Historie van Kerken.

Dit is de plaats voor cultuur en historie. Ook voor nostalgie en geschiedenis van steden, dorpen, kerken, rivieren, enz. kan je hier terecht.

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

08 nov 2005, 12:21

Afbeelding
De Sterrenberg
Jump to: navigation, search

Molen De Sterrenberg te NijeveenDe molen De Sterrenberg staat aan de Burg. Weimalaan in Nijeveen (gemeente Meppel).

Het is een rietgedekte, achtkantige stellingmolen daterend uit 1786, oorspronkelijk afkomstig uit het Duitse Wener in Ost-Friesland en was in bezit van de familie Sterrenberg.

In de zeventiger jaren overgebracht naar zijn huidige standplaats aan de burgemeester Weimalaan en aldaar gerestaureerd. Z.K.H. Prins Claus heeft de molen op feestelijke wijze in 1977 in gebruik gesteld.

Deze molen is de enige molen in Nederland met een windroos op de kap voor het automatisch kruien.

Het dorp Nijeveen is zelfs nog een tweede, kleine molen rijk: Lutke's Meule

Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

08 nov 2005, 12:26

Afbeelding

De Arkduif is de naam van de stellingmolen die in 1697 in Bodegraven is gebouwd.


molen De ArkduifDe molen staat aan de Overtocht nabij de Oude Rijn.
De molen is een korenmolen met een gemetselde ronde romp en stelling. In de tweede helft van de 19e eeuw heeft men om brandschade te herstellen gebruik gemaakt van onderdelen uit andere molens. Dit zijn o.a. onderdelen van de gesloopte watermolen uit Nieuwkoop. In 1954 werd de molen voor het eerst gerestaureerd en in 1982 was de laatste restauratie.
De molen is in bezit van de gemeente Bodegraven en is door de slechte conditie stilgezet. De molen is niet te bezichtigen. De naam De Arkduif is pas in 1956 aan de molen gegeven. De buitenzijde van de molen is grotendeels wit. De molen heeft een vlucht van 22,2 meter.
Het molenhuis is thans in gebruik als bierbrouwerij.

Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

09 nov 2005, 09:49

Afbeelding
De Basiliek van Oostakker-Lourdes is de kerk van een belangrijk bedevaartsoord in de omgeving van Gent.

Het bedevaartsoord kwam er op initiatief van een adellijke vrouw: Markiezin de Courtebourne-de Nédonchel die toen op het naburige kasteel Slotendries woonde. In 1873 bouwde zij in haar tuin een grot ter ere van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes. Na de inzegening van het beeld aan de grot op 29 juni 1873 vroegen omwonenden en bewoners van het Gentse om te mogen komen bidden aan de grot. Een jaar later is Pieter De Rudder aan de grot op miraculeuze wijze genezen van een open beenbreuk. Door deze genezing ontstond er een grote toeloop van gelovigen. Om de bedevaarders te ontvangen bouwde men in 1875 een kerk in neo-gotische stijl naar de plannen van architect E. Van Hoecke-Peeters met een lichte aanpassing door architect J.B. Bethune in 1876. Ze werd in 1877 ingezegend en bij het 50-jarig bestaan van het bedevaartsoord in 1924 verheven tot basiliek. Het meubilair is ook neo-gotisch en ontworpen door J.B. Bethune.

De basiliek is gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekte Ontvangenis, de naam waarmee Maria zich bekend maakte aan Bernadette op 25 maart 1858.

Achteraan rechts in de kerk vindt men een foto en enige informatie over Pieter De Rudder en links een beeld van Bernadette. Links vooraan in de kerk staat het gekroonde beeld van Maria, Onbevlekt Ontvangen. Boven het hoofdaltaar stelt een retabel drie grotten voor: de grot van Jezus' geboorte te Bethlehem, de grot van Jezus' verrijzenis en deze van Lourdes. Op een van de glasramen boven het hoogzaal staat de H. Alfonsus van Liguori afgebeeld. Een kleindochter van markiezin De Courtebourne werd immers Redemptoristin. Zeer mooi is de afbeelding van het H. Hart in de voorste zijkapel links.

Door toedoen van onder ander Markiezin de Courtebourne, werd Oostakker-Lourdes ook de bakermat van een indrukwekkende onderwijscampus.


Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

09 nov 2005, 09:57

Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk
Afbeelding
De bouw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk werd in 1199, op initiatief van graaf Boudewijn IX van Constantinopel opgestart. In december 1203 hield men de eerste eredienst in het koor van de nieuwe kapittelkerk.

De kerk speelde een belangrijke rol in de geschiedenis van het graafschap Vlaanderen. Ze lag binnen het grafelijk domein van Kortrijk dat, op uitzondering van het deel dat aan de Leie lag, volledig ommuurd en omwald was. Ze maakte zo deel uit van een burcht met een oppervlakte van ongeveer 1 hectare.

Boudewijn IX, die in 1202 op kruistocht vertrok en in april 1205 spoorloos verdween, zag de kerk nooit afgewerkt. Het was nochtans zijn bedoeling om hier de relikwie van het Heilig Haar onder te brengen, dat zijn grootoom Filips van de Elzas tijdens de derde kruistocht van het Heilig Land had meegebracht. In 1205 telde het kapittel 12 kanunniken en een deken.

De Fransen bouwden hier in 1300 en 1301 een dwangburcht bovenop de grafelijke burcht. Ze werd voorzien van een verdedigingsgracht (zie foto). Het driebeukig schip van de kerk en de kruisbeuk bevinden zich nog altijd in de orginele toestand. Na de Guldensporenslag in 1302, die vlak in de buurt op het Groeningeveld plaatsvond, hingen de Vlamingen 500 gulden sporen van gedode Franse ridders in het koor op, als dank aan O.L.V. van Groeninge. Bretoense huursoldaten namen ze, samen met andere kostbaarheden van de kerk, in 1382 mee na de slag bij Westrozebeke. Ze werden later door kopieën vervangen die nog altijd in de kerk aanwezig zijn. De soldaten verwoestten ook de grafelijke burcht

Afbeelding

'Kruisoprichting van Jezus' van Antoon Van Dyck (23 nov 2004)In 1404 hield de lijkstoet van Filips de Stoute hier halt op zijn weg van Halle naar Dijon. In de loop van de 15e eeuw werd de kerk hersteld en verbouwd. De burcht werd niet hersteld maar door Jan zonder Vrees overgedragen aan het kapittel om zijn schulden te delgen. Het kasteel werd volledig afgebroken en het terrein verkaveld (de huidige O.L.V.-straat, Konventstraat, Guido Gezellestraat, Kapittelstraat en Pieter de Cockelaerestraat). Alles wat restte van het domein was de kerk, de zuidelijke Broeltoren en de artillerietoren.

Op 27 juli 1578 werd de kerk grondig door de Geuzen geplunderd en vernield. De herstellingen gebeurden op kosten van de stad...

Kanunnik Roger Braye bestelde bij Antoon van Dyck een schilderij om het altaar ter ere van de Heilige Blasius te versieren. Het zou de kruisoprichting van Jezus voorstellen. Op 9 mei 1631 werd het schilderij van Antwerpen naar Kortrijk overgebracht.

In 1770 bestelde men bij de internationaal bekende Vlaamse orgelbouwer Van Peteghem een nieuw exemplaar. In 1794 werden eerst drie kostbare schilderijen waaronder de Kruisoprichting van Antoon Van Dyck door de Fransen in beslag genomen, in 1797 de hele kerk. 12 kloosters, kapellen en kerken werden als openbaar domein te koop gesteld. Het gebruik van de kerk als opslagruimte voor graan en bier redde ze van de sloop. Kanunnik Robette slaagde erin stiekem de kerk aan te kopen. Bij het afsluiten van het concordaat tussen Napoleon Bonaparte en Paus Pius VII kon het kerkelijk leven opnieuw hervatten en werd de kerk de parochiekerk van de nieuw gestichte Onze-Lieve-Vrouweparochie. In 1817 kon men schilderij van Van Dyck recupereren.

De Duitsers haalden op 2 maart 1944 de 6100 kg zware Maria-klok uit de toren waarbij het stenen gewelf van de toren werd opengebroken. In juli 1944 werd de kerk door twee luchtaanvallen zwaar beschadigd toen 1500 ton bommen op Kortrijk werden uitgegooid. In oktober 1945 werd de vernielde klok in Duitsland teruggevonden. De brokstukken werden snel opgehaald om een nieuwe te gieten van exact dezelfde omvang en gewicht (Michiels in Doornik). Het is de vijfde grootste van het land, na Mechelen, Doornik, Maredsous en Gent. De definitieve restauratie van het kerkgebouw, onder impuls van pastoor Jan De Cuyper, startte pas in 1961. De onderwerpen van de 47 brandglasramen accentueren het grafelijk karakter van de kerk (graven van Vlaanderen, geharnaste ridders tijdens de Guldensporenslag...).

In de Gravenkapel, vooraan rechts in de kerk, vind je geschilderde portretten terug van de graven van Vlaanderen. Bij restauratiewerken in het begin van de twintigste eeuw vond me de grafsteen uit 1220 terug van deken Aegidius, de eerste deken van het kapittel. De grafsteen vormt het fundament voor de linkerpijler van het oude koorgedeelte en zijn kist kan dus niet worden bovengehaald. Guido Gezelle was onderpastoor van de parochie tussen 1872 en 1889

Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

10 nov 2005, 11:24

Essen, Antwerpen
Afbeelding
Beschrijving / geschiedenis

In de Sint-Jansstraat, op het gehucht Wildert niet ver van de standplaats van de vroegere standaardmolen, werd in 1980 een geheel nieuwe stellingmolen opgetrokken. Alles begon met de aankoop van een twee eeuwen oude hoeve, nu de verbruikszaal aan de St.Jansstraat 184 te Essen-Wildert. De bouwvergunning werd door de gemeente Essen op 5 mei 1980 verleend aan bakker Frans Demdts, die eerder reeds getracht had de windmolen van Brecht en later die van Berendrecht aan te kopen. De plannen voor de nieuwe windmolen werden getekend door architect Lou Jansen uit Turnhout; het metselwerk werd uitgevoerd door aannemer J. Van den Bleeken en het draaiende molenwerk door de Nederlandse molenmakers Jos en Jan Adriaens uit Weert. De fundering werd 4 juni 1980 gegoten en op 15 juni 1981 werden kap en wieken op de romp gemonteerd.

Bakker Demedts maalde voor het eerst op 26 januari 1982. Op 8 en 9 mei 1982 werd de molen dan plechtig ingehuldigd.

In het metselwerk werden meer dan 280.000 oude stenen verwerkt. De romp werd 17 meter hoog en heeft beneden een doorsnede van 7,40 meter. Met een vlucht van 26 meter bereikt het hoogste topje van een draaiende wiek 32 meter. Inwendig is de molen ingedeeld als een gewone korenmolen, op de tweede zolder drie stellen maalstenen. Bij volledige windstilte kan er toch gemalen worden met een in België gebouwde stoommachine van het merk Sabbe.

De fokwieken (wieksysteem Fauël) zijn voorzien van automatische remkleppen. Op de steenzolder bevinden zich een koppel Engelse stenen, een koppel kunststenen en een koppel Engelse stenen als reserve. Op de builzolder zijn er twee builen, een zakkenklopper en een graanborstelmachine. Op het gelijkvloers vinden we een graankuiser, een koppel Engelse stenen (aangedreven door een stoommachine of een elektromotor) en een graankuiser. De vang werkt met een vangtrommel.

Het molendomein vormt thans een grote toeristische trekpleister. Naast de molen is er tevens een bakkerijmuseum en een groot aantal tuigen die op stoomkracht werken (stoomtreinen, locomobielen enz.).

Achter de molen is het werkend stoommachinemuseum van mei tot en met oktober is dit ieder weekeinde werkend te zien.Ook in deze periode rijdt er een trein rond de molen waarin de bezoekers tegen een heel kleine vergoeding enkele rondjes kunnen rijden.

BAKKERIJMUSEUM

In de voormalige schuur van de hoeve staat een mooie oude Engelse MARSHALL stoomlocomobiel van 1903, van 25 pk, die zorgt voor de aandrijving van de bakkerij machines. Hier gestookt door de rechterhand van de bakker, die de meeste techniek hier aanwezig beheert. In het vertrek ernaast, de bakkerij, is een met hout gestookte bakoven gebouwd.
Deze met hout gestookte oven, wordt helemaal vol hout gestopt, dit wordt aangestoken en als alles is opgebrand wordt het as en laatste vuur in de doofpot gedaan en gaat het brood, of ander te bakken product in de oven. De deurtjes gaan dicht en de oven is zo heet van binnen dat het brood bijvoorbeeld gebakken wordt.
Hier een door de marshall aangedreven kneedmachine.
Met de hand wordt het brood hierverder bewerkt. Eenmaal gebakken kan men de heerlijke producten ernaast in de winkel kopen.
Als men inkopen heeft gedaan, kan men nog doorlopen naar het bakkerijmuseumpje ernaast. Hier zijn allerlei hulpmiddelen te zien die door de banketbakker werden gebruikt, zoals een GAAR SCOTT &CO - 1910, met een vermogen van 36 pk. (USA)

Met hoogtijdagen of eind augustus als het zagen van bomen begint kan de echte stoomliefhebber ook genieten van deze mooie stoom tractor.

MOLENHOEVE

En is men moe en dorstig dan kan men in de MOLENHOEVE een molenbiertje of iets warms gaan drinken met lekker eigengebakken brood gemaakt van eigengemalen meel. Ook kan men hier verrukkelijk dineren.
Dit alles is de hobby van een man, entree wordt hier niet gevraagd.
Wel stelt men het op prijs als u iets nuttigt in de molenhoeve, of iets koopt van de verrukkelijke producten uit de bakkerij

Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

10 nov 2005, 11:29

Gierle (Lille), Antwerpen
Afbeelding
Beschrijving / geschiedenis

Op deze plek bestond al een standaardmolen die in 1499 werd opgericht voor rekening van de heer van Turnhout. Het optimmeren werd uitgevoerd door Gijsbrecht Schaluynen en de molenstenen werden gehaald te Dordrecht. De molen draaide voor het eerst op 25 december 1500.

Een orkaan wierp deze molen om op 29 november 1836. Eigenaar was toen Jan Frans De Backer. Op 16 mei 1837 verleende de Bestendige Deputatie van de provincie Antwerpen de toelating aan Jan Frans De Backer tot het oprichten van een nieuwe molen: de huidige stenen grondzeiler. In een steen boven de toegangspoort lezen we: "I.F.D.B. - A.M.I.". Hierbij zijn veel houten onderdelen in de stenen molen hergebruikt. Later kwam de molen door erfenis aan Jacob De Backer, dan aan Jos Peeters-De Backer en nog later aan Jef Van Heyst. Vanaf 1919 werd de molen uitgebaat door Victor De Kinderen die de molen ongeveer dertig jaar in bezit heeft gehad. In 1946 verkocht hij de molen aan Emiel Rombouts. Hij maalde tot in 1958, maar liet ook daarna de molen nog af en toe draaien. In 1976 werd de molen grondig hersteld door molenmaker Caers uit Retie. De molen kreeg nieuw hekwerk op beide roeden. De kap, de beide schorenparen en de korte spruit werden vernieuwd. De molenromp werd opgeknapt. De lange spruit - een oude roede - kon behouden blijven. Ook werd de staart hersteld.

Ondanks de molennaam was de molen toch niet sterk genoeg: in 1977 brak tijdens het malen (met vier volle zeilen) de geklinknagelde buitenroede (fabrikaat Verhaeghe, nr. 1211, 26,50 m, geplaatst op 23.10.1934). De gebroken roede werd vervangen door een gelaste stalen roede gemaakt door Peel (uit het West-Vlaamse Gistel) en meet 26,5 m. De binnenroede is een geklonken potroede (genoemd naar de Nederlandse fabrikant Pot) uit 1903, afkomstig van een poldermolen van de Purmer in Nederland en is 26,3 m lang.

De molen is nog steeds maalvaardig, maar de bebouwing in de omgeving (ondanks de bescherming als dorpsgezicht in 1981!) zorgt voor een ernstige windbelemmering. Hopelijk krijgt hij snel een flinke opknapbeurt: uitstel zou zeker tot verval (en grotere onkosten) leiden. Vraag is of de oude, maar waardevolle potroede nog behouden kan blijven.

Tekst: Rob Simons, Sint-Huibrechts-Lille

Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

11 nov 2005, 12:36

Afbeelding
Willibrord


Sint Willibrordus (658 - 7 november 739), bisschop, bekend als de "apostel van de Friezen."

Willibrordus, die in Northumbria geboren werd als zoon van godvruchtige en pas bekeerde ouders, werd als zevenjarige jongen door zijn vader Wilgis als oblaat* toevertrouwd aan het klooster van Ripon (nabij York, waarop zijn vader zich als kluizenaar in de buurt daarvan vestigde bij de monding van de rivier de Humber. *(kloosterling die nog geen belofte heeft afgelegd)

In Ripon groeide Willibrordus op onder de invloed van Sint Wilfridus (Egbert), de bisschop van York, die temidden van de daar heersende Katholiek-Celtische traditie een voorstander was van de Roomse lijn.

Op zijn 20ste verkoos Willibrordus te vertrekken naar het "eiland der Heiligen", naar Ierland. Nadat hij zich onderworpen had aan een strenge tucht in het klooster van Rathmelsigi werd hij daar in 688 tot priester gewijd. Vervuld van de geest van "peregrinatio" *, de mystieke wens om het aardse thuis te verruilen voor de bekering van heidense volken, stak hij met 11 gezellen in 690 over naar het Europese vasteland, en verkondigde daar het christelijk evangelie aan de Friezen, die zich steeds tot de bekering hadden verzet. *('Peregrinatio pro Christo’ = de vreemdelingschap omwille van Christus)

In 690 reist hij met twaalf gezellen naar Friesland om het voorbeeld te volgen van Jezus Christus die rondtrok om zijn blijde boodschap te verkondigen. Hij komt te Katwijk aan land. Vandaar uit bezoekt hij een groot eilandengebied dat zich uitstrekt van de Lauwerszee tot België en Luxemburg toe. Het Germaanse heidendom wordt sterk bepaald door natuurverering, met heilige bomen en stenen en water als levensbron. In de legendes over de apostel spelen waterbronnen en putten een grote rol omdat hij tegenover de natuurverering van de Germanen Christus stelt als enige en eeuwige bron.

In tegenstelling tot de missionarispraktijk van de Iers-Schotse monniken, die bij de evangelisatie geen systeem hanteerden, organiseerde Willibrordus zijn missionering pragmatisch en doordacht. Zo zocht hij eerst de bescherming van Pepijn II, die de Friese koning Radbod tot over de Rijn had teruggedreven, en verzekerde zich van een pauselijke goedkeuring toen hij na twee moeilijke reizen naar Rome in 695 door Paus Sergius I tot aartsbisschop der Friezen werd gewijd, waarbij Utrecht zijn zetel werd. Door de aanbeveling van Pepijn kreeg Willibrordus van de Frankische adel een grote hoeveelheid landgoederen geschonken, en bouwde daarmee heel wat kerken en kloosters. En zo ontving hij dan in 698 de eerste helft van een veel groter landgoed van Irmina, de abdesse nabij Trier, die de moeder van Pectrudis, de vrouw van Pepijn II, was. Toen Pepijn II hem later ook het resterende deel van dit landgoed schonk, was Willibrordus in staat om het klooster in Echternach te stichten, de plaats waar hij graag zijn missietochten voorbereidde naar het woelige Frisia (de Friezen), en zelfs naar Denemarken en Thuringia (Thüringen in Duitsland). Echter pas toen Karel Martel voorgoed zijn aartsvijand Radbod verslagen had, verminderden ook de vele tegenslagen die Willibrordus in zijn werk had moeten verduren. In 719 ontving Willibrordus bezoek van Winfrid, beter bekend als Bonifatius, die na een verblijf van drie jaar naar de Germaanse landen vertrok om het evangelie te verkondigen.

De methode die Willibrordus gebruikt is in feite vernederend voor de Friezen. Hij zoekt ogenblikkelijk politieke en militaire steun bij de grootste belager van het Friese rijk onder koning Redbad, namelijk het toen al christelijk Frankische rijk. Met name hofmeier Pippijn is Willibrords grote beschermheer.

Van het einde van Willibrords leven is niets bekend, behalve dat hij voor zijn dood zijn opvolging had geregeld, zijn grote bezittingen had toegekend en dat hij stierf op 81-jarige leeftijd - uitzonderlijk! Op zijn 70ste verjaardag plaatste hij een aantekening in de kantlijn van zijn kalender betreffende de belangrijkste datums van zijn missionariswerk, en sloot deze af met het gezegde "in Dei nomine feliciter" (voorspoedig, gezegend, gelukkig in de naam van God), waarin hij zijn onwrikbare vertrouwen in God toont. Hij stierf op 7 november 739, en werd op eigen verzoek in Echternach begraven. Al gauw na zijn dood werd hij daar als heilige vereerd. Zijn graf groeide uit tot pelgrimsplaats en wel zo dat in 800 de bescheiden Merovingische kerk al plaats moest maken voor een grotere die wel 60 meter lang was, en wel drie zijbeuken had.

De twee biografieën die er van hem geschreven werden, waarvan de eerste, bij zijn dood, door Alcuin en de tweede, 300 jaar later, door Abt Thiofrid, werd geschreven verhalen de legendes en noemen ontelbare wonderen, zodat de heilige Willibrordus aanzienlijk aan roem en verering won in de Europese kloosters aan deze kant van de Alpen. De Willibrordsputten en bronnen die zijn bekeringswerk op zijn "peregrinatio" markeerden werden bezocht ter genezing van zenuwaandoeningen, vooral die van kinderen. Vandaag nog dragen veel kerkparochies in België, Nederland en langs de Beneden- Rijn (Niederrhein), die verbonden waren met het klooster van Echternach, de naam Sint Willibrordus. Een voorbeeld daarvan zijn de parochies Deurne en Bakel, waar goederen (en in Bakel een kerk) in 721 door edelman Herelaef aan Willibrordus werden geschonken.

Ook bedevaartsgangers die in Echternach deelnemen aan de springprocessie tonen nu nog hun trouw aan de patroonheilige. Hoewel de oorsprong van deze processie onbekend is blijft ze wellicht nog behouden door haar eigenaarigheid. Deze bestaat eruit dat er 3 stappen naar voor gezet worden en 2 naar achteren. Elk jaar vindt deze processie met duizenden deelnemers en bezoekers plaats op de dinsdag na Pinksteren, ter ere van de nagedachtenis van een heilige met Europese dimensies. Sint Willibrordus wordt ook wel de apostel van de Benelux genoemd.

Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

12 nov 2005, 11:37

Afbeelding
Nicolaïkerk (Utrecht)


Utrecht: NicolaikerkDe Nicolaïkerk is een kerk in de stad Utrecht.

De kerk werd gebouwd in het begin van 12e eeuw als de tweede parochiekerk van Utrecht. De naamsverwijziging naar Sint Nicolaas wijst er op dat dit onder andere de kerk van vissers en schippers was. De parochie besloeg een groot gebied dat zelfs de dorpen De Bilt en Vechten omvatte.

Van de oorspronkelijke kerk in Romaanse stijl resteert aan de buitenzijde alleen nog het tweetorenfront. In de 15e eeuw werd de kerk ingrijpend verbouwd tot een hallenkerk in Gotische stijl. Delen van het interieur hebben echter nog een aanwijsbare Romaanse oorsprong.

In 1529 werd de Nicolaikerk kloosterkerk; nadat de Karmelieten gedwongen waren hun kerk en klooster (resp. de huidige St. Catharinakathedraal en het Catharijneconvent) af te staan aan de Johannieterorde kregen ze de Nicolaikerk toegewezen. In 1566 werd de kerk getroffen door de Beeldenstorm. In 1579 werd de kerk overgenomen door de protestanten.

De kerk bezit een tweetal orgels van de Deense orgelbouwer Marcussen. Het hoofdorgel (1956) geldt als het voorbeeld voor de naoorlogse orgelbouw in Nederland. Jaarlijks is er in de kerk een bloeiende serie Zomerconcerten en Nachtconcerten georganiseerd door de Stichting Culturele Evenementen Nicolaïkerk. In 2006 wordt het 50-jarig bestaan van het hoofdorgel gevierd tijdens het 10-daagse KlankKleurenFestival.

De zuidertoren van de kerk herbergt een prachtige beiaard van de gebroeders Pieter en Francois Hemony. In de zuidertoren hangen vier fraaie luidklokken gegoten door Petit en Fritsen, in de Noordertoren hangt een zware luidklok van de klokkengieter Waghevens.

Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

13 nov 2005, 13:26

Aalsmeer
Afbeelding
Geschiedenis
Oorspronkelijk was het Stommeer eigendom van de graven van Holland, evenals de meren rondom Lisse. Later werd de stad Leiden eigenaar van deze meren. Door financiële problemen van de drie hoofdkerken van Leiden moest de stad geregeld bijspringen. Om de kerken meer financiële armslag te geven besloot de stad in 1622 de kerken octrooi te verlenen om het Hellegat en het Geestwater met de Noord- en Zuidpoel bij Lisse en het Stommeer bij Aalsmeer droog te maken. Begonnen werd in 1624 met de bedijking en droogmaking van de meren bij Lisse. Deze droogmakerij leverde minder op dan waar op was gehoopt, maar bovendien bleken er grote risico's te kleven aan het droogmaken van meren. Het recht om de Stommeer droog te maken werd rond 1625 dan ook verkocht aan een paar rijke Amsterdamse kooplieden, waarvan David van Baerle de voornaamste was. Omdat de oevers van het Stommeer te slap werd bevonden voor het maken van een ringdijk werd eerst zoveel mogelijk land aangekocht rondom het meer, zodat zoveel mogelijk bestaande wegen als zodanig konden gaan fungeren. Hierdoor verkreeg de droogmakerij een vierkant gedaante.


Voor het droogmalen van het meer werden er in 1650 door de Warmondse molenmaker Bartholomeus Clinckenberg twee achtkante buitenkruiers gebouwd. Blijkens het bouwbestek hadden deze molens nog geen lange spruit, maar moesten de lange schoren aan twee veel langer gehouden roosterhouten worden bevestigd. Aangezien de familie Van Baerle samenwerkte met de uitvinder van de vijzel, Symon Hulsebosch, hoeft het geen verbazing te wekken dat het vijzel- of schroefmolens werden. Beneden het IJ is de Stommeerpolder vermoedelijk de eerste droogmakerij die door vijzelmolens tot stand is gekomen.


De molens werden geplaatst langs de noordoostelijke ringdijk, destijds Geylwijkerlaan geheten. In 1650 is de droogmakerij door landmeter Claes Stierp in kaart gebracht. Op deze kaart staan beide molens aangegeven, de ene bij de voormalige brug over de geylwijkerwatering, op de plaats van de huidige molen, de andere 150m te zuidoosten hiervan. Verder is de bestaande verkaveling en de te maken verkaveling aangegeven. Hieruit valt op te maken dat de tweede molen slechts bedoeld was voor de droogmaking van het meer en niet voor het drooghouden, want naar deze molen is geen hoofdwatergang ontworpen. Na het droogmaken van het meer wordt deze molen dan ook verkocht.


De andere molen wordt op 19 augustus 1854 door een windhoos getroffen waarbij de kap van de molen werd afgerukt en het achtkant ontzet. Die zelfde maand waren de bovenas en roeden juist vernieuwd. Het achtkant blijkt weer op de fundering te schuiven, maar de kap en het gevlucht moet grotendeels worden vernieuwd. Op 4 december 1919 wordt de molen onder het malen door de bliksem getroffen, waarop de molen geheel afbrandt. Hierop wordt molen nr. 1 van de Griet- en Vriesekoopsepolder te Leimuiden aangekocht.
********
Afbeelding

De Griet- en Vriesekoopsepolder, gelegen tussen de Drecht en de Westeinderplas, werd bemalen door drie grote vijzelmolens, waarvan nr.1 en nr. 2, geplaatst op de Drechtdijk, niet ver van Bilderdam, in 1742 werden gebouwd. Een paar jaar later komt de derde molen tot stand, die even ten westen van Leimuiden wordt gebouwd. Molen nr. 1 wordt ook wel de Oostmolen, molen nr. 2 de Westmolen en molen nr.3 de Grietmolen genoemd. In 1909 wordt de kap van de Oostmolen afgemalen. Met het aankopen en vermaken van een kap van een binnenkruier die bij Medemblik stond, wordt de schade weer hersteld. In 1917 wordt de Westmolen afgebroken en op de fundering wordt een elektrisch gemaal gebouwd. De Grietmolen wordt in afgeknotte vorm aan de molenaar verkocht en de Oostmolen blijft in bedrijf om stroom te besparen. In 1920 wordt deze molen voor 3500 gulden door de Stommeerpolder aangekocht en door molenmaker Boot van Oude Wetering gedemonteerd en in Aalsmeer weer opgebouwd.


De Vriesekoopse molens hadden een vlucht van 27.62m, maar de oude Stommeermolen was met zijn vlucht van 24.50m veel kleiner waardoor molen nr.1 niet rechtstreeks op de veldmuren kon worden gezet. Men heeft de veldmuren daarom tot 60cm onder het maaiveld afgebroken en over de buitenzijde van de penanten een ringbalk van gewapend beton gestort en verder werden de nieuwe muren veel minder hellend gemetseld. De fundering van de oude molen bestond uit acht zware penanten, waartussen spaarbogen voor de veldmuren waren geslagen.


Verder was de molen voorzien van een gemetselde vijzelkom waarin aan het begin van de kom een nis was gespaard. In deze nis draaiden twee kleppen, die gesloten zijnde deel uitmaakten van de kom. Door deze kleppen open te zetten werd de lekspleet met de vijzel vergroot waardoor er uit de vijzel water terug liep. Hierdoor werden de compartimenten minder gevuld, waardoor de belasting verminderde. Op deze wijze kon men de molen ook bij minder sterke wind "aan de praat houden". Bij de oude molen, die voorzien was van een ondermolen of hel, konden deze kleppen, via kettingen en een windwerk, vanuit deze ruimte worden bediend. Het woongedeelte was daardoor hoger gelegen en was via buitentrappen toegankelijk. Bij de nieuwe molen verviel deze ondermolen, waardoor het windwerk noodzakelijkerwijs buiten bij de vijzeldeuren moest worden opgesteld. Ondanks deze kleppen vond men dat de molen zwaar liep. Omstreeks 1915 werd daarom besloten de diameter van de vijzel 5 cm kleiner te maken en de gemetselde kom met specie af te smeren.


In het najaar van 1927 werd besloten om de molen "aëroplanisch" te maken (te verdekkeren), maar op 24 december van dat jaar raakt de molen in een sneeuwbui op hol en bij het vangen breekt de bovenas en stort het wiekenkruis omlaag. Met een tweedehands as en roeden wordt de molen door molenmaker Dekker weer maalvaardig gemaakt, maar gelijk werd besloten om plannen te maken voor elektrische bemaling. In de loop van 1929 wordt de vijzel uitgenomen om plaats te maken voor een zuigbuis. In de molen komt een traforuimte en een gemaalruimte met centrifugaalpomp en motor. De spil wordt daartoe ingekort tot op de eerste legering, maar bij de komst van een nieuwe machinist in 1967 verdwijnt het restant en het bovenschijf alsnog. In dat jaar wordt er naast de molen een nieuw gemaal gebouwd voor de bemaling van zowel de Stommeerpolder als de Hornmeerpolder. Vanaf de zeventiende eeuw hadden beide polders altijd hun eigen bemaling gehad, maar door het bebouwen van de polders schoot de capaciteit van beide gemalen tekort, waardoor besloten werd de polders te combineren.


In 1987 werd de molen overgedragen aan de Rijnlandse Molenstichting, die kort daarop de transformator uit de molen laat verwijderen. In 1999 wordt besloten om de beide waterlopen, die in zeer slechte staat verkeerden, op te knappen en daarbij tevens de molen weer maalvaardig te maken. Bij deze operatie zijn ook de beide vijzelkleppen werkend gemaakt en verder is ook het rietdek vernieuwd. Sinds maart 2001 was de molen weer maalvaardig, maar in de zomer bleek dat de beide gelaste roeden uit 1967 hier niet tegen bestand waren. In 2002 zijn beide roeden vervangen en voorzien van Van Busselstroomlijnneuzen ter uitvoering van het besluit dat het polderbestuur reeds in 1927 had genomen. Eind april 2002 kon de molen hiermee weer malen


Zie onder aan de pagina de zeer uitgebreide gegevens van de Stommeermolen met dank aan Jan Hofstra
Korenmolen de Leeuw 1863
De Zwarte ruiter
is mometeel in restauratie
*****
Afbeelding
Stommeermolen bouwjaar 1920.
***
Afbeelding
De Zwarte ruiter.
*************
Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

14 nov 2005, 12:00

KORENMOLEN NOOIT GEDAGT

WOUDRICHEM


Geschiedenis



De voorganger van de huidige molen dateert uit oorspronkelijk uit 1662. Waarschijnlijk is dat overigens ook een voorganger geweest van de molen die in 1945 ter plaatse vernietigd werd. Naar men aanneemt heeft echter op deze plaats veel eerder een molen gestaan. Blijkens een opsomming (van rond 1280) van goederen die van de Graaf van Holland in leen werden gehouden, blijkt reeds sprake te zijn van een windmolen te Woudrichem. Vroeger was het gebruikelijk dat een stad één of meerdere stadsmolens kende, waarvan het stadsbestuur eigenaar was. De molen werd verpacht aan een molenaar, die bevoegd was voor derden (boeren en bakkers) het graan tot meel te malen. De molenaar werd veelal in natura uitbetaald


Afbeelding


Korenmolen Nooit Gedagt staat van oudsher op de stadswal van de vestingstad Woudrichem. De stadswal maakt onderdeel uit van de in 1583 in opdracht van Prins Willem van Oranje door Adriaan Antonisz opgerichte verdedigingswerken. Woudrichem maakt samen met Gorinchem en Slot Loevestein deel uit van de zogeheten 'ijzeren driehoek'. De molen werd in 1862 voorzien van de achtkant gemetselde bovenbouw. De onderbouw van vroegere datum bood eerst plaats aan een houten achtkant
Afbeelding
Afb.: De Nooit Gedagt met de Martinuskerk, omstreeks 1920.
Op 21 april 1945, in de nadagen van de oorlog, werd de molen door de Duitse troepen opgeblazen. De molen was toen in het bezit van M. Versteeg en werd bemalen door ene Ambrosius. In 1981 heeft het bestuur van het Visserij- en Cultuurhistorisch museum het idee geopperd de molen te herbouwen. In 1983 is in overleg met het dagelijks bestuur van de gemeente besloten om een werkgroep in te stellen die de mogelijke herbouw zou gaan onderzoeken. Bij notariële akte werd in 1984 de Stichting Herbouw Molen Nooit Gedagt opgericht. De daarop volgende jaren vergden het bouwtechnische onderzoek meer dan normale inspanningen. In eerste instantie werd nog gedacht aan het aankopen van een molen in België.Van de molen waren nauwelijks technische gegevens voorhanden. Aan de hand van foto's en beschrijvingen van de molen is door molenmakerij Fa. Straver te Almkerk een eerste ontwerp met globale begroting opgesteld.



Aan J. den Besten te Loenen aan de Vecht werd opdracht verleend om de bouwtekeningen en het bestek op te stellen. De bouwtekeningen en het bestek kwamen in respectievelijk 1988 en 1989 gereed. In 1989 nam de gemeenteraad van Woudrichem het besluit de grond, waarop de molen gebouwd zou gaan worden, voor een symbolisch bedrag aan de stichting over te dragen.

Na het verlenen van de bouwvergunning begin 1990, was de voorbereiding technisch volledig afgerond.



De fondsenwerving kwam langzaam op gang. Per 31 december 1987 beschikte de stichting over ƒ 13.000. Een jubileumactie van bouwbedrijf Fort Bouw B.V. te Woudrichem leverde de stichting ƒ 50.000 op. Tegelijkertijd zegde het bestuur van het Visserij- en Cultuurhistorisch museum een bedrag toe van ƒ 150.000. Nadat in 1989 door het toenmalige Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur een bedrag van ƒ 200.000 werd geschonken stond de teller op meer dan ƒ 500.000. Het besluit dat tot daadwerkelijke start van de herbouw kon worden overgegaan werd dan ook in 1989 genomen. In het voorjaar van 1991 stelde de provincie Noord-Brabant uit het Stadsvernieuwingsfonds ƒ 150.000 ter beschikking waarmee het begrote totaalbedrag van ƒ 800.000 met rasse schreden in zicht kwam. Middels acties zijn de overige middelen verzameld.


Afbeelding
Op 5 mei 1990 is de herbouw gestart en werd door minister Alders de eerste paal geslagen. In de loop van 1990 werd de betonfundering gestort en is de gietijzeren bovenas gegoten bij Gieterij Hardinxveld. Bij het gieten van de as is gebruik gemaakt van de eigen mal van de Fa. Straver te Almkerk. In 1991 gaf het bestuur van Stichting Herbouw Molen Nooit Gedagt de definitieve opdracht voor het metselwerk en verbonden houtwerk (stelling, vloeren en trappen) aan aannemingsbedrijf Van Straten B.V.. Het molenmakerswerk werd gegund aan de Fa. Straver te Almkerk. Op 27 april 1991 werd door M.J.Chr.Worrell, toenmalig burgemeester van Woudrichem en tevens voorzitter van de stichting, de 'eerste steen' gelegd. De in 1662 gebouwde molen stond circa 5 meter westelijk van de plaats waar de huidige molen is gebouwd. De oude plaats is in het straatwerk (verkleind) aangeven.

Afbeelding
Het metselwerk van de achtkante romp kwam in 1992 gereed, inclusief vloeren, trappen en stelling. Op 28 april 1995 plaatsten molenmakers Straver uit Almkerk de kap met het gevlucht. Hiermee werd de kroon op het werk geplaatst, 50 jaar nadat de molen door vernietiging uit het stadsbeeld was verdwenen. In 1995 is de molen maalvaardig gecompleteerd.

Afbeelding
Afb: Het onder grote belangstelling plaatsen van de kap op 28 april 1995

Op 31 mei 1996 vond de officiële opening plaats. De enige achtkante stenen stellingmolen van Nederland is vanaf de opening in 1996 door molenaar Peter Voogt op (semi-)professionele basis bemalen.Vanaf 1 juli 2004 heeft Bart Mols zijn werkzaamheden overgenomen
Afbeelding


Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

15 nov 2005, 13:44

Parochie Sint-Rombout
************
Afbeelding

Geschiedenis top

De Sint-Romboutskathedraal met haar machtige toren beheerst Mechelen en omgeving. Vanuit alle richtingen heeft men telkens een wisselend uitzicht op toren en kerk. Beide zijn meesterwerken van de gotiek. Vooral het hoogkoor en de toren zijn stralende voorbeelden van de Brabantse gotiek. Toch is de Sint-Romboutskathedraal geen museum. Zij is een kerk, een ,,woontent van God", een gewijde ontmoetingsplaats van God met de mensen. Als Mechelse stadskerk werd zij gebouwd ter ere van de heilige Rombout en aanvankelijk beheerd door een college van kanunniken; zo was zij destijds een collegiale kerk. Door de pauselijke bul ,,Super universas" werd zij in 1559 de zetelkerk van een aartsbisdom, een metropolitaanse kerk. In het gewone spraakgebruik noemen wij ze een kathedraal of zetelkerk van een bisschop. De Sint-Romboutskathedraal is een driebeukige in kruisvorm gebouwde basilica met kruisribgewelven, een door straalkapellen omringd koor en één enkele zware westertoren. De steil opstijgende muren worden van buiten door steunberen en luchtbogen geschraagd. De bouw van de kathedraal liep over drie eeuwen: zodoende weerspiegelt zij de ontwikkeling van de gotische stijl. Te allen tijde was zij nauw met het leven van de stad verbonden en in de loop der eeuwen deelde zij het wel en wee ervan. In haar knielden Bourgondische hertogen, Habsburgse vorsten en andere gekroonde hoofden. In 1491 hielden de ridders van het Gulden Vlies er hun kapittel. Maar ook de eenvoudigen, de naamlozen, waren er welkom en voelden er zich thuis. Binnen haar muren werden mensen gedoopt, huwelijksbanden gesloten, priesters gewijd en gelovigen ten grave gedragen. Het interieur van de kathedraal is maar een schaduw meer van de luisterrijke tempel uit de middeleeuwen, toen meer dan veertig altaren - vaak bekroond met sierlijke retabels - in het getemperde licht baadden, dat door de gebrandschilderde ramen naar binnen viel. Geplunderd en leeggeroofd, gesloten en aan het verval prijsgegeven, werd zij mettertijd moeizaam hersteld; zo kreeg zij een nieuw en soberder gelaat. Maar al is die vroegere luister voor altijd verdwenen, toch blijft de Sint-Romboutskathedraal met haar gedurfde afmetingen, haar prachtige ruimte, haar schitterende hoogkoor, een indrukwekkend en onvervangbaar bouwwerk. Haar interieur biedt een rijke schakering van gotiek over barok, classicisme en neogotiek naar recentere stijlen toe
*******
Voorgeschiedenis
***************
Afbeelding
Waar nu de Sint-Romboutskathedraal staat, bevond zich tevoren een ietwat kleiner kerkgebouw met een vierkante westertoren. Wellicht was het een romaans bouwwerk, dat een nog vroegere kerk verving. De schaarse historische gegevens die wij bezitten, geven daaromtrent geen zekerheid. Sommige historici spreken over de ,,kerk van Notger". In de 10 de eeuw zou er in Mechelen een abdijkerk bestaan hebben, die tot het domaniale bezit behoorde van het prinsbisdom Luik: die kerk werd in 992 door prinsbischop Notger begiftigd met een kapittel van twaalf prebenden en werd aldus een collegiale kerk. Bestond die kerk toen met de bouw van de huidige kathedraal werd begonnen, en werd zij bij het optrekken van het nieuwe kerkgebouw geleidelijk afgebroken? Was zij - zoals sommigen menen - toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw of aan de heilige Maria-Magdalena? Of had zij reeds als patroon de Ierse eremijt Rombout uit de 7de eeuw, die vrij vlug als martelaar werd vereerd en van wie de relieken tot in de l3de eeuw bewaard werden in de voormalige Sint-Romboutskapel op een boogscheut van de Sint-Romboutskerk? Vele vragen blijven aldus onbeantwoord. Enkel een grondig archeologisch onderzoek in de kathedraal zou enig licht kunnen werpen op haar voorgeschiedenis.
********************
Bouwgeschiedenis top

Rond 1150, toen in heel Europa nog romaanse kerken werden gebouwd, ontstond in Frankrijk uit een combinatie van het normandisch ribgewelf en de bourgondische spitsboog een nieuwe stijl: de gotiek. De eerste grote kerkgebouwen van Senlis, Laon en Notre-Dame te Parijs werden rond die tijd begonnen; verbazend snel verspreidde de nieuwe bouwstijl zich over West-Europa en nam in elke streek eigen vormen aan. Zo kwam hier de Brabantse gotiek tot stand, waarvan de Sint-Romboutskathedraal al de kenmerken bezit: ronde zuilen, met gekrulde koolbladeren getooide kapitelen, het doorlopend maaswerk van de bovenramen over triforium en zwikken, een zware westertoren boven de hoofdingang. De bouwgeschiedenis van de Sint-Romboutskathedraal loopt over ongeveer drie eeuwen, zodat in haar buiten- en binnenarchitectuur de ontwikkeling van vroeg naar hooggotiek duidelijk weerspiegeld wordt. Met de machtige toren werd pas begonnen toen het kerkgebouw zelf reeds grotendeels voltooid was; hij werd in circa vijfenzestig jaar opgetrokken en is - hoewel onvoltooid - een juweel van Brabantse hooggotiek. Kerk en toren werden oorspronkelijk in zachte kalkzandsteen uit Balegem opgetrokken en worden thans hersteld in Massangissteen uit Bourgondië. De basilicale kerk (lagere zijbeuken rond een hoog middenschip) heeft de vorm van een Latijns kruis. Men onderscheidt in de bouwperiode van de kathedraal drie perioden. In een eerste periode (Ca. 1200 tot ca. 1320) werden de zuidelijke en noordelijke kruisbeuk, de zijbeuken en het hoofdschip opgetrokken. Aansluitend begon men met de eerste drie traveeën van het koor. Sommigen vermoeden dat de vroegere kerk stuksgewijs werd afgebroken om plaats te maken voor het nieuwe kerkgebouw. Het werk begon kort na 1200. Het oudste gedeelte is de oostelijke muur van de zuidelijke dwarsbeuk (achter het Sint-Anna-altaar met het schilderij ,,Jezus aan het Kruis" van Antoon van Dyck) waar in 1899 oude muurbogen werden ontdekt, die als een aarzelend begin in vroeg-gotische stijl mogen worden beschouwd. Dan volgden de vier machtige pijlers van de viering; de zuidelijke en de noordelijke dwarsbeuk waren omstreeks 1250 voltooid. Tussen 1250 en 1310 werden dan het schip en de zijbeuken opgetrokken. In de loop van die lange jaren gingen de elkaar opvolgende bouwmeesters, hoewel trouw aan het grondplan, toch elk naar eigen inzicht en mogelijkheden te werk, zodat merkwaardige onregelmatigheden voorkomen bv. de basis van de arduinen zuilen van het middenschip. Rechts en links verschillen ze in vorm en in afmetingen, wat er wellicht op wijst dat de kerk van zuid naar noord werd voltooid. Op 28 april 1312 werd de kerk ingewijd en in gebruik genomen: op dat ogenblik werd nog gebouwd aan de rechte koortraveeën die pas werden voltooid in de eerste helft van de l4de eeuw.
Na een pauze begon een tweede bouwfaze (Ca. 1365 tot 1451). Tussen de eerste en de tweede bouwfase situeert zich de grote stadsbrand in mei 1342, die - naar algemeen aangenomen wordt - ook het dakgebinte boven de kerk zwaar zou hebben toegetakeld. In elk geval werd het werk stilgelegd en hield het kapittel gedurende een kwarteeuw zijn diensten in de naburige Sint-Katelijnekerk. Tijdens de tweede bouwperiode, die ruim tachtig jaar duurde, werd de middenbeuk hoger opgetrokken en van een nieuw triforium voorzien. Ook werd het koor, waarvan tot dan toe enkel de aanzet bestond, vergroot met een absis en met zeven straalkapellen. Koor en straalkapellen waren in 1393 afgewerkt. Tussen de eerste en tweede bouwfase was de gotiek sterk geëvolueerd zodat het koorgedeelte reeds tot de hooggotiek behoort. Hierbij speelde een Franse bouwmeester uit Picardië, Jan van Osy, een markante rol. Hij volgde de lijn van de Franse moederschool en schiep de Brabantse hooggotiek, die in onze gewesten opgang zou maken. Vermoedelijk in 1437 werd het kerkschip overwelfd; met de zijbeuken was dit toen reeds gebeurd. Het koor kreeg zijn overwelving in 1451, het jaar van de eerste aflaat-bul van paus Nicolaas V, die voor de verdere afwerking van de kerk en de bouw van de toren zeer belangrijk zou worden.
Een derde bouwfase (1452-1520) betreft de zijkapellen van de noordelijke zijbeuk en de toren. Kort na 1500 werden tegen de noordelijke zijbeuk drie kapellen (5, 6, 7) gebouwd. Zij verschillen in grootte en vorm. De westelijke kapel (5) strekt zich uit over drie traveeën. De meest oostelijke kapel (8) die tot een vroegere bouwfase behoorde, werd in 1931 vergroot en aangepast. De beroemde Sint-Romboutstoren werd ontworpen door de leden van de familie Keldermans; met de bouw ervan werd pas begonnen na het optrekken van de kerk. Volgens een bewaard plan (zie de maquette in de hoofdingang, onder het neogotisch doksaal) bestaat hij uit een onderbouw van 350 voet (90 m.) en een opengewerkte naaldspits van 77 meter, zodat hij een totale hoogte van 167 meter zou bereikt hebben. Van de spits werden echter maar zeven meter gerealiseerd, zodat de huidige toren ongeveer 97 meter hoog is. De eerste steen werd gelegd op 22 mei 1452 en de bouwkosten werden hoofdzakelijk gedekt door giften van de gelovigen die in 1451 en volgende jaren naar Mechelen kwamen om de aflaat te verdienen van het grote jubileum, dat door paus Nicolaas V aan de stad verleend werd. Rond 1520 werd het werk - waarschijnlijk om financiële reden - stopgezet. De Sint-Romboutstoren is als bouwwerk uniek. In feite bestaat hij enkel uit zijn vier dubbele hoekpijlers die naar boven toe langzaam versmallen; zij dragen het hele torenwicht. De middenpijlers spelen in de constructie geen essentiële rol: aan westen oostzijde raken zij de grond niet, aan noord- en zuidzijde zijn ze hol en omsluiten wenteltrappen. Bovendien heeft de uitbundig versierde toren een juweel van Brabantse hooggotiek - een ondiepe fundering: de grondvesten hebben slechts 2,80 m. diepte bij een uitsprong van amper 46 cm.! Na deze drie bouwfasen kan men nog enkel spreken over herstellingswerken en minder belangrijke uitbreidingen. In 1626 werden de zijportalen aangebouwd in sobere barok. In september 1914, na het uitbreken van Wereldoorlog I, werd vooral de zuidkant van de kathedraal door beschieting getroffen; nog tijdens die oorlog werd de schade hersteld.
In augustus 1972 vernielde een spectaculaire brand het dakgebinte boven het koor en viering. De schade kon vrij vlug worden hersteld. Ondertussen is de toren tussen 1963 en 1993 gerestaureerd en werd de buitenrestauratie van de kerk in 1981 begonnen.
***************************************
Afbeelding
Afmetingen: Totale lengte van kathedraal en toren circa 118 m; Lengte van de kerk 99,50 m. Lengte van het koor 30 m; Breedte van het schip 25 rn, Breedte van de middenbeuk en het koor 13,30 m; Lengte van de dwarsbeuk 41,20 m; Breedte van de dwarsbeuk 13 m; Hoogte van het gewelf in middenschip en koor 28 m; Oppervlakte van de kathedraal: 3870 m2.
*************

morgen verder
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

16 nov 2005, 12:40

Afbeelding

De bezoeker die bij de hoofdingang de ruimte van de kathedraal overschouwt, wordt getroffen door de overzichtelijkheid en de eenheid van de architectuur. De opeenvolging van de bijna identieke traveeën met de drieledige opstand, de ronde zuilen met koolbladkapiteel, de versmelting van raam en triforium, en de vierdelige gewelfvlakken, loopt onafgebroken door tot de absis van het koor. Zij wordt enkel onderbroken door de viering met haar zware geprofileerde pijlers. Het oorspronkelijk contrast tussen het l3de eeuwse schip en het koor dat zijn volgroeide vorm in de l4de eeuw ontving, werd in de loop der eewen door grote en kleine ingrepen van de bouwmeesters verdoezeld. In de zijbeuken is het verschil opvallender: de halfronde muurzuilen van de zijbeuken worden ranke bundelpijlers in de kooromgang. De kapellen bij de noordelijke zijbeuk werden eerst na 1500 gebouwd: dat blijkt vooral uit de netgewelven, en de blinde wandgalerij met haar gedrukte boogjes die een sponsachtige versiering hebben. Ook de benedenverdieping van de toren kreeg toen haar gestalte. In zijn verbeelding moet die toeschouwer het pas uit de l9de eeuw daterende doksaal wegdenken om te beseffen hoe de torenbouwers erin geslaagd zijn de ruimte onder de toren één geheel te laten worden met het kerkschip. Bij een eerste rondgang valt al dadelijk op dat de gotische ruimte in hoofdzaak barok gemeubileerd is. Wat tijdens de godsdiensttroebelen tussen 1566 en 1585 niet vernietigd of verwijderd was, moest later toch plaats maken voor de eisen van de nieuwe smaak. Dat was bijvoorbeeld het geval met de gebrandschilderde ramen uit de l5de en de l6de eeuw die de troebelen overleefden maar die men in de tweede helft van de l8de eeuw uit hun stenen lijsten nam omdat men meer licht wenste. Alleen de Mariacoon en de blazoenen van de Gulden-Vliesridders blijven nog over uit het gotisch tijdperk. Maar zelfs de barokinrichting is niet integraal tot ons gekomen: na de Franse revolutie moest de kerkfabriek heel wat schilderijen, beelden, alta-ren en koperwerk ten gelde maken om de noodzakelijke herstellingen aan het bouwwerk te kunnen betalen. Ook de marmeren, met koperen balusters voorziene afsluitingen van de kapellen alsmede de koorafsluiting werden toen verwijderd. In de tweede helft van de l9de eeuw begon men weer met ijver, en nu zonder de bijstand van gilden en ambachten, de kerk gedeeltelijk volgens neogotische opvattingen te vernieuwen. Maar zelfs de barokinrichting is niet integraal tot ons gekomen: na de Franse revolutie moest de kerkfabriek heel wat schilderijen, beelden, alta-ren en koperwerk ten gelde maken om de noodzakelijke herstellingen aan het bouwwerk te kunnen betalen. Ook de marmeren, met koperen balusters voorziene afsluitingen van de kapellen alsmede de koorafsluiting werden toen verwijderd. Ook daarvan echter werd heel wat verniedtigd door de beschadigingen in augustus 1914. Tijdens het interbellum werd de schade geleidelijk hersteld. De meeste glasramen dateren uit die periode. De opvallendste verwezenlijking is echter de kapel met het grafmonument van kardinaal Mercier in 1931. Zoals gebruikelijk in de meeste kerken werden overledenen vanaf de middeleeuwen in de kathedraal begraven. Vanaf de l7de eeuw werden die grafstenen vaak verplaatst en als vloerbekleding gebruikt. De grafstenen die nu nog zichtbaar zijn, werden bij de laatste bevloering in 1936 als decoratief element behouden.
************************
Enkele details
****
Afbeelding
Het gebrandschilderd raam in de linkerdwarsbeuk (18,67 m x 8,85 m) werd in 1860 geplaatst door het Mechels atelier van J.-Fr. Pluys (1810-1873). Het stelt de afkondiging voor van het Dogma van Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangen. Het timpaan stelt de schepping van de wereld voor. Naast de figuur van de paus bemerkt men die van kardinaal Sterckx. De man vooraan rechts, als ceremoniemeester gekleed en met de hand aan zijn degen, is de glaskunstenaar J.-Fr. Pluys zelf.
***********
Afbeelding
Zuidelijke (of rechter-) kruisbeuk: Het marmeren Sint-Anna-altaar maakte de Mechelaar Jan van den Steen in opdracht van het metselaarsambacht in 1699. De fries toont ,,de Vier Gekroonden" en de werktuigen van het ambacht. Het schilderij, ,,Christus aan het Kruis" uit 1630 is van de hand van Antoon van Dyck (1599-1641) en sierde vôôr de Franse revolutie het hoofdaltaar van de voormalige minderbroederskerk. Achter het Sint-Annaaltaar zijn nog lage gotische bogen uit de l3de eeuw èn muurschilderingen uit de l5de eeuw zichtbaar van de heiligen Alexis en de heilige Dorothea. Tegen de pijlers van de zuidelijke kooromgang staan links: het beeld van Sint-Jozef en het Kind Jezus, door Lucas Fayd'herbe en rechts het beeld van Sint-Marcus, door Pieter Valckx. Het portaal uit 1715, dat Frans Langhmans maakte van zwarte toetssteen en wit marmer, draagt de buste van Sint-Rombout in een medaillon. Links en rechts van het portaal staan de witstenen beelden uit 1743, van de heilige Gregorius met zijn ganzeveer en de heilige Augustinus met het brandend hart, gebeeldhouwd door Theodoor Verhaegen.
Aan de rechterkant staat de monumentale preekstoel, die Michiel Vervoort (1667-1737) uit Antwerpen in 1721-1723 beeldhouwde voor de kloosterkerk van de norbertinessen van Leliëndael (Bruul, huidige jezuietenkerk). Daar stond hij in volle breedte tegen een vlakke wand. Na de Franse revolutie werd hij in 1809 naar de kathedraal gebracht en door Jan-Frans van Geel (1756-1830) om een zuil weer opgebouwd. Rechts bovenaan wordt de Zondeval en links de Verlossing uitgebeeld. Onderaan wordt de heilige Norbertus (1080-1134) van zijn paard geslingerd en bekeert hij zich (Ca. 1100). De grootse constructie in massief eikehout staat vooral bekend om de voorstelling van het Aards Paradijs met zijn verschillende dieren: pelikaan, salamander, eekhorentje, slang, huisjesslak en kikker. Ook het wondermooie engeltje aan de trap is een fijne vondst van de kunstenaar.

Tegen de buitenmuur van de rechter zijbeuk werden de veertien staties van de kruisweg aangebracht, die Bruno Gerrits in 1925 in witte steen maakte, en bij de doopkapel een porseleinen beeld (1995) van de zalige Pater Damiaan.
**************************

Mechelen, stad met een toren.
Afbeelding
DE SINT ROMBOUTSTOREN

De Sint - Romboutstoren was gepland met een hoogte van 500 Mechelse voet, ongeveer 167 meter.
Momenteel is hij 97.28 meter hoog, er ontbreekt dus een spits van zo'n 70 m.
Aan die spits, achthoekig van vorm en niet meer vierkant zoals de huidige toren, is men echter wel begonnen, dat is namelijk het stuk dat boven het balkon (de trans*) uitsteekt.
De Sint - Romboutstoren moest een oudere toren vervangen, waarover we bitter weinig weten.
Dat hij er stond staat vast want men praat in de archieven over klokken etc.. in de oude St.Rommestoren.
Sommige vermoeden dat deze oude toren deels ingebouwd is in de nieuwe, maar dat is natuurlijk speculatie.
******************************
De trans : Balkon waar vroeger de torenwachter zijn ronde liep om te waken over de slapende Mechelaars.
Bij brand of ander onheil blies hij alarm op zijn trompet, terwijl hij in de juiste richting wees.
's Nachts hing hij een lantaarn aan de zijde waar de brand zich bevond.


Afbeelding
Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

17 nov 2005, 19:42

Hulste (Harelbeke), West-Vlaanderen

Afbeelding


Beschrijving / geschiedenis

De Muizelmolen, langs de Muizelstraat, is ongetwijfeld het mooiste monument van Hulste.

De eerste Muizelmolen werd gebouwd in 1799 door landbouwer Joseph Vandaele uit Hulste. Het was een houten molen op een hoog gemetseld torenkot; die gebruikt werd om graan en oliehoudende zaden te malen. In 1817 stak de buur boer Verhelle uit naijver jegens de toenmalige molenaar Joannes Delaere de molen in brand.

In 1840 werd er de huidige stellingmolen gebouwd. Het bouwjaar is met grijze bakstenen op de molenromp aangegeven. Bij de bouw werd Doorniks kalk en roggemeel gebruikt, terwijl de stenen werden gebakken uit klei van de 'Vryleghem' hofstede. De molen is gebouwd op het hoogste punt van Hulste, namelijk de heuvelkam tussen de Leie- en de Mandelvallei. Het werd een koren- en oliemolen. De korenmolen bezit twee koppel stenen en een haverpletter. De spanwijdte van de wieken bedraagt 25 meter.

Het timmerwerk is van de hand van Jan François Dugardyn. Op de benedenverdieping was een olieslagerij gevestigd. Dit is nu nog te zien aan de drie holtes in de muur en het gat van de schoorsteen. Op de eerste verdieping bevindt zich de maalzolder, met twee toegangen tot de houten gaanderij die de gehele molen omsluit. Op deze zolder werd het meel opgevangen. Aan het plafond is het hefboommechanisme bevestigd om de afstand tussen de maalstenen te regelen.

Nog een verdieping hoger, op de steenzolder, bevinden zich de twee koppels maalstenen, waarvan er één van Franse afkomst is. Eén koppel maalstenen dient om meel voor veevoeder te malen, het andere koppel is om bloem te malen. Normaal moeten hier twee hefboommechanismen aanwezig zijn om de bovenste steen op te tillen. Deze kan gedraaid worden om door een gespecialiseerde steenkapper 'gescherpt' te worden. Op dezelfde verdieping bevindt zich ook de haverpletter.

Nog hoger bevindt zich de luizolder. Hier is duidelijk te zien hoe men de oude verrotte balken hersteld heeft zodat deze opnieuw in de muur dragen. Bij de restauratie werd de buitenkant van de muur met silicone behandeld om waterindringing te voorkomen. Daarboven is er de kapzolder. De hoofdbalk is afkomstig van de eerste molen. De naam van de toenmalige eigenares, Maria Josepha Vandaele, staat er in gegraveerd. In de grenen as staat het jaartal: 1799.

De vroegere grote eiken wiekenas is gemaakt uit hout uit de kasteelbossen van Ooigem. De beweegbare kap draaide eertijds op een paternosterzetelconstructie, die in 1970 vervangen werd door een Engels rollenkruiwerk, waardoor de kap heel wat gemakkelijker gekruid kan worden.

De molen was oorspronkelijk uitgerust met twee paar stenen voor het malen van koren, een haverpletter en een kollergang, zodat ook olie kon worden geslagen. Dit koppel kantstenen werd in 1920 verwijderd en in 1938 werd een mechanische maalinrichting in een afzonderlijk gebouw bijgeplaatst. Het gevlucht heeft een diameter van 25 m, wat uitzonderlijk groot is voor een dergelijke windmolen.

In 1942 werden er belangrijke herstellingswerken uitgevoerd en in 1949 kreeg de molen nieuwe wieken. De oude slechtdraaiende zetel werd vervangen door een nieuwe lichtlopende kapring op 30 gietijzeren rollen. Men plaatste ook een nieuwe stellinggaanderij, nieuwe vloeren, vensters en steenkisten. Op 17 september 1965 brak, terwijl de molen in volle bedrijvigheid was, de houten as af, juist achter de schichten. Het molenkruis stortte naar beneden op de gaanderij, waar het bleef hangen. Pas 4 jaar later startten de herstellingswerken. Uit een molen van Wortel (Nederland), gebouwd in 1871, werd een grenen as aangevoerd. Toch zou de molen niet lang meer werken, want in 1974 besloot de toenmalige molenaar Abias Tuytens wegens gezondheidsredenen alle activiteit stil te leggen.

Een dossier tot volledige restauratie werd door de Heer Gevers uit Kasterlee ingediend bij de dienst Monumenten te Brussel op 20 december 1993 om zo vlug mogelijk de Muizelmolen in zijn oorspronkelijke staat te herstellen. Op 1 juni 1994 waren alle formaliteiten vervuld (zowel de goedkeuring van de verschillende instanties als de overeenkomsten met de aannemers). De restauratie werd uitgevoerd onder de deskundige leiding van architect Gevers uit Kasterlee, een specialist ter zake. Naast de architect was ook de molenmaker van zeer groot belang. Na veel rondvragen viel de keuze op de firma Roland Wieme uit Deinze. Deze voerde het molenwerk uit en hield ook toezicht op de andere restauratiewerken. Het streefdoel was dat de Muizelmolen na de restauratie terug zou kunnen draaien en malen. Na een jaar was de restauratie voltooid. Sedert Open Monumentendag 1995 is de molen terug toegankelijk voor het publiek
*****************
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

17 nov 2005, 19:45

Tiegem (Anzegem), West-Vlaanderen
Afbeelding

Beschrijving / geschiedenis

Deze stenen molen werd in 1880 gebouwd in opdracht van Petrus Verriest en vervangt een houten standaardmolen uit 1735. De olieslagerij van deze houten molen was oorspronkelijk uitgerust met stampers, vandaar de naam Stampersmolen. De nieuwe stenen molen bleef tot 1915 als oliemolen in gebruik en functioneerde vanaf 1916 als korenmolen. De Stampersmolen werd zwaar beschadigd tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar kon in 1921 na herstellingswerken opnieuw in gebruik genomen worden. Restauratiewerken werden uitgevoerd in 1970-1971. In 1986 werd hij enkele meters verderop herbouwd
Afbeelding

Afbeelding
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet

majke
Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
Locatie: europa

18 nov 2005, 17:30

Afbeelding
Adres: Dorpsstraat 5, Gasselte (gemeente Aa en Hunze), provincie Drenthe
Het esdorp Gasselte ontstond in de vroege Middeleeuwen op het hoogste punt van de Hondsrug en begon als een dochternederzetting van Borger. De kerk wordt voor het eerst genoemd in 1362. De bebouwing heeft te lijden gehad van een grote dorpsbrand in 1830. Het dorp kreeg in 1905 een station aan de spoorlijn Assen-Stadskanaal.

De Hervormde kerk, oorspronkelijk gewijd aan Maria, is een driezijdig gesloten, wit-geschilderde kerk voorzien van een dakruiter met ingesnoerde spits. Het oudste deel van het muurwerk stamt mogelijk uit de tweede helft van de dertiende eeuw toen de oorspronkelijke gewelving uit romano-gotische koepelgewelven bestond.

In 1637 en opnieuw in 1647 heeft men de kerk hersteld. Blijkens een gedenksteen volgde in 1787 een ingrijpende verbouwing naar plannen van A. Meursing. Daarbij kwam ook de huidige dakruiter tot stand, ter vervanging van een vrijstaand klokkenhuis uit 1696. In de dakruiter hangt een dor Frerick van Butgen gegoten klok (1603). In 1803 volgde nog een verbouwing en in 1851 werden de buitenmuren gepleisterd.De kerk is in 1957 hersteld en in 1963-’64 gerestaureerd, waarbij de pleisterlaag is vervangen door een witte verflaag.

Het interieur wordt gedekt door een gestukadoord houten tongewelf uit 1851. Tot de inventaris behoren een maniëristische preekstoel (circa 1630), een avondmaalstafel (1680), een houten offerblok met ijzerbeslag (1681), een koperen doopbekken (1696) in een smeedijzeren standaard (circa 1780) en een orgel waarin delen van een door J.C. Scheuer voor de Hervormde kerk te Woudsend gebouwd orgel (1840) zijn verwerkt (aangekocht in 1994). In de vloer ligt een sarcofaagdeksel uit de negende of tiende eeuw, elders staan twee vermoedelijk dertiende eeuwse sarcofaagdeksels en liggen zerken voor Jan Hilbingh (+1709) en de schulte Jan Alingh (+1784).

De pastorie ‘De Weem’ (Lutkenend 2) is een onderkelderd neoclassicistisch middengangshuis, gebouwd in 1844 voor de predikant-landbouwer ds. B. Sanders. In de voortuin staan drie laat-achttiende-eeuwse tuinbeelden (Mercurius, Venus en Apollo), waarschijnlijk afkomstig uit de vechtstreek en door schippers geschonken aan de
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet