roofden de Malcontenten vele koeien uit de Merelbeekse weiden. Ze hadden geen oor voor de bede van de boeren die voor hun dieren graag een losgeld hadden betaald. het vee werd op de markt in Aalst verkocht. Toen dezelfde dieven zich kort daarop voor de tweede maal vergrepen aan het vee van baljuw Geraard van Schoorisse, kreeg die na tussenkomst van de burgemeester zijn eigendom terug. In de nacht van 24 juni kwamen de Malcontenten weer en roofden bij de Sint-Eligiuskapel een groot aantal paarden.
Eindelijk, in november 1583, deed men hier verdedigingstroepen legeren, zodat het in de streek wat rustiger werd.

Ruim een halve eeuw oproer en twist werd voor korte tijd vergeten toen de aartshertogen Albrecht en Isabella het bewind over de Nederlanden voerden. De expansiepolitiek van Lodewijk XIV bracht omstreeksd het midden van de 17de eeuw het begin van een nieuwe onheilsperiode voor Merelbeke.
Zowel te land als te water trokken troepen voorbij die op kosten van de gemeentenaren moesten worden gevoed en geherbergd. De eerste vrede van Aken (1668) bracht mede dat Gent een grensstad werd.

De omgeving van de stad werd grondig vernield, de stad zelf werd afgegrendeld. Begin maart 1678 werd Gent belegerd door Lodewijk XIV. De vorst, die zijn troepen vergezelde, verbleef voor zijn intrede in de stad in het Verlorenbroodhof te Merelbeke. De gemeente werd ertoe gedwongen de oorlogvoerende partijen te bevoorraden. In juni 1706 roofden Franse troepen eenenveertig paarden van de Hollanders die tegen hen te velde trokken. Toen de Fransen in 1708 weer voor de poorten van Gent stonden, vestigde de beruchte Marlborough, van wie sir Winston S. Churchill een directe nazaat was, zijn hoofdjkwartier te Merelbeke. De Gentenaren die hem hier kwamen smeken hun stad van het oorlogsgeweld te willen sparen, zond hij wandelen.

"Villa des Peupliers". Kasteel Baron Rotsaert. Nu gebruikt als gemeentehuis. Het brugje met ijzeren hek staan aan de Fraterstraat. Het kasteel was ook bekend onder de naam van "De la Kethulle",een vroegere bewoner. Reeds in 1619 stond hier een omwald kasteel naast een grote hoeve, de "Hukkelgemstede" Dit kasteel was bewoond door een De Bruyne, het werd in 1774 herbouwd en in 1841 vergroot en voorzien van een neo-classicistische gevel


Het verdrag van Utrecht (1713) bracht de Spaanse Nederlanden onder Oostenrijks gezag. De dood van Karel VI en de door de mogendheden betwiste troonopvolging van Maria-Theresia, brachten alweer donkere jaren, maar over het algemeen werd de regering van de keizerin gekenmerkt door een betrekkelijke rust.
Dat veranderde toen Jozef II haar opvolgde in 1780.
Zijn verlicht despotisme wekte afkeuring en ontevredenheid. Het opstandelingenleger van Vonck en Van der Noot werd hier ter plaatse gesteund door een vrijwilligerskorps dat van de bevolking een zesponder met twee paarden en een voerman meekreeg.

In 1789 brak de Franse revolutie uit. Toen onze streken in 1792 in Franse handen vielen, werden de gemeentenaren naar de parochiekerk ontboden om er hun vertegenwoordigers te kiezen. Dat gebeurde bij handgeklap. Na de verkiezing deed men rond de vrijheidsboom de eed van trouw aan de nieuwe orde. Maar toen in het zevende jaar van de "République française, une et indivisible" bevolen werd "de klokke" af te doen "binnen de commune", bekoelde de geestdrift. Tijdens de boerenkrijg (1798) kende men ook te Merelbeke een opstandige beweging van brigands. Hier zoals overal elders was het oproer ontstaan uit de lichting van de lotelingen en het innen der belastingen. Er werden sansculotten naar hier gezonden om het een en het ander te regelen. De gemeente moest de kosten dragen. De volkstaal werd in het bestuur vervangen door het Frans. de Gazette van Gent drute alleen tweetalige teksten af. Zelfs de advertenties verschenen in het Frans.
Napoleon bezocht tot driemaal toe Gent.

Het oversmokkelen vanuit Engeland van de mule-jenny door Bauwens gaf o.m. aanleiding tot de nijverheidsrevolutie di voor de 19de eeuw kenmerkend was. Vooral gevangenen, vrouwen en kinderen vanaf zes jaar werden aan het werk gesteld. De vlucht van de plattelandsbevolking naar de stad was zo goed als niet bestaande, daar de ondernemers talloze huiswevers van buiten voor zich lieten werken. Gedurende de beruchte honderd dagen na Napoleons terugkeer van Elba was er hier beroering toen men vernam, dat Lodewijk XVIII uit Frankrijk was gevlucht en zich in de Veldstraat te Gent had gevestigd.

Na de verbanning van Bonaparte naar St. Helena bond het Congres van Wenen ons lot aan dat van Nederland.
In 1827 werd het kanaal van Gent naar Terneuzen voltooid.
Om de buitenlandse mededinging het hoofd te kunnen bieden, hielden de ondernemers van de bedrijven in de kanaalzone de lonen bespottelijk laag. Niet zelden verdiende de arbeider van half zes in de ochtend tot tien uur 's avonds slechts 36 centiemen. Er waren spinsters die het brachten tot 10 centiemen per dag. De prijs van een brood bedroeg 12 centiemen. De werkweek telde 78 uren.

Ook de stichting van het onafhankelijk België bracht geen verbetering mee van de treurige economische toestanden. De oogst mislukte jaar na jaar, de aardappelplaag heerste, de levensmiddelen werden schaarser en duurder. Op het platteland was de hongersnood het grootst, want de grote vlasbedrijven die te Gent oprezen, hadden de huisnijverheid gedood die de meeste gezinnen in leven hield. De cholera sleepte hier in 1847 en 1886 in totaal 80 personen naar het graf. Méér dan 100 mensen bezweken aan tyffus in 1866 en 1890.

Vanouds waren de overstromingen voor Merelbeke een jaarlijkse gesel. In oude kerkrekeningen lezen we dat men de gelovigen met bootjes naar de kerk roeide. Het een en ander verbeterde nadat in de 19de eeuw de Scheldemeanders nabij de Sint-Eligiuskapel werden doorgesneden.
Toch kwamen nadien nog overstromingen voor die echter werden veroorzaakt doro de vervuiling van de rivier, waarlangs een vijftiental steenovens werkten.

In de hongersnoodjaren had men te Merelbeke geen duimbreed grond onbebouwd gelaten. Vele vijvers en bossen verdwenen. De boeren brachten niet alleen koolzaad voort, ze vervaardigden ook olie. Niet alleen wonnen ze koren, ze maalden het graan en stookten jenever. Zo schreef een landbouwconsulent nog in 1864 over de Merelbeekse boeren.
Het dagloon der veldarbeiders dat sinds 1830 bijna onveranderd bleef, schommelde rond de 64 centiemen voor de mannen en 38 centiemen voor de vrouwen, plus het voedsel.
Ter vergelijking : in 1860 kostte een zijden vrouwenjurk 9,5 frank. Men had geen vaste werktijd : deze werd vooral 's zomers bepaald door het daglicht.

Heel wat adellijke families hadden hier hun"huys van plaisance" ofte buitenverblijf. Eén der belangrijkste was wel het blauwhuys aan de Schelde, waarvan de originele eigendomsbewijzen tot 1586 teruggaan.

Bij K.B. van augustus 1838 werd de gemeente gemachtigd een jaarmarkt van paarden en hoornvee te houden.

Het onderwijs was grotendeels in handen van de plaatselijke geestelijkheid. In 1832 waren er drie leerkrachten die zorgden voor 168 kinderen. Vanuit Oostende machtigde Leopold I in 1854 de gemeente een lening aan te gaan, om een gemeenteschool te bouwen. "Twee en half uren per school is den duer der leeroefeningen, voorwerp van het onderwijs : de christelijke leering, de grondregels der tael, de cijfferkunde, de stijl der brieven, quittantiën enz... ", zo noteerde het toenmalige schoolhoofd. In 1859 werd met de giften van enige inwoners een hoeve aangekocht en tot godshuis ingericht. Twee kloosterzusters Maricollen verzorgden er mensen op leeftijd en zieken. Er was een kost- en een armenschool en voor de meisjes een speldenwerkschool. De overbevolkte klassen ( gemiddeld 60 à 80 lln. ), het onregelmatige schoolbezoek en het voortijdige verlaten van de school waren medeoorzaken van het grote aantal analfabeten. Nog in 1909 moest de zondagschool voor jongens gesloten worden omdat vele leerlingen niet of onvoldoende geletterd waren om de tekenschool te kunnen volgen. Een avondschool voor volwassenen kwam in de plaats.

Het is onzeker of de Merelbeekse rederijkerskamer die in 1749 "De H. Genoveva" en "Een Klucht" opvoerde, toen nog bestond. Het in 1861 opgerichte zanggenootschap "De Scheldegalm", dat in 1863-64 aan verscheidene festivals deelnam, werd in 1865 vervangen door een fanfare.

Bij het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog (1870) werden ook enige Merelbekenaren gemobiliseerd ten einde de Belgische neutraliteit te helpen beschermen.

Stilaan verplaatste de aangroeiende bevolking zich van de lage Schelde-oevers naar de hoger gelegen gedeelten rond de Gaverse- en de Hundelgemsesteenweg. De oude kerk langs de Schelde was trouwens te klein geworden. Na méér dan 800 jaar wel en wee te hebben meegemaakt, zou ze moeten verdwijnen.
Toen Robrecht de Fries in 1071 de troon van Vlaanderen beklom, liet hij een dertigtal kerken en kapellen uit deze streken toewijden aan Sint-Pieter, als verzoening voor de dood van één van zijn neven die in dat jaar sneuvelde in de strijd die Robrecht tegen hen voerde, om hun het graafschap met geweld te ontrukken.
Tot die kerken behoorde ook de Merelbeekse die afgebouwd was in 1108. Voor de beeldenstorm schijnt de kerk rijk geweest te zijn. Bij het uitbreken der beroerten in de 16de eeuw, werden de beelden, schilderijen en andere kostbaarheden uit de kerk gehaald en door de bevolking verborgen. De pastoor dook onder te Rupelmonde. De verwoestingen, door soldaten en geuzen aangericht, moeten aanzienlijk geweest zijn. In 1768 liet de pastoor het kerkgebouw dat te klein was geworden verbouwen. Aabgezien dat gebeurde was tegen de wil van de abt van Sint-Pieters, kwam het tot een proces voor de Raad van Vlaanderen. Bij rechterlijke uitspraak werd de pastoor verplicht op zijn kosten de kerk in haar vorige staat te herstellen. In 1773 verzocht het gemeentebestuur de prelaat de kerk te willen vergroten. Vruchteloos! Een nieuw proces, nu voor de Grote Raad te Mechelen, sleepte drie jaar aan, tot de abt zich in 1776 akkoord verklaarde met de bouw van twee zijbeuken.
Reeds in de zestiende eeuw waren er twee klokken. Bij de inval der Fransen werden ze opgeëist. De inwoners hadden ze echter verborgen. Nadat de schuilplaats verraden was, werden de klokken naar Gent gevoerd. In 1808 kwam er een nieuwe klok.

Oude kerkrekeningen vermelden dat er tot in de 17de eeuw op Goede Vrijdag brood werd uitgedeeld in de kerk. Met de kermis predikte altijd een vreemde priester in de versierde kerk. Met Pasen en Kerstmis deelde men koeken en wijn uit aan de gelovigen. Gegoede gemeentenaren brachten soms levensmiddelen naar de kerk, die er dan bij opbod werden verkocht. De eerste kapelaan werd in 1759 aangesteld.

Sint-Eligius werd de eeuwen door vroom vereerd. Elk jaar, met uitzondering van een lange periode in het begin van de 19de eeuw toen de kapel tot kolenmagazijn diende, trok een bedevaart naar het heiligdom dat waarschijnlijk dateert van einde 13de , begin 14de eeuw, om er de paarden te laten zegenen.

De oude Scheldekerk, toegewijd aan Sint-Pieter en Sint-Eligius, werd in 1874 afgebroken. In de huidige dorpskom had men ondertussen in 1870 de 45 m hoge neoromaanse kerk gebouwd. Twee zijaltaren, de predikstoel met de vier evangelisten, een paar biechtstoelen en de doopvont werden van de oude kerk verhuisd naar de nieuwe. In 1879 werd een 1500 kg zware klok in de toren opgehangen.

Samen met de nijverheid, waarvoor in het Gentse talrijke fabrieken en werkplaatsen gebouwd werden, ontwikkelde zich een sociale arbeidersbeweging die zich van Gent uit over de streek voortplantte. In 1913 had te Gent de wereldtentoonstelling plaats.

De 4 augustus brak de eerste wereldoorlog uit. Merelbeke werd vanuit Gent fel beschoten. Nadat de bruggen over de Schelde waren vernield, trokken de troepen zich terug op Deinze. Heel wat materiële schade werd aangericht door de slag bij Gontrode-Kwatrecht. Vier jaar lang eiste de bezetter mens en dier op. Op 11 augustus 1916 werd de kapelaan De Clercq als spion door de Duitsers terechtgesteld. Toen smokkelaars een soldaat doodden, spoorden de Duitsers de vermoedelijke daders op. Eén van hen werd meegesleurd gebonden aan een wagen tot het lichaam totaal verminkt was. Toen de veldwachter hoorde dat men hem verdacht als medeplichtige, dook hij onder. Van 1916 tot 1918 zat hij verscholen op het enge zoldertje van het lijkenhuisje. De parochiepriester zorgden ervoor dat hij 's nachts voedsel vond op het kerkhof.

Na de wapenstilstand keerden méér dan 50 Merelbekenaren niet meer van het slagveld terug. Op het dorpsplein werd een monument opgericht met de namen van de helden.

In 1929 machtigde koning Albert de gemeente tot gebruik van een bijzonder wapen dat reeds voor 1795 bestond. In de periode tussen de twee oorlogen hebben Gent en omgeving zwaar geleden onder de economische crisis.

Toen kwamen de woelige meidagen van 1940. De Belgische militaire autoriteiten evacueerden een groot gedeelte van de bevolking over de Schelde. Op 23 mei lag Merelbeke in de vuurlijn van het Belgisch geschut.Toen onze mensen na een week terugkeerden, vonden ze vele huizen in puin of geplunderd, het vee doolde rond, hier en daar vond men lijken. Met de dood in het hart hernam de bevolking haar bezigheden. Méér en méér gebruikte de vijand de terreurmethodes van 14-18 : opeising van koper en non-ferrometalen, verplichte arbeidsdienst, executies van gijzelaars, deportatie van weerstanders. Vele jonge lieden zochten een schuilplaats om gedwongen tewerkstelling in Duitsland te ontgaan, of sloten zich bij het verzet aan. Gedurende de bezetting werden er te Merelbeke driemaal Duitsers gelegerd. In de strenge winter van 41-42 werden enkele huizen met de swastika beklad. Een veertigtal gijzelaars werden daarop verplicht nachtwacht te doen. Een tekort aan levensmiddelen leidde tot het ontstaan van de zwarte markt.

In het voorjaar van 1944 begonnen de geallieerden met de bombardementen die de landing in Normandië voorafgingen. Bij hun poging om het belangrijke rangeerstation in de Stationswijk te verlammen, voerden Anglo-Amerikaanse vliegtuigen hun opdracht met zo weinig precisie uit, dat er onder de burgerbevolking van Merelbeke, Melle en Gentbrugge, meer dan 400 slachtoffers vielen. Hele wijken werden weggevaagd.

Mgr. Coppieters, bisschop van Gent en een vertegenwoordiger van de koning woonden de uitvaart van de slachtoffers bij. De data 10 april en 10 mei 1944 zullen de Merelbekenaren zich blijven herinneren. Op 6 juni 1944 landden de verbondenen op de kusten van Normandië. Begin september was Brussel bevrijd. Op 5 september joegen drie geallieerde tanks op de Hundelgemsesteenweg een Duitse voertuigencolonne op de vlucht. Na een laatste aanval op de Schelde-linie trokken de Duitsers zich terug.

In het najaar viel nog een paar verdwaalde V1-bommen die nauwelijks schade aanrichtten. Op 8 mei 1945 was de nachtmerrie voorbij. Op het oorlogsmonument kon weer een nieuwe reeks namen gebeiteld worden. De grote klok, die na een ontroerende hulde van de bevolking in juli 1943 door de bezetter was meegevoerd, werd in december 1951 vervangen.

Op de Florawijk waar het puin snel verdween trok men in 1954-55 de modern-gotische O.-L.-Vrouw van de Rozenkranskerk op. In de buurt duidt de monumentale toegangspoort van het Verlorenbroodhof (Pain-Perdu) de plaats aan waar in 1268 het vrouwenklooster van Ter Hagen stond, dat tolvrijdom genoot in heel het graafschap. De Vlaamse graven beschermden het sticht en nog in 1430 verleende Filips de Goede het zijn "bijzondere sauvegarde".
Na de 16de eeuwse troebelen herstelde het klooster zich financieel nooit meer. Volgens een legende ruilden de uitgehongerde bewoners het goed voor een brood dat een voorbijganger op de weg had gevonden. Dat de naam zou ontstaan zijn omdat men er in beroerde tijden brood uitdeelde aan de armen, lijkt ons geloofwaardiger.
Langzamerhand verviel het sticht, totdat het door de Fransen in 1794 werd opgeheven. Wel zond kannunnik Triest er nog enige Zusters van Liefde heen om er zieke, doofstomme en blinde meisjes te verzorgen. Wellicht daarom sprak de volksmond van het klooster van liefde.

De snel aangroeiende bevolking van de Kwenenboswijk bouwde haar Sint-Hendricuskerk.

In de jongste jaren werd het uitzicht van Merelbeke grondig gewijzigd door de aanleg van de autoweg Brussel-Oostende met een op- en afrit en het graven van de Ringvaart.

Einde 1962 woonden hier op een oppervlakte van 1486,113 ha ongeveer 12855 mensen, hetzij 28,7% méér dan in 1937 toen er het maar 9988 waren.
Ter vergelijking : in 1828 telde de gemeente 2435 inwoners.
Op dezelfde datum (1962) was de bevolking als volgt verdeeld : 26,1% waren kinderen, 5,7 % waren dienstplichtigen de actieve bevolking bedroeg 54,9 % en de gepensioneerden maakten 13,3 % van de bevolking uit.

De bevolkingsdichtheid ( aantal inwoners per vierkante km ) was 865. Ingevolge de eenmaking van de gemeente Merelbeke en Lemberge bij K.B. van 19 juni 1964, vergrootte de oppervlakte van de gemeente tot 1984 ha en verhoogde het aantal inwoners tot 14.000.

Tot zover de beknopte geschiedenis van onze gemeente die in het verleden door vriend noch vijand werd gespaard, maar die zich door de spreekwoordelijke werkzaamheid en het optimisme van haar bevolking heeft weten te handhaven.

Wie zich tijd en moeite getroost om tot de ziel van onze bloemengemeente door te dringen, zal verwonderd staan over de verrassingen die ze voorbehoudt aan wie haar wil liefhebben en begrijpen

door Gilbert DE BRUYCKER
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

27 okt 2005, 11:19

GESCHIEDENIS VAN CRAYENHEM - CRAINHEM - KRAAINEM

HET STEENTIJDPERK
Te midden van het oude Gallië, Brussel bestaat nog niet. De streek is fel bebost en zeer moerassig. Enkele wilde stammen wonen er in lemen hutten, hullen zich in dierenhuiden, hebben primitieve werktuigen en voeden zich met wat zij vinden : wild, wortelen, vissen. Hun leven is hard en kort.
Ten zuiden van wat veel later Brussel zal genoemd worden vloeit een beek die men, eveneens veel later, "de Woluwe" zal noemen. Ze stroomt doorheen een tamelijk grote vallei, die eertijds overspoeld werd door de zee (er werden in de bodem resten van schelpen gevonden). De Woluwebeek treedt vaak buiten haar oevers. De overstromingen zijn dus zeker geen hedendaags verschijnsel. Deze overstromingen zorgen ervoor dat de vallei zeer vochtig is. Er ontstaan veel moerassen en vijvers langsheen de waterloop.


Deze destijds weinig voorspoedige streek strekte zich uit over de huidige gemeenten Oudergem, Watermaal-Bosvoorde, St-Pieters-Woluwe, Evere, Kraainem, Zaventem, Diegem, Vilvoorde. Een wad liet de doorgang toe naar Watermaal-Bosvoorde. Een tweede wad in de Woluwebeek verschafte destijds een doorgang naar Kraainem (op de plaats van het huidige viaduct). Op deze plaats bevond zich de heirbaan die de Romeinse veroveraars indertijd aanlegden. Deze baan was de verbinding tussen Brugge (in de tijd een zeehaven) en Keulen. Langsheen de weg ontstonden later verschillende steden - Gent, Brussel, Leuven, Tongeren en Luik. Op de plaats waar men vroeger de Woluwebeek kon oversteken vloeien de Woluwe- en de Kleine Maalbeek samen. (De Kleine Maalbeek komt van Moorsel en Sterrebeek en heeft net als de Woluwe vijvers en moerassen doen ontstaan). De vallei van de Kleine Maalbeek is eveneens een gebied waar het risico voor overstroming vrij hoog is.


Door de relatief goede ligging van Kraainem werd de gemeente vrij belangrijk voor de lokale handel, de landbouw en het ontginnen van turf in de vallei. Deze turf diende destijds als brandstof. Later rezen er langsheen de Woluwe talrijke molens en fabrieken uit de grond.


De natuurlijke bodem bestond vooral uit klei wat tot gevolg had dat er zich verschillende steenbakkerijen in de vallei vestigden (Zaventem en Nossegem). Deze steenbakkerijen verdwenen na de tweede wereldoorlog, t.t.z. gedurende de jaren '50.

Afbeelding
morgen vervolg
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

28 okt 2005, 11:22

HET ROMEINSE TIJDPERK


Voor de Romeinse bezetting was Gallië bevolkt met Germaanse stammen (Aduatiekers, Merovingers, Eburonen , Menapiërs, enz…). Onze streek situeert zich tussen de Schelde, de Maas en de Dijle en werd bewoond door de Nerviërs. De bevolking leefde van de landbouw, de pottenbakkerij, de jacht en de visvangst. Het stamhoofd schreef de wet voor. De gebruiken en de religie werden gedomineerd door de Druïden, de hogepriesters uit die tijd. De Romeinen bezetten Gallië in 58 voor Christus. De verovering duurde 8 jaar, dus tot 50 voor Christus. Uit deze periode dateert het begin van de beschaving in onze kontreien. De Romeinse heirbanen worden aangelegd, goederen afkomstig uit het zuiden en het oosten van Europa worden geïmporteerd, de mensen organiseren zich, er ontstaan dorpskernen en de eerste Romeinse villa's worden gebouwd. In Kraainem stond er een Romeinse villa ter hoogte van het huidige gemeentehuis. Zij werd op deze plaats gebouwd om niet overstroomd te raken. Nadat de villa werd afgebroken, werd de heuvel waarop zij gebouwd was afgegraven. Met de grond die van de heuvel afkomstig was werd het lager gedeelte rondom de huidige kerktoren wat opgehoogd


HET FRANKISCHE TIJDPERK EN DE MIDDELEEUWEN

Tussen 290 tot 507 vernielen de Germaanse invasies alles wat tot dan toe was opgebouwd. De Franken bezetten een zeer groot gedeelte van Gallië. Frankrijk dankt zijn naam aan deze overheersers. In onze streek regeren de Salische Franken. Zij organiseren hun beleid op een totaal andere basis dan de Romeinen. De Romeinen deden het volgens militair model, de Franken niet.


De economie ontwikkelt zich en er ontstaan grote nederzettingen (Gent, Brugge, Tongeren, Luik, Namen, enz…), de eerste politieke organisatie kondigt zich aan met bvb. de hofmeiers en de Salische wet. Het is het begin van de Middeleeuwen. Het zijn woelige tijden en de ene revolutie volgt de andere op …


Et is ook de periode waarin het christendom zich in onze kontreien ontwikkelt. In onze streek is het de heilige Lambertus die het evangelie predikt. Onze gemeente bezit reeds sinds het begin van de 9de eeuw een kerk. Deze bevond zich op de plaats waar nu de St-Pancratiuskerk staat. Momenteel kan men nog steeds de overblijfselen van een Merovingische kerk zien, met name vier zandstenen zuiltjes met bovenaan steenbokkoppen met knobbelige horens die, naar verluid, uniek zijn in België. Zij zijn te zien in het inkomportaal van de kerk. De kerktoren zou uit de 12de eeuw dateren. Momenteel kan men slechts de top ervan aanschouwen. De rest er van werd ingevolge de verschillende verbouwingen volledig begraven


morgen verder
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

29 okt 2005, 12:39

DE NORMANDISCHE BEZETTINGEN EN HET ONTSTAAN VAN KRAAINEM

Op het einde van de 9e plunderen de Noormannen onze gebieden. Zij trachten Gent in te nemen maar de stad houdt stand. Desalniettemin verwoesten zij de abdijen van St. Bavo en St. Pieter in Gent. Hun plundertochten brengen hen tot Luik en Leuven waar zij in 891 door de Germaanse koning verslagen worden. Het grondgebied Kraainem was destijds, zoals zovele andere van de huidige gemeenten, eigendom van de Gentse St. Baafs, abdij die op haar beurt eigendom was van de Graaf van Vlaanderen, Arnold de Oude. Omstreeks 940 schenkt de Graaf van Vlaanderen ons grondgebied aan Graaf de Wijnen, zijn schoonzoon. De familie de Wijnen regeert over Kraainem tot de 12de eeuw. Het was een zeer machtige familie die eigenaar was van de abdij van Affligem evenals van domeinen in Moorsel, Sterrebeek en Stokkel. De naam "CRAYENHEM" ontstaat. Sommige bronnen geven aan dat deze naam zou ontstaan zijn uit “Kraaien-heem” of verblijfplaats van kraaien (destijds verbleven er in onze streek zeer veel van deze vogels). Een andere mogelijkheid is dat de naam afkomstig is van "Land van het Kruis" (Kruishem) maar dit alles doet weinig ter zake. Kraainem is in die tijd een oord waar veel rijke handelaars halt houden op hun reis doorheen Vlaanderen naar het Germaanse rijk. De villa van Kraainem wordt eveneens veel aangedaan door allerhande reizigers. Naast de oude Romeinse heirbaan, ook wel "Keulse baan" genoemd, ontstaat er langsheen de Woluwe een nieuwe baan tot Machelen waar de Woluwe samenvloeit met de Zenne.


In die periode bestond de gemeente uit drie delen die heden ten dage nog bestaan :


NEER KRAAINEM : (Laag Kraainem) - Het huidige Statieplein en omgeving.

HOOG KRAAINEM : - Het huidige gemeentehuis en omgeving. Op deze plaats bevond zich destijds de woning van de Heren van Kraainem. Neer Kraainem en Hoog Kraainem waren met elkaar verbonden door een baan die zich ongeveer situeert op de plaats waar de Jozef Van Hovestraat en de Lijsterbessenbomenlaan gelegen zijn (de Kraainemse Steenweg - Kraainemse Kassei) . Op deze oude baan vond men destijds veel cafés.

STOKKEL : - STOKKEL strekte zich toen uit, ongeveer van de Tervurenlaan tot de Hebronlaan. Het was een uitgestrekt woud (huidige Zoniënwoud) met middenin een groot pachthof (dit situeerde zich op de plaats waar zich momenteel de Pachthoevestraat bevindt, nabij de Dumonplein. Hoog Kraainem was door een straat met Stokkel verbonden. Destijds gingen de mensen langs deze straat naar Stokkel om brandhout te sprokkelen. Ter gelegenheid gingen ze er ook jagen (of stropen). Op de plaats waar zich destijds deze baan bevond werden later de Stokkelstraat en de Astridlaan aangelegd.

Op het einde van de 11de eeuw waren de Heren van Kraainem onderworpen aan de Hertog van Brabant. Zij hadden bezittingen in Zaventem en waren de "beschermers" van de abdij van Nijvel.


Op godsdienstig vlak hing Kraainem af van het bisdom van Kamenrijk



het gaat nog verder
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

30 okt 2005, 13:24

VAN DE XIIe EEUW TOT DE XVIIe EEUW


In de XIIe eeuw gebeurde er zeer veel. De verschillende heren volgen mekaar op.
Omstreeks 1143 komt het domein Kraainem in het bezit van Wouter VAN BELLE, die huwde met Bertha VAN AA, dochter van de baron van Anderlecht.
Het jonge paar kreeg enkele imposante grondgebieden cadeau en zij werden de "beschermers" van Anderlecht, Gooik, Beringen, Wemmel, Lombeek, Dilbeek.
Het zijn deze personen die op ons wapenschild voorkomen. Het is een reproductie van de sculptuur in de grafsteen van Georges KIEFFELT, heer van Kraainem van 1626 tot 1653.
Deze grafsteen bevindt zich in de kapel van Lenneke Mare, gelegen langsheen de Emile Vanderveldelaan nabij de Woluwelaan te Sint-Lambrechts-Woluwe.


Op het einde van de XIIe eeuw werden de eigendommen van de heren van Kraainem ingevolge verschillende erfenissen verdeeld tot er uiteindelijk slechts het actuele grondgebied overbleef.

morgen de rest
Men legt wijngaarden aan en maakt wijn en bier. De wijngaard van Kraainem situeerde zich tussen de Leuvense steenweg en de huidige autosnelweg langs de Molenstraat. In de XIIe eeuw telde het dorp 81 woningen (+/- 300 tot 400 inwoners). Er werden veel kinderen geboren maar de kindersterfte trof 3/4 van al de pasgeborenen.
In de XVe eeuw heerst er burgeroorlog (Karel de Stoute en Maria van Bourgondië). Te Kraainem blijven slechts 22 huizen overeind staan. In 1437 krijgt de bevolking te maken met een grote hongersnood gevolgd door een verschrikkelijke epidemie van pest.


In 1495 met de komst van Filips de Schone, hertog van Brabant, keren de vrede en de voorspoed terug. Het duurt echter niet lang want in de XVIe eeuw breken de godsdienstoorlogen uit. De Spanjaarden van Alva plunderen alles. Ook onze kerk moet eraan geloven. Zij wordt voor een groot gedeelte vernield.


Epidemieën dunnen de bevolking uit en er heerst opnieuw hongersnood…..
In 1599 brengen de aartshertogen Albert en Isabella opnieuw vrede in onze streek. Op religieus vlak vallen we onder de bevoegdheid van het nieuwe aartsbisdom van Mechelen dat de bisdommen Brugge, Gent, Antwerpen, Ieper, 's Hertogenbosch en Roermond groepeert



EINDE VAN DE XVIIe EEUW TOT DE XXe EEUW


In 1667, roept Lodewijk XIV een vermeend recht van erfopvolging in het leven en maakt in naam van zijn vrouw aanspraak op het gebied. De oorlog sleept aan tot in 1678. Kraainem wordt niet gespaard. De Franse troepen vernielen alles op hun weg, kerken worden geplunderd en vrouwen worden verkracht door deze ruwe bloeddorstige soldaten. De eeuw eindigt zeer slecht: schaarste, plunderingen, bloederige ruzies enz…..
Op dat ogenblik telde Kraainem alles bijeen nog 29 lemen huizen, 2 bierhuizen, 4 herbergen en 5 winkels en werkplaatsen.


De bevolking telde ongeveer 150 tot 200 personen verspreid over een grondgebied van 370 bunder. Wat opvalt zijn het aantal bierhuizen en herbergen, maar deze laatste waren de pleisterplaatsen van de reizigers die de Keulsebaan gebruikten. De bierhuizen waren uitsluitend op het einde van de week en op feestdagen geopend en dienden als bijeenkomstplaatsen voor de inwoners. Men schonk er bier en wijn. De mensen kwamen er bijeen om een babbeltje te slaan en om zich te verwarmen want de gewone huizen waren alles behalve comfortabel.


Van 1700 tot 1706 leven we onder het juk van de Fransen en van 1706 tot 1715 zwaaien de Engelsen en de Hollanders hier de scepter.


In 1704 begint men met de aanleg van de Leuvense steenweg. In 1711 wordt de St.-Pancratiuskerk eens te meer geplunderd en verwoest. De as van St.-Pancratius werd uitgestrooid (de urne werd gedurende 700 jaar in de pastorie bewaard). De parochiale registers worden vernietigd en verbrand. Interessant om weten is dat het sedert 1406 uitsluitend de kerk is die de registers bijhield waarin alle geboorten en huwelijken ingeschreven werden. Dit werd later algemeen opgelegd door het concilie van Trente in 1563. Voordien bestond er niets ….


In 1745 wordt er opnieuw oorlog gevoerd met Frankrijk. Kraainem ontsnapt niet aan de gruwel van de oorlog. Na

1748 behoren we volgens het verdrag van Aken tot Oostenrijk en Oostenrijkse troepen bezetten het land.


In 1738, 1768, 1792 en 1793 ontstaan er wegens de heersende hongersnood opnieuw oproer en plunderingen.


In deze periode trad de Woluwe eveneens verschillende keren buiten haar oevers. Het probleem van de overstromingen is dus niet nieuw.


In 1786 telt Kraainem 552 inwoners. In 1792 verklaart Frankrijk opnieuw de oorlog aan Oostenrijk. Frankrijk bezet opnieuw het land. We worden ingelijfd bij het departement van de Dijle.
Opnieuw wordt er geplunderd en de bevolking leert de revolutionaire assignaten als betaalmiddel kennen.
De kerken worden gesloten en de priesters moeten hun missen in het grootste geheim opdragen. Voor het land is dit een zwarte periode.
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

31 okt 2005, 11:36

DE XIX DE EEUW

In het jaar 1800 telt Kraainem 538 inwoners….
Napoleon, Eerste Consul, heft de kantonale gemeenteraden op en herstelt de GEMEENTELIJKE AUTONOMIE (Wet van 27 Ventôse - jaar VIII of de 18de maart 1800). De gemeenteraad werd uit de meest vooraanstaande burgers gekozen (volgens het cijnskiesrecht, de rijkste dus). De Prefect benoemde de gekozenen. De raad vergaderde maximaal 15 keer per jaar en werd voorgezeten door de burgemeester die eveneens door de Prefect werd benoemd. De burgemeester werd bijgestaan door zijn adjunct. Van het kollege van burgemeester en schepenen was nog geen sprake omdat het schepenambt nog niet bestond. De eerste burgemeester van Kraainem was een zekere Mijnheer VAN MILLEN die in 1802 benoemd werd.


Op 16 januari 1801 tekende Bonaparte het concordaat dat de katholieke godsdienst opnieuw legaliseerde en dat eveneens een einde stelt aan de vervolgingen. De kerken openden opnieuw hun deuren op 4 juni 1801.


In 1804 kroont Napoleon zichzelf tot keizer en onderwerpt onze bevolking aan zijn militaire conscriptie. De bevolking is zeer misnoegd. Onze administratie werd gekopieerd naar het Franse model en de Code Napoleon (ons actuele burgerlijk wetboek) vormt de basis van ons huidige rechtssysteem.


Napoleon wordt in 1815 verslagen te Waterloo.


In die tijd strekte het Zoniënwoud zich nog uit over een oppervlakte van 12.385 ha. en er leefden nog veel wolven. Er werden premies uitgeloofd om de wolven te doden (20 F. per wolf wat voor die tijd niet min was).
Op 30 juli 1814 vallen de Hollanders van Willem Van Oranje Brussel binnen. De winter van 1814-1815 is zeer streng en leidt tot hongersnood en de hiermee gepaard gaande plunderingen. De bevolking is zeer ontevreden en de onrust groeit.
De Brabantse Omwenteling dateert van 1830. De Hollanders werden het land uitgejaagd en het Nationaal Congres beslist op 30 november 1830 dat België vanaf dat ogenblik een onafhankelijke staat is.
België is een monarchie, het katholicisme werd de enige toegelaten godsdienst en het Frans was de enige officiële landstaal. De taalproblemen die nadien ontstaan zullen hier niet vreemd aan zijn. De verkiezingen werden gehouden volgens het principe van het cijnskiesrecht.
Kraainem telt 567 inwoners. De gemeentebegroting sluit reeds af met een boni :
Ontvangsten : 1.381,99 F.
Uitgaven : 1.362,44 F.
Boni : 19,50 F.
De gemeentewet dateert van 1836 en verplicht de gemeenten registers van de burgerlijke stand bij te houden. Voordien werden deze registers bijgehouden door de pastoor van de parochie. Onze gemeentelijke archieven bezitten dus zelden informatie van vóór 1836.
In 1840 vertoont onze gemeentebegroting een negatief saldo wegens het slechte beheer van de ex-gemeenteontvanger (onderhoudskosten die betaald werden voor een zwakzinnige die opgenomen werd in Geel en een andere persoon die wegens bedelarij opgenomen werd). De toenmalige burgemeester schreef de Hogere Overheid dat hij de provincie om een subsidie van 400 F. had gevraagd om dit negatief saldo aan te zuiveren.
In 1842 werd de huidige Mechelsesteenweg aangelegd (verbinding Mechelen - Waterloo). De verbindingsmogelijkheden waren destijds zeer gering: een holle weg richting Stokkel (Stokkelstraat - Astridlaan), een aardeweg die Laag Kraainem met Hoog Kraainem verbond (J Van Hovestraat - Lijsterbessenbomenlaan), een holle weg naar Wezembeek (A. Lenaertsstraat), een weg naar Tervuren die doorheen het bos van Stokkel liep (Steenweg op Hoogvorst) en een aardeweg van Woluwe naar Oppem. Meer wegen waren er niet in de gemeente. De huidige Wezembeeklaan werd pas in 1954 aangelegd. Deze werd overgedragen aan de staat, thans het gewest. Het gedeelte op het grondgebied Kraainem alleen kostte toen reeds 3 miljoen F.
De mensen verplaatsten zich te voet of met het paard wanneer ze rijk genoeg waren om er één te kopen. Uit een rapport van 26 oktober 1892 van de gemeenteraad aan de provincie leren wij dat op dat ogenblik niemand in Kraainem over een rijwiel beschikte.
Vanaf oktober 1892 werd de eerste lijn van de stoomtram die de gemeente doorkruiste geëxploiteerd (lijn St.-Joost-ten-Node - Leuven). Deze volgde de as Oudstrijderslaan – Dezangrélaan en liep door tot Vossem.
De eerste volkstelling werd gedaan op 15 november 1846. Kraainem telt op dat ogenblik 688 inwoners. Er staan 131 huizen, 84 kinderen lopen school en 149 personen genieten bijstand van het toenmalige O.C.M.W., hetzij bijna 1/4 van de bevolking. Op school leren de kinderen uitsluitend lezen, schrijven en rekenen. Het gemeentebestuur klaagt over het feit dat de scholen gedurende de zomermaanden verlaten zijn.
In Kraainem bestaat een watermolen voor de papierfabriek (13 werknemers) en een andere die graan maalt. Verder zijn er : 1 brouwerij, veenderijen en steengroeven (klei en zand). Van de totale grondoppervlakte van 580 ha. worden er 425 ha. bezaaid met gewassen (voornamelijk graan). De enige gesproken taal in Kraainem is het Nederlands (Vlaams) maar, overeenkomstig de wet, is de bestuurstaal het Frans.
De papierfabriek, die in 1892 ongeveer 100 werknemers telt, situeerde zich op de plaats waar momenteel het gemeentedepot staat (Denayerstraat).
De burgemeester in 1848 is een zekere Guillaume HUSEWEELS. Zijn opvolgers waren Jean VANDENPLAS (1849-1855), Charles DE RYCKE (1865-1865), VANDENHOVEN (1865-1876), DE KEYZER (1876-1879), Joseph VAN HOVE (1879-1921), Charles VERHAEGEN (1921-1926), Arthur DEZANGRÉ (1927-1951), G. MORLEGHEM (1952-1952), Edmond COPPENS (1953-1976), Léon MARICQ (1976-2000).
In 1889 kampte Kraainem een laatste keer met een cholera epidemie. Er was geen dokter in de gemeente. Het is pas in 1850 dat er in St.-Stevens-Woluwe een “vaccinateur”, een persoon officieel benoemd om mensen in te enten.
Er was nog geen sprake van een brandweerkorps in de streek en de eerste veldwachter werd op 13 januari 1859 benoemd. Hij was gewapend met een sabel en een bandelier.
Noteer ook dat er in de XIXde eeuw te Kraainem geen enkele literaire vereniging bestond laat staan dat er sprake was van enig cultureel leven.
De plaatselijke fanfare "Kunst en Vrijheid" werd in 1875 gesticht.
Het dagloon bedroeg in 1897 ongeveer 2,50 F. voor een man en 1,50 F. voor een vrouw. Landbouwgrond werd verkocht aan 3,20 F. de vierkante meter en voor weiland werd 2,80 F. aangerekend … De tijden zijn veranderd.
Op gerechtelijk vlak behoorde Kraainem tot het Vredegerecht van het kanton St.-Joost. Het huidige Vredegerecht van het kanton Kraainem - Wezembeek dateert van 1960.
De soldaten werden destijds gerekruteerd door loting. Wie opgeroepen werd kon, indien hij rijk genoeg was, een minderbedeelde jongen betalen om in zijn plaats in dienst te treden. Zeer fraai was dat.

DE OVERSTROMINGEN

De overstromingen dateren niet van vandaag. De plaats waar zich nu de J. Van Hovestraat bevindt (Statieplaats-Viaduct) is sinds jaar en dag een risicogebied voor overstromingen op de samenvloeiing van de Kleine Maalbeek met de Woluwe.
Heel dit gebied was destijds zeer drassig, met moerassen en veel natuurlijke vijvers die heden ten dage nog bestaan in het gebied tussen Watermael en Diegem en tussen Moorsel en Sterrebeek tot in Kraainem.
Tot in het jaar 1900 kon men trouwens niet te voet van Sterrebeek naar Kraainem omdat het gebied moerassig was. Men moest destijds een ommetje maken doorheen een holle weg (de huidige A Lenaertsstraat) via de St.-Pieterskerk van Wezembeek.
In de gemeentelijke archieven vindt men interessante dingen terug
:
- Op 11 juni 1839 verwoestte een orkaan Laag-Kraainem en de overstromingen die hiermee gepaard gingen richtten veel schade aan.
De reden hiertoe was dat het water niet vlot genoeg werd afgevoerd omdat het ondergrondse kanaal (waar zich momenteel de Woluwelaan bevindt) te klein was om de grote watertoevoer te verwerken. (De plaats waar zich nu de Woluwelaan bevindt was toen nog moeras).
- De gemeenteraad schreef op 17 oktober 1850 aan de Provincie Brabant dat het geen zin had op te geven hoe hoog het waterpeil tijdens de overstromingen van 16 en 17 augustus had gestaan vermits er zich "jaarlijks" ergere overstromingen voordeden in dit gebied. De Woluwe trad buiten haar oevers maar Kraainem werd toen minder erg getroffen dan de buurgemeenten die langsheen de waterloop lagen (van Bosvoorde tot in Woluwe) en waar de dijken doorbraken.
- Schade veroorzaakt door de onweren van juni 1858.
- 1890-1891 : 3 belangrijke overstromingen op 2 jaar tijd. Deze keer is de aangerichte schade onherstelbaar en veel rampzaliger dan de voorgaande keren. Het evacueren van de bevolking en de veestapel duurde 18 uren en gebeurde in uiterst moeilijke omstandigheden. Er werd beroep gedaan op de Staat en op de Provincie om aan het nodige geld te geraken om de arme overstroomden te vergoeden.
- In 1856 stond er 60 cm. water in de straten van Etterbeek en in de vallei van de Woluwe heeft men eens te meer af te rekenen met een overstroming. Men wijt het aan het verdwijnen de mogelijkheid tot buffering van het water in de talrijke vijvers die werden drooggelegd langsheen de rivier.
- Sindsdien heeft Kraainem nog vaak te kampen gehad met overstromingen. Zo dikwijls zelfs dat er niet altijd nota van werd genomen. Het werd als een normaal gebeuren beschouwd. De aanleg van de Woluwe- collector bleek gedurende een dertigtal jaren efficiënt maar momenteel kan deze de grote hoeveelheden water die hij bij onweer te verwerken krijgt niet meer de baas. Wegens de fel toegenomen bebouwing sijpelt het water niet meer in de grond en wordt het "te snel" naar de collector afgevoerd. De spaarbekkens zullen hierin zeker verbetering brengen maar een moerasgebied is en blijft een risicogebied voor overstromingen. Een definitieve oplossing is momenteel noch technisch, noch financieel haalbaar en de realisatie ervan ligt niet binnen het bereik van de gemeente. Toch heeft de gemeente belangrijke werken laten uitvoeren die moeten beletten dat het gebied Laag-Kraainem bij elke hevige regenbui overstroomt.

DE URBANISATIE VAN DE GEMEENTE

Het bos van Stokkel behoorde in de jaren '20 toe aan de familie d'Huart. Toen grootvader A. d'Huart in 1927 overleed, stichten zijn erfgenamen "la Société Immobilière de Stockel" en trokken een laan doorheen het bos. Deze laan is de huidige d'Huartlaan die tot 1960 een weg was bedekt met steengruis. De huizen omheen de "Hurlevent" werden gebouwd en nadien de huizen van de Société Utrecht. De echte bebouwing ging van start in 1930 en kende een grote bloei na de 2de wereldoorlog om de laatste jaren tot een hoogtepunt te komen.
In 1940 telt de bevolking 2800 inwoners, in 1945, 3254 en 5190 in 1954, het jaar waarin de urbanisatie van de gemeente echt van start gaat.
In 1949 worden de sociale woningen van de maatschappij Eigen Haard gebouwd. In 1954 de wijk van Josephine Charlotte (Kleine Landeigendom). In 1960 staan er in deze wijk 174 huizen.
In 1967 telt de bevolking 11.050 zielen. Nadien kende men geen sterke aangroei meer. In 1993 wonen er 12.780 personen in de gemeente waarvan 2.623 niet-Belgen.
Intussen bouwden we 2 gemeentescholen (een Nederlandstalige en een Franstalige) en in 1968 werd de nieuwe parochie St-Dominicus opgericht.

dit was het laasteAfbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

01 nov 2005, 12:36

Kontich
Afbeelding
Voor velen is Kontich één van de vele gemeenten die langzaam maar zeker door randstad Antwerpen worden opgeslorpt. Voor sommigen begint – of eindigt – hier het platteland. Enkelen hebben horen spreken over de “ramp van Kontich” en ook de naam “Kontich-Kazerne” is spreekwoordelijk geworden. Toch is dit dorp ooit belangrijker geweest dan Antwerpen. Wie zich in dat verleden wil verdiepen, kan in het monumentale geschiedeniswerk van wijlen Robert Van Passen duiken of het knappe Museum voor Heem- en Oudheidkunde bezoeken. In deze historische schets is alleen maar ruimte voor enkele krachtlijnen en merkwaardigheden.

Over de prehistorie kan weinig verteld worden, gezien de enige getuigen – de walvissen, dolfijnen en haaien – ondertussen helaas verdwenen zijn. Het doet toch wel vreemd aan als we ons realiseren dat zovele miljoenen jaren geleden de zee tot op ons grondgebied kwam. Kontich Plage, stel je voor! Getuigen hiervan vind je in het museum: ruggenwervels van walvissen, de schedel van een spitsneusdolfijn en vooral veel haaientanden. Veel jonger zijn de mammoettanden: toen die kolos Kontich onveilig maakte had de zee zich al lang teruggetrokken. En zwierf hier ook de wolharige neushoorn, het rendier en... de Neanderthaler rond.


Afbeelding
Schelde, Nete en Rupel waren nog niet de gekanaliseerde rivieren die wij nu kennen. Minder dan 1.000 jaar geleden was de invloed van de zee tot hier merkbaar en de rivieren waaierden breed uit, zodat ook de afwatering na regenval veel trager gebeurde. Het gevolg was dat de lager gelegen gebieden onbewoonbaar waren en dat de voorhistorische mens de hoger gelegen plekken opzocht om te wonen.

Kontichse Oude Belgen
Toen in 1937 de Koningin Astridlaan werd aangelegd, werden er ter hoogte van de Beukenlaan stenen gebruiksvoorwerpen opgegraven, die dateren uit het begin van het Neolithicum, inderdaad: het Jonge Steentijdperk, dat liep van 2.600 tot 1.600 vóór 0 (of vóór Christus, zoals wij vroeger op school leerden). Kontich moet er toen uitgezien hebben als een oerwoud met ondoordringbare moerassen, zoals het Broekbos en de laaggelegen weiden daaromheen.
Gedurende de volgende eeuwen woonden hier alleen maar herten, beren, wolven en andere min of meer lieve dieren, want er zijn geen menselijke sporen meer te vinden tot de bronstijd en de ijzertijd. Zoals de naam laat vermoeden, had de mens toen de stenen wapens en werktuigen vervangen door voorwerpen in metaal. Toen men in 1898 een bos wou planten in de buurt van Duffelshoek, op een perceel dat in de volksmond “Pronkenberg” heette, stootte men op enkele grote urnen met daarrond massa’s bijpotjes en overblijfselen van beenderen. Een andere vindplaats was het Blauwesteenbos, nu een industrieterrein. Ook daar werden dus voorlopers van onze “Oude Belgen” begraven, maar of dat nu al in de 11de of pas in de 7de eeuw vóór 0 was, daar zijn de geleerden nog niet uit.
Vanaf 450 vóór 0 kwamen hier Galliërs wonen. Het waren boeren die schapen en geiten hielden en gerst en knolgroenten teelden. Zo woonde er een stam op het huidige Neerveld, de Alfsberg en tussen de Kauwlei en de Ooststatiestraat. Zij woonden er nog toen Julius Caesar met zijn Romeinen kwam binnenmarcheren: ofwel vermoordden zij hen ofwel voerden zij hen als slaven weg. Rond het begin van onze jaartelling mochten nieuwe volksstammen de vrijgekomen grond bewonen. Toch blijkt dat het nog bijna honderd jaar duurde eer ze zich lieten “romaniseren”. En dan zitten we al op het einde van de eerste eeuw van onze tijdrekening.
Van 1964 tot 1987 deed de Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie (AVRA) op de vroegere woonplek van die Oude Belgen opgravingen. Daaruit bleek dat de meeste gebouwen van die Gallo-Romeinen nog in hout en vlechtwerk waren opgetrokken en met leem waren bestreken. Het dak was van stro. In de grond vonden ze interessante scherven van aardewerk: sommige potten waren eenvoudig, met de hand gevormd. Voor andere fijnere voorwerpen hadden onze voorouders een draaischijf gebruikt. Ze troffen zelfs kostbaar Romeins luxe keukengerei aan, dat als “terra sigillata” (gestempeld aardewerk) bekendstaat. Nog meer fraais dat gevonden werd, ligt te pronk in het Museum: bronzen sieraden, glas en muntstukken. En niet te vergeten: de hele pottenbakkersoven die werd blootgelegd, met inhoud en al. Alleen jammer dat hij 1800 jaar eerder ingestort was, want zo vind je natuurlijk alleen maar misbaksels…
In het museum staat ook een maquette van de tempel, een van de grootste die er in onze omgeving is gevonden. De constructie was stevig, want op dit dak lagen pannen. En in de omgeving ervan werden votiefbeeldjes van Romeinse goden en offerresten gevonden. Merkwaardig was dat er ook een zwaard van het Germaanse type bovenkwam. Op basis van de sporen in de grond kon men een hele straat reconstrueren (op papier weliswaar), waarlangs een hele reeks eenvoudige huisjes van boeren en arbeiders stond. De belangrijkste huizen, de villa’s, stonden het dichtst bij de tempel. Dwars door dit oude dorp werd op het einde van de 20ste eeuw een nieuwe straat getrokken, met de toepasselijke naam “Gallo-Romeinenlaan”…


Afbeelding
Ook op de Alfsberg stond een villa: dat blijkt onder meer uit de fragmenten van een “hypocaustum”, Romeinse vloer- en muurverwarming. Deze plek is in de volksmond beter gekend als de IJzermaalberg: er werden dan ook sporen van industrie gevonden. Uit dat ijzermaal wonnen de bewoners immers ijzer! De “slakken” gebruikten ze om de Romeinse weg te verharden. Maar er moeten nog andere plaatsen bewoond zijn geweest. Een getuige daarvan is de Romeinse waterput die werd gereconstrueerd in het Gemeentepark. Die was in 1947 gevonden in de velden links van de Groeningenlei, vlak voorbij de brug over de E19. Het dakje is uiteraard van recente makelij! Dergelijke relicten wijzen er op dat de weg van ons Gallo-Romeins dorp (Condacum of Contiacum) naar Wilrijk (Villariacum) druk bewoond was. En wat er in Antwerpen in die periode is gevonden, duidt maar op een klein gehucht!



morgen vervolg
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

02 nov 2005, 11:00

Condacum of Contiacum?
En zo zijn we terloops op de oudste naamgeving van Kontich gestoten. Eigenlijk weten we daar niet veel van. Er zijn drie “sagen” om uit te leggen hoe Kontich aan zijn naam is gekomen. Eerst de mooiste. Er stond eens een reus met zijn ene voet op de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen en met de andere op de Sint-Romboutstoren van Mechelen. En in ’t midden, vlak onder zijn … achterste, juist, daar lag Kont-ich. Dat is uiteraard een vertelselke voor kinderen!
Een tweede verhaal ging uit van de veronderstelling dat de oudste naam van onze gemeente Condacum was. In de taal van onze voorouders, de Kelten en Gallo-Romeinen, betekende dat “de plaats bij de samenvloeiing”. Inderdaad: wat verder vloeien Rupel en Schelde samen. Toch wel een uitgestrekt gebied! En het centrum ligt dan wel ver van het water… Toch zou Kontich zich uitgestrekt hebben tot aan Rupel en Schelde en omvatte het Aartselaar, Boom, Edegem, Hemiksem, Hove Lint, Mortsel, Niel, Reet, Schelle en … Waarloos.
Een derde hypothese gaat uit van een naam als Contiacum: de nederzetting van Contius, de naam van een Keltisch hoofdman. Een collega van Abraracourcix dus, voor wie de strips van Asterix leest. En dat er hier Kelten of “Oude Belgen” woonden, werd al eerder in deze tekst aangetoond. Deze stelling wordt tegenwoordig al meer aanvaard, maar ook hier weer geen zekerheid. Het zou immers nog 1.000 jaar duren eer men iets opschreef!


Vroege middeleeuwen
Volgens de legende zou de heilige Renilde hier zijn geboren. Zij was niet de minste: haar moeder (ook al een heilige) Amelberga was de zus van Pepijn van Landen, en die was op zijn beurt voorvader van Karel de Grote. Dat er weinig kans is dat ze hier werkelijk werd geboren, werd elders uitvoerig aangetoond. Wat wel vaststaat is dat zij hier grond bezat en die schonk aan de abdij van Lobbes in Henegouwen. Dat gebeurde in de zevende eeuw, toen men nog volop heidenen aan het bekeren was. Enkele eeuwen later gooiden de vikingen hier een en ander overhoop. En zo komt het dat de bisschop van Kamerrijk in 1149 nog eens moet bevestigen dat de kerk van Kontich eigendom is van Lobbes. Dat was wel belangrijk, want behalve dat zij dan het recht hadden om een pastoor te benoemen, mocht de abdij ook de tienden innen, m.a.w. een belasting van 10% van de oogst opeisen.
Dat jaar 1149 is ook de eerste geschreven vermelding die verwijst naar een kerk. Nu was Kontich in die tijd een speciale gemeente: er stonden hier toen twee kerken. En het strafste was dat ze amper op een steenworp van elkaar stonden. De oudste is ondertussen verdwenen: dat was het oorspronkelijke Sint-Martinuskerkje. Het stond op het huidige Sint-Martinusplein. Daarrond lag het uitgestrekte kerkhof, waar alle parochianen, ook die van heinde en verre, een laatste rustplaats kregen. Het was immers de gewoonte om in de moederparochie te worden begraven.
Dat Sint Maarten al van oudsher hier werd vereerd, bewijst ook het bestaan van de Sint-Martinusput in de Nachtegaalwijk. Deze doopput wijst ons terug naar de tijd van het vroegste christendom, toen verwoede pogingen werden gedaan om de bevolking hier te “bekeren”. Wellicht was deze bron zelfs al bekend in de tijd van de Kelten. Een bron met zuiver water was van levensbelang. In de religie van onze voorouders kregen dergelijke plekken vaak een magische betekenis. Pittig detail is dat het water van deze bron nog tot honderd jaar geleden werd geput om… oogkwalen te genezen!
Maar we zijn afgedwaald van onze tweede kerk. Die stond binnen de dorpsmuren, op het grondgebied van het Mechelse geslacht van de Berthouts. Andere delen van Kontich behoorden toe aan de hertogen van Brabant en sloten aan bij het Land van Rijen. Dat was geen eenvoudige situatie en leidde tot heel wat bestuurlijke en juridische verwikkelingen. In ieder geval: zo’n kerk was belangrijk, want dan kon je een pastoor aanstellen. En die geestelijke herder werd ook verondersteld de nodige belastingen te verzamelen in zijn “tiendenschuur”.
Vandaar die tweede kerk, die werd gebouwd tussen 1088 en 1149 en toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw. Ze kozen daarvoor de vroegere Frankische biest, die in onbruik was geraakt. Zo’n biest was een gemeenschappelijk dorpsplein, met een drinkplaats voor de dieren (waarin biezen groeiden). De Berthouts dachten ook aan de veiligheid van hun onderdanen. Zij voorzagen de kerk van een massieve toren in Romaanse stijl met muren van meer dan één meter dik. Daarin konden de parochianen zich terugtrekken wanneer de Noormannen of andere snoodaards hier op plundertocht voorbijtrokken. Met opzet was er onderaan geen deur: die is er veel later in uitgehouwen. Zij kropen via een ladder omhoog, die dan zo nodig kon binnengetrokken worden. En de dikke stenen muren waren lekker vuurbestendig!
Het oudste en veel eenvoudigere kerkje was grotendeels van hout en met een strooien dak, dus minder – om niet te zeggen niet – opgewassen tegen al dat geweld of tegen de vaak voorkomende dorpsbranden. Het raakte in onbruik en in de zeventiende eeuw of daaromtrent werd het afgebroken. Brokstukken werden gebruikt in de fundamenten voor een nieuwe boerderij er vlak naast. Er zat zelfs een fragment van de doopvont in uit de 12de eeuw! Dat is allemaal aan het licht gekomen toen de Oude Eendracht – de hoeve was ondertussen de stamherberg van het schuttersgild geworden – op het einde van 1979 werd afgebroken om de Sint-Jozefsschool te vergroten. En zo weten we dat al in de 16de eeuw niet alleen de eredienst maar ook de naam van de patroonheilige geleidelijk aan overgedragen werd naar de “nieuwe” kerk.


Het Oude Regime
Kontich leek destijds een beetje op Baarle-Hertog/Nassau: een versnipperd gebied dat toebehoorde aan twee heren van hoge adel. De hertog van Brabant wees op zijn beurt de “heerlijkheid” van Kontich (zo werd toen een gemeente genoemd) toe aan een “lagere” heer, als pand of tegen betaling. Die “heren van Kontich” maakten hier het wereldlijk gezag uit, met recht op leven en dood van hun onderdanen. Zij hadden meestal beide gedeelten in hun hand, en zouden er in de loop van de zestiende en zeventiende eeuw voor zorgen dat er meer eenheid kwam.
De namen van die heren van Kontich zijn bekend en staan vermeld in de Geschiedenis van Kontich: Koenraad Pot (1505), Frans de Schot (1558), kardinaal Granvelle (1572), Lucas van Opmeer (1626) en verschillende leden van het Spaans-Portugese geslacht Franco-y-Feo (1664-1794). De meeste van deze heren hadden hun kasteel te Kontich. Zo was Groeningenhof traditioneel het verblijf van deze heren, vanaf Lucas van Opmeer tot op het einde van de 18de eeuw, toen de Fransen korte metten maakten met het “Ancien Régime”. Het wordt trouwens nog altijd Kontich(s)hof genoemd. Sinds 1830 is het eigendom van de familie della Faille, de vroegere heren van Waarloos.

Afbeelding

Het prachtige waterkasteel van Groeningen kreeg zijn huidige uitzicht in neo-renaissancestijl rond 1850. Toch zijn er nog gedeelten bewaard die vele eeuwen ouder zijn. Kontich telt nog enkele “hoven van plaisantie”, zoals dergelijke optrekjes werden genoemd. Zij werden gebouwd als luxueuze buitenverblijven voor de adellijke en rijke burgers van de koopmansstad Antwerpen. In oorlogstijd dienden ze vaak als schuilplaats voor de Kontichse bevolking en het vee. Ze waren immers stevig gebouwd en omringd door beschermende grachten.
Zo is er nog het minder bekende maar prachtige Tanghof, ook Rozenhof genoemd, op het einde van een (eveneens beschermde) dreef, de Reepkenslei. Het heeft een gaaf gebleven rococo-uitzicht gekregen. De andere hoven zijn verdwenen. Boutersem was ooit een prachtige vesting in het Kontichse Broek. Tot aan de Eerste Wereldoorlog was het een buitenverblijf van de familie Spruyt. Tot de Duitsers er een hoofdkwartier in vestigden. Sindsdien wilde de familie er geen stap meer in zetten. De bevolking hielp de tand des tijds, en geen klein beetje. Nu blijven er nog alleen kelders, stukken muur en brede grachten over. En een herinnering in enkele straatnamen.
Andere kastelen waren al eerder verdwenen: dat van Vrijsele (nu de Baddenbroekse hoeven, rechts van de Groeningenlei, aan de neergebliksemde oude eik), Ten Eekhoven of Blauwe Steen (aan het einde van de Blauwesteenstraat en zo genoemd naar de plaats waar de executies plaatsvonden: vlakbij de grote steenweg stond de galg, zodat de passanten konden zien dat het hier menens was), het Pluysegemhof (nu onder een voormalige betonfabriek en een technische school; de dreef ernaartoe is de Pluysegemstraat geworden) en daar al te na(bij) nog het kasteel van Altena. En dan vergeten we er nog enkele!


morgen verder
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

03 nov 2005, 11:13

Langs oude wegen


Die nobelen en notabelen hadden het goed gezien: Kontich was gunstig gelegen, ver van alle drukte en toch goed bereikbaar. Het dorp had zich in de bocht van de Heerbaan van Antwerpen naar Mechelen gevormd: een weg die er al lag in de tijd van de Romeinen en later de Nerviërs. Nu is dat de Antwerpse en de Mechelsesteenweg. De voetweg sneed min of meer die bocht af. Deze “Kleine Steenweg” werd op het einde van de 19de eeuw opgesplitst in de Magdalenastraat en de Sleutelstraat, met daartussen de Varkensmarkt.
Dat laatste pleintje lag vlak achter de tuin van de pastorie: het Sint-Jansplein is dat immers eeuwen geweest. Nu wordt er verwoed basket gespeeld, maar als je goed kijkt, dan herken je in hun clubhuis een eeuwenoud gebouw: de vroegere pastorie. In de muurankers zijn de initialen van Arnoldus van Hembeeck verwerkt, de pastoor die het gebouw in 1650 liet optrekken: AVH. Waarschijnlijk gebeurde dat vlak naast de vorige, bouwvallige pastorie en de tiendenschuur. In de tuin was er een ganzenpoel die af en toe voor een vette brok zorgde! Rond de ommuurde tuin liep de Pastoorsgracht, die verder afvloeide langs de Broekstraat (nu Ooststatiestraat) naar de Boutersembeek.
Hoeveel mensen er in het vroegere Kontich woonden, kan nu maar ruw geraamd worden. Voor het jaar 1374 wordt het aantal geschat op 700, voor het grondgebied dat ongeveer het huidige Kontich plus Lint beslaat. Lint is immers een voormalig gehucht dat pas in 1869 een zelfstandige gemeente werd. Voor de 15de eeuw schommelt het getal tussen 800 en 1.000. In 1526 bereikte de bevolking het getal 1.230, waarna een inzinking merkbaar is, tot amper 710 inwoners in 1600: Spaanse troepen en vrijbuiters, zoals het zootje ongeregeld onder leiding van de beruchte Maarten van Rossem, teisterden onze streken! In de 17de eeuw gaat het cijfer weer omhoog naar ongeveer 1.900. Daarna worden de gegevens preciezer: in 1766 worden 2.188 inwoners opgegeven, en in 1789 zelfs 2.790! Het inwoneraantal stijgt verder: in 1840 staat 3.687 genoteerd, in 1900 wordt de kaap van 5.000 overschreden (ondertussen zonder Lint) en het precieze cijfer voor 1950 is 9.393. Daarna gaat het razendsnel omhoog: meer dan 15.000 in 1973, met Waarloos erbij wordt het in 1976 al 17.761 en intussen zijn het er al meer dan 20.000 geworden.
Zoals blijkt uit de evolutie van het bevolkingscijfer, is Kontich evenmin als de rest van de regio gespaard gebleven van oorlog en ellende. Dat was dan weer een nadeel van vlak naast die heerbaan te liggen! De benden van Maarten van Rossem lieten een spoor van roof, moord, vernieling en brand achter zich in 1542. Ook de pest kwam hier langs, van de middeleeuwen tot in de 17de eeuw. De zieken werden buiten het dorp verbannen en moesten wegkwijnen in “pesthuisjes” in de buurt van de Reepkenskapel.


Afbeelding
De Reepkenskapel aan de Mechelsesteenweg

Huizen van hout en leem, met daken van stro, waarin ’s winters de open haard duchtig brandde: dat roept om brandgevaar. Er zijn verschillende rampen gekend: in 1538 en 1686 werd telkens een aanzienlijk deel van de dorpskom in puin en as gelegd, in 1572 moest zelfs de kerk het mee ontgelden. De sporen zijn nu nog te zien.


Van boerendorp
In de tijd van de Franken was de dorpskern een driehoek, begrensd door een stukje Antwerpse steenweg, de Magdalenastraat, het Sint-Jansplein en een stukje Mechelsesteenweg. Alles in termen van vandaag natuurlijk. In de 15de eeuw was daar de spie bijgekomen die wordt gevormd door de Sleutelstraat en de Mechelsesteenweg. In die tijd werd dat centrum de “Plaetse” genoemd. Rond het kerkhof met het oude kerkje werden stilaan ook grote huizen gebouwd en een kleine lakenhalle.
Kontich was immers bekend voor de productie van laken of wollen stof . Niet zo bekend als Duffel, waarvan de dekens “duffels” werden genoemd en nu nog voortleven in “duffelcoat”. Maar toch. Ook ander textiel werd hier geproduceerd, zoals linnen. Het vlas dat daarvoor werd gebruikt, werd hier verbouwd (op de vlasaard), geroot in vlasputten, verwerkt (gezwingeld en gehekeld), gesponnen, geweven en gebleekt, nog tot in de 19de eeuw. Het klinkt als een gedicht, maar voor de werkers was het hard labeur! Hierbij kan nog vermeld worden dat Kontich zich in de loop der eeuwen een behoorlijke reputatie had weten opbouwen van hoedenmakers.
Kontich was in de eerste plaats echter een boerendorp. De Franken en hun opvolgers pasten het drieslagstelsel toe: één strook grond voor winter-, één voor zomergewassen, en één lieten ze “braak” of onbebouwd liggen. Bij gebrek aan meststoffen moest men dat een beurt laten rusten. Sommigen gebruikten mergel of leem om hun akkers te bemesten. Die werd gehaald uit de mergelput aan de Molenstraat, nu onder de speelplaats van de Abraham Hansschool. Bepaalde gedeelten van het grondgebied waren “vroente” of gemeenschapsgronden: Kontichbroek en Boonwit bijvoorbeeld. Op deze uitgestrekte weiden konden de dorpelingen hun vee laten grazen. En te midden van al die percelen lagen de hoeven, soms gegroepeerd in gehuchten, zoals Pluysegem, Duivelshoek (het latere Duffelshoek), Keizershoek, Pierstraat en Lint. In de 19de eeuw kwam daar Kontich-Kazerne bij.
Bepalend voor het landschap van weleer waren ongetwijfeld de molens. Daar kon de boer zijn graan laten malen. Op bepaalde ogenblikken waren er vier die tegelijkertijd hun wieken konden laten draaien. Aan de Bergstraat stond de molen op de Luisterbol (vandaar ook enigszins verbasterd de“Lijsterbolstraat”). De Rijkerooimolen stond op het gelijknamige gehucht nabij het Tanghof. Waar nu het bedrijf Groeninghe is gevestigd, aan het begin van de Groeningenlei, stond de Vrijselmolen: die is nog op postkaarten te vinden, want hij werd pas in 1910 afgebroken. Verder was er de molen bij Altena, aan de Antwerpsesteenweg. Een molen van jongere datum werd in 1816 opgericht op het Ploegveld aan de Mechelsesteenweg, dat is op de plaats waar nu het warenhuis “Centrum” staat. Toen hij in 1918 werd afgebroken, verdween de laatste windmolen uit de Kontichse skyline.
Geloof het of niet, maar er werd in ons dorp van toen ook aan wijnbouw gedaan. Er waren zelfs twee “Wijngaardleitjes”! Niet te verwonderen met al die kasteelheren hier. Maar zoals elk dorp had Kontich toch vooral zijn talrijke brouwerijen. Enkele namen bleven over, vaak overgedragen op nieuwe gebouwen: de Valk, naast het politiekantoor, de Arend, waar nu het Museum is ondergebracht, en de Sleutel, waarvan een gedeelte nu beschermd erfgoed is. In die laatste brouwerij werd nog tot in 1933 de vermaarde “seef” gebrouwen, een wit streekbier. Dit is slechts kleine greep uit het vroegere bierwezen.
En dan hebben we het nog niet gehad over de brandewijnstokerijen. In 1709 waren er vijf officieel ingeschreven stokers. Er werd dus in de vele Kontichse cafés niet alleen bier geschonken! Zelfs bij baardscheerder Pillegro, die in een van de huizen op het kerkhof woonde, dat toen nog rond de kerk lag, werd “brandewijn geschoncken ende vercoght aen sommige menschen die aldaer hunnen baert quamen laten scheiren”.

morgen verder
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

04 nov 2005, 11:49

met ambachten en neringen


Het nabijgelegen Boom is bekend geworden voor zijn steenbakkerstraditie. De eerste vermelding van een “geleeg” in Kontich dateert van 1666, ook al gebeurde het bakken in die tijd nog occasioneel, naarmate men op de boerderij stenen nodig had. Tot vorige eeuw lagen er nog twee bedrijven langs de Pierstraat. Steenbakkerij Tilly (later Truyts of De Bie) was die met de langste levensduur. Tot 1968 werd er gewerkt en woonden de arbeiders er vlakbij in werkmanshuisjes. Vroeger waren dat er 75, toen nog amper 30. In 1970 werd de reuzenschoorsteen neergehaald: het bedrijf moest plaats maken voor de E19.
Antwerpen is van oudsher een diamantcentrum. Op het einde van de 19de eeuw zochten de diamanthandelaars goedkopere werkkrachten en minder vakbondsdruk op “den buiten”. In Kontich verleende de gemeente in 1904 de eerste vergunning voor een slijperij in de Drabstraat.
Afbeelding

Vanaf 1910 nam de diamantindustrie hier een ware vlucht: dertig diamantmolens aangedreven door een elektrische motor in De Arend aan het St.-Jansplein, in een pand op de plaats van het huidige VTI aan de Edegemsesteenweg werd de “Katholieke Slijperij” opgericht, in de Ooststatiestraat vestigden zich Elbaum en Tolkowsky, en verder waren er nog kleinere bedrijfjes aan de Mechelsesteenweg, Nieuwstraat en elders. In 1924 waren er al een twintigtal. Sommige mensen waren gespecialiseerd in het gladschuren van de schijven. Honderden gezinnen leefden geheel of gedeeltelijk van de diamant.
Het heeft geen zin alle ambachten te overlopen. Langs de grote verbindingsweg Antwerpen-Mechelen-Brussel deden smeden en wagenmakers uitaard goede zaken. Evenals de afspanningen voor het wisselen van paarden, waar de herbergier ook vaak als “bode” fungeerde. Nog een verrassend feit is dat onze gemeente enkele tabaksfabrieken heeft gekend. En in 1876 werd er op Altena een stoomwasserij geïnstalleerd, die legendarisch is geworden omdat het koninklijk linnen er gewassen werd.
De laatste honderd jaar werd er ook meer en meer aan tuinbouw gedaan, in open lucht of in serres. Niet alleen groenten werden geteeld, maar ook bloemen en planten. De cactuskwekerij van De Laet aan de Duffelsesteenweg genoot zelfs wereldfaam. Nog in het begin van vorige eeuw werden er in de “Bloem- en fruitkweekerij” van Van der Groen bij Kontich-Kazerne zeldzame sierplanten gekweekt. Tegenwoordig wordt de Kontichse hemel bij nacht verlicht door één van de grootste snijrozenteeltbedrijven van België. Het interieur van hun serre is zelfs dagelijks op Canvas te zien.

Waarloos

Op 1 januari 1977 fusioneerde Waarloos met Kontich. De oudste vermelding van deze gemeente vinden we terug in 1149 onder de benaming “Warlos”. Deze naam is vermoedelijk afgeleid van de Germaanse woorden “wardo” en “loos”, die respectievelijk “wacht” en “weide, glooiing” betekenen. De samenstelling betekende dan waarschijnlijk “uitkijkhelling” of “uitzichtweide”. Mogelijk bevond er zich een wachtpost op de Keizerenberg. Later zijn kerk en centrum dan dichter naar Kontich toe opgeschoven.
Het grondgebied van Waarloos werd doorkruist door oude wegen. Eén ervan, uit de Gallo-Romeinse tijd, moet de oude weg van Rumst naar de Steenakker in Kontich-Kazerne zijn geweest. Een andere was de ’s-Heerenstraat, die van Antwerpen via Mechelen naar Brussel en Leuven leidde, de andere grote steden van het hertogdom Brabant. De heer naar wie die straat verwees, was de hertog. Van 1704 tot 1706 werd deze kronkelende straat rechtgetrokken, zodat het centrum verder van de weg kwam te liggen. Om de aanleg en het onderhoud van die weg te bekostigen, werd er sinds mensenheugenis tol geheven. In Waarloos nog tot 1869!

Oud Waarloos

Van de oudste geschiedenis tot de 16de eeuw is weinig te vertellen, wegens een gebrek aan geschreven bronnen. Toen er in 1877 een Frankische begraafplaats met dito voorwerpen werd gevonden, was de beschrijving zo weinig wetenschappelijk dat er nu niets meer te situeren valt. Een verloren kans.
In de middeleeuwen lag Waarloos in het Land van Mechelen of van Arkel, dat behoorde tot het markgraafschap Antwerpen. In de 15de eeuw vormde het samen met het aangrenzende Reet een schepenbank. In 1530 kwam het onder de schepenbank van Kontich. Deze toestand duurde tot 1620. In 1670 kreeg Waarloos een zelfstandige schepenbank.
In 1572 werd de heerlijkheid aan kardinaal Granvelle verkocht. Zo kwam het dat Waarloos tot in 1616 tot het graafschap Cantecroy bleef behoren. Later wisselde de heerlijkheid nog enkele keren van eigenaar. Lucas van Opmeer was heer van Waarloos in 1626. Na hem kwam het gebied achtereenvolgens in handen van Maximiliaan van der Gracht, Jan-Karel de Cordes en zijn gelijknamige zoon en Jacques de Raedt. De laatste heren kwamen uit het geslacht della Faille: zij beheerden Waarloos tot aan de Franse Revolutie.
Op kerkelijk vlak behoorde Waarloos van oudsher tot de moederparochie Kontich. Rond 1200 werd de Sint-Michielsparochie echter zelfstandig. Het aanstellen van een priester en het innen van de tienden was evenals in Kontich het recht van de Henegouwse abdij van Lobbes. In de 17de eeuw kwam het echter in handen van kardinaal Granvelle. Van hem ging het over op de graven van Cantecroy.


Boerenbuiten

Waarloos evolueerde van een bescheiden parochie en gehucht tot een klein dorp. In de 15de eeuw werden er slecht 18 tot 34 huizen geteld. Dan ging het bevolkingsaantal stilaan omhoog – de cijfers zijn telkens benaderend: 200 inwoners in de 17de eeuw, 340 in de 18de, 560 in de 19de en in 1910 werd de kaap van 1000 overschreden. Het jaar van de fusie, 1977, werden de 1560 inwoners bij die van Kontich geteld.
De bevolking leefde in de eerste plaats van de landbouw. Een merkwaardige hereboer uit de 19de eeuw zal niet licht vergeten worden. Hij is de enige mannelijke maker van een tekendoek die hier bekend is. Zijn huisvlijt uit 1853 is een pronkstuk van het Museum voor Heemkunde en draagt als opschrift “Het lijden en de dood van Christus door Egidius Annot tot Waerloos”. De volksmond noemde hem “zotten Annot

Ambachten

In de herbergen “De Hespketel”, “De Vos en de Craen” en “De Wildeman” werd er resp. in de 16de en 18de eeuw bier gebrouwen. Aanvankelijk deed men dat voor eigen en lokaal gebruik, maar geleidelijk werd ook gerstenat uit Waarloos uitgevoerd. Dan duikt er eerst de naam op van Het Wit Kruis, tegenover de kerk. De naam Brouwershuis herinnert aan de vergane glorie van deze brouwerij. Daar vergaderde ooit ook de Raad en het College, en beschilderde J.B. Reykers de muren met taferelen in italianiserende stijl, soms dan weer gebaseerd op het landschap rondom, met tonnenwagen en al. Voldoende voor Monumenten en Landschappen om het gebouw met interieur te beschermen!
De andere grote brouwerij was Sint-Michaël, aan de Grote Steenweg. Zij kwam in de 19de eeuw in het bezit van een steenbakker uit Rumst. Zijn zonen Ferdinand en Théophile legden de basis van de later zo vermaarde Brouwerij Maes. Ferdinand werd zelfs even burgemeester, van 1927 tot 1932, toen hij plots stierf. Twee jaar later werd de Dorpsstraat naar hem omgedoopt. Hij zal wel nooit vermoed hebben dat zijn bedrijf zou uitgroeien tot de nummer twee op de Belgische markt. En evenmin dat het in de 21ste eeuw zou gedaan zijn met bier brouwen, en dat met het hele complex ook de trotse koperen ketels uit het dorpsbeeld zouden verdwijnen, om vanaf 2005 plaats te maken voor een industrieterrein.
Even verder in de richting van de Vosberg, stond de molen van Waarloos, die in 1761 in werking trad. Nadat de familie Servaes jarenlang de maalderij had uitgebaat, kwam in het begin van de 19de eeuw de naam Spruyt opduiken. Ook van deze familie zal een “spruit” burgemeester van Waarloos worden. Helaas moest de molen in 1914 worden afgebroken, want zowel als waarnemingspost van de Belgen als in functie van herkenningspunt voor de Duitsers moest hij verdwijnen. Maar de firma bestaat nog steeds onder de naam “Puffex”.
Een ander bedrijf dat nog niet uit de herinnering van de Waarlozenaars is verdwenen, is de zuivelfabriek of melkerij Sint-Michaël. Daar werd van 1925 tot 1959 melk gepasteuriseerd en andere melkproducten bereid. Sinds de jaren 1960 werd het de pleisterplaats voor het Waarlose verenigingsleven en in 1977 verbouwd en omgedoopt tot Berkenhof.
Ten slotte moet er nog één glorierijk feit uit het ambachtelijk verleden van Waarloos worden gelicht. Er woonden namelijk generaties smeden-horlogemakers met de naam Piron. Hun reputatie ging ver. In 1992 werd een klok van Alexander Piron, gedateerd 1773, door de gemeente op een veiling aangekocht. Het pronkstuk kan nu worden bewonderd in het Documentatiecentrum van de Kring voor Heemkunde.


morgen verder
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

05 nov 2005, 13:11

Bezienswaardigheden

Kontich en Waarloos hebben niet de allure van Brugge, Gent of Antwerpen, maar voor elke inwoner of bezoeker valt er nog heel wat te ontdekken. Om dat te vergemakkelijken zijn er trouwens fiets- en wandelpaden uitgestippeld, zoals de Abraham Hansroute en het kerk- en buurtwegelpad van Vakantiegenoegens. Wat nog niet in voorgaande tekst aan bod kwam, wordt in volgend hoofdstukje nog eens op een rij gezet.
Eerst de kerken. Van de Sint-Martinuskerk zijn behalve de toren, nog oude fragmenten bewaard gebleven. Zo zijn het middenkoor en de twee zijkoren in laatgotische stijl nog oorspronkelijk. Zij werden na de brand van 1572 opgetrokken. Het huidige uitzicht dateert van 1928 en zorgde voor een aanzienlijke uitbreiding, zodat er plaats kwam voor bijna duizend stoelen. Het interieur werd in de jaren 1960 drastisch versoberd, maar nog altijd valt het imposante hoogaltaar op, dat de tenhemelopneming van Sint-Maarten voorstelt. Koorbanken en preekstoel zijn zeventiende-eeuws. Zeer fraai beeldhouwwerk is de groep van de H. Familie van Walter Pompe. De kruisweg wordt toegeschreven aan J.B. Reykers. Het Feugère-orgel werd op het einde van de 20ste eeuw van de vroegere middenbeuk, nu zijbeuk, naar het midden van de kerk verplaatst en wordt weer dankbaar gebruikt.
De neogotische parochiekerk van Waarloos uit 1864, toegewijd aan Sint-Michiel, bleef goed bewaard. De toren is wel enkele eeuwen ouder: 15de – 16de eeuw. Het fraaie, neogotische interieur is het werk van de bekende baron J.B. Béthune, grondlegger van de neogotiek in België. Merkwaardig is het opgehoogde kerkhof rond de kerk, met nog mooie zerken. Ook de tombe van de familie della Faille de Waerloos uit de 17de eeuw is nog achter de kerk te vinden.
Er staan nog twee moderne kloosterkerken in twee buitenwijken. Bij het klooster van de paters Montfortanen in Kontich-Kazerne hoort de kerk van O.-L.-Vrouw Onbevlekt Ontvangen, ingewijd in 1933. In de wijk Pierstraat-Keizershoek staat de parochiekerk van Sint-Rita (1937). Elk jaar trekt deze patrones van de hopeloze gevallen nog honderden pelgrims. De paters hebben in 2004 echter het klooster verlaten.
Om in de religieuze sfeer te blijven: de kapellen. Langs de Mechelsesteenweg, op de hoek van de Reepkenslei, staat de Reepkenskapel, toegewijd aan O.-L.-Vrouw-ter-Sneeuw. Vroeger was dit een kapel voor de pestlijders en voor hen die tot de galg waren veroordeeld. Het Lievevrouwebeeldje uit de 16de eeuw werd uit veiligheidsoverwegingen overgebracht naar de Martinuskerk. Waar het kort daarop werd gestolen… Ten slotte is er nog het Kapellekensbos, een beschermd dorpsgezicht vlakbij Lint en Duffel. Hier werd in 1683 een gestolen Mariabeeld gevonden. De kapel die er werd opgericht trok massa’s bedevaarders en dus geld in de offerblok. De inwoners van Lint wilden echter ook een graantje meepikken en richtten een tweede kapel op, vlakbij de spoorweg. Vandaar…
Beschermd is ook het oude gemeentehuis van Kontich in neo-Romaanse stijl uit 1860. De raadzaal wordt nog als trouwzaal gebruikt. Alle wanden ervan zijn beschilderd met beelden van hoven en taferelen uit het Kontichse verleden. Er hangt ook een prachtige kopie van Van Dycks Sint-Maarten te paard, waarvan het origineel in de parochiekerk van Zaventem hangt.
De provinciale afdeling van Monumenten en Landschappen vond nog een aantal gebouwen en dorpsgezichten beschermenswaard. Op de hoek van de Edegemse- en Antwerpsesteenweg staat het Sint-Martinushof of Hof van Cols. Deze neoclassicistische villa werd in 1836 gebouwd. Achteraan werd rond 1900 een mooie veranda in ijzer gebouwd. Merkwaardig (maar niet beschermd) is ook de villa “Rest and Be Thankful”, die tijdens de Eerste Wereldoorlog een belangrijke rol heeft gespeeld.

Afbeelding

De villa "Rest and be thankful

Daar werd immers de overgave van de stad Antwerpen aan de Duitsers getekend, gekend als de Conventie van Kontich.
Ingesloten in de nieuwe wijk rond de Vredestraat is de 18de-eeuwseVerbrande hoeve gelegen. Terug in het dorp vermelden we het Kruisken of Hofke van Janssens: een alleenstaand herenhuis uit de 18de eeuw binnen een ommuurde tuin. De voormalige brouwerij De Sleutel werd (gedeeltelijk) als monument beschermd, de omringende Sleutelstraat met het brouwershuis en de bescheiden werkmanshuisjes als dorpsgezicht. Verder op de lijst staan de kastelen Groeningenhof en Tanghof, elk met hun omgeving.
In Waarloos gaat het ook om het dorpsgezicht, met als ijkpunten de kerk met het unieke kerkhof, het voormalige gemeentehuis en het Brouwershuis of “Trappeken op”. Deze deelgemeente kan bovendien prat gaan op een waardevol natuurreservaat, dat in de plaats kwam van de oude spoorwegbedding. Deze “diepe route” liep ooit van Wilrijk naar Mechelen. De werken waren in 1905 begonnen, in 1970 werd het station gesloopt en de spoorbedding verwijderd.
Naast de voormalige pastorie uit 1650 op het Sint-Jansplein tekent zich het moderne bibliotheek- en cultuurcomplex af. Op de tweede en derde verdieping nestelt zich nu – in een oude vleugel van de oude maalderij/diamantslijperij De Arend, het Museum voor Heem- en Oudheidkunde. De boeiendste stukken die uit de ondergrond van Kontich en Waarloos zijn opgedolven, worden hier tentoongesteld. Het verenigingsleven en de ambachten van weleer komen hier weer tot leven. De verzameling tekendoeken en stoplappen is een van de uitgebreidste van Europa. Via de cultuurdienst kan iedereen hier overdag komen snuisteren met de gratis catalogus in de hand voor de nodige uitleg. Elke zondag zijn er van 14 tot 17 uur twee gidsen beschikbaar: ook al gratis! Ook rondleidingen voor groepen, in het museum of door de dorpskom, overdag of ’s avonds.

Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

06 nov 2005, 11:53

Op 21 januari 1998 werd te Edegem het jubeljaar "Edegem 825" plechtig geopend. In 1173, precies 825 jaar geleden, werd Edegem onder zijn oude benaming Buizegem voor het eerst in een oorkonde vermeld. De oorkonde in kwestie regelt de overdracht van het Buizegemkerkje aan een nieuwe kerkheer. De bisschop van Kamerijk, tot wiens bisdom het Edegemse gebied behoorde, schonk namelijk de kerk van "Buyseghem" aan zijn kapittel. Dit kapittel verkreeg daardoor het recht om onder de vorm van "tienden" belasting te innen, maar moest dan wel instaan voor het onderhoud van de kerk en de benoeming van de pastoor. Zo stapte de parochie Buizegem en daarmee ook Edegem officieel de geschiedenis binnen.

Door allerlei omstandigheden werd het kerkje circa 1300 voor de eredienst opgegeven en werd op het gehucht Edegem een nieuwe levenskrachtige kerk als parochiecentrum geboren. Terwijl er op Buizegem slechts een in puin vallend kerkje en een oud kerkhof overbleven, werd rondom de nieuwe Edegemse kerk een dorpscentrum uitgebouwd.


Vele eeuwen later, in de tweede helft van de 19de eeuw, zou in volle Romantiek rond die kerkverplaatsing van Buizegem naar Edegem de sage ontstaan van "Meneerke van Buizegem". Elk jaar, met start op 30 april, worden er feestelijkheden rond deze sage georganiseerd.

In de latere Middeleeuwen kende het nieuwe dorpscentrum Edegem een aangroei. Perceeltjes van de dorpshoeve aan de Doelveldstraat werden tegen cijns voor bewoning vrijgegeven.

Van 1387 af was ons dorp onderworpen aan de heer Van Cantecroy te Mortsel. Van dat Mortselse kasteel uit zouden de ambtenaren worden aangesteld, onder wie de schout of drossaard wel de voornaamste was. Deze schout of drossaard was het hoofd van het burgerlijk en gerechtelijk bestuur. Samen met de schepenen en de secretaris-griffier vormde hij de schepenbank, ook "de wet" genoemd. De schepenbank had naast een administratieve ook een rechterlijke functie.

Tussen 1500 en 1830 kreeg Edegem, zoals trouwens zoveel dorpen uit het Antwerpse, af te rekenen met periodes van afwisselend oorlog en vrede. Een Edegemse vereniging die nog herinnert aan het begin van die periode, is de Koninklijke Handbooggilde Sint-Sebastiaan.

In 1512, en vermoedelijk reeds vroeger, was deze schuttersgilde actief in Edegem. In tegenstelling tot de vroegere schutterij, die in de steden wallen en poorten bewaakten, had de Sint-Sebastiaansgilde een loutere recreatietieve functie. Nog steeds organiseert deze vereniging geregeld papegaai- of vogelschietingen.

Maar zoals reeds aangegeven, was de tijdsspanne tussen 1500 en 1830 bijzonder woelig. Nadat in 1566 de beeldenstorm in de kerk verwoestingen had aangericht, volgden de gebeurtenissen van de godsdienstoorlogen en de strijd tussen Noord en Zuid elkaar onophoudelijk op. In 1585, toen de Spanjaarden Antwerpen belegerden en hun troepen de Scheldestad vanuit het openliggende platteland naderden, werd onze dorpskerk in brand gestoken, maar gelukkig ook door de nog ter plaatse gebleven inwoners geblust. Het is de tijd van de verbrande steden, de wolvenplaag en de angst zaaiende pest.

Omstreeks de eeuwwisseling 1600 stonden er van de 85 huizen een 38-tal leeg. En nadat het Twaalfjarig Bestand van 1609 tot 1621 enige verademing had gebracht, sloeg de Retorsie in alle heftigheid toe in de jaren 1632-42, toen geestelijken en leden van het dorpsbestuur als vogelvrijverklaarden waren en hun leven voortdurend bedreigd was. Met de Vrede van Munster kwam er weer enige rust, wat weerspiegeld wordt door de herstellingen aan het kerkgebouw en de geleidelijke verfraaiing van het kerkinterieur.

Het einde van de 17de eeuw werd gekenmerkt door de oorlogen van Lodewijk XIV, terwijl Edegem, juist zoals alle andere dorpen, in 1797 te maken kreeg met de "Besloten Tijd", toen alle bedehuizen moesten gesloten worden.

In 1830 kwam het tot vrij heftige artilleriegevechten op het Molenveld, tussen Belgische vrijwilligers en Hollandse troepen.

De 19de eeuw bracht weinig verandering in het stille dorp. Edegem bleef wat het altijd geweest was, een landbouwdorp, waarvan de goede grond werd geprezen. Er was het dorpscentrum, met zijn paar straten die stervormig van aan de St.-Antoniuskerk vertrokken; de Drie Eikenstraat, welke toen nog Molenstraat werd genoemd, naar de in 1732 aldaar opgerichte en in 1914 verdwenen windmolen; er was de Strijdersstraat , toen Dorpsstraat genoemd, die samen met de Doelveldstraat in feite "de kuip" van het dorp vormde; er was de Hovestraat, die aanvankelijk naar de galg van het buurdorp Hove liep en daarom ook wel Hoofsegalgstraat heette. Verbinding met buurdorpen vormden ook de Kontichstraat, weleer Kontichse Binnenweg, en de Oude-Godstraat, die naar het Mortselse gehucht Oude-God voerde. Daarnaast was er de Terelststraat, die naar een aantal landbouwuitbatingen liep en de wandelaar voorbij de oude pastorie, thans Hof Ter Elst, leidde. Er waren ook de kastelen of "huizen van plaisantie": het Arendsnest bij de grens met Kontich, Mussenburg aan de grens met Hove, de Hazeschrans, bij de grens Kontich-Wilrijk en tot slot het eigenlijke dorpskasteel Ter Linden in het centrum.

Sedert de eeuwwisseling, maar meer nog sedert de tweede wereldoorlog, werd Edegem het grote inwijkingsoord en groeide meer en meer uit tot een villadorp. Tussen 1925 en 1930 kwamen de Elsdonkwijk en een aantal landelijke leien of lanen in de richting van Kontich tot stand. Later voltrok zich de grootste metamorfose, door de verkavelingen Molenveld en Buizegem, die een nieuwe stroom inwijkelingen naar Edegem bracht. De niet eens 1.000 inwoners die de gemeente in 1831 telde, waren in 1930 aangegroeid tot bijna 7.000 inwoners en in 1972 werd de 20.000ste inwoner ingeschreven. Het bevolkingsaantal kende in 1981 de piek van 23.802 inwoners.

De geweldige aangroei werd afgeremd door de woonzones in de gemeente te beperken, met de bedoeling de gemeente leefbaar te houden.

De quasi afwezigheid van industrie maakt van Edegem een typische woongemeente. Niettegenstaande zijn ligging in de rand van de metropool Antwerpen is Edegem echter niet volledig verstedelijkt. Werden in het verleden door het gemeentebestuur inspanningen geleverd om de infrastructuur op het vlak van wegen en openbare gebouwen te optimaliseren, dan werd eveneens geïnvesteerd in de aanleg of het behoud van groene zones.

Wie door Edegem wandelt zal op zijn weg kunnen genieten van de natuur van Park-Centrum, het Meihof en de recreatiegebieden Romeinse Put en Fort 5 of van de groene plekjes die getuigen van het rijk historisch verleden van Edegem: het Arendsnest bij de grens met Kontich, Mussenburg aan de grens met Hove, de Hazeschrans bij de grens Kontich-Wilrijk , het eigenlijke dorpskasteel Ter Linden, Hof ter Elst en de grot O.-L.-V.-van-Lourdes in het centrum. Vooral Mussenburg heeft tot ver buiten Edegem bekendheid verworven. Van wijlen Marie Gevers, schrijfster en residente van Mussenburg, evoceerde in haar werk de figuur van de rover Guldentop. Deze zou zich in de woelige Franse tijd op Mussenburg hebben schuilgehouden, maar werd door de Fransen aangehouden en te Antwerpen onthoofd. Zijn op Mussenburg verborgen schat, zo wil het de sage en het werk van Marie Gevers, komt hij in donkere nachten nog steeds bezoeken.

De oprichting van de grot in 1884, naar model van de grot in Lourdes, gaf aan Edegem naambekendheid bij menig bedevaarder en ligt er aan de basis van dat Edegem vaak als "grotgemeente" betiteld wordt.

Het gemeentebestuur stelt alles in het werk om het residentiële karakter van Edegem te bewaren, opdat Edegem terecht fier mag blijven de leuze te kunnen hanteren: "Gemeente, waar het goed is om te wonen".
Afbeelding

Sint-Antoniuskerk


De Sint-Antoniuskerk is een grotendeels gotische kruiskerk uit de 16e en 17e eeuw, de westertoren dateert uit 1500 en de zijbeuken zij er pas in 1888 bijgekomen. Oorspronkelijk was de kapel toegewijd aan O.L.Vrouw. Het is pas vanaf 1700 dat ze aan St.Antonius Eremijt werd toegewijd.

Door de eeuwen heen is de kerk verschillende keren verbouwd geweest. In 1585 werd het meubilair vernield en verbrand door de soldaten van het garnizoen in Antwerpen. De herstellingen van de kerk begonnen in het begin van de 17e eeuw. De oorspronkelijke spits van de toren werd in 1735 door een storm vernield en dat jaar nog vervangen door de nu nog bestaande torenspits. De kerk kreeg veel te verduren tijdens de Retorsieperiode (1636-1639). In 1639 begon men opnieuw met herstellingswerken aan het interieur van de kerk. Aan het hoogaltaar werden twee kolommen toegevoegd. Afkomstig van een zegeboog die op de Meir in Antwerpen had gestaan. In datzelfde jaar werd het altaar voorzien van een kopie van de kruisafname van P.P.Rubens, geschilderd door Pieter Van den Bemden, een leerling van de meester.

Door de komst van de nieuwe basiliek in 1933 verloor de Sint-Antoniuskerk haar rang als parochiekerk en werd ze tot kapel omgevormd. Op 30 januari 1947 werd de Sint-Antoniuskerk als beschermd monument geklasseerd





Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet