Historie van Belgie
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Geschiedenis
Pupurninga villa is de oudste schrijfwijze en dateert van omstreeks 850. Vondsten uit het neolithicum bewijzen dat de locatie toen al bewoond was. Tijdens de Romeinse tijd werd een zijweg van een heerweg aangelegd die Kassel verbond met Poperinge en Aardenburg. Al in de vroege Middeleeuwen speelde de Sint-Bertinusabdij in Sint-Omaars een belangrijke rol in het kerkelijke en economische leven van de Poperingenaars. De abten van de abdij bleven leenheer van Poperinge tot aan de Franse Revolutie.
Diederik van de Elzas, graaf van Vlaanderen schonk Poperinge in 1147 een eerste keure, die nog eens door zijn opvolger Filips werd bevestigd.
De grote motor achter de bloeitijd voor Poperinge in de 13e eeuw was de lakenindustrie. De stad breidde uit en kreeg in 1290 toelating van de bisschop van Terwaan om, naast de bestaande Sint-Bertinuskerk, (zie bezienswaardigheden) twee nieuwe kerken te bouwen. Er schakelden zoveel landbouwers over naar de nieuwe industrie dat landbouwers van elders werden gevraagd om de akkers te bewerken. Toen de lakenindustrie in de 16e eeuw begon te tanen vond men nieuwe inkomsten in de hopteelt.
In 1630 was de abt van de Sint-Bertinusabdij in Sint-Omaars nog steeds de leenheer van Poperinge.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Poperinge, samen met Veurne, de enige Belgische stad die niet door de Duitsers werd bezet. De Lijssenthoek Military Cemetery is de tweede grootste Britse begraafplaats van de Eerste Wereldoorlog (10.800 zerken). Ze lag vlak bij een groot veldhospitaal en dat verklaart waarom men hier graven aantreft van een Britse verpleegster, Chinezen, Amerikanen, Fransen en Duitsers.
Stadhuis van Poperinge
Sint-Bertinuskerk in Poperinge
De Sint-Bertinuskerk is de oudste kerk van Poperinge. Ze werd in 1147 in Romaanse stijl gebouwd, ter vervanging van een kapel die aan de Heilige Katharina was toegewijd.
De kerk raakte tweemaal beschadigd in de 15e eeuw: in 1419 door een brand en in 1436 door Engelsen in hun strijd met de Bourgondische hertog Filips de Goede. Men besloot toen de kerk als hallenkerk te herbouwen.
De kerk zou een hoge, monumentale toren krijgen (te zien aan de massieve onderbouw) maar de bouw werd na de derde verdieping gestaakt. Eerst in de 18e eeuw werd de toren afgewerkt en de klokken opgehangen. De preekstoel, uit 1710, is afkomstig uit het Dominicanenklooster van Brugge. Hij wordt beschouwd als een van de mooiste in België. De kerkfabriek kocht de preekstoel in het begin van de 19e eeuw van een Brugs timmerman. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kreeg hij in Parijs een veilig onderkomen. Het doksaal in laatrenaissancestijl en de gebrandschilderde ramen zijn van hoog artistiek niveau.
Zoals zovele kerkgebouwen kreeg de Sint-Bertinuskerk te maken met de Beeldenstorm. Het beeldhouwwerk in de portalen en het meubilair werden zwaar beschadigd.
Sint-Bertinuskerk (17 jan 2005)Restauratiewerkzaamheden tijdens de tweede helft van de 19e eeuw kregen later zware kritiek.
Zowel tijdens de Eerste als Tweede Wereldoorlog werd de kerk beschadigd; herstellingen gebeurden in 1970.
De kerk toont een opvallend homogeen uitzicht ondanks de oudere elementen in de onderbouw van de noordgevel en is een mooi voorbeeld van de baksteengotiek in de Belgische kuststreek.
In het portaal worden aanplakbrieven met rouwberichten opgehangen: dit gebruik bestaat enkel nog hier, in Torhout en Brugge.
Vlakbij de kerk ligt het Vroonhof, de vroegere residentie van de proost die de abt van de Sint-Bertinusabdij in Sint-Omaars vertegenwoordigde.
Sint-Bertinusabdij in Sint-Omaars
Ruïnes van de Sint-Bertinusabdij (13 juli 2005)De Sint-Bertinusabdij in het Franse Saint-Omer (Sint-Omaars), nu (2005) een ruïne, was toegewijd aan Sint-Bertinus, de tweede abt van de abdij.
De abdij had een refugehuis in het intussen gesloopte Sint-Lodewijkscollege te Brugge. In 1630 was de abt nog steeds leenheer van Poperinge.
Het gemeentehuis in Sint-Omaars, waarvan de bouw in 1834 werd gestart, werd opgetrokken met stenen van de intussen reeds vervallen abdij.

Pupurninga villa is de oudste schrijfwijze en dateert van omstreeks 850. Vondsten uit het neolithicum bewijzen dat de locatie toen al bewoond was. Tijdens de Romeinse tijd werd een zijweg van een heerweg aangelegd die Kassel verbond met Poperinge en Aardenburg. Al in de vroege Middeleeuwen speelde de Sint-Bertinusabdij in Sint-Omaars een belangrijke rol in het kerkelijke en economische leven van de Poperingenaars. De abten van de abdij bleven leenheer van Poperinge tot aan de Franse Revolutie.
Diederik van de Elzas, graaf van Vlaanderen schonk Poperinge in 1147 een eerste keure, die nog eens door zijn opvolger Filips werd bevestigd.
De grote motor achter de bloeitijd voor Poperinge in de 13e eeuw was de lakenindustrie. De stad breidde uit en kreeg in 1290 toelating van de bisschop van Terwaan om, naast de bestaande Sint-Bertinuskerk, (zie bezienswaardigheden) twee nieuwe kerken te bouwen. Er schakelden zoveel landbouwers over naar de nieuwe industrie dat landbouwers van elders werden gevraagd om de akkers te bewerken. Toen de lakenindustrie in de 16e eeuw begon te tanen vond men nieuwe inkomsten in de hopteelt.
In 1630 was de abt van de Sint-Bertinusabdij in Sint-Omaars nog steeds de leenheer van Poperinge.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Poperinge, samen met Veurne, de enige Belgische stad die niet door de Duitsers werd bezet. De Lijssenthoek Military Cemetery is de tweede grootste Britse begraafplaats van de Eerste Wereldoorlog (10.800 zerken). Ze lag vlak bij een groot veldhospitaal en dat verklaart waarom men hier graven aantreft van een Britse verpleegster, Chinezen, Amerikanen, Fransen en Duitsers.
Stadhuis van Poperinge
Sint-Bertinuskerk in Poperinge
De Sint-Bertinuskerk is de oudste kerk van Poperinge. Ze werd in 1147 in Romaanse stijl gebouwd, ter vervanging van een kapel die aan de Heilige Katharina was toegewijd.
De kerk raakte tweemaal beschadigd in de 15e eeuw: in 1419 door een brand en in 1436 door Engelsen in hun strijd met de Bourgondische hertog Filips de Goede. Men besloot toen de kerk als hallenkerk te herbouwen.
De kerk zou een hoge, monumentale toren krijgen (te zien aan de massieve onderbouw) maar de bouw werd na de derde verdieping gestaakt. Eerst in de 18e eeuw werd de toren afgewerkt en de klokken opgehangen. De preekstoel, uit 1710, is afkomstig uit het Dominicanenklooster van Brugge. Hij wordt beschouwd als een van de mooiste in België. De kerkfabriek kocht de preekstoel in het begin van de 19e eeuw van een Brugs timmerman. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kreeg hij in Parijs een veilig onderkomen. Het doksaal in laatrenaissancestijl en de gebrandschilderde ramen zijn van hoog artistiek niveau.
Zoals zovele kerkgebouwen kreeg de Sint-Bertinuskerk te maken met de Beeldenstorm. Het beeldhouwwerk in de portalen en het meubilair werden zwaar beschadigd.
Sint-Bertinuskerk (17 jan 2005)Restauratiewerkzaamheden tijdens de tweede helft van de 19e eeuw kregen later zware kritiek.
Zowel tijdens de Eerste als Tweede Wereldoorlog werd de kerk beschadigd; herstellingen gebeurden in 1970.
De kerk toont een opvallend homogeen uitzicht ondanks de oudere elementen in de onderbouw van de noordgevel en is een mooi voorbeeld van de baksteengotiek in de Belgische kuststreek.
In het portaal worden aanplakbrieven met rouwberichten opgehangen: dit gebruik bestaat enkel nog hier, in Torhout en Brugge.
Vlakbij de kerk ligt het Vroonhof, de vroegere residentie van de proost die de abt van de Sint-Bertinusabdij in Sint-Omaars vertegenwoordigde.
Sint-Bertinusabdij in Sint-Omaars
Ruïnes van de Sint-Bertinusabdij (13 juli 2005)De Sint-Bertinusabdij in het Franse Saint-Omer (Sint-Omaars), nu (2005) een ruïne, was toegewijd aan Sint-Bertinus, de tweede abt van de abdij.
De abdij had een refugehuis in het intussen gesloopte Sint-Lodewijkscollege te Brugge. In 1630 was de abt nog steeds leenheer van Poperinge.
Het gemeentehuis in Sint-Omaars, waarvan de bouw in 1834 werd gestart, werd opgetrokken met stenen van de intussen reeds vervallen abdij.

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Beersel is een plaats en gemeente in de provincie Vlaams-Brabant, gelegen aan de zuidrand van de Brusselse
Geschiedenis
De naam Beersel wordt voor het eerst vermeld in 847 (als Bersalis). De plaats behoorde aanvankelijk tot de meierij van (Sint-Genesius-) Rode. Intussen bezaten de heren van Beersel in dit gebied een allodium en een klein leengoed, dat aan verschillende geslachten heeft toebehoord. De eerste gekende heer van Beersel was Godfried van Hellebeke, seneschalk van het hertogdom Brabant, een functie die de Beerselse slotheren zullen blijven behouden. Hij bezat er ca. 1312 reeds een burcht. In 1391 verkreeg Jan I van Witthem († 1404), seneschalk onder hertogin Johanna van Brabant en haar echtgenoot Wenceslas van Luxemburg, de erkenning van zijn heerlijke rechten over Brussel en omgeving. Met de hulp van een Brusselse volksmilitie slaagde hij erin het naburige kasteel van Gaasbeek, waar de moordenaars van Everaard t'Serclaes zich verscholen hadden, in te nemen. Zijn nakomelingen zullen zeven generaties lang, tot het einde van de 16e eeuw, burchtheren blijven.
Onder Hendrik III van Witthem (achterkleinzoon van Jan I) werd het kasteel in 1489 ingenomen door een troepenmacht uit Brussel, dat in opstand was gekomen tegen Maximiliaan van Oostenrijk. De woedende Brusselaars verwoestten eerst de stadswoning van Hendrik in de Voldersstraat, en trokken toen, onder leiding van Filips van Kleef, met zwaar geschut naar Beersel. De burcht werd verdedigd door Hendriks zoon Filips van Witthem, aanvankelijk met succes. Maar bij een tweede poging werd ze zwaar beschadigd, en moest het garnizoen zich overgeven. De kapitein, Willem van Ramilly, werd openbaar gelyncht op de Brusselse Grote Markt. Maximiliaan nam echter wraak en belegerde Brussel, dat door uitputting en pest moest capituleren. De Brusselaars werden ertoe verplicht het huis van Hendrik terug op te bouwen en het kasteel van Beersel te herstellen.
Het kasteel van Beersel ...
Op 26 mei 1491 werd Hendrik III van Witthem, burchtheer van Beersel, verheven tot ridder in de Orde van het Gulden Vlies, en later tot kamerheer van Karel V. Hij werd zo een van de machtigste heren van zijn tijd. Hij overleed op 17 september 1515. Zijn zoon Filips († 1523) volgde hem op. Toen Filips’ kleinzoon Jan II in 1591 overleed, verdween de laatste mannelijke erfgenaam van het geslacht van Witthem. Door het huwelijk van zijn dochter Ernestina ging het kasteel en de heerlijkheid over in de handen van de hertogen van Arenberg. Door verwaarlozing raakte het kasteel in verval naar het einde van de 18e eeuw. Onder koning Willem I werd het tijdelijk in gebruik genomen als katoenweverij (1818), maar de onderneming kende weinig succes. Tenslotte werd het gedeeltelijk afgebroken en verder aan het verval overgelaten. Een grondige restauratie rond het midden van de 20e eeuw wist echter een van de zuiverste voorbeelden van laat-middeleeuwse militaire architectuur van de ondergang te redden
Beersel, het Kasteel. Het is het decor voor een Suske en Wiske-strip.

Geschiedenis
De naam Beersel wordt voor het eerst vermeld in 847 (als Bersalis). De plaats behoorde aanvankelijk tot de meierij van (Sint-Genesius-) Rode. Intussen bezaten de heren van Beersel in dit gebied een allodium en een klein leengoed, dat aan verschillende geslachten heeft toebehoord. De eerste gekende heer van Beersel was Godfried van Hellebeke, seneschalk van het hertogdom Brabant, een functie die de Beerselse slotheren zullen blijven behouden. Hij bezat er ca. 1312 reeds een burcht. In 1391 verkreeg Jan I van Witthem († 1404), seneschalk onder hertogin Johanna van Brabant en haar echtgenoot Wenceslas van Luxemburg, de erkenning van zijn heerlijke rechten over Brussel en omgeving. Met de hulp van een Brusselse volksmilitie slaagde hij erin het naburige kasteel van Gaasbeek, waar de moordenaars van Everaard t'Serclaes zich verscholen hadden, in te nemen. Zijn nakomelingen zullen zeven generaties lang, tot het einde van de 16e eeuw, burchtheren blijven.
Onder Hendrik III van Witthem (achterkleinzoon van Jan I) werd het kasteel in 1489 ingenomen door een troepenmacht uit Brussel, dat in opstand was gekomen tegen Maximiliaan van Oostenrijk. De woedende Brusselaars verwoestten eerst de stadswoning van Hendrik in de Voldersstraat, en trokken toen, onder leiding van Filips van Kleef, met zwaar geschut naar Beersel. De burcht werd verdedigd door Hendriks zoon Filips van Witthem, aanvankelijk met succes. Maar bij een tweede poging werd ze zwaar beschadigd, en moest het garnizoen zich overgeven. De kapitein, Willem van Ramilly, werd openbaar gelyncht op de Brusselse Grote Markt. Maximiliaan nam echter wraak en belegerde Brussel, dat door uitputting en pest moest capituleren. De Brusselaars werden ertoe verplicht het huis van Hendrik terug op te bouwen en het kasteel van Beersel te herstellen.
Het kasteel van Beersel ...
Op 26 mei 1491 werd Hendrik III van Witthem, burchtheer van Beersel, verheven tot ridder in de Orde van het Gulden Vlies, en later tot kamerheer van Karel V. Hij werd zo een van de machtigste heren van zijn tijd. Hij overleed op 17 september 1515. Zijn zoon Filips († 1523) volgde hem op. Toen Filips’ kleinzoon Jan II in 1591 overleed, verdween de laatste mannelijke erfgenaam van het geslacht van Witthem. Door het huwelijk van zijn dochter Ernestina ging het kasteel en de heerlijkheid over in de handen van de hertogen van Arenberg. Door verwaarlozing raakte het kasteel in verval naar het einde van de 18e eeuw. Onder koning Willem I werd het tijdelijk in gebruik genomen als katoenweverij (1818), maar de onderneming kende weinig succes. Tenslotte werd het gedeeltelijk afgebroken en verder aan het verval overgelaten. Een grondige restauratie rond het midden van de 20e eeuw wist echter een van de zuiverste voorbeelden van laat-middeleeuwse militaire architectuur van de ondergang te redden
Beersel, het Kasteel. Het is het decor voor een Suske en Wiske-strip.

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Borgloon
Geschiedenis
Loon is afgeleid van het Germaanse Lauhun dat beboste heuvel betekent. Het verschijnt voor het eerst in 1078 in teksten. Vanaf de 12e eeuw is ook de Romaanse vorm Looz bekend. Borgloon betekent dus burcht op een beboste heuvel en de plaats lag binnen het woongebied van de Eburonen.
Die heuvel verheft zich 30m boven de omgeving en werd daarom door de graven van Loon uitgekozen om er hun burcht en hun residentie te bouwen. Strategisch en economisch was de plek interessant omdat hij langs de weg van het Heilige Roomse Rijk naar Brabant lag. Hij werd dan ook de hoofdstad van hun graafschap. De Romeinen waren de middeleeuwers vóór geweest. Bij de sloop van de burchtresten tussen 1870 en 1877 waren heel wat indicaties van een Romeinse aanwezigheid teruggevonden.
Vrij vlug ontstond rond de burcht een eerste en rond 1200 een tweede omwalling. Loon krijgt rond die tijd ook stadsrechten waarvan het perron nog altijd getuigt. Loon werd daardoor één van de Goede Steden van het prinsbisdom Luik. Als administratief en geestelijk centrum wordt Loon echter vlug voorbijgestoken door Hasselt dat centraler ligt. Na de verwoesting in 1180 van de burcht door Rudolf van Zähringen, Prins-bisschop van Luik verbleven de graven in hun burcht in Kuringen. Ze werden begraven in de abdij van Herkenrode. De heer van het kasteel van Rullingen was een leenman van de graaf van Loon.
In de loop van de 13e eeuw verloor Loon aan Hasselt haar financiële betekenis als muntatelier en zelfs haar titel als hoofdplaats van het graafschap.
De stad groeide nauwelijks en ondanks plunderingen en verwoestingen bleef Loon zijn middeleeuws karakter bewaren. Getuigen hiervan zijn het middeleeuws stratenpatroon, de markt en de radiale smalle steegjes. Burchtheuvel, stadhuis, Kanunnikenhuis en kerk getuigen van haar periode van bloei. Traditionele vakwerkarchitectuur verdween achter betonnen bepleistering of werd vervangen door Maaslandse renaissancegevels.
In 1676 overleden 167 inwoners van Loon aan de gevolgen van de pest.
In de 19e eeuw werd de fruitteelt belangrijk en het maken van stroop van peren en appelen; vandaar de aanleg van een spoorlijn tussen Sint-Truiden en Tongeren. Momenteel is Borgloon het verzorgingscentrum van de streek
Burcht van Loon
Jump to: navigation, search
De burcht van Loon, die intussen is verdwenen, was de eerste verblijfplaats van de graven van Loon. De burcht stond in het centrum van het huidige Borgloon (burcht van Loon).
De graven namen geen genoegen met de 30 m boven de vlakte verheven heuvel voor de bouw van hun vesting. De heuvel werd kunstmatig verhoogd om er in de loop van de 10e en 11e eeuw een voor die tijd typische motteburcht op te bouwen. Boven stond waarschijnlijk een weertoren die als uitkijktoren en ultieme verdediging bij belegering diende. Aan die kant werd de helling verscherpt en met houten palen ontoegankelijk gemaakt. Aan de vlakkere noord- en oostzijde sloot een brede diepe gracht de vesting af.
Op het voorliggend neerhof werd een grote zaal, die als residentie dienst deed, opgegraven. De sala was 33 m lang en 10 m breed en had waarschijnlijk twee verdiepingen. De muren waren 2 tot 2,5 m dik. Binnenin vond men een met silex en mortel gemetselde waterput, een vitaal onderdeel van iedere vesting. In het voorhof bevond zich een burchtkapel waar rond het kapittelhof en de pre-stedelijke nederzetting groeide. De kapel werd later vervangen door de huidige Sint-Odulfuskerk.
De burcht werd tweemaal verwoest: de eerste keer in 1179 tijdens een oorlog tussen Gerard van Loon en Rudolf van Zähringen, prins-bisschop van Luik en een tweede maal rond 1232. Graaf Arnold I van Loon had al in 1095 besloten zijn hof naar het centraal gelegen Kuringen te verhuizen.
In de 18e eeuw was de burcht al niet meer dan een vage ruïne. Tussen 1870 en 1877 werd de kunstmatige heuvel afgegraven om de holle wegen in de omgeving op te vullen.
Van op de heuvel heb je nu uitzicht op het zuidelijke
Stadhuis van Borgloon
Jump to: navigation, search
Het Stadhuis, ook Grevenhuis genoemd (14 okt 2004)Het Stadhuis van Borgloon is een herenhuis met hoektoren, gebouwd in 1680. Je stapt het stadhuis binnen via een rondboogarcade met zes traveeën. In deze arcade is een arduinen steen aangebracht met de titels van Robert Ernest d'Argenteau, een vroegere burggraaf van het kasteel van Loon.
In de 11e eeuw stond hier een gebouw in Rijn-Westfaalse stijl als oudste verblijfplaats van de graven van Loon, vandaar Grevenhuis als alternatieve naam voor het stadhuis. In de Middeleeuwen diende het stadhuis als vergaderplaats van de schepenbank, de gilden en ambachten. Anno 2004 heeft de Toeristische Dienst er onderdak gevonden.
Het stadhuis vertoont alle elementen van de Maasstijl in Limburg: een bakstenen constructie, kruisvensters, hardstenen speklagen, steigergaten, venster- en deurlijsten in arduin of mergelzandsteen en ontlastingsbogen boven de ramen. De versiering is sober gehouden. De gevel is helder en eenvoudig ingedeeld.
De trouwzaal verwijst naar het verleden van Loon: de glasramen tonen de wapenschilden van de tien Loonse steden (Borgloon, Beringen, Bilzen, Bree, Hamont, Hasselt, Herk-de-Stad, Maaseik, Peer en Stokkem. Verder vind je er glasramen met de blazoenen van het Heilige Roomse Rijk en van het Prinsbisdom Luik. Er is ook een 12e eeuwse schatkist bewaard gebleven waarin de voorrechten van de stad en de gilden werden opgeborgen. Een foltertuig (een houten blok waarin handen en voeten werden vastgemaakt) dat gebruikt werd bij heksenprocessen is een ander overblijfsel uit het verleden.
Het Maria-beeld, geplaatst in een nis op de hoek van het gebouw, verwijst naar het jaar 1676. De pest veroorzaakte toen de dood van 167 inwoners van Loon

Geschiedenis
Loon is afgeleid van het Germaanse Lauhun dat beboste heuvel betekent. Het verschijnt voor het eerst in 1078 in teksten. Vanaf de 12e eeuw is ook de Romaanse vorm Looz bekend. Borgloon betekent dus burcht op een beboste heuvel en de plaats lag binnen het woongebied van de Eburonen.
Die heuvel verheft zich 30m boven de omgeving en werd daarom door de graven van Loon uitgekozen om er hun burcht en hun residentie te bouwen. Strategisch en economisch was de plek interessant omdat hij langs de weg van het Heilige Roomse Rijk naar Brabant lag. Hij werd dan ook de hoofdstad van hun graafschap. De Romeinen waren de middeleeuwers vóór geweest. Bij de sloop van de burchtresten tussen 1870 en 1877 waren heel wat indicaties van een Romeinse aanwezigheid teruggevonden.
Vrij vlug ontstond rond de burcht een eerste en rond 1200 een tweede omwalling. Loon krijgt rond die tijd ook stadsrechten waarvan het perron nog altijd getuigt. Loon werd daardoor één van de Goede Steden van het prinsbisdom Luik. Als administratief en geestelijk centrum wordt Loon echter vlug voorbijgestoken door Hasselt dat centraler ligt. Na de verwoesting in 1180 van de burcht door Rudolf van Zähringen, Prins-bisschop van Luik verbleven de graven in hun burcht in Kuringen. Ze werden begraven in de abdij van Herkenrode. De heer van het kasteel van Rullingen was een leenman van de graaf van Loon.
In de loop van de 13e eeuw verloor Loon aan Hasselt haar financiële betekenis als muntatelier en zelfs haar titel als hoofdplaats van het graafschap.
De stad groeide nauwelijks en ondanks plunderingen en verwoestingen bleef Loon zijn middeleeuws karakter bewaren. Getuigen hiervan zijn het middeleeuws stratenpatroon, de markt en de radiale smalle steegjes. Burchtheuvel, stadhuis, Kanunnikenhuis en kerk getuigen van haar periode van bloei. Traditionele vakwerkarchitectuur verdween achter betonnen bepleistering of werd vervangen door Maaslandse renaissancegevels.
In 1676 overleden 167 inwoners van Loon aan de gevolgen van de pest.
In de 19e eeuw werd de fruitteelt belangrijk en het maken van stroop van peren en appelen; vandaar de aanleg van een spoorlijn tussen Sint-Truiden en Tongeren. Momenteel is Borgloon het verzorgingscentrum van de streek
Burcht van Loon
Jump to: navigation, search
De burcht van Loon, die intussen is verdwenen, was de eerste verblijfplaats van de graven van Loon. De burcht stond in het centrum van het huidige Borgloon (burcht van Loon).
De graven namen geen genoegen met de 30 m boven de vlakte verheven heuvel voor de bouw van hun vesting. De heuvel werd kunstmatig verhoogd om er in de loop van de 10e en 11e eeuw een voor die tijd typische motteburcht op te bouwen. Boven stond waarschijnlijk een weertoren die als uitkijktoren en ultieme verdediging bij belegering diende. Aan die kant werd de helling verscherpt en met houten palen ontoegankelijk gemaakt. Aan de vlakkere noord- en oostzijde sloot een brede diepe gracht de vesting af.
Op het voorliggend neerhof werd een grote zaal, die als residentie dienst deed, opgegraven. De sala was 33 m lang en 10 m breed en had waarschijnlijk twee verdiepingen. De muren waren 2 tot 2,5 m dik. Binnenin vond men een met silex en mortel gemetselde waterput, een vitaal onderdeel van iedere vesting. In het voorhof bevond zich een burchtkapel waar rond het kapittelhof en de pre-stedelijke nederzetting groeide. De kapel werd later vervangen door de huidige Sint-Odulfuskerk.
De burcht werd tweemaal verwoest: de eerste keer in 1179 tijdens een oorlog tussen Gerard van Loon en Rudolf van Zähringen, prins-bisschop van Luik en een tweede maal rond 1232. Graaf Arnold I van Loon had al in 1095 besloten zijn hof naar het centraal gelegen Kuringen te verhuizen.
In de 18e eeuw was de burcht al niet meer dan een vage ruïne. Tussen 1870 en 1877 werd de kunstmatige heuvel afgegraven om de holle wegen in de omgeving op te vullen.
Van op de heuvel heb je nu uitzicht op het zuidelijke
Stadhuis van Borgloon
Jump to: navigation, search
Het Stadhuis, ook Grevenhuis genoemd (14 okt 2004)Het Stadhuis van Borgloon is een herenhuis met hoektoren, gebouwd in 1680. Je stapt het stadhuis binnen via een rondboogarcade met zes traveeën. In deze arcade is een arduinen steen aangebracht met de titels van Robert Ernest d'Argenteau, een vroegere burggraaf van het kasteel van Loon.
In de 11e eeuw stond hier een gebouw in Rijn-Westfaalse stijl als oudste verblijfplaats van de graven van Loon, vandaar Grevenhuis als alternatieve naam voor het stadhuis. In de Middeleeuwen diende het stadhuis als vergaderplaats van de schepenbank, de gilden en ambachten. Anno 2004 heeft de Toeristische Dienst er onderdak gevonden.
Het stadhuis vertoont alle elementen van de Maasstijl in Limburg: een bakstenen constructie, kruisvensters, hardstenen speklagen, steigergaten, venster- en deurlijsten in arduin of mergelzandsteen en ontlastingsbogen boven de ramen. De versiering is sober gehouden. De gevel is helder en eenvoudig ingedeeld.
De trouwzaal verwijst naar het verleden van Loon: de glasramen tonen de wapenschilden van de tien Loonse steden (Borgloon, Beringen, Bilzen, Bree, Hamont, Hasselt, Herk-de-Stad, Maaseik, Peer en Stokkem. Verder vind je er glasramen met de blazoenen van het Heilige Roomse Rijk en van het Prinsbisdom Luik. Er is ook een 12e eeuwse schatkist bewaard gebleven waarin de voorrechten van de stad en de gilden werden opgeborgen. Een foltertuig (een houten blok waarin handen en voeten werden vastgemaakt) dat gebruikt werd bij heksenprocessen is een ander overblijfsel uit het verleden.
Het Maria-beeld, geplaatst in een nis op de hoek van het gebouw, verwijst naar het jaar 1676. De pest veroorzaakte toen de dood van 167 inwoners van Loon

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
wapen van halle
Halle (Vlaams-Brabant)
Halle is een plaats en stad in de provincie Vlaams-Brabant. De stad telt meer dan 34.500 inwoners. De stad grenst aan het Pajottenland. De huidige burgemeester is Dirk Pieters van de CD&V.
De buurgemeenten zijn: Pepingen, Sint-Pieters-Leeuw, Beersel, Eigenbrakel, Kasteelbrakel en Tubeke.
Halle is een regionaal diensten- en verzorgingscentrum: handel, verschillende onderwijsinstellingen, algemeen ziekenhuis, openbare diensten (61% van de actieve bevolking is werkzaam in de dienstensector).
Halle is ook een drukbezochte Mariabedevaartplaats: de Mariadevotie is in de huidige vorm minstens zeven eeuwen oud.
In Halle wordt elk jaar gedurende 3 dagen in het midden van de vasten carnaval gevierd. Dit is een kleurrijke bedoening waarbij elke groep zijn eigen praalwagen, kostuum en dans ontwerpt. Het Halse carnaval wordt sinds 1905 georganiseerd en is de laatste jaren uitgegroeid tot een van de grotere carnavals in
Geschiedenis van Halle
Inleiding
Geografisch ligt Halle op het grensgebied tussen de Vlaamse laagvlakte (met dikke leemlaag) en het Brabantse Massief (dunne leemlaag, heuvelachtig). Staatkundig is Halle de meest zuidelijk gelegen stad van het Nederlandse taalgebied, op de taalgrens tussen de Germaanse en de Romaanse talen, gekneld in een smalle strook land tussen het Brusselse en het Waalse Gewest. Grenzen spelen dan ook in de geschiedenis van Halle een bepalende rol: tot de Franse Revolutie hing dit gebied in mindere of meerdere mate van Henegouwen af.
De taalkundige dubbelzinnigheid dateert niet van het Koninkrijk België maar reeds van de prehistorie. Toen de Romeinen deze gewesten veroverden leefde hier de stam van de Nerviërs. Tot op heden weet men niet met zekerheid of de Nerviërs gegermaniseerde Kelten of ‘gekeltiseerde’ Germanen waren. Niet dat de wereld daarvan wakker ligt, maar het is wel typerend voor de enigszins halfslachtige situatie waarin de stad zich bevindt.
De Vroege Middeleeuwen
De (Heilige) Waltrudis (ook Waldetrudis, Duits Waltraud, Frans Waudru), een belangrijk lid van de Frankische dynastie der Merovingers, bezat een landgoed in Halle. Zij schonk dit landgoed in 686 aan het kapittel van de abdij van Bergen (Mons) die zij in 661 had gesticht. Waltrudis werd na haar dood (688?) ook heilig verklaard, en begraven in de abdij van Bergen. Door erfenissen kregen later achtereenvolgens de Graven van Henegouwen, de Hertogen van Bourgondië en de Habsburgse vorsten voogdijschap over Halle en omgeving.
Tot het landgoed van Halle behoorde ook een uitgestrekt bos op de heuvels ten oosten van de stad, het Hallerbos. Omdat het zo afgelegen was, lieten de Henegouwse landheren het beheer over aan het kapittel van Brussel dat daarvoor 1/3 van de opbrengst kreeg. Samen met het Zoniënwoud en het Meerdaelwoud vormt het Hallerbos de laatste resten van het oorspronkelijke Kolenwoud, een oerwoud dat zich vóór de komst van de Romeinen uitstrekte van de Zenne tot de Maasvallei.
Een andere bron vermeldt dat de heilige Hubertus (bisschop van Tongeren en Luik, de patroonheilige van de jagers), die omstreeks 705 zijn bekeringswerk in Brabant begonnen was, in 727 een eerste bescheiden kerkje te Halle heeft ingewijd, enkele weken voor hij in Tervuren zou overlijden. Mogelijk was dit kerkje reeds een cultusplaats voor Onze-Lieve-Vrouw. Dat zou kunnen blijken uit het feit dat de bouwmeesters van de crypte in de 14e eeuw een eeuwenoude boomtronk met respect behandelden, misschien omdat op deze boom ooit het allereerste Mariabeeld prijkte? Of is deze boom een getuigenis van een vóórchristelijke, Keltische vruchtbaarheidscultus
De Hoge Middeleeuwen
Geleidelijk moet uit het oorspronkelijke landgoed een belangrijke leefgemeenschap zijn gegroeid, want in een keure uit 1225 verleent Johanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen én Henegouwen, stedelijke vrijheden aan Halle.
Het wonderbeeld van Onze-Lieve-Vrouw, waaraan Halle zijn beroemdheid danktHet wonderbeeld van Onze-Lieve-Vrouw kwam in de stad in 1267. Het werd geschonken door Aleydis van Holland, dochter van Floris IV, ter gelegenheid van haar huwelijk met Jan van Avesnes, erfgenaam van het graafschap Henegouwen. In hun machtsstrijd tegen de Hertogen van Brabant kwam het voor de graven van Henegouwen goed uit dat het grensstadje Halle aan belangrijkheid won. Reeds in 1286 bestond er een rijkelijk begiftigde Mariakapel te Halle. Pausen en bisschoppen verleenden aflaten aan ieder die de bedevaartplaats bezocht. Vorsten als Edward I van Engeland en de Duitse keizer Lodewijk van Beieren vereerden Halle met een bezoek (beiden waren zwagers van graaf Willem II van Henegouwen).
Reeds in de eerste helft van de 14e eeuw waren de oude parochiekerk en de Mariakapel te klein geworden om de stroom van bezoekers te verwerken, en besloot men een nieuwe, grote kerk te bouwen. In 1341 begonnen de werkzaamheden. In 1410 was de nieuwe kerk nagenoeg voltooid: op 25 februari werd ze ingewijd door Pierre d’Ailly, bisschop van Kamerijk (Cambrai), waaronder Henegouwen toen ressorteerde. Toch zullen de bouwwerkzaamheden aanhouden tot 1470.
Dat Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, in 1404 te Halle overleed, was in feite een meevaller voor de reeds bloeiende bedevaartplaats. Sindsdien zullen alle Bourgondische hertogen, hun familieleden, raadsheren, opvolgers en andere regerende vorsten Halle met een bezoek vereren en er rijkelijke gaven achterlaten. De toekomstige Franse koning Lodewijk XI liet in 1460 zijn vroeggestorven zoontje Joachim begraven in de Onze-Lieve-Vrouwkapel
Het wonderbeeld van Onze-Lieve-Vrouw, waaraan Halle zijn beroemdheid dankt
morgen vervolg
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
De Nieuwe Tijden
De strategische ligging van Halle in het grensgebied tussen Henegouwen, Brabant en Vlaanderen zou echter ook geregeld voor problemen zorgen. Toen Maria van Bourgondië in 1482 overleed, keerden de grote Vlaamse en Brabantse steden zich tegen haar autoritaire echtgenoot Maximiliaan van Habsburg, die het moeilijk had met de stedelijke privileges. Zo ook het nabije Brussel. Als Henegouwse stad behoorde Halle echter tot het kamp van Maximiliaan. In 1489 slaagde een Brussels leger onder de leiding van Filips van Kleef er maar niet in Halle te veroveren: twee pogingen daartoe mislukten. In de 16e eeuw bleef Halle relatief gespaard van de ergste godsdienstige troebelen en van de Beeldenstorm, maar in 1580 werd het nogmaals bedreigd door het nabije Brussel, waar Olivier van den Tympel door Willem de Zwijger aangesteld was tot militair gouverneur, met de bedoeling de Spanjaarden te bestrijden in het Brabantse. In 1579, bij de ondertekening van de Unie van Atrecht, verkoos Henegouwen echter in het katholieke kamp te blijven, tot ergernis van het calvinistische Brussel. Van den Tympel probeerde Halle in te nemen, verzekerd van de rijke buit die daar in het bedevaartsoord op hem te wachten lag. Opnieuw liep de belegering met een sisser af... Twee mislukte belegeringen kort na elkaar deden in de stad de legende ontstaan dat het miraculeuze Mariabeeld persoonlijk haar stad had beschermd. Ondanks de onrust in het land bleven de bedevaarders in Halle toestromen...
Halle werd tweemaal belegerd
Vóór zijn huwelijk met Isabella kwam aartshertog Albrecht van Oostenrijk op 13 juli 1598 eerst naar Halle, waar hij zijn kardinaalspurper aflegde op het hoofdaltaar van de Kerk. Na hun machtsovername verbleven Albrecht en Isabella nog vaak in de stad. Met de steun van de aartshertogen kwamen ook de Jezuïeten in 1621 naar Halle: zij startten er met het onderwijs en hadden grote invloed op het religieuze leven.
In 1648 gaf koning Filips IV van Spanje de stad Halle en het Hallerbos aan de hertog van Arenberg, als onderpand voor een lening. Toen de koning zijn schuld niet kon aflossen, werd de hertog in 1655 heer van Halle en eigenaar van 2/3 van het bos. Het kapittel van Sint-Waltrudis bleef eigenaar van één derde. Om een einde te maken aan eindeloze burenruzies, lieten de eigenaars het bos in 1779 opmeten. Ze plaatsten 24 piramidevormige grenspalen met aan de ene kant het opschrift SW ("van Sint Waltrudis") en aan de andere kant AR ("voor Arenberg"). Daarvan staan er nog altijd negentien stuks in het bos.
De gotische Sint-Martinuskerk domineert nog steeds het stadsbeeld.
De oorlogen van Lodewijk XIV brachten de stad zware schade toe: de wallen werden gesloopt en het economische leven kwijnde. Maar in de 18e eeuw tijdens het Oostenrijks bewind bleef de bedevaart even levendig als voordien.
De Franse overheersing was een moeilijke periode: het gedachtegoed van de Franse Revolutie was niet bepaald heilzaam voor het religieuze leven in het algemeen, en werd zeker door de Hallenaren allerminst geapprecieerd. Het wonderbeeld en de kerkschatten ontsnapten ternauwernood aan de confiscatie, dankzij het initiatief en de inzet van enkele burgers. De Franse overheid ontbond het Kapittel van Mons en zo konden de hertogen van Arenberg de enige eigenaar van het Hallerbos worden. Het was toen nog maar 644 ha groot: de rest was gerooid om er landbouwgrond van te maken.
Toen de eredienst onder Napoleon Bonaparte weer werd hersteld (zie: Concordaat van 15 juli 1801) kon het beeld zijn vroegere plaats innemen en de bedevaarders vonden de weg naar Halle terug. Bij de Pinksterfeesten van 1805 werden er naar verluidt 150.000 geteld.
De traditie van vorstelijke bezoeken werd ook door het Belgisch koningshuis in ere gehouden: de koningsparen Boudewijn I & Fabiola en Albert II & Paola brachten recent nog een bezoek aan de stad, en na het huwelijk van kroonprins Filip en prinses Mathilde schonk het prinsenpaar het bruidsboeket van de prinses aan de kerk van Halle. Als laatste blijk van hoge waardering van de Mariaverering in Halle vermelden wij tenslotte het feit dat paus Pius XII in 1946 de Martinuskerk de eretitel verleende van “Onze-Lieve-Vrouwebasiliek”.
Op 9 mei 2004 vond er een bijzonder grote betoging van 80.000 mensen van de Vlaamse Beweging plaats om de communautaire eis tot splitsing van het arrondissement en de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde kracht bij te zetten. Deze eis was geformuleerd door de 19 burgemeesters van de Vlaamse Rand, verenigd in Haviko en een vervolg op de Rondzendbrief-Peeters.
Het stadhuis (1616) op de Grote Markt te Halle.

De strategische ligging van Halle in het grensgebied tussen Henegouwen, Brabant en Vlaanderen zou echter ook geregeld voor problemen zorgen. Toen Maria van Bourgondië in 1482 overleed, keerden de grote Vlaamse en Brabantse steden zich tegen haar autoritaire echtgenoot Maximiliaan van Habsburg, die het moeilijk had met de stedelijke privileges. Zo ook het nabije Brussel. Als Henegouwse stad behoorde Halle echter tot het kamp van Maximiliaan. In 1489 slaagde een Brussels leger onder de leiding van Filips van Kleef er maar niet in Halle te veroveren: twee pogingen daartoe mislukten. In de 16e eeuw bleef Halle relatief gespaard van de ergste godsdienstige troebelen en van de Beeldenstorm, maar in 1580 werd het nogmaals bedreigd door het nabije Brussel, waar Olivier van den Tympel door Willem de Zwijger aangesteld was tot militair gouverneur, met de bedoeling de Spanjaarden te bestrijden in het Brabantse. In 1579, bij de ondertekening van de Unie van Atrecht, verkoos Henegouwen echter in het katholieke kamp te blijven, tot ergernis van het calvinistische Brussel. Van den Tympel probeerde Halle in te nemen, verzekerd van de rijke buit die daar in het bedevaartsoord op hem te wachten lag. Opnieuw liep de belegering met een sisser af... Twee mislukte belegeringen kort na elkaar deden in de stad de legende ontstaan dat het miraculeuze Mariabeeld persoonlijk haar stad had beschermd. Ondanks de onrust in het land bleven de bedevaarders in Halle toestromen...
Halle werd tweemaal belegerd
Vóór zijn huwelijk met Isabella kwam aartshertog Albrecht van Oostenrijk op 13 juli 1598 eerst naar Halle, waar hij zijn kardinaalspurper aflegde op het hoofdaltaar van de Kerk. Na hun machtsovername verbleven Albrecht en Isabella nog vaak in de stad. Met de steun van de aartshertogen kwamen ook de Jezuïeten in 1621 naar Halle: zij startten er met het onderwijs en hadden grote invloed op het religieuze leven.
In 1648 gaf koning Filips IV van Spanje de stad Halle en het Hallerbos aan de hertog van Arenberg, als onderpand voor een lening. Toen de koning zijn schuld niet kon aflossen, werd de hertog in 1655 heer van Halle en eigenaar van 2/3 van het bos. Het kapittel van Sint-Waltrudis bleef eigenaar van één derde. Om een einde te maken aan eindeloze burenruzies, lieten de eigenaars het bos in 1779 opmeten. Ze plaatsten 24 piramidevormige grenspalen met aan de ene kant het opschrift SW ("van Sint Waltrudis") en aan de andere kant AR ("voor Arenberg"). Daarvan staan er nog altijd negentien stuks in het bos.
De gotische Sint-Martinuskerk domineert nog steeds het stadsbeeld.
De oorlogen van Lodewijk XIV brachten de stad zware schade toe: de wallen werden gesloopt en het economische leven kwijnde. Maar in de 18e eeuw tijdens het Oostenrijks bewind bleef de bedevaart even levendig als voordien.
De Franse overheersing was een moeilijke periode: het gedachtegoed van de Franse Revolutie was niet bepaald heilzaam voor het religieuze leven in het algemeen, en werd zeker door de Hallenaren allerminst geapprecieerd. Het wonderbeeld en de kerkschatten ontsnapten ternauwernood aan de confiscatie, dankzij het initiatief en de inzet van enkele burgers. De Franse overheid ontbond het Kapittel van Mons en zo konden de hertogen van Arenberg de enige eigenaar van het Hallerbos worden. Het was toen nog maar 644 ha groot: de rest was gerooid om er landbouwgrond van te maken.
Toen de eredienst onder Napoleon Bonaparte weer werd hersteld (zie: Concordaat van 15 juli 1801) kon het beeld zijn vroegere plaats innemen en de bedevaarders vonden de weg naar Halle terug. Bij de Pinksterfeesten van 1805 werden er naar verluidt 150.000 geteld.
De traditie van vorstelijke bezoeken werd ook door het Belgisch koningshuis in ere gehouden: de koningsparen Boudewijn I & Fabiola en Albert II & Paola brachten recent nog een bezoek aan de stad, en na het huwelijk van kroonprins Filip en prinses Mathilde schonk het prinsenpaar het bruidsboeket van de prinses aan de kerk van Halle. Als laatste blijk van hoge waardering van de Mariaverering in Halle vermelden wij tenslotte het feit dat paus Pius XII in 1946 de Martinuskerk de eretitel verleende van “Onze-Lieve-Vrouwebasiliek”.
Op 9 mei 2004 vond er een bijzonder grote betoging van 80.000 mensen van de Vlaamse Beweging plaats om de communautaire eis tot splitsing van het arrondissement en de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde kracht bij te zetten. Deze eis was geformuleerd door de 19 burgemeesters van de Vlaamse Rand, verenigd in Haviko en een vervolg op de Rondzendbrief-Peeters.
Het stadhuis (1616) op de Grote Markt te Halle.

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
HISTORIEK
*
Bij de jongste fusie van steden en gemeenten (1976-1977) kwam door samenvoeging van de gemeenten Beert, Bellingen, Bogaarden, Elingen, Heikruis en Pepingen Groot-Pepingen tot stand.
Het is niet zeer duidelijk waar de oorsprong van de naam Pepingen ligt. In een oorkonde van 1164 wordt er melding gemaakt van een genaamde Elyas van Papenghien. In 1235 wordt de naam Pepingen vernoemd ter gelegenheid van de overdracht van een klooster gelegen op de Varenberg (ook Onze-Lieve-Vrouwberg) genoemd, in dezelfde akte wordt de gemeente "Papinghen" of "Papenghien" genoemd. Pepingen zou een verbastering zijn van Paap-inghen, waarin men het woord paap (= priester, monnik) terugvindt. Inghen zou weide betekend hebben, zodoende dat Pepingen zoveel zou willen zeggen als : weide toebehorende aan monniken of kloosterlingen. Een andere verklaring is dat Pepingen afkomstig zou zijn van de persoonsnaam PAPA. Een hof met eigen grond, het Pepingenveld (hetgeen wijst op een Frankische vestiging), dat later de naam heeft gegeven aan de dorpskern. Van de vroege voorgeschiedenis van Pepingen is weinig bekend. De eerste inwoners vestigden zich op vruchtbare en drogere heuvelskammen, waar in de nabijheid een bron of water te vinden is. Achter het domein Maenebroek werden in de vorige eeuw een 17-tal silexwerktuigen gevonden. In het Romeinse tijdperk liep er een belangrijke verbindingsweg van Bavai naar Asse, van daar naar Rumst en vermoedelijk dan naar de Maas en Rijn-delta. Deze weg volgde de huidige provinciale baan Edingen-Asse. Er zou een aftakking van deze Romeinse weg geweest zijn die over Kattenhol te Beert en Musain te Saintes naar Rebecq liep. Een andere aftakking zou vertrokken zijn van nabij Puttenberg (scheiding Beert/Pepingen) over Elbeek naar Bons-Villers (Liberchies). Het Romeinse Rijk kwam in verval en Germaanse stammen (Franken, Alamanen) gaan herhaaldeijk binnenvallen. Zulke invallen gingen gepaard met plunderingen en verwoestingen. In deze tijd van nood verstopten de mensen dan ook hun geld en vluchtten weg. Muntschatten werden gevonden te Gooik, te Leerbeek en te Herfelingen. Deze muntschatten werden verstopt rond het midden van de derde eeuw en de tweede helft van de derde eeuw. De Romeinse kolonisatie eindigde in onze streek vroegtijdig, waarschijnlijk tegen het einde van de derde eeuw. Er zijn geen vondsten van Frankische nederzettingen of geschriften met betrekking hierop gevonden, maar de Frankische kolonisatie in onze streek kan vastgesteld worden aan de naamgeving van de dorpen, gehuchten en localiteiten. De Franken zullen zich gevestigd hebben op de betere gronden, reeds ontgonnen in de tijd van de Gallo-Romeinen
******************
Pepingen is momenteel een uitgesproken straatdorp langs de weg Leerbeek-Halle. Men mag hierbij echter niet uit het oog verliezen dat deze verkeersweg pas na 1778 aangelegd werd en derhalve het ontstaan van de site niet kan beïnvloed hebben. Voorheen was Pepingen echter een driesdorp waarschijnlijk ontstaan in de Frankisch-Merovingische tijd (5de-8ste eeuw) als een nederzetting van veetelers. De driezijdige structuur van het Frankische dorpsplein bleef, ondanks recente verfraaiingswerken, grotendeels bewaard. De plaatsnamen eindigend op -ingen, -engen, -engem en -gem zijn afkomstig van -inaghem (wat wil zeggen het huis, het hof van de familie van,...) wijzen op een Frankische oorsprong. Bijvoorbeeld Buvingen, dit zou dan afkomstig zijn van de persoonsnaam Bovo. Dit was vermoedelijk de naam van een hof, nu van een klein gehucht. Karel de Grote (747-814) gaat vanaf zijn aantreden als koning van het Frankische éénheidsrijk verschillende veldtochten organiseren, onder andere tegen de Saksen (Saksenmoord van Verden). Na ze verslagen te hebben, werden verschillende grote groepen Saksen uit hun stamgebied (in Noordduitsland, in het gebied van de Elbe) naar hier gedeporteerd. Deze zullen zich tevreden moeten stellen hebben met niet-ontgonnen en nattere (mindere) kwaliteit van gronden (bijvoorbeeld te Bellingen). Namen eindigend op -ingen, kunnen ook afkomstig zijn van -ingas (dit wil zeggen familie of volk van) hetgeen dan op een Saksische oorsprong wijst. Het Frankisch nederzettingspatroon was het hofsysteem en het Saksisch nederzettingspatroon is het dorpssysteem. Bijvoorbeeld Plutsingen, afkomstig van de naam met Saksische herkomst : Plutso. Na de dood van Karel de Grote viel het rijk in verschillende delen uitéén en kwam het feodaal stelsel tot stand, dat gekenmerkt wordt door het leenstelsel. "Groot-Pepingen" lag in een grensgebied tussen het graafschap Henegouwen en Leuven, dat later zou opgaan in het hertogdom Brabant. Er ontstaat een machtsstrijd tussen het graafschap Henegouwen en het graafschap Brabant, waarin de Heren van Edingen, dikwijls de toestand nog ingewikkelder maakten door nu eens aan te leunen bij het graafschap Brabant, dan weer eens aan te leunen bij het graafschap Henegouwen. De situatie van Beert, Bogaarden, Pepingen en Bellingen was zeer ingewikkeld en de beide machtsblokken (Henegouwen en Brabant) hadden in deze gemeenten enclaves in elkaars gebied. Het feit dat de grenzen van deze gemeenten heden een grillige vorm vertonen, is een erfenis uit deze tijd.
morgen verder
*
Bij de jongste fusie van steden en gemeenten (1976-1977) kwam door samenvoeging van de gemeenten Beert, Bellingen, Bogaarden, Elingen, Heikruis en Pepingen Groot-Pepingen tot stand.
Het is niet zeer duidelijk waar de oorsprong van de naam Pepingen ligt. In een oorkonde van 1164 wordt er melding gemaakt van een genaamde Elyas van Papenghien. In 1235 wordt de naam Pepingen vernoemd ter gelegenheid van de overdracht van een klooster gelegen op de Varenberg (ook Onze-Lieve-Vrouwberg) genoemd, in dezelfde akte wordt de gemeente "Papinghen" of "Papenghien" genoemd. Pepingen zou een verbastering zijn van Paap-inghen, waarin men het woord paap (= priester, monnik) terugvindt. Inghen zou weide betekend hebben, zodoende dat Pepingen zoveel zou willen zeggen als : weide toebehorende aan monniken of kloosterlingen. Een andere verklaring is dat Pepingen afkomstig zou zijn van de persoonsnaam PAPA. Een hof met eigen grond, het Pepingenveld (hetgeen wijst op een Frankische vestiging), dat later de naam heeft gegeven aan de dorpskern. Van de vroege voorgeschiedenis van Pepingen is weinig bekend. De eerste inwoners vestigden zich op vruchtbare en drogere heuvelskammen, waar in de nabijheid een bron of water te vinden is. Achter het domein Maenebroek werden in de vorige eeuw een 17-tal silexwerktuigen gevonden. In het Romeinse tijdperk liep er een belangrijke verbindingsweg van Bavai naar Asse, van daar naar Rumst en vermoedelijk dan naar de Maas en Rijn-delta. Deze weg volgde de huidige provinciale baan Edingen-Asse. Er zou een aftakking van deze Romeinse weg geweest zijn die over Kattenhol te Beert en Musain te Saintes naar Rebecq liep. Een andere aftakking zou vertrokken zijn van nabij Puttenberg (scheiding Beert/Pepingen) over Elbeek naar Bons-Villers (Liberchies). Het Romeinse Rijk kwam in verval en Germaanse stammen (Franken, Alamanen) gaan herhaaldeijk binnenvallen. Zulke invallen gingen gepaard met plunderingen en verwoestingen. In deze tijd van nood verstopten de mensen dan ook hun geld en vluchtten weg. Muntschatten werden gevonden te Gooik, te Leerbeek en te Herfelingen. Deze muntschatten werden verstopt rond het midden van de derde eeuw en de tweede helft van de derde eeuw. De Romeinse kolonisatie eindigde in onze streek vroegtijdig, waarschijnlijk tegen het einde van de derde eeuw. Er zijn geen vondsten van Frankische nederzettingen of geschriften met betrekking hierop gevonden, maar de Frankische kolonisatie in onze streek kan vastgesteld worden aan de naamgeving van de dorpen, gehuchten en localiteiten. De Franken zullen zich gevestigd hebben op de betere gronden, reeds ontgonnen in de tijd van de Gallo-Romeinen
******************
Pepingen is momenteel een uitgesproken straatdorp langs de weg Leerbeek-Halle. Men mag hierbij echter niet uit het oog verliezen dat deze verkeersweg pas na 1778 aangelegd werd en derhalve het ontstaan van de site niet kan beïnvloed hebben. Voorheen was Pepingen echter een driesdorp waarschijnlijk ontstaan in de Frankisch-Merovingische tijd (5de-8ste eeuw) als een nederzetting van veetelers. De driezijdige structuur van het Frankische dorpsplein bleef, ondanks recente verfraaiingswerken, grotendeels bewaard. De plaatsnamen eindigend op -ingen, -engen, -engem en -gem zijn afkomstig van -inaghem (wat wil zeggen het huis, het hof van de familie van,...) wijzen op een Frankische oorsprong. Bijvoorbeeld Buvingen, dit zou dan afkomstig zijn van de persoonsnaam Bovo. Dit was vermoedelijk de naam van een hof, nu van een klein gehucht. Karel de Grote (747-814) gaat vanaf zijn aantreden als koning van het Frankische éénheidsrijk verschillende veldtochten organiseren, onder andere tegen de Saksen (Saksenmoord van Verden). Na ze verslagen te hebben, werden verschillende grote groepen Saksen uit hun stamgebied (in Noordduitsland, in het gebied van de Elbe) naar hier gedeporteerd. Deze zullen zich tevreden moeten stellen hebben met niet-ontgonnen en nattere (mindere) kwaliteit van gronden (bijvoorbeeld te Bellingen). Namen eindigend op -ingen, kunnen ook afkomstig zijn van -ingas (dit wil zeggen familie of volk van) hetgeen dan op een Saksische oorsprong wijst. Het Frankisch nederzettingspatroon was het hofsysteem en het Saksisch nederzettingspatroon is het dorpssysteem. Bijvoorbeeld Plutsingen, afkomstig van de naam met Saksische herkomst : Plutso. Na de dood van Karel de Grote viel het rijk in verschillende delen uitéén en kwam het feodaal stelsel tot stand, dat gekenmerkt wordt door het leenstelsel. "Groot-Pepingen" lag in een grensgebied tussen het graafschap Henegouwen en Leuven, dat later zou opgaan in het hertogdom Brabant. Er ontstaat een machtsstrijd tussen het graafschap Henegouwen en het graafschap Brabant, waarin de Heren van Edingen, dikwijls de toestand nog ingewikkelder maakten door nu eens aan te leunen bij het graafschap Brabant, dan weer eens aan te leunen bij het graafschap Henegouwen. De situatie van Beert, Bogaarden, Pepingen en Bellingen was zeer ingewikkeld en de beide machtsblokken (Henegouwen en Brabant) hadden in deze gemeenten enclaves in elkaars gebied. Het feit dat de grenzen van deze gemeenten heden een grillige vorm vertonen, is een erfenis uit deze tijd.
morgen verder
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Beert
Beert - De naam zou afkomstig zijn van het woord Brac (modder, slijk) of van het Teutonisch Braak, wat dal betekent. Het gebied was het erfgoed van Gertrudis van Nijvel en werd afgestaan aan de abdij van Nijvel. Door erfenis kwam het gebied van Nijvel (ook Beert) in het bezit van de graaf van Leuven, later kwam Beert door huwelijk onder het huis van Edingen, maar het bleef een Brabantse enclave in het graafschap van Henegouwen. In de 18de eeuw kwamen Beert, samen met Beringen (gehucht van Pepingen) en Bogaarden in het bezit van de familie De Croix en ze hadden toen één gemeenschappelijk schepenbank. Het huidige dorpscentrum is gelegen in de bovenloop van de Groebegracht. De kernbewoning is evenwel zeer beperkt gebleven. Ook langs de Eikstraat situeerde zich reeds vroeg een relatieve concentratie aan boerderijen. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw ontwikkelde zich langs de Hondzochtstraat, nabij het spoorwegstation, een kleine wijk met heel wat drankgelegenheden. Het voormalig station van Beert-Bellingen, gelegen op de lijn Brussel-Doornik, is thans echter afgebroken. Als fait divers voegen we hieraan toe dat in Beert enkele Vlaamse feuilletons opgenomen werden.
******
Bellingen
********
De naam van deze gemeente wordt in 1244 vermeld als Bellinghen. Bellingen maakte aanvankelijk deel uit van het grondgebied van de Nijvelse Sint-Geertrui-abdij. In de middeleeuwen en het Ancien Régime maakte het deel uit van het uitgestrekte baljuwschap van Edingen. De heren van Edingen hebben hier een vestiging, genaamd Wanaken, gebouwd (heden verdwenen). Bellingen heeft zijn ontstaan mede te danken aan de oprichting van een priorij van de orde van de H. Augustinus in 1182. Dit klooster hing af van de Augustijnerabdij van Cantimpré nabij Cambrai in Frankrijk. In 1580 werd het klooster dermate verwoest, dat alle kloosterlingen naar de priorij van Bellingen kwamen, hier werden dan verschillende gebouwen bijgebouwd. Bellingen kende dan ook een welvaartsperiode en groeide uit tot een abdij. In 1677 wordt de zetel van de abdij terug overgebracht naar Kamerijk en bleef toen maar bewoond door een prior en vier monniken. Als gevolg van de Franse revolutie werden de eigendommen van het klooster verkocht als nationale goederen en deze kwamen deze in het bezit van de familie Claes. Er wordt verteld dat toen de Fransen de kannuniken kwamen uitdrijven, deze menigvuldige bijenkorven over de uitdrijvers uitschudden, die zich dan "onder vreselijke pijnen" moesten terug trekken. Heden ontbreekt een wezenlijk dorpscentrum. Langs de Trapstraat, die dwars doorheen de vallei van de Bellingenbeek loopt, manifesteert zich een relatieve concentratie van woningen. De voormalige kloosterkerk van de augustijnenpriorij fungeert thans als parochiekerk maar de omgeving ervan kan geenszins als een dorpscentrum ervaren worden.
*************************
BOGAARDEN
***********
Bogaarden In een akte van 1215 wordt de naam Boomgaarden reeds vermeld. Het behoorde zoals Beert tot het erfdeel van Gertrudis van Nijvel. Later kwam Boomgaarden, door huwelijk in de invloedssfeer van het huis van Edingen, maar het bleef een Brabantse enclave (zoals Beert) in het graafschap Henegouwen. De schepenen spraken er het Ukkels recht, weliswaar in de naam van de heren van Edingen. In 1670 is Boomgaarden tot graafschap verheven. Het huidige "Brabantse" Bogaarden ligt op een heuvelrug (65 à 70 meter), nl. de waterscheidingskam tussen twee zuidnoord gelegen valleitjes in de vertakte bovenloop van het Zuunbekken. Bogaarden was en is nog steeds een uitgesproken kerndorp met een concentratie van de huizen rondom de kerk.
*************
morgen verder
Beert - De naam zou afkomstig zijn van het woord Brac (modder, slijk) of van het Teutonisch Braak, wat dal betekent. Het gebied was het erfgoed van Gertrudis van Nijvel en werd afgestaan aan de abdij van Nijvel. Door erfenis kwam het gebied van Nijvel (ook Beert) in het bezit van de graaf van Leuven, later kwam Beert door huwelijk onder het huis van Edingen, maar het bleef een Brabantse enclave in het graafschap van Henegouwen. In de 18de eeuw kwamen Beert, samen met Beringen (gehucht van Pepingen) en Bogaarden in het bezit van de familie De Croix en ze hadden toen één gemeenschappelijk schepenbank. Het huidige dorpscentrum is gelegen in de bovenloop van de Groebegracht. De kernbewoning is evenwel zeer beperkt gebleven. Ook langs de Eikstraat situeerde zich reeds vroeg een relatieve concentratie aan boerderijen. Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw ontwikkelde zich langs de Hondzochtstraat, nabij het spoorwegstation, een kleine wijk met heel wat drankgelegenheden. Het voormalig station van Beert-Bellingen, gelegen op de lijn Brussel-Doornik, is thans echter afgebroken. Als fait divers voegen we hieraan toe dat in Beert enkele Vlaamse feuilletons opgenomen werden.
******
Bellingen
********
De naam van deze gemeente wordt in 1244 vermeld als Bellinghen. Bellingen maakte aanvankelijk deel uit van het grondgebied van de Nijvelse Sint-Geertrui-abdij. In de middeleeuwen en het Ancien Régime maakte het deel uit van het uitgestrekte baljuwschap van Edingen. De heren van Edingen hebben hier een vestiging, genaamd Wanaken, gebouwd (heden verdwenen). Bellingen heeft zijn ontstaan mede te danken aan de oprichting van een priorij van de orde van de H. Augustinus in 1182. Dit klooster hing af van de Augustijnerabdij van Cantimpré nabij Cambrai in Frankrijk. In 1580 werd het klooster dermate verwoest, dat alle kloosterlingen naar de priorij van Bellingen kwamen, hier werden dan verschillende gebouwen bijgebouwd. Bellingen kende dan ook een welvaartsperiode en groeide uit tot een abdij. In 1677 wordt de zetel van de abdij terug overgebracht naar Kamerijk en bleef toen maar bewoond door een prior en vier monniken. Als gevolg van de Franse revolutie werden de eigendommen van het klooster verkocht als nationale goederen en deze kwamen deze in het bezit van de familie Claes. Er wordt verteld dat toen de Fransen de kannuniken kwamen uitdrijven, deze menigvuldige bijenkorven over de uitdrijvers uitschudden, die zich dan "onder vreselijke pijnen" moesten terug trekken. Heden ontbreekt een wezenlijk dorpscentrum. Langs de Trapstraat, die dwars doorheen de vallei van de Bellingenbeek loopt, manifesteert zich een relatieve concentratie van woningen. De voormalige kloosterkerk van de augustijnenpriorij fungeert thans als parochiekerk maar de omgeving ervan kan geenszins als een dorpscentrum ervaren worden.
*************************
BOGAARDEN
***********
Bogaarden In een akte van 1215 wordt de naam Boomgaarden reeds vermeld. Het behoorde zoals Beert tot het erfdeel van Gertrudis van Nijvel. Later kwam Boomgaarden, door huwelijk in de invloedssfeer van het huis van Edingen, maar het bleef een Brabantse enclave (zoals Beert) in het graafschap Henegouwen. De schepenen spraken er het Ukkels recht, weliswaar in de naam van de heren van Edingen. In 1670 is Boomgaarden tot graafschap verheven. Het huidige "Brabantse" Bogaarden ligt op een heuvelrug (65 à 70 meter), nl. de waterscheidingskam tussen twee zuidnoord gelegen valleitjes in de vertakte bovenloop van het Zuunbekken. Bogaarden was en is nog steeds een uitgesproken kerndorp met een concentratie van de huizen rondom de kerk.
*************
morgen verder
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Elingen
behoorde tot het domein van "Leeuw" en is daardoor tot het hertogdom Brabant gekomen. Tot diep in de 17de eeuw behoorde Elingen tot het land van Gaasbeek. Elingen behoorde tot de goederen van de Sint-Pietersabdij van Gent, hetgeen zo bleef tot aan de Franse revolutie. Het "Brabantse" Elingen is altijd een zeer bescheiden nederzetting geweest en tot op heden gebleven. De kerk situeert zich bij de kruising van intergemeentelijke verbindingswegen. Enkele ruime kwadraathoeven zijn sfeerbepalend voor het landelijk uitzicht van de dorpskom. In contrast met de andere deelgemeenten waar de gemeentegrenzen vaak met beekjes of wegen samenvallen, bestaat de gemeentegrens van Elingen uit een hoekige aaneenreiging van willekeurige perceelsgrenzen.
**********************
Heikruis
In het jaar 1024 werd er een kruis opgericht door Hado (Hadonis crucem). Men mag dus niet veronderstellen dat deze naam iets te maken heeft met heide. Met de plaatsing van dit kruis wou hij aan de Heer bescherming afsmeken over deze vooruitgeschoven post van de versterkte villa Lettelingen. Het maakte tot 1815 deel uit van Henegouwen met het gevolg dat het Frans er zolang de officiële voertaal bleef. Het eerste kasteel van "Ter Rijst" (wat er op wijst dat er veel rijsthout werd gevonden onder de bomen van het bos) of beter genoemd "huis" werd in 1169, op bevel van de graaf van Henegouwen verwoest. Het kasteel werd voor 1234 weer opgebouwd. De familie Van der Noot heeft geruime tijd dit kasteel in haar bezit gehad. Walter Van der Noot, ridder, kamerheer van de hertog van Brabant, Filips de Goede, heeft het domein Terrest verworven op 30 maart 1464. In 1480 werd er een nieuw kasteel met vijver opgericht. Tijdens de Spaanse overheersing in de 16de eeuw, is Jaspar Van der Noot in dienst getreden van Egmont. Hij heeft een complot gesmeed om Alva in handen te krijgen en Egmont (die zich in de gevangenis van Gent bevond) te bevrijden. Dit plan mislukte door verraad van een soldaat. Egmont werd onthoofd. Jaspar Van der Noot is dan moeten vluchten en hij heeft zich ten dienste gesteld van de legers van Oranje. Hij was de eerste ritmeester (kolonel van de formaties ruiterij) der Geuzen; de familie Van der Noot was Calvinist geworden. Het goed komt dan in de handen van de familie Völler (Rooms-Katholiek). In 1868-1869 heeft de burggraaf de Nieulant gemeend het oude kasteel te moeten "opsmukken" en de oude versterking werd sterk verminkt (de torens werden oa afgebroken). De dorpskom van Heikruis ligt op de waterscheidingskam van het Zuun- en het Laubecqbekken (twee zijrivieren van de Zenne), meteen ook het hoogste punt (+91m) van Groot-Pepingen. Van de oorspronkelijke dries (= driehoekig dorpsplein) bij het T-kruispunt van de Neerstraat en de Heikruiseplaats is niets bewaard gebleven. Thans is Heikruis een straatdorp met het ursulinenklooster (+ aanhorigheden zoals kloosterhoeve) en de natuurstenen kerk aan de ene zijde van de straat en de pastorie, het cultureel centrum en enkele woningen aan de overkant. Het zuidelijke gedeelte van de gemeente heeft een uitgesproken agrarisch karakter met her en der kwadraathoeven. Het bos ter Rijst en het bois de Strihou strekken zich uit aan beide zijden van de taalgrens.
De heerlijkheid van Pepingen of van Hontoy Deze bestond ook uit een kasteel en gronden. Deze heerlijkheid heeft aan de Waalse familie d'Herbais toebehoord van de 14de tot het begin van de 19de eeuw. Vele heerlijkheden waren vaak ook lenen, maar een heerlijkheid kon ook een eigen bezit zijn.
De heerlijkheid Kestergat (= poort naar kester, bestond uit een kasteel, hoven, gronden,..) was zeer uitgestrekt en behoorde vroeger, zoals gans het grondgebied van Pepingen, aan de familie van Edingen. Wegens belangrijke geldmoeilijkheden is deze heerlijkheid in openbare veiling te koop aangeboden in 1671 en is dan ook zo in het bezit gekomen van de familie van der Dussen. Kestergat en Beringen (= weide der wilde varkens) werden pas in 1820 territoriaal aan Pepingen toegevoegd. Er waren nog andere heerlijkheden, zoals bijvoorbeeld de heerlijkheid Termeren of Ter-Meren, Puttenberg, Meynenbroeck, Terloo en Ledale (normaal den Daal genoemd). Op geestelijk vlak behoorden de gemeenten Beert, Bogaarden, Bellingen en Pepingen tot het bisdom Kamerijk. In de gemeenten treft men ook "Stevenisten" aan, een afscheuring in de katholieke kerk, die tot stand is gekomen nadat Napoleon Bonaparte het concordaat met de vertegenwoordiger van Paus Pius VII heeft getekend op 15 juli 1801. De Stevenisten werden genoemd naar de voorgaande Vicaris-Generaal, Mr Stevens van het bisdom Namen. Ze wilden de pas door de Fransen benoemde Vicaris-Generaal niet erkennen. De Stevenisten stelden dat de Paus het concordaat slechts onder dwang had getekend, dat de bischoppen niet veranderd mochten worden, dat de afgeschafte feestdagen weer in voege moesten treden, m.a.w. dat alles moet bewaard blijven zoals het voorheen was. In het naburige Leerbeek hebben de Stevenisten hun kerk. Pepingen ligt in een vrij vruchtbare streek, die gekenmerkt wordt door Iperiaanklei (vrij ondoordringbaar, waarop men water kan vinden, hetzij via bronnen, hetzij via putten) die bedekt is met een zandleemlaag waarvan de dikte kan variëren van een meter tot meer dan tien meter dikte. Pepingen heeft zijn landelijk karakter tot heden vrij gaaf kunnen bewaren (en kan dit hopelijk nog verder bewaren) waarbij gedurende lange tijd de agrarische activiteit de hoofdactiviteit was. Heden leven er veel mensen die een ander beroep uitoefenen en die meestal gaan werken in Brussel en in omliggende steden.

behoorde tot het domein van "Leeuw" en is daardoor tot het hertogdom Brabant gekomen. Tot diep in de 17de eeuw behoorde Elingen tot het land van Gaasbeek. Elingen behoorde tot de goederen van de Sint-Pietersabdij van Gent, hetgeen zo bleef tot aan de Franse revolutie. Het "Brabantse" Elingen is altijd een zeer bescheiden nederzetting geweest en tot op heden gebleven. De kerk situeert zich bij de kruising van intergemeentelijke verbindingswegen. Enkele ruime kwadraathoeven zijn sfeerbepalend voor het landelijk uitzicht van de dorpskom. In contrast met de andere deelgemeenten waar de gemeentegrenzen vaak met beekjes of wegen samenvallen, bestaat de gemeentegrens van Elingen uit een hoekige aaneenreiging van willekeurige perceelsgrenzen.
**********************
Heikruis
In het jaar 1024 werd er een kruis opgericht door Hado (Hadonis crucem). Men mag dus niet veronderstellen dat deze naam iets te maken heeft met heide. Met de plaatsing van dit kruis wou hij aan de Heer bescherming afsmeken over deze vooruitgeschoven post van de versterkte villa Lettelingen. Het maakte tot 1815 deel uit van Henegouwen met het gevolg dat het Frans er zolang de officiële voertaal bleef. Het eerste kasteel van "Ter Rijst" (wat er op wijst dat er veel rijsthout werd gevonden onder de bomen van het bos) of beter genoemd "huis" werd in 1169, op bevel van de graaf van Henegouwen verwoest. Het kasteel werd voor 1234 weer opgebouwd. De familie Van der Noot heeft geruime tijd dit kasteel in haar bezit gehad. Walter Van der Noot, ridder, kamerheer van de hertog van Brabant, Filips de Goede, heeft het domein Terrest verworven op 30 maart 1464. In 1480 werd er een nieuw kasteel met vijver opgericht. Tijdens de Spaanse overheersing in de 16de eeuw, is Jaspar Van der Noot in dienst getreden van Egmont. Hij heeft een complot gesmeed om Alva in handen te krijgen en Egmont (die zich in de gevangenis van Gent bevond) te bevrijden. Dit plan mislukte door verraad van een soldaat. Egmont werd onthoofd. Jaspar Van der Noot is dan moeten vluchten en hij heeft zich ten dienste gesteld van de legers van Oranje. Hij was de eerste ritmeester (kolonel van de formaties ruiterij) der Geuzen; de familie Van der Noot was Calvinist geworden. Het goed komt dan in de handen van de familie Völler (Rooms-Katholiek). In 1868-1869 heeft de burggraaf de Nieulant gemeend het oude kasteel te moeten "opsmukken" en de oude versterking werd sterk verminkt (de torens werden oa afgebroken). De dorpskom van Heikruis ligt op de waterscheidingskam van het Zuun- en het Laubecqbekken (twee zijrivieren van de Zenne), meteen ook het hoogste punt (+91m) van Groot-Pepingen. Van de oorspronkelijke dries (= driehoekig dorpsplein) bij het T-kruispunt van de Neerstraat en de Heikruiseplaats is niets bewaard gebleven. Thans is Heikruis een straatdorp met het ursulinenklooster (+ aanhorigheden zoals kloosterhoeve) en de natuurstenen kerk aan de ene zijde van de straat en de pastorie, het cultureel centrum en enkele woningen aan de overkant. Het zuidelijke gedeelte van de gemeente heeft een uitgesproken agrarisch karakter met her en der kwadraathoeven. Het bos ter Rijst en het bois de Strihou strekken zich uit aan beide zijden van de taalgrens.
De heerlijkheid van Pepingen of van Hontoy Deze bestond ook uit een kasteel en gronden. Deze heerlijkheid heeft aan de Waalse familie d'Herbais toebehoord van de 14de tot het begin van de 19de eeuw. Vele heerlijkheden waren vaak ook lenen, maar een heerlijkheid kon ook een eigen bezit zijn.
De heerlijkheid Kestergat (= poort naar kester, bestond uit een kasteel, hoven, gronden,..) was zeer uitgestrekt en behoorde vroeger, zoals gans het grondgebied van Pepingen, aan de familie van Edingen. Wegens belangrijke geldmoeilijkheden is deze heerlijkheid in openbare veiling te koop aangeboden in 1671 en is dan ook zo in het bezit gekomen van de familie van der Dussen. Kestergat en Beringen (= weide der wilde varkens) werden pas in 1820 territoriaal aan Pepingen toegevoegd. Er waren nog andere heerlijkheden, zoals bijvoorbeeld de heerlijkheid Termeren of Ter-Meren, Puttenberg, Meynenbroeck, Terloo en Ledale (normaal den Daal genoemd). Op geestelijk vlak behoorden de gemeenten Beert, Bogaarden, Bellingen en Pepingen tot het bisdom Kamerijk. In de gemeenten treft men ook "Stevenisten" aan, een afscheuring in de katholieke kerk, die tot stand is gekomen nadat Napoleon Bonaparte het concordaat met de vertegenwoordiger van Paus Pius VII heeft getekend op 15 juli 1801. De Stevenisten werden genoemd naar de voorgaande Vicaris-Generaal, Mr Stevens van het bisdom Namen. Ze wilden de pas door de Fransen benoemde Vicaris-Generaal niet erkennen. De Stevenisten stelden dat de Paus het concordaat slechts onder dwang had getekend, dat de bischoppen niet veranderd mochten worden, dat de afgeschafte feestdagen weer in voege moesten treden, m.a.w. dat alles moet bewaard blijven zoals het voorheen was. In het naburige Leerbeek hebben de Stevenisten hun kerk. Pepingen ligt in een vrij vruchtbare streek, die gekenmerkt wordt door Iperiaanklei (vrij ondoordringbaar, waarop men water kan vinden, hetzij via bronnen, hetzij via putten) die bedekt is met een zandleemlaag waarvan de dikte kan variëren van een meter tot meer dan tien meter dikte. Pepingen heeft zijn landelijk karakter tot heden vrij gaaf kunnen bewaren (en kan dit hopelijk nog verder bewaren) waarbij gedurende lange tijd de agrarische activiteit de hoofdactiviteit was. Heden leven er veel mensen die een ander beroep uitoefenen en die meestal gaan werken in Brussel en in omliggende steden.

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
WAPEN
******
Geraardsbergen is een stad in de provincie Oost-Vlaanderen. De stad telt meer dan 31.000 inwoners en de Heilige Bartholomeus is haar patroonheilige.
Geraardsbergen is gekend om zijn Manneken Pis, een standbeeldje aan de voet van het stadhuis, dat enigszins lijkt op het Manneken Pis van Brussel. Oude stadsrekeningen bewijzen dat het Geraardsbergse kereltje ouder is dan dat van Brussel. Ook de mattentaart (een gebak bereid op basis van verzuurde melk) en de muur van Geraardsbergen zijn heinde en ver bekend.
De muur is de koninginnenhelling van verschillende wielerwedstrijden, waaronder de Ronde van Vlaanderen en de Tour de France. De Muur is vooral een kuitenbijter doordat de kasseien met hun loopvlak horizontaal liggen en dus eigenlijk trapjes vormen, waardoor hij heel moeilijk te beklimmen is met de fiets. De muur is een helling van de Oudenberg, die op de top plaats biedt aan de Kapel van OLV van de Oudenberg, een bedevaartsoord.
Jaarlijks wordt in de maand februari het einde van de winter gevierd met de krakelingenworp en de visjesdronk. Deze traditie wordt vanuit sommige kringen hevig bestreden daar men ze beschouwt als regelrechte dierenmishandeling. Ze bestaat erin dat jaarlijks een aantal prominenten uitgenodigd worden om een glas wijn te drinken, waarin een levend visje, dat alzo moet doorgeslikt worden. Hoe dan ook, de traditie is vooralsnog sterker dan de tegenstand.
Geraardsbergen is de geboortestad van kannunik Constant Van Crombrugge, stichter van de religieuze orden de Dochters van Marie, de Dames van Maria en de Paters Jozefieten.
Geraardsbergen heeft tevens een historisch reuzenkoppel, Goliath en Agnes, met als dochter Kinneke Baba. Kinneke Baba is eveneens de benaming van een vereniging van Geraardsbergse & Oost-Vlaamse studenten aan de VUB.
Recent heeft de gemeente zich geëngageerd om, in samenspraak met de gemeenten Galmaarden en Ninove, de provinciebesturen van Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant, AMINAL en het Vlaams Gewest, het stiltekarakter van de streek te vrijwaren, in het kader van het pilootproject Stiltegebied Dender-Mark
Manneken Pis van Geraardsbergen
*****
St-Bartholomeuskerk op de markt van Geraardsbergen
**********************

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Wapen
Geschiedenis
De Gallo-Romeinse vicus Cortoriacum lag op de heerweg Keulen - Maastricht - Kassel - Boulogne-sur-Mer en de heerweg Doornik - Oudenburg. Boudewijn II de Kale, graaf van Vlaanderen versterkte deze plaats in de 9e eeuw tegen de Noormannnen. De band die de stad oorspronkelijk met Doornik had werd doorbroken toen Kortrijk in 1071 hoofdplaats werd van een kasselrij.
Filips van de Elzas bevestigde in april 1190 de privileges van de stad via een bewaarde keure: Kortrijk werd uit de kasselrij geheven, kreeg een eigen bestuur en lijfeigenen konden zich als vrije burgers (poorters) in de stad vestigen.
In de 13e eeuw kreeg Ferrand van Portugal tegenwind van de steden in Vlaanderen toen de Franse koning Filips August hem tot graaf van Vlaanderen wou benoemen. Ferrand verschanste zich in Kortrijk waarop de stad werd geplunderd door troepen uit Gavere en Oudenaarde. Beide partijen verzoenden zich maar Filips August was niet akkoord met de getroffen regeling. Zijn zoon Lodewijk (die later koning werd als Lodewijk VIII van Frankrijk) viel daarop vanuit Rijsel Kortrijk binnen en liet de stad verwoesten. De graven van Vlaanderen lieten ze later weer opbouwen omwille van haar opbrengsten voor de schatkist.
Kortrijk won in de 13e eeuw aan belang door de lakenindustrie. De kwaliteit die hier werd gefabriceerd was dan wel lager (kleine draperie) dan die van de grotere Vlaamse steden. In de 15e eeuw kreeg het linnen dat uit het ter plaatse verbouwde vlas werd gemaakt, meer belang dan het laken.
De conflicten tussen de Franse koning en Vlaanderen deden de economie in Kortrijk stagneren. Kortrijk werd door Franse troepen bezet in de aanloop naar de Guldensporenslag. De Fransen bouwden een dwangburcht boven op de grafelijke burcht waarvan de resten nog steeds te zien zijn (zie foto op pagina over de Onze-Lieve-Vrouwekerk).
In 1323 revolteerden de Kortrijkzanen tegen hun graaf, Lodewijk II van Nevers die, als inner van Franse boetes die opgelegd waren via de Vrede van Athis, steeds meer van zijn volk vervreemd raakte. De graaf bezette de wijk Overleie. De inwoners namen dit niet en zetten de graaf gevangen. Daarop volgde een nieuwe Franse bezetting. Uiteindelijk mondde die periode uit in de slag bij Kassel van 1328 waarbij de Vlamingen onder Nicolaas Zannekin werden verslagen.
Lodewijk II van Male veroverde de stad in mei 1381. Kortrijk was dan weer een bondgenoot van Jacob van Artevelde toen hij het graafschap veroverde. Na de slag bij Westrozebeke op 27 november 1382 kregen de Bretoense huurlingen Kortrijk als premie waarbij de stad werd geplunderd en verwoest
***********************************
Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, luidde een periode van vrede en heropbouw in die zeventig jaar duurde. Een nieuw kasteel werd opgetrokken, ter hoogte van de Kasteelkaai en Kasteelstraat. Nieuwe stadsmuren met een Broeltoren aan de noordkant integreerden de bestaande toren in de verdedigingswerken. Sociale spanningen en de pest die een vlot handelsverkeer verhinderde, zorgden ervoor dat de lakennijverheid veel aan belang verloor. Na de dood van Maria van Bourgondië in 1482 raakte Kortrijk opnieuw in een oorlog tegen de Fransen betrokken.
De opkomende linnenindustrie bracht de welvaart van weleer niet terug. De volksopstand in de Nederlanden die in 1539 uitbrak, bracht ook de toorn van Karel V over Kortrijk. In de tweede helft van de 16e eeuw kregen katholieken en gereformeerden het met mekaar aan de stok. De aanspraken van Lodewijk XIV van Frankrijk op Vlaanderen resulteerden in vijf Franse bezettingen tussen 1646 en 1706 en de aanleg van versterkingen en de bouw van een citadel. De vrede van Utrecht wees de stad toe aan de Oostenrijkers
De Broeltorens
************
Kortrijk was in de late 17e eeuw en eerste helft van de 18e eeuw een van de vestingsteden die deel uitmaakten van de Nederlandse vestingsbarrière in de Zuidelijke Nederlanden
Kortrijk speelde een rol bij de Brabantse omwenteling in 1787 maar de Oostenrijkers konden zich rehabiliteren. Het embargo dat Napoleon Bonaparte afkondigde was zoals elders funest voor de uitvoer. Het Nederlands bewind (1815-1830) en de handelspolitiek van het jonge België brachten daar weinig verandering in. De Kortrijkzanen zelf toonden zich ook allesbehalve dynamisch.
De industrialisatie van de textielsector, in de tweede helft van de 19e eeuw, bracht één en ander op gang. De stad werd gesaneerd en het historisch erfgoed gerestaureeerd en verfraaid.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog richtten bombardementen in de nazomer van 1917 veel schade aan; in de Tweede Wereldoorlog was het de slag aan de Leie tijdens de achttiendaagse veldtocht die verwoestend was. Na de oorlog werd de stad heropgebouwd.
*************
Het Belfort
*************
Het Stadhuis
***********
Sint-Maartenskerk in Kortrijk
Jump to: navigation, search
Sint-Maartenskerk (23 nov 2004)De Sint-Maartenskerk in Kortrijk werd tussen 1390 en 1466 gebouwd, na de verwoesting van de eerste gotische Sint-Martinuskerk. Deze was gebouwd op de plaats van een Romaanse kerk die terugging op een bedehuis uit 650, gebouwd door Sint-Elooi.
Sinds 1937 is de kerk een beschermd monument.
De 83m hoge toren in Brabantse gotiek is een blikvanger. In de houten spits hangt een beiaard van 49 klokken, gerestaureerd in 1974. Boven het portaal zie je een beeld van Sint-Maarten.
St Maartenskerk
Martinus in de Sint-Maartenskerk in kortrijk
***********************************

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Nieuwpoort is een badplaats en stad aan de Belgische kust. De plaats bestaat eigenlijk uit twee delen, te weten Nieuwpoort-Stad en Nieuwpoort-Bad.
Geschiedenis
De kuststreek onderging in de loop der eeuwen de invloed van de drie Duinkerkse transgressies die het landschap drastisch veranderden.
Isera Portus, de eerste naam voor Nieuwpoort dook in 1150 in geschriften op. Later sprak men van Neo Portus en Novum Oppidum. Novus Portus (Nieuwpoort) is de benaming die het ten slotte haalt.
Filips van de Elzas verleende de nederzetting een stichtingskeure die haar rechten en verplichtingen op sociaal, economisch, financieel en politiek vlak vastlegde. In de 14e en 15e eeuw kreeg Nieuwpoort te maken met plunderaars uit Frankrijk (1213 en 1299 en Gent (1383).
In 1489 vielen Bruggelingen, Fransen en Gentenaars de stad aan. Jan Turpin, toenmalig burgemeester van de stad, riep de hulp in van de Nieuwpoortse vrouwen die volgens een plaatselijk kroniekschrijver soo cloeckelijkcke vochten als Amazones.
In de 16e en 17e eeuw kregen de inwoners vijf keer met de Fransen te maken (1647, 1658, 1745, 1793 en 1794).
Koning Albert I-monument
Nieuwpoort is vooral bekend van de Slag bij Nieuwpoort in 1600.
Nieuwpoort was in de late 17e eeuw en eerste helft van de 18e eeuw een van de vestingsteden die deel uitmaakten van de Nederlandse vestingsbarrière in de Zuidelijke Nederlanden
Koning Albert I-monument (27 dec 2004)Het kusttoerisme kwam goed op gang na de aanleg van de spoorverbinding die Nieuwpoort-Bad met Brussel verbond. Op 15 augustus 1869 stoomde de eerste trein het station binnen, met niemand minder dan koning Leopold II als passagier aan boord.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog bij de slag om de IJzer raakte Nieuwpoort zwaar beschadigd. Het was een steunpunt voor de verdediging van het Belgisch leger dat zich kon handhaven na de inundatie van een gebied gelegen tussen de IJzer en de spoorwegbedding van de spoorweglijn Nieuwpoort-Diksmuide. Hendrik Geeraert opende in de nacht van 29 op 30 oktober 1914 de uitlaatsluizen van de Veurne-Ambacht onder supervisie van Karel Cogge en zette zo het terrein ten westen van de IJzer onder water.
****************
Bezienswaardigheden
Stadhuis, wederopgebouwd in 1922 in Vlaamse renaissancestijl nadat het vorige, bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, werd verwoest. Boven de ingang staat het wapenschild geflankeerd door een boer en een visser en de oude benaming van de stad Novus Portus. In het gebouw vind je een rijke verzameling kunstwerken.
Belfort en Stadshalle (27 dec 2004)Onze-Lieve-Vrouwekerk
Vismijn: je kan er wekelijks, tussen 15 juni en 15 september, deelnemen aan een geleide wandeling die om 9u30 vertrekt aan de Dienst voor Toerisme
Stadshalle met belfort: het 35m hoge belfort (op de lijst van het Werelderfgoed van de UNESCO) is opgevat als gedeeltelijke uitbouw van de voorgevel. Het torent uit boven de rechthoekige hal van 14e-eeuwse oorsprong die behoort tot de grensoverschrijdende baksteengotiek. Tijdens de Eerste Wereldoorlog is de toren gedynamiteerd en de halle, samen met de hele stad, bijna volledig verwoest. In 1921-1923 zijn het belfort en de halle naar historisch model gereconstrueerd. De bekroning is nu uitgewerkt waardoor het belfort meer aanleunt bij de streekeigen kerktorens. De halle heeft hetzelfde uitzicht als de eerste die vermoedelijk in 1280 werd gebouwd in laatgotische stijl.
Koning Albert I monument: dit monument opgetrokken in baksteen houdt de herinnering aan alle slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog levend. In het centrum staat een ruiterstandbeeld van de koning.
Ganzepoot: het sluizencomplex dat voor de afwatering van de polders zorgt en voor de instandhouding van het waterpeil voor de scheepvaart
Foto die een gedeelte van het gebied vanaf de vroegere spoorwegbedding toont dat in 1914 onder water werd gezet (26 dec 2004)de reus Jan Turpin. Hij is 11,4m hoog, weegt 700 kg. en wordt door 24 personen gedragen. Hij is de grootste gedragen reus van Europa.
Foto die een gedeelte van het gebied vanaf de vroegere spoorwegbedding toont dat in 1914 onder water werd gezet.
******************
Onze-Lieve-Vrouwekerk in Nieuwpoort
De Onze-Lieve-Vrouwekerk in Nieuwpoort werd in 1163 ingewijd door bisschop Milo van Terwaan. Oorspronkelijk was het een kapel die bediend werd door kanunniken van de Sint-Niklaasabdij te Veurne.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog stond hier een vroeg 15e eeuwse hallenkerk met een 17e eeuwse toren die toen volledig werd verwoest. Van de geplande renaissancetoren kwam wegens geldgebrek alleen de vierhoekige onderbouw tot stand. Pas in 1735 werd de lage achthoekige bovenbouw met open torenhelm afgewerkt.
In 1922, na haar vernieling in het begin van de Eerste Wereldoorlog, werd de kerk, behalve de toren, naar de oorspronkelijke plannen wederopgebouwd.
In 1940 werd ze, waarschijnlijk door Engelse kanonnen, in brand geschoten en in 1946 heropgebouwd als driebeukige bakstenen hallenkerk. De bakstenen neogotische toren, die losstaat van de kerk, werd in 1952 opgetrokken. De toren is een variant op het typische torenschema van de kuststreek.
In de kerk vind je het schilderij De Slag bij Nieuwpoort in 1600 dat wordt toegeschreven aan L. Moritz. Het was een geschenk van koning Willem I van Nederland in 1821 aan de stad. Oorspronkelijk hing het schilderij in de raadzaal van het stadhuis maar wegens plaatsgebrek werd het na de Eerste Wereldoorlog naar de kerk verhuisd
******************

Geschiedenis
De kuststreek onderging in de loop der eeuwen de invloed van de drie Duinkerkse transgressies die het landschap drastisch veranderden.
Isera Portus, de eerste naam voor Nieuwpoort dook in 1150 in geschriften op. Later sprak men van Neo Portus en Novum Oppidum. Novus Portus (Nieuwpoort) is de benaming die het ten slotte haalt.
Filips van de Elzas verleende de nederzetting een stichtingskeure die haar rechten en verplichtingen op sociaal, economisch, financieel en politiek vlak vastlegde. In de 14e en 15e eeuw kreeg Nieuwpoort te maken met plunderaars uit Frankrijk (1213 en 1299 en Gent (1383).
In 1489 vielen Bruggelingen, Fransen en Gentenaars de stad aan. Jan Turpin, toenmalig burgemeester van de stad, riep de hulp in van de Nieuwpoortse vrouwen die volgens een plaatselijk kroniekschrijver soo cloeckelijkcke vochten als Amazones.
In de 16e en 17e eeuw kregen de inwoners vijf keer met de Fransen te maken (1647, 1658, 1745, 1793 en 1794).
Koning Albert I-monument
Nieuwpoort is vooral bekend van de Slag bij Nieuwpoort in 1600.
Nieuwpoort was in de late 17e eeuw en eerste helft van de 18e eeuw een van de vestingsteden die deel uitmaakten van de Nederlandse vestingsbarrière in de Zuidelijke Nederlanden
Koning Albert I-monument (27 dec 2004)Het kusttoerisme kwam goed op gang na de aanleg van de spoorverbinding die Nieuwpoort-Bad met Brussel verbond. Op 15 augustus 1869 stoomde de eerste trein het station binnen, met niemand minder dan koning Leopold II als passagier aan boord.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog bij de slag om de IJzer raakte Nieuwpoort zwaar beschadigd. Het was een steunpunt voor de verdediging van het Belgisch leger dat zich kon handhaven na de inundatie van een gebied gelegen tussen de IJzer en de spoorwegbedding van de spoorweglijn Nieuwpoort-Diksmuide. Hendrik Geeraert opende in de nacht van 29 op 30 oktober 1914 de uitlaatsluizen van de Veurne-Ambacht onder supervisie van Karel Cogge en zette zo het terrein ten westen van de IJzer onder water.
****************
Bezienswaardigheden
Stadhuis, wederopgebouwd in 1922 in Vlaamse renaissancestijl nadat het vorige, bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, werd verwoest. Boven de ingang staat het wapenschild geflankeerd door een boer en een visser en de oude benaming van de stad Novus Portus. In het gebouw vind je een rijke verzameling kunstwerken.
Belfort en Stadshalle (27 dec 2004)Onze-Lieve-Vrouwekerk
Vismijn: je kan er wekelijks, tussen 15 juni en 15 september, deelnemen aan een geleide wandeling die om 9u30 vertrekt aan de Dienst voor Toerisme
Stadshalle met belfort: het 35m hoge belfort (op de lijst van het Werelderfgoed van de UNESCO) is opgevat als gedeeltelijke uitbouw van de voorgevel. Het torent uit boven de rechthoekige hal van 14e-eeuwse oorsprong die behoort tot de grensoverschrijdende baksteengotiek. Tijdens de Eerste Wereldoorlog is de toren gedynamiteerd en de halle, samen met de hele stad, bijna volledig verwoest. In 1921-1923 zijn het belfort en de halle naar historisch model gereconstrueerd. De bekroning is nu uitgewerkt waardoor het belfort meer aanleunt bij de streekeigen kerktorens. De halle heeft hetzelfde uitzicht als de eerste die vermoedelijk in 1280 werd gebouwd in laatgotische stijl.
Koning Albert I monument: dit monument opgetrokken in baksteen houdt de herinnering aan alle slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog levend. In het centrum staat een ruiterstandbeeld van de koning.
Ganzepoot: het sluizencomplex dat voor de afwatering van de polders zorgt en voor de instandhouding van het waterpeil voor de scheepvaart
Foto die een gedeelte van het gebied vanaf de vroegere spoorwegbedding toont dat in 1914 onder water werd gezet (26 dec 2004)de reus Jan Turpin. Hij is 11,4m hoog, weegt 700 kg. en wordt door 24 personen gedragen. Hij is de grootste gedragen reus van Europa.
Foto die een gedeelte van het gebied vanaf de vroegere spoorwegbedding toont dat in 1914 onder water werd gezet.
******************
Onze-Lieve-Vrouwekerk in Nieuwpoort
De Onze-Lieve-Vrouwekerk in Nieuwpoort werd in 1163 ingewijd door bisschop Milo van Terwaan. Oorspronkelijk was het een kapel die bediend werd door kanunniken van de Sint-Niklaasabdij te Veurne.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog stond hier een vroeg 15e eeuwse hallenkerk met een 17e eeuwse toren die toen volledig werd verwoest. Van de geplande renaissancetoren kwam wegens geldgebrek alleen de vierhoekige onderbouw tot stand. Pas in 1735 werd de lage achthoekige bovenbouw met open torenhelm afgewerkt.
In 1922, na haar vernieling in het begin van de Eerste Wereldoorlog, werd de kerk, behalve de toren, naar de oorspronkelijke plannen wederopgebouwd.
In 1940 werd ze, waarschijnlijk door Engelse kanonnen, in brand geschoten en in 1946 heropgebouwd als driebeukige bakstenen hallenkerk. De bakstenen neogotische toren, die losstaat van de kerk, werd in 1952 opgetrokken. De toren is een variant op het typische torenschema van de kuststreek.
In de kerk vind je het schilderij De Slag bij Nieuwpoort in 1600 dat wordt toegeschreven aan L. Moritz. Het was een geschenk van koning Willem I van Nederland in 1821 aan de stad. Oorspronkelijk hing het schilderij in de raadzaal van het stadhuis maar wegens plaatsgebrek werd het na de Eerste Wereldoorlog naar de kerk verhuisd
******************

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Beknopte Geschiedenis van Diest
Filips Willem van Oranje ° 1554 Buren - +1618 Brussel
(begraven te Diest St. Sulpitiuskerk)
M.J. van Mierevelt, hofschilder van de prinsen van Oranje
*******************
De Historische Ontwikkeling van Diest
De oudste sporen van menselijke bewoning in het Diestse klimmen op tot het paleoliticum. De eigenlijke grondvesten voor het huidige Diest werden echter gelegd in de Frankische periode, wanneer ter plaatse een ganse nederzetting ontstond.
Deze nederzetting moet zich langzamerhand uitgebreid hebben. In de loop van de 7de eeuw zou volgens de overlevering, de Heilige Remigius er een bidplaats hebben opgericht ter ere van zijn vroegere leermeester, de Heilige Sulpitius. In de kerstening van de streek had ook de abdij van St. Truiden een belangrijk aandeel. Kerkelijk was Diest trouwens aanvankelijk ondergeschikt aan het geestelijk bestuur van deze abdij. Het wereldlijke bestuur werd blijkbaar waargenomen door een heer, die vanuit Diest de "pagi Hasbaniensi sive Dyostiensi", zoals in 837 vermeld werd bestuurde. Uit een dokument van het jaar 900 kennen we zelfs de naam van deze heer, namelijk Angilramnus.
De periode tussen 900 en 1087 is vrij duister in het Diestse verleden, temeer omdat geen bronnen voorhanden zijn. In 1087 duikt uit de kroniek van de abdij van Sint Truiden een zeker Otto, heer van Diest op.Deze Otto had op onwettige wijze bepaalde goederen van de abdij afhandig gemaakt. Tijdens de daarop volgende decennia zien we de opvolgers van Otto bijna allen in conflikt komen met met de abdij van Sint-Truiden tot uiteindelijk Arnold II in 1163 het begevingsrecht over de Diestse kerkgemeenschap overdroeg aan de abdij van Tongerlo. Voortaan zou deze het geestelijke bestuur over Diest waarnemen en dit tot het einde van de 18de eeuw
Het Spijker - Refugiehuis van de Abdij van Tongerlo
Tijdens het laatste kwart van de 12de eeuw - de juiste datum is niet gekend - verkocht Arnold II zijn heerlijkheid aan Filips van Heinsberg, bisschop van Keulen. Op die wijze trachte hij te weerstaan aan de steeds maar toenemende druk van de hertogen van Brabant ten opzichte van zijn bezittingen. Toch was het zo dat Hendrik I, hertog van Brabant op 25 februari 1229 de Diestenaren hun vrijhijdskeure verleende. In de loop van de daarop volgende jaren zouden de stedelingen zich steeds meer als Brabanders gaan gedragen, terwijl de heren van Diest tussen de voornaamste medewerkers van de Brabantse Hertogen mochten gerekend worden.Het bestuur over deze gemeenschap was reeds zo complex geworden dat de heer van Diest zich liet bijstaan door een aantal vazallen, die in feite later in de nieuwe stad de schepenbank zouden gaan vormen. De Sint-Sulpitiuskerk kon alleen alle gelovigen niet meer opvangen en daarom werd overgegaan tot de oprichting van nieuwe parochies: de Onze-Lieuve-Vrouwparochie (1253) en de St.-Jansparochie (1253-1264). De Sint-Janskerk werd in 1297 verheven tot de rang van kapittelkerk. De begijnen vestigden zich op het Sint-Katharinabegijnhof aan de rand van de stad(1253).
Ruine van de St.-Janskerk (1253-1264)
Het ganse grondgebied werd in 1365 en tijdens de eerstvolgende decennia omgeven door een stadswal, voorzien van een tiental poorten en een dertigtal vestingstorens. Deze nieuwe wal kwam in de plaats van de verschillende verdedigingswerken die iedere wijk vroeger bezat. Om de stad in tijden van nood te kunnen verdedigen en om te helpen in de ordehandhaving werd een beroep gedaan op de schuttersgilden. De stedelijke economie tijdens de middeleeuwen steunde grotendeels op een bloeiende landbouwmarkt en op de lakennijverheid en -handel. Als interregionaal centrum was Diest bekend om zijn graan- en veemarkten. De lakennijverheid en -handel bezorgden Diest, zoals zovele andere Vlaamse en Brabantse steden, een relatief grote welvaart. Het plaatselijke laken werd gedurende de 14de en de 15de eeuw aangetroffen op bijna alle grote West-Europese jaarmarkten. Deze economische bloei zorgde ervoor dat de stad in 1432 ongeveer 10.000 bewoners had, hetgeen haar tussen de voornaamste steden van het hertogdom plaatste.
Vanaf het midden van de 15de eeuw begon echter te Diest de krisis in de lakennijverheid, die reeds eerder in sommige Vlaamse en Brabantse steden een periode van verval had ingeluid. De vraag naar het zware plaatselijke laken verminderde en het spook van de werkloosheid begon om zich heen te grijpen. Bovendien drukte de zware stedelijke schuldenlast erg op de plaatselijke economie, zodanig dat veel Diestenaren begonnen uit te wijken. Pestepidemies en de politieke onrust op het einde van de 15de eeuw deden de rest. Omstreeks 1500 was het bevolkingsaantal teruggevallen tot ca. 6.400.
morgen verder
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Tijdens de eerste helft van de 16de eeuw herstelde de economische toestand zich enigzins, alhoewel nooit meer een periode van grote welvaart bereikt werd.
Op het bestuurlijke gebied had zich ondertussen een verandering voorgedaan bij de heren van Diest. Het oude heerlijke geslacht van Diest was op het einde van de 15de eeuw uitgestorven . Willem, hertog van Gullik, de echtgenoot van de laatste afstammelinge van de heren van Diest, ruilde in 1499 zijn bezittingen met Engelbrecht II, graaf van Nassau. Alzo kwam Diest, samen met de heerlijkheden Zichem, Kaggevinne, Zelem en het burggraafschap van Antwerpen, in handen van de Nassau's die zich sinds het begin van de 15de eeuw ontwikkeld hadden tot één van de voornaamste adelijke families in het hertogdom Brabant. Hendrik III, de neef en opvolger van Engelbrecht II, deed de oude burcht slopen en bouwde het thans nog bestaande Hof van Nassau. Zijn zoon, René van Chalon, erfde langs moederszijde het prinsdom Orange en noemde zich voortaan prins van Oranje-Nassau. René overleed in 1544 en zijn bezittingen werden overgedragen aan zijn neef Willem van Oranje, bijgenaamd de Zwijger
René van Chalons en echtgenote
De stad bleef gespaard van de eigenlijke Beeldenstorm in 1566, mede door de voorzorgsmaatregelen van het stadsbestuur en van de plaatselijke geestelijkheid. In 1568 viel Willem de zuidelijke Nederlanden binnen een meteen begon een duistere periode in de plaatselijke geschiedenis. In oktober van hetzelfde jaar, weigerden de inwoners toegang aan een Spaans garnizoen, hetgeen allerlei represailles vanwege de Spaanse overheid voor gevolg had. In 1572 bezetten troepen van Willem van Oranje kortstondig de stad. Tussen 19 en 21 februari 1578 werden kerken, kloosters en kapellen door troepen van Oranje in brand gestoken. In 1580 bezetten de Geuzen opnieuw Diest en dit voor een periode van drie jaar. In 1583 slaagde Farnese erin de stad te heroveren. Honderden Diestenaren hadden intussen de stad verlaten en degenen die nog gebleven waren, stonden voortdurend bloot aan de overmatige eisen van de slecht betaalde Spaanse garnizoenen. Tweemaal, in 1600 en in 1606, werd de stad gedurende maanden overgeleverd aan muitende troepen die zich, in afwachting van betaling, tegoed deden op de kap van de inwoners. Het inwonertal daalde dan ook verder tot ca. 4.000 omstreeks 1610.
De Diestse economie kwam erg bekaaid uit de 16de-eeuwse troebelen. De lakennijverheid had opgedhouden te bestaan, terwijl de tapijtwevers en de huidevetters naar elders vertrokken waren. De Diestse vee- en paardenmarkten werden niet meer gehouden omdat geen kopers kwamen opdagen. Alleen kunnen we vaststellen dat de biernijverheid die voordien bijna uitsluitend voor de eigen stedelijke behoeften had gezorgd, thans meer en meer naar buiten ging uitvoeren
Het twaalfjarig Bestand kenmerkte zich te Diest door een bepaald herstel. Gebouwen werden gerestaureerd. De handel herleefde en ook de bevolking groeide aan. De heerlijkheid Diest was, na een tijdje afhankelijk geweest te zijn van de Spaanse troon, op het einde van de 16de eeuw overgedragen aan prins Filips-Willem van Oranje, de oudste zoon van Willem de Zwijger. Filips-Willem verbleef vrij veel te Diest en werd er ook in 1618 begraven. (Graftombe te bezichtigen in de St. Sulpitius Kerk.)
Diest : Grote Markt en St. Sulpitius kerk
*****
Vanaf het tweede kwart van de 17de eeuw hervatte de oorlog tussen de Spaanse Nederlanden en het Noorden in alle hevigheid en werd Diest getroffen door zware garnizoenen en inkwartieringen, alhoewel de stad zelf buiten het krijgsgewoel bleef. In 1635 werd Diest bezet door een Hollands-Frans leger. De oorlog koste veel geld en de stad was dan ook in het midden van de 17de eeuw zo goed als failliet. Bovendien werd de handel ernstig belemmerd door de krijgsgebeurtenissen. Ook tijdens de verschillende oorlogen van Louis XIV bleef Diest het toneel van garnizoenen en inkwartieringen. Tijdens de Spaanse Successieoorlogen werd Diest in 1705 ingenomen door de Fransen, die o.a. gedeeltelijk de stand ontmantelden.
Over het algemeen beschouwd is de Oostenrijkse periode een vrij gelukkige tijd geweest voor Diest en zijn inwoners. De handel herleefde en de brouwerijen bloeiden meer dan ooit. Het inwonersaantal steeg van ca. 5.000 in 1700 tot 5.400
op het einde van de 18de eeuw, nadat echter in 1755 een terugval tot ca 4.250 inwoners te noteren viel. De grote epidemies die tijdens de vorige eeuw enorme ravages hadden aangericht onder de bevolking, bleven nu achterwege of waren veel kleiner in omvang. De Diestenaren waren echter niet altijd even gelukkig met de maatregelen van hun vorsten en vanaf 1787 werd het zeer onrustig in de stad. De patriotten of tegenstanders van het Oostenrijkse regimewaren bijzonder aktief en zorgden geregeld voor allerlei relletjes in en romdom de stad. In 1789 waren de inwoners betrokken bij de opstand tegen Jozef II en zelfs na de Oostenrijkse restauratie gaven de Diestenaren blijk van hun anti-keizersgezindheid. Het was dan ook met open armen dat de Sans-culotten in 1792 te Diest ontvangen werden. Vrij vlug had men echter door dat onze Franse "broeders" geen haar beter waren dan de Oostenrijkers.
In 1798 brak in de Kempen de Boerenkrijg uit en gedurende vier dagen viel Diest in handen van het Boerenleger, terwijl de stad zelf door de Fransen omsingeld werd. Via een noodbrug over de demer slaagde het grootste gedeelte van het Boerenleger er uiteindelijk in te ontkomen, terwijl het onverdedigde stadje door de Fransen geplunderd werd.
De Diestenaren waren blij wanneer in 1814 de Fransen voorgoed verdwenen waren en wanneer het Verenigd Koninkrijk opgericht werd. Maar na enkele jaren begon de Belgische misnoegdheid tegen de politiek van koning Willem ook hier ingang te vinden. De Diestenaren waren dan ook paraat wanneer in september 1830 de revolutie losbarste. Veel vrijwilligers namen dienst in twee eenheden infanterie die de stad leverde. Tijdens de Tiendaagse veldtocht werd Diest door het Nederlands leger bezet tussen 15 en 17 augustus.
Bij deze gelegenheid was de strategische ligging van Diest gebleken , vooral dan als hindernis tegen een leger dat vanuit het noorden ons land wilde binnenvallen. Vanaf 1837 werd gestart met de bouw van een nieuwe vestingsgordel en van twee forten. In 1855 was alles voltooid en voortaan zat Diest gekneld tussen zijn wallen, hetgeen een ernstige hinder betekende voor de verdere ontwikkeling van de stad. Tijdens de 19de eeuw stagneerde de stad dan ook, temeer omdat de verbindingswegen met de rest van het land in zeer slechte toestand verkeerden. De Demer was vrijwel niet meer bevaarbaar, terwijl buiten de reeds op het einde van de 18de eeuw aangelegde steenwegen naar Leuven en Aarschot geen andere moderne wegen voorhanden waren. Talrijk waren dan ook de verzoeken van het stadsbestuur om een aansluiting op het Belgisch kanalen- of spoorwegnet te bekomen. Deze laatste kwam er pas in 1865 met de aanleg van de spoorlijn Leuven -Hasselt.
De Schaffensepoort, deel van de verdediginsgordel
************
De fortengordel was er de oorzaak van dat zich geen grote bedrijven binnen de stad vestigden, terwijl buiten de wallen van de militaire overheden geen gebouwen in duurzame materialen mochten gebouwd worden. Vele inwoners vonden geen werk in eigen stad en waren gedwongen ergens anders te gaan werken. Bovendien was de armoede vrij groot en waren de levensomstandigheden voor de armere bevolkinkingsgroepen verre van ideaal. Vele woningen hadden nog een middeleeuws uitzicht en de hygiëne liet veel te wensen over. Slechts uiterst langzaam verbeterden in de 19deeeuw de levens- omstandigheden in de stad. Pas in 1896 werden de Diestse vestingen gedeklasseerd en kon aan uitbreiding van de stad buiten de wallen gedacht worden. Het zou echter tot na de tweede wereldoorlog duren eer de eerste nieuwe woonwijken aan de rand van de stad verschenen
De "Lindenmolen" (ca 1753) op de oude Stadswallen
************
Tijdens de laatste decennia nam de stad voortdurend uitbreiding buiten de vroegere stadswallen. Dit ging weliswaar niet gepaard met een bevolkingsaangroei, maar wel met een vlucht uit de stadskern naar de nieuwe buitenwijken. De Diestse bevolking stagneerde op iets minder dan 10.000 inwoners. Pas met de fusies van de gemeenten werd dit aantal verdubbeld. In 1971 werd Webbekom bij Diest gevoegd en in 1977 was het de beurt aan Schaffen, Molenstede, Deurne en een deel van Kaggevinne. Thans telt de stad iets meer dan 21.000 inwoners.(1987)
Een deel van deze bevolking vindt werk in eigen stad, vooral dan de kleinere bedrijven. Afgezien van één grote schoen- fabriek, werken de overigen hoofdzakelijk in kleinere en middelgrote ondernemingen in en rond de stad. Diest beschikt over een ruim industrieterrein te Webbekom, evenals over kleinere terreinen langsheen de Nijverheidslaan en te Molenstede. Daarnaast zijn er nog een aantal bedrijven verspreid over het ganse grondgebied. Te Diest bestaat, zoals in de rest van het Hageland, nog steeds een belangrijke pendelarbeid, vooral dan naar de grotere centra zoals Brussel, Antwerpen, Leuven en Hasselt. Diest is eveneens een scholenstad. Dagelijks bezoeken enkele duizenden kinderen uit een ruime omgeving de diverse onderwijsinrichtingen.
Diest heeft door zijn rijk verleden, door zijn ligging op de grens van de Kempen en het Hageland en door zijn gemakkelijke bereikbaarheid, tal van troeven om een bloeiende toeristische trekpleister te worden. In die zin werden allerlei initiatieven genomen om de Stad voor de bezoeker aantrekkelijker te maken. Tevens worden rekreatiemogelijkheden voortdurend uitgebreidt., o.a. door een verdere uitbouw van het provinciedomein "Halve Maan"

Op het bestuurlijke gebied had zich ondertussen een verandering voorgedaan bij de heren van Diest. Het oude heerlijke geslacht van Diest was op het einde van de 15de eeuw uitgestorven . Willem, hertog van Gullik, de echtgenoot van de laatste afstammelinge van de heren van Diest, ruilde in 1499 zijn bezittingen met Engelbrecht II, graaf van Nassau. Alzo kwam Diest, samen met de heerlijkheden Zichem, Kaggevinne, Zelem en het burggraafschap van Antwerpen, in handen van de Nassau's die zich sinds het begin van de 15de eeuw ontwikkeld hadden tot één van de voornaamste adelijke families in het hertogdom Brabant. Hendrik III, de neef en opvolger van Engelbrecht II, deed de oude burcht slopen en bouwde het thans nog bestaande Hof van Nassau. Zijn zoon, René van Chalon, erfde langs moederszijde het prinsdom Orange en noemde zich voortaan prins van Oranje-Nassau. René overleed in 1544 en zijn bezittingen werden overgedragen aan zijn neef Willem van Oranje, bijgenaamd de Zwijger
René van Chalons en echtgenote
De stad bleef gespaard van de eigenlijke Beeldenstorm in 1566, mede door de voorzorgsmaatregelen van het stadsbestuur en van de plaatselijke geestelijkheid. In 1568 viel Willem de zuidelijke Nederlanden binnen een meteen begon een duistere periode in de plaatselijke geschiedenis. In oktober van hetzelfde jaar, weigerden de inwoners toegang aan een Spaans garnizoen, hetgeen allerlei represailles vanwege de Spaanse overheid voor gevolg had. In 1572 bezetten troepen van Willem van Oranje kortstondig de stad. Tussen 19 en 21 februari 1578 werden kerken, kloosters en kapellen door troepen van Oranje in brand gestoken. In 1580 bezetten de Geuzen opnieuw Diest en dit voor een periode van drie jaar. In 1583 slaagde Farnese erin de stad te heroveren. Honderden Diestenaren hadden intussen de stad verlaten en degenen die nog gebleven waren, stonden voortdurend bloot aan de overmatige eisen van de slecht betaalde Spaanse garnizoenen. Tweemaal, in 1600 en in 1606, werd de stad gedurende maanden overgeleverd aan muitende troepen die zich, in afwachting van betaling, tegoed deden op de kap van de inwoners. Het inwonertal daalde dan ook verder tot ca. 4.000 omstreeks 1610.
De Diestse economie kwam erg bekaaid uit de 16de-eeuwse troebelen. De lakennijverheid had opgedhouden te bestaan, terwijl de tapijtwevers en de huidevetters naar elders vertrokken waren. De Diestse vee- en paardenmarkten werden niet meer gehouden omdat geen kopers kwamen opdagen. Alleen kunnen we vaststellen dat de biernijverheid die voordien bijna uitsluitend voor de eigen stedelijke behoeften had gezorgd, thans meer en meer naar buiten ging uitvoeren
Het twaalfjarig Bestand kenmerkte zich te Diest door een bepaald herstel. Gebouwen werden gerestaureerd. De handel herleefde en ook de bevolking groeide aan. De heerlijkheid Diest was, na een tijdje afhankelijk geweest te zijn van de Spaanse troon, op het einde van de 16de eeuw overgedragen aan prins Filips-Willem van Oranje, de oudste zoon van Willem de Zwijger. Filips-Willem verbleef vrij veel te Diest en werd er ook in 1618 begraven. (Graftombe te bezichtigen in de St. Sulpitius Kerk.)
Diest : Grote Markt en St. Sulpitius kerk
*****
Vanaf het tweede kwart van de 17de eeuw hervatte de oorlog tussen de Spaanse Nederlanden en het Noorden in alle hevigheid en werd Diest getroffen door zware garnizoenen en inkwartieringen, alhoewel de stad zelf buiten het krijgsgewoel bleef. In 1635 werd Diest bezet door een Hollands-Frans leger. De oorlog koste veel geld en de stad was dan ook in het midden van de 17de eeuw zo goed als failliet. Bovendien werd de handel ernstig belemmerd door de krijgsgebeurtenissen. Ook tijdens de verschillende oorlogen van Louis XIV bleef Diest het toneel van garnizoenen en inkwartieringen. Tijdens de Spaanse Successieoorlogen werd Diest in 1705 ingenomen door de Fransen, die o.a. gedeeltelijk de stand ontmantelden.
Over het algemeen beschouwd is de Oostenrijkse periode een vrij gelukkige tijd geweest voor Diest en zijn inwoners. De handel herleefde en de brouwerijen bloeiden meer dan ooit. Het inwonersaantal steeg van ca. 5.000 in 1700 tot 5.400
op het einde van de 18de eeuw, nadat echter in 1755 een terugval tot ca 4.250 inwoners te noteren viel. De grote epidemies die tijdens de vorige eeuw enorme ravages hadden aangericht onder de bevolking, bleven nu achterwege of waren veel kleiner in omvang. De Diestenaren waren echter niet altijd even gelukkig met de maatregelen van hun vorsten en vanaf 1787 werd het zeer onrustig in de stad. De patriotten of tegenstanders van het Oostenrijkse regimewaren bijzonder aktief en zorgden geregeld voor allerlei relletjes in en romdom de stad. In 1789 waren de inwoners betrokken bij de opstand tegen Jozef II en zelfs na de Oostenrijkse restauratie gaven de Diestenaren blijk van hun anti-keizersgezindheid. Het was dan ook met open armen dat de Sans-culotten in 1792 te Diest ontvangen werden. Vrij vlug had men echter door dat onze Franse "broeders" geen haar beter waren dan de Oostenrijkers.
In 1798 brak in de Kempen de Boerenkrijg uit en gedurende vier dagen viel Diest in handen van het Boerenleger, terwijl de stad zelf door de Fransen omsingeld werd. Via een noodbrug over de demer slaagde het grootste gedeelte van het Boerenleger er uiteindelijk in te ontkomen, terwijl het onverdedigde stadje door de Fransen geplunderd werd.
De Diestenaren waren blij wanneer in 1814 de Fransen voorgoed verdwenen waren en wanneer het Verenigd Koninkrijk opgericht werd. Maar na enkele jaren begon de Belgische misnoegdheid tegen de politiek van koning Willem ook hier ingang te vinden. De Diestenaren waren dan ook paraat wanneer in september 1830 de revolutie losbarste. Veel vrijwilligers namen dienst in twee eenheden infanterie die de stad leverde. Tijdens de Tiendaagse veldtocht werd Diest door het Nederlands leger bezet tussen 15 en 17 augustus.
Bij deze gelegenheid was de strategische ligging van Diest gebleken , vooral dan als hindernis tegen een leger dat vanuit het noorden ons land wilde binnenvallen. Vanaf 1837 werd gestart met de bouw van een nieuwe vestingsgordel en van twee forten. In 1855 was alles voltooid en voortaan zat Diest gekneld tussen zijn wallen, hetgeen een ernstige hinder betekende voor de verdere ontwikkeling van de stad. Tijdens de 19de eeuw stagneerde de stad dan ook, temeer omdat de verbindingswegen met de rest van het land in zeer slechte toestand verkeerden. De Demer was vrijwel niet meer bevaarbaar, terwijl buiten de reeds op het einde van de 18de eeuw aangelegde steenwegen naar Leuven en Aarschot geen andere moderne wegen voorhanden waren. Talrijk waren dan ook de verzoeken van het stadsbestuur om een aansluiting op het Belgisch kanalen- of spoorwegnet te bekomen. Deze laatste kwam er pas in 1865 met de aanleg van de spoorlijn Leuven -Hasselt.
De Schaffensepoort, deel van de verdediginsgordel
************
De fortengordel was er de oorzaak van dat zich geen grote bedrijven binnen de stad vestigden, terwijl buiten de wallen van de militaire overheden geen gebouwen in duurzame materialen mochten gebouwd worden. Vele inwoners vonden geen werk in eigen stad en waren gedwongen ergens anders te gaan werken. Bovendien was de armoede vrij groot en waren de levensomstandigheden voor de armere bevolkinkingsgroepen verre van ideaal. Vele woningen hadden nog een middeleeuws uitzicht en de hygiëne liet veel te wensen over. Slechts uiterst langzaam verbeterden in de 19deeeuw de levens- omstandigheden in de stad. Pas in 1896 werden de Diestse vestingen gedeklasseerd en kon aan uitbreiding van de stad buiten de wallen gedacht worden. Het zou echter tot na de tweede wereldoorlog duren eer de eerste nieuwe woonwijken aan de rand van de stad verschenen
De "Lindenmolen" (ca 1753) op de oude Stadswallen
************
Tijdens de laatste decennia nam de stad voortdurend uitbreiding buiten de vroegere stadswallen. Dit ging weliswaar niet gepaard met een bevolkingsaangroei, maar wel met een vlucht uit de stadskern naar de nieuwe buitenwijken. De Diestse bevolking stagneerde op iets minder dan 10.000 inwoners. Pas met de fusies van de gemeenten werd dit aantal verdubbeld. In 1971 werd Webbekom bij Diest gevoegd en in 1977 was het de beurt aan Schaffen, Molenstede, Deurne en een deel van Kaggevinne. Thans telt de stad iets meer dan 21.000 inwoners.(1987)
Een deel van deze bevolking vindt werk in eigen stad, vooral dan de kleinere bedrijven. Afgezien van één grote schoen- fabriek, werken de overigen hoofdzakelijk in kleinere en middelgrote ondernemingen in en rond de stad. Diest beschikt over een ruim industrieterrein te Webbekom, evenals over kleinere terreinen langsheen de Nijverheidslaan en te Molenstede. Daarnaast zijn er nog een aantal bedrijven verspreid over het ganse grondgebied. Te Diest bestaat, zoals in de rest van het Hageland, nog steeds een belangrijke pendelarbeid, vooral dan naar de grotere centra zoals Brussel, Antwerpen, Leuven en Hasselt. Diest is eveneens een scholenstad. Dagelijks bezoeken enkele duizenden kinderen uit een ruime omgeving de diverse onderwijsinrichtingen.
Diest heeft door zijn rijk verleden, door zijn ligging op de grens van de Kempen en het Hageland en door zijn gemakkelijke bereikbaarheid, tal van troeven om een bloeiende toeristische trekpleister te worden. In die zin werden allerlei initiatieven genomen om de Stad voor de bezoeker aantrekkelijker te maken. Tevens worden rekreatiemogelijkheden voortdurend uitgebreidt., o.a. door een verdere uitbouw van het provinciedomein "Halve Maan"

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Zandhoven
wapen
Geschiedkundige gegevens over Zandhoven
Sinds de fusie van gemeenten in 1976, bestaat Zandhoven uit 5 deelgemeenten : Viersel, Massenhoven, Pulderbos, Pulle en Zandhoven zelf. Het dorp ligt op 13 meter boven de zeespiegel, op de scheiding van 2 valleien : enerzijds deze van de Pulderbossebeek en anderzijds deze van de Tappelbeek. Beide beken behoren tot het stroomgebied van de Kleine Nete en liggen in het oude "Land van Ryen of het Rietland
*****************
VIERSEL
Viersel telt zo' n 1190 inwoners. Het is één van de vroegste Frankische nederzettingen in de Zuiderkempen. Men vond er tal van bronzen en stenen wapens en werktuigen van de voorhistorische mens. De naam Viersel zou van Voorschoten komen, naar een gehucht op het grondgebied van het huidige Viersel. Toen Voorschoten in de 16 de eeuw verwoest werd, verdrong de naam Viersel deze van Voorschoten. Dit bleef echter nog lang de naam van de parochie, die tot in 1839 verbonden was met die van Massenhoven.
****************
MASSENHOVEN
In Massenhoven wonen ruim 1161 inwoners. De Heerlijkheid Massenhoven was tot 1644 eigendom van Filips IV, die haar toen doorverkocht aan Adriaan Brouwers.
Massenhoven heeft in talrijke oorlogen een trieste hoofdrol gespeeld. Tijdens de tachtigjarige Oorlog werd het in 1585 totaal verwoest en uitgemoord, op zes inwoners na. Tijdens de Boerenkrijg verzamelden de verzetstrijders in Massenhoven en ook onder WO II had het dorp veel te lijden onder het oorlogsgeweld
*************
PULDERBOS
Pulderbos is de derde deelgemeente. Hier wonen 2645 mensen. Het onstaan van de gemeente Pulderbos hangt samen met de gemeente Pulle. Vermoedelijk ontwikkelde Pulderbos zich rond een Mariakapel in het bos van de parochie Pulle. De aangroei van de bevolking rechtvaardigde de afscheiding, die omstreeks 1200 plaats vond.
Pulderbos was van oudsher een leengoed of heerlijkheid, eigendom van verschillende heren. Het was en is nog steeds een landbouwgemeente. Men vindt er dan ook nog de typische langgevelige Kempense hoeve terug
***********************
PULLE
De op één na laatste deelgemeente is Pulle met zijn 2668 inwoners. Volgens bodemvondsten was Pulle reeds in de Romeinse Tijd bewoond. De naam is afgeleid van Pul of Puldre wat moeras betekent. Ook Pulle was in de loop der tijden eigendom van verschillende heren.
De parochiekerk, toegewijd aan St. Pieter en St. Paulus wordt reeds in 1255 vermeld. Pulle is een landelijke gemeente
************************
ZANDHOVEN
Tenslotte is er Zandhoven zelf met 4480 inwoners, zodat de fusiegemeente in totaal ruim 12.144 inwoners telt.
Zandhoven zou in de vierde of vijfde eeuw door de Franken gesticht zijn. Vandaar wellicht de typische driehoekige dorpspleinen. Sinds de vijftiende eeuw wordt er in Zandhoven rechtgesproken. Eerst was er hier een Beroepshof gevestigd, na de achttiende eeuw werd dit door een Vredegerecht vervangen. Zandhoven is tenslotte ook een kantonale hoofdplaats en een dekenij
**************
Wapenschild
Gevierendeeld :
Kwartier 1 : in lazuur drie staande lelies van zilver
Dit kwartier symboliseert de vroegere gemeente Pulderbos. Het vindt zijn oorsprong in het wapen van de familie van den Steene gezeid van Assche, die de heerlijkheid Pulderbos bezat in de 18 de eeuw.
Kwartier 2 : in keel een schildhoofd van zilver, beladen met drie mereltjes van het veld, naast elkaar geplaatst.
Dit gedeelte van het gemeentewapen symboliseert de vroegere gemeente Pulle. Van 1726 af gebruikte de schepenbank van Grobbendonk en Pulle een zegel van zaken waarop het wapen voorkwam van de familie d'Ursel. Na het overlijden van zijn eerste echtgenote hertrouwde Gaspar Schetz, heer van Pulle, met Katarina, dochter van Lanceloot d'Ursel. Koenraad, één van hun zonen nam het wapen van de familie van zijn moeder aan.
Kwartier 3 : in zilver vijf aaneengesloten spitsruiten van keel, dwarsbalksgewijze geplaatst, de tweede overtopt met een mereltje van sabel.
Dit derde kwartier symboliseert de vroegere gemeente Massenhoven. Het gaat terug op het wapen van de familie Cannart d'Hamale, heren van Massenhoven in de 17 de en 18 de eeuw.
Kwartier 4 : in zilver een geledigd leliekruis van sabel en een blokzoom van zestien stukken van keel en van zilver, die van keel beladen met een toren van goud, geopend van lazuur, die van zilver met een ketel van sabel.
Dit kwartier symboliseert de vroegere gemeente Viersel. Het gaat hier om het wapen van de familie de Villegas, heren van Viersel en Hovorst van de tweede helft van de 17 de eeuw tot op het einde van het Ancien Régime.
Schildehouder : een Sint-Amelberga van natuurlijke kleur, staande op een steur van sinopel.
Dit is ontleend aan het bij Koninklijk Besluit van 29 augustus 1842 aan Zandhoven toegekend wapen. Toen Amelberga, een in de achtste eeuw levende Benedictinessenabdis uit het Huis der Pippiniden, na haar overlijden uit de abdij van Munsterbilzen per boot op de Schelde naar Temse gebracht werd, volgde een hele stoet steuren haar. Reeds tijdens haar leven had een grote steur aangeboden haar over de Schelde te brengen
*****************************

wapen
Geschiedkundige gegevens over Zandhoven
Sinds de fusie van gemeenten in 1976, bestaat Zandhoven uit 5 deelgemeenten : Viersel, Massenhoven, Pulderbos, Pulle en Zandhoven zelf. Het dorp ligt op 13 meter boven de zeespiegel, op de scheiding van 2 valleien : enerzijds deze van de Pulderbossebeek en anderzijds deze van de Tappelbeek. Beide beken behoren tot het stroomgebied van de Kleine Nete en liggen in het oude "Land van Ryen of het Rietland
*****************
VIERSEL
Viersel telt zo' n 1190 inwoners. Het is één van de vroegste Frankische nederzettingen in de Zuiderkempen. Men vond er tal van bronzen en stenen wapens en werktuigen van de voorhistorische mens. De naam Viersel zou van Voorschoten komen, naar een gehucht op het grondgebied van het huidige Viersel. Toen Voorschoten in de 16 de eeuw verwoest werd, verdrong de naam Viersel deze van Voorschoten. Dit bleef echter nog lang de naam van de parochie, die tot in 1839 verbonden was met die van Massenhoven.
****************
MASSENHOVEN
In Massenhoven wonen ruim 1161 inwoners. De Heerlijkheid Massenhoven was tot 1644 eigendom van Filips IV, die haar toen doorverkocht aan Adriaan Brouwers.
Massenhoven heeft in talrijke oorlogen een trieste hoofdrol gespeeld. Tijdens de tachtigjarige Oorlog werd het in 1585 totaal verwoest en uitgemoord, op zes inwoners na. Tijdens de Boerenkrijg verzamelden de verzetstrijders in Massenhoven en ook onder WO II had het dorp veel te lijden onder het oorlogsgeweld
*************
PULDERBOS
Pulderbos is de derde deelgemeente. Hier wonen 2645 mensen. Het onstaan van de gemeente Pulderbos hangt samen met de gemeente Pulle. Vermoedelijk ontwikkelde Pulderbos zich rond een Mariakapel in het bos van de parochie Pulle. De aangroei van de bevolking rechtvaardigde de afscheiding, die omstreeks 1200 plaats vond.
Pulderbos was van oudsher een leengoed of heerlijkheid, eigendom van verschillende heren. Het was en is nog steeds een landbouwgemeente. Men vindt er dan ook nog de typische langgevelige Kempense hoeve terug
***********************
PULLE
De op één na laatste deelgemeente is Pulle met zijn 2668 inwoners. Volgens bodemvondsten was Pulle reeds in de Romeinse Tijd bewoond. De naam is afgeleid van Pul of Puldre wat moeras betekent. Ook Pulle was in de loop der tijden eigendom van verschillende heren.
De parochiekerk, toegewijd aan St. Pieter en St. Paulus wordt reeds in 1255 vermeld. Pulle is een landelijke gemeente
************************
ZANDHOVEN
Tenslotte is er Zandhoven zelf met 4480 inwoners, zodat de fusiegemeente in totaal ruim 12.144 inwoners telt.
Zandhoven zou in de vierde of vijfde eeuw door de Franken gesticht zijn. Vandaar wellicht de typische driehoekige dorpspleinen. Sinds de vijftiende eeuw wordt er in Zandhoven rechtgesproken. Eerst was er hier een Beroepshof gevestigd, na de achttiende eeuw werd dit door een Vredegerecht vervangen. Zandhoven is tenslotte ook een kantonale hoofdplaats en een dekenij
**************
Wapenschild
Gevierendeeld :
Kwartier 1 : in lazuur drie staande lelies van zilver
Dit kwartier symboliseert de vroegere gemeente Pulderbos. Het vindt zijn oorsprong in het wapen van de familie van den Steene gezeid van Assche, die de heerlijkheid Pulderbos bezat in de 18 de eeuw.
Kwartier 2 : in keel een schildhoofd van zilver, beladen met drie mereltjes van het veld, naast elkaar geplaatst.
Dit gedeelte van het gemeentewapen symboliseert de vroegere gemeente Pulle. Van 1726 af gebruikte de schepenbank van Grobbendonk en Pulle een zegel van zaken waarop het wapen voorkwam van de familie d'Ursel. Na het overlijden van zijn eerste echtgenote hertrouwde Gaspar Schetz, heer van Pulle, met Katarina, dochter van Lanceloot d'Ursel. Koenraad, één van hun zonen nam het wapen van de familie van zijn moeder aan.
Kwartier 3 : in zilver vijf aaneengesloten spitsruiten van keel, dwarsbalksgewijze geplaatst, de tweede overtopt met een mereltje van sabel.
Dit derde kwartier symboliseert de vroegere gemeente Massenhoven. Het gaat terug op het wapen van de familie Cannart d'Hamale, heren van Massenhoven in de 17 de en 18 de eeuw.
Kwartier 4 : in zilver een geledigd leliekruis van sabel en een blokzoom van zestien stukken van keel en van zilver, die van keel beladen met een toren van goud, geopend van lazuur, die van zilver met een ketel van sabel.
Dit kwartier symboliseert de vroegere gemeente Viersel. Het gaat hier om het wapen van de familie de Villegas, heren van Viersel en Hovorst van de tweede helft van de 17 de eeuw tot op het einde van het Ancien Régime.
Schildehouder : een Sint-Amelberga van natuurlijke kleur, staande op een steur van sinopel.
Dit is ontleend aan het bij Koninklijk Besluit van 29 augustus 1842 aan Zandhoven toegekend wapen. Toen Amelberga, een in de achtste eeuw levende Benedictinessenabdis uit het Huis der Pippiniden, na haar overlijden uit de abdij van Munsterbilzen per boot op de Schelde naar Temse gebracht werd, volgde een hele stoet steuren haar. Reeds tijdens haar leven had een grote steur aangeboden haar over de Schelde te brengen
*****************************

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
WAPENSCHILD EN VLAG
Bij gemeenteraadsbesluit van 1987-06-01 werd het wapenschild en vlag van de gemeente As vastgesteld en bekrachtigd bij Ministerieel Besluit van 13 oktober 1987.
De beschrijving van het wapen luidt als volgt:
" In zilver een geplante boom van sinopel, vergezeld links van een hert van keel klimmend tegen de stam. Het schild geplaatst voor een Sint-Amor houdende in de rechterhand een pelgrimsstaf en op de linkerhand een kerk, het geheel van goud.
***********
AS EN NIEL IN HET VERLEDEN
De gemeente As, sedert 1971 een fusie van de twee Kempense dorpen As en Niel-bij-As, is gelegen op het Kempens plateau, in het midden tussen de Demer- en de Maasvallei en daarbij op de waterscheiding (Waterschei) van het Schelde- en Maasstroomgebied.
Beide dorpen zijn ontstaan als nederzettingen langs de Bosbeek of Oeter, een kleine Kempense rivier die haar bronnen heeft in het Asserse Wildbroek en nabij Maaseik uitmondt in de Maas.
De ligging van de nederzettingen nabij een waterloop in deze droge streek gaf de dorpen ook hun naam:
"As" is een prehistorische waternaam ("ASKA") waarmee men eerst de Bosbeek aanduidde en later het dorp zelf: "Assche, Asghe, Asch, As".
De naam "Niel" komt van het middelnederlandse woord "NIEL" dat "voorover" betekent
Een afgeleide hiervan is bijvoorbeeld "vernielen" in de oorspronkelijke betekenis van "neergooien".
"Niel" is alzo de laagte van de Bosbeek-vallei die hier diep in het Plateau is ingesneden.
Archeologische vondsten wijzen op een vroege prehistorische bewoning. Zo zijn er verspreide vondsten van gebruiksvoorwerpen uit silex, daterend uit de jongste steentijd. Pas vanaf 500 voor Christus is de streek met zekerheid bewoond:
een grafveld in de heide tussen Genk en As bewijst dit. De geschiedenis begint met de Romeinen die de weg van Tongeren naar Venlo aanleggen via Munsterbilzen en As.
De huidige Zandstraat, de Bevrijdingslaan en de weg naar Niel en Dorne volgen de loop van deze oude weg.
De Romeinen hebben zich hier echter niet gevestigd; er zijn geen nederzettingen en villae: de streek is onvruchtbaar (zandgronden) en de Kempen wordt hierdoor niet geromaniseerd.
Na de val van Rome trekken de Franken onze gewesten binnen en vestigen zich ondermeer in As. De Merovingische begraafplaats op de Schuttenberg wijst zelfs op een belangrijk dorp in de jaren 500 - 700.
Vanaf de achtste eeuw neemt de kerstening van de Kempen een aanvang en wordt te As een eerste kerkje gebouwd op de plaats van de huidige St. Aldegondiskerk.
De kerk van As wordt een eerste maal vernoemd in een kronijk van 13 december 1108 waarin Otbert, Prinsbisschop van Luik, aan de abdij van Rolduc bericht over inkomsten uit de kerken van Riemst, Genk, As en Gellik.
Niel daarentegen, dat eeuwenlang afhing van het Maaslandse Dilsen, wordt een eerste maal vermeld in een charter van 4 juni 1253 waarin Arnold, graaf van Loon, de Villa van Dilsen met aanhorigheid Niel in leen krijgt van het kasteel van Stokkem.
Van 16 mei 1299 dateert de benoemingsakte van Arnold van Gellik tot pastoor van As door de Loonse Graaf.
Later, op 1 december 1303, wordt het patronaat van As toegekend aan het Stift over een altijddurende erfpacht van de parochie.
De Nielenaren moesten echter nog steeds voor hun religieuze verplichtingen en erediensten naar Dilsen of het dichterbij gelegen As, totdat pastoor Bex van Dilsen op 3 januari 1721 Niel tot zelfstandige parochie maakt. Zijn neef Adam Dellecomminne wordt de eerste pastoor van Niel.
Vanaf de vroege middeleeuwen moet het oorspronkelijke eiken-berkenbos steeds meer wijken voor landbouwgronden en heidevelden.
De tegenwoordige gehuchten, waarvan Oeleinde waarschijnlijk het oudste is, ontstaan en het dorp ontwikkelt zich tot een landbouwersgemeenschap totdat in 1901 in As de eerste Kempense steenkool ontdekt wordt.
Hiermee begint de industrialisatie waarmee echter vooral het Maasland en Genk hun voordeel deden. Nu is As een residentiële gemeente temidden van grote heidevelden en bosgebieden op de grens van Kempen en Maasland, in het oude Land van Loon.
**************************************
BEZIENSWAARDIGHEDEN
*****
AS IS TWEE MOLENS RIJK
In de "oude molen", die trouwens van het bovenslagtype is, werd al in eind 15e eeuw graan gemalen. Deze molen heeft een bijbehorend woonhuis dat trouwens nog steeds bewoond is. Het molengedeelte is echter niet meer in gebruik. Dit alles ligt in een prachtig bos- en moerasgebied.
Eeuwenlang was dit in As de enige molen.
In 1715 bouwde de gemeente een tweede molen stroomopwaarts van de "oude molen".
Deze molen, "'t Mieleke" genoemd, huist nu het heemkundig museum.
Ook worden er hier soms tijdelijke kunsttentoonstellingen gehouden.
**************
HET ANDRE-DUMONTMONUMENT
Op de plaats waar in As
voor 't eerst in Limburg steenkool werd aangeboord
werd een monument opgericht voor degene die dit natuurfenomeen ontdekte.
André Dumont was een Leuvense professor die in 1901 steenkool opboorde in As op 541 m diepte.
Al snel kwamen er drie mijnen in het naburige Genk
*******************
KERKEN
De Sint-Theresiakerk in As-centrum werd in 1930-31 gebouwd in een neogotische stijl. Ze werd in gebruik genomen op 1932-01-13
****
De Sint-Niklaaskerk in Niel-centrum werd gebouwd in 1967 om de oude bakstenen kerk in neo-gotische stijl van omstreeks 1850 te vervangen.
Vroeger stond hier een kapel (1685) die tot kerk werd vergroot in 1736 en een pastorij uit hetzelfde jaar.
Deze pastorij werd afgebroken maar in de huidige Sint-Niklaaskerk bleef de gevelsteen van de pastorij en de grafsteen van de eerste pastoor (1725-1788) bewaard.
****
De nieuwe kerk, in moderne stijl, heeft een hoge open toren die los staat van het kerkgebouw en bevat de klokken van de oude kerk
******************
Bij gemeenteraadsbesluit van 1987-06-01 werd het wapenschild en vlag van de gemeente As vastgesteld en bekrachtigd bij Ministerieel Besluit van 13 oktober 1987.
De beschrijving van het wapen luidt als volgt:
" In zilver een geplante boom van sinopel, vergezeld links van een hert van keel klimmend tegen de stam. Het schild geplaatst voor een Sint-Amor houdende in de rechterhand een pelgrimsstaf en op de linkerhand een kerk, het geheel van goud.
***********
AS EN NIEL IN HET VERLEDEN
De gemeente As, sedert 1971 een fusie van de twee Kempense dorpen As en Niel-bij-As, is gelegen op het Kempens plateau, in het midden tussen de Demer- en de Maasvallei en daarbij op de waterscheiding (Waterschei) van het Schelde- en Maasstroomgebied.
Beide dorpen zijn ontstaan als nederzettingen langs de Bosbeek of Oeter, een kleine Kempense rivier die haar bronnen heeft in het Asserse Wildbroek en nabij Maaseik uitmondt in de Maas.
De ligging van de nederzettingen nabij een waterloop in deze droge streek gaf de dorpen ook hun naam:
"As" is een prehistorische waternaam ("ASKA") waarmee men eerst de Bosbeek aanduidde en later het dorp zelf: "Assche, Asghe, Asch, As".
De naam "Niel" komt van het middelnederlandse woord "NIEL" dat "voorover" betekent
Een afgeleide hiervan is bijvoorbeeld "vernielen" in de oorspronkelijke betekenis van "neergooien".
"Niel" is alzo de laagte van de Bosbeek-vallei die hier diep in het Plateau is ingesneden.
Archeologische vondsten wijzen op een vroege prehistorische bewoning. Zo zijn er verspreide vondsten van gebruiksvoorwerpen uit silex, daterend uit de jongste steentijd. Pas vanaf 500 voor Christus is de streek met zekerheid bewoond:
een grafveld in de heide tussen Genk en As bewijst dit. De geschiedenis begint met de Romeinen die de weg van Tongeren naar Venlo aanleggen via Munsterbilzen en As.
De huidige Zandstraat, de Bevrijdingslaan en de weg naar Niel en Dorne volgen de loop van deze oude weg.
De Romeinen hebben zich hier echter niet gevestigd; er zijn geen nederzettingen en villae: de streek is onvruchtbaar (zandgronden) en de Kempen wordt hierdoor niet geromaniseerd.
Na de val van Rome trekken de Franken onze gewesten binnen en vestigen zich ondermeer in As. De Merovingische begraafplaats op de Schuttenberg wijst zelfs op een belangrijk dorp in de jaren 500 - 700.
Vanaf de achtste eeuw neemt de kerstening van de Kempen een aanvang en wordt te As een eerste kerkje gebouwd op de plaats van de huidige St. Aldegondiskerk.
De kerk van As wordt een eerste maal vernoemd in een kronijk van 13 december 1108 waarin Otbert, Prinsbisschop van Luik, aan de abdij van Rolduc bericht over inkomsten uit de kerken van Riemst, Genk, As en Gellik.
Niel daarentegen, dat eeuwenlang afhing van het Maaslandse Dilsen, wordt een eerste maal vermeld in een charter van 4 juni 1253 waarin Arnold, graaf van Loon, de Villa van Dilsen met aanhorigheid Niel in leen krijgt van het kasteel van Stokkem.
Van 16 mei 1299 dateert de benoemingsakte van Arnold van Gellik tot pastoor van As door de Loonse Graaf.
Later, op 1 december 1303, wordt het patronaat van As toegekend aan het Stift over een altijddurende erfpacht van de parochie.
De Nielenaren moesten echter nog steeds voor hun religieuze verplichtingen en erediensten naar Dilsen of het dichterbij gelegen As, totdat pastoor Bex van Dilsen op 3 januari 1721 Niel tot zelfstandige parochie maakt. Zijn neef Adam Dellecomminne wordt de eerste pastoor van Niel.
Vanaf de vroege middeleeuwen moet het oorspronkelijke eiken-berkenbos steeds meer wijken voor landbouwgronden en heidevelden.
De tegenwoordige gehuchten, waarvan Oeleinde waarschijnlijk het oudste is, ontstaan en het dorp ontwikkelt zich tot een landbouwersgemeenschap totdat in 1901 in As de eerste Kempense steenkool ontdekt wordt.
Hiermee begint de industrialisatie waarmee echter vooral het Maasland en Genk hun voordeel deden. Nu is As een residentiële gemeente temidden van grote heidevelden en bosgebieden op de grens van Kempen en Maasland, in het oude Land van Loon.
**************************************
BEZIENSWAARDIGHEDEN
*****
AS IS TWEE MOLENS RIJK
In de "oude molen", die trouwens van het bovenslagtype is, werd al in eind 15e eeuw graan gemalen. Deze molen heeft een bijbehorend woonhuis dat trouwens nog steeds bewoond is. Het molengedeelte is echter niet meer in gebruik. Dit alles ligt in een prachtig bos- en moerasgebied.
Eeuwenlang was dit in As de enige molen.
In 1715 bouwde de gemeente een tweede molen stroomopwaarts van de "oude molen".
Deze molen, "'t Mieleke" genoemd, huist nu het heemkundig museum.
Ook worden er hier soms tijdelijke kunsttentoonstellingen gehouden.
**************
HET ANDRE-DUMONTMONUMENT
Op de plaats waar in As
voor 't eerst in Limburg steenkool werd aangeboord
werd een monument opgericht voor degene die dit natuurfenomeen ontdekte.
André Dumont was een Leuvense professor die in 1901 steenkool opboorde in As op 541 m diepte.
Al snel kwamen er drie mijnen in het naburige Genk
*******************
KERKEN
De Sint-Theresiakerk in As-centrum werd in 1930-31 gebouwd in een neogotische stijl. Ze werd in gebruik genomen op 1932-01-13
****
De Sint-Niklaaskerk in Niel-centrum werd gebouwd in 1967 om de oude bakstenen kerk in neo-gotische stijl van omstreeks 1850 te vervangen.
Vroeger stond hier een kapel (1685) die tot kerk werd vergroot in 1736 en een pastorij uit hetzelfde jaar.
Deze pastorij werd afgebroken maar in de huidige Sint-Niklaaskerk bleef de gevelsteen van de pastorij en de grafsteen van de eerste pastoor (1725-1788) bewaard.
****
De nieuwe kerk, in moderne stijl, heeft een hoge open toren die los staat van het kerkgebouw en bevat de klokken van de oude kerk
******************

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet