Historie van Kerken.
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Eelde-Paterswolde, Hervormde kerk
Adres: Hoofdweg 74, Eelde, (gemeente Tynaarlo), provincie Drenthe
Het esdorp Eelde ontstond in de vroege middeleeuwen op een uitloper van de Drense Hondsrug.
Het aangrenzende wegdorp Paterswolde kwam in de late middeleeuwen tot ontwikkeling met de ontginning van de noordelijk gelegen laagvenen. In de omgeving werd al vroeg enkele versterkte huizen gebouwd.
Na de Tweede Wereldoorlog is het dorp uitgegroeid tot forensenplaats. De landgoederengordel van Eelde-Paterswolde is een beschermd dorpsgezicht.
De Hervormde kerk wordt voor het eerste genoemd in 1139. Het gebouw is oorspronkelijk gewijd aan O.L.-Vrouwe en St-Gangulphus, en bestaat uit een eenbeukige kerk met een iets smaller koor en een dakruiter. De kerk dateert in zijn huidige vorm uit de veertiende eeuw. Van de oudere, romaanse tufstenen kerk zijn restanten opgenomen in de west- en noordmuur.
Er zijn hoge smalle rondboogvensters te vinden in het schip en in het koor bevinden zich verschillende spitsboogvensters. De noord- en zuidgevel hebben een dichtgezette ingang. Onder de dakrand van het koor bevindt zich een rondboogfries. De grote steunberen zijn mogelijk aangebracht bij herstelwerk aan het koor in 1715. De kerk is in 1875 ingrijpend gerenoveerd en in 2000 gerestaureerd.
Het schip wordt gedekt door een gewelfd houten stucplafond uit 1875. De houten overwelving van het koor is versierd met schilderingen in Lodewijk XIV-stijl, bestaande uit een allegorische voorstelling van leven en dood, vrouwenfiguren, putti en wapenschilden van voornamelijk 18de-eeuwse Eelder families. De opdrachtgever van de schilderingen in 1715 was Sjuck Gerrold van Burmania, op dat moment eigenaar van het landgoed Oosterbroek.
De huidige schilderingen zijn kopieën uit 1875 van de Groninger schilder G.H. Tiddens. Tot de inventaris behoren een maniëristische preekstoel (1621), een Avondmaalstafel (1631), enkele 17de- en 18de-eeuwse herenbanken
-waaronder de mogelijk door Jan de Rijk vervaardigde Nijsinghbank met gesneden opzetstuk- en een door P. van Dam gebouwd orgel in een neogotische orgelkast (1907). De oudste grafzerk in de kerk dateert uit 1545 en draagt de wapens van de familie Sigers.
De kosterij (Kosterijweg 6) is een langgerekt dwarspand met bedrijfsgedeelte, gebouwd omstreeks 1850.
De pastorie (Kosterijweg 4) met overkragend dak dateert uit 1939

Adres: Hoofdweg 74, Eelde, (gemeente Tynaarlo), provincie Drenthe
Het esdorp Eelde ontstond in de vroege middeleeuwen op een uitloper van de Drense Hondsrug.
Het aangrenzende wegdorp Paterswolde kwam in de late middeleeuwen tot ontwikkeling met de ontginning van de noordelijk gelegen laagvenen. In de omgeving werd al vroeg enkele versterkte huizen gebouwd.
Na de Tweede Wereldoorlog is het dorp uitgegroeid tot forensenplaats. De landgoederengordel van Eelde-Paterswolde is een beschermd dorpsgezicht.
De Hervormde kerk wordt voor het eerste genoemd in 1139. Het gebouw is oorspronkelijk gewijd aan O.L.-Vrouwe en St-Gangulphus, en bestaat uit een eenbeukige kerk met een iets smaller koor en een dakruiter. De kerk dateert in zijn huidige vorm uit de veertiende eeuw. Van de oudere, romaanse tufstenen kerk zijn restanten opgenomen in de west- en noordmuur.
Er zijn hoge smalle rondboogvensters te vinden in het schip en in het koor bevinden zich verschillende spitsboogvensters. De noord- en zuidgevel hebben een dichtgezette ingang. Onder de dakrand van het koor bevindt zich een rondboogfries. De grote steunberen zijn mogelijk aangebracht bij herstelwerk aan het koor in 1715. De kerk is in 1875 ingrijpend gerenoveerd en in 2000 gerestaureerd.
Het schip wordt gedekt door een gewelfd houten stucplafond uit 1875. De houten overwelving van het koor is versierd met schilderingen in Lodewijk XIV-stijl, bestaande uit een allegorische voorstelling van leven en dood, vrouwenfiguren, putti en wapenschilden van voornamelijk 18de-eeuwse Eelder families. De opdrachtgever van de schilderingen in 1715 was Sjuck Gerrold van Burmania, op dat moment eigenaar van het landgoed Oosterbroek.
De huidige schilderingen zijn kopieën uit 1875 van de Groninger schilder G.H. Tiddens. Tot de inventaris behoren een maniëristische preekstoel (1621), een Avondmaalstafel (1631), enkele 17de- en 18de-eeuwse herenbanken
-waaronder de mogelijk door Jan de Rijk vervaardigde Nijsinghbank met gesneden opzetstuk- en een door P. van Dam gebouwd orgel in een neogotische orgelkast (1907). De oudste grafzerk in de kerk dateert uit 1545 en draagt de wapens van de familie Sigers.
De kosterij (Kosterijweg 6) is een langgerekt dwarspand met bedrijfsgedeelte, gebouwd omstreeks 1850.
De pastorie (Kosterijweg 4) met overkragend dak dateert uit 1939

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Torenmolen
Gronsveld, torenmolen: In Nederland zijn momenteel nog vier torenmolens aanwezig, te Lienden, Zevenaar, Zeddam en Gronsveld. Dit type molen is zeer oud en zeer stevig van structuur. De molen te Gronsveld is gebouwd tussen 1618 en 1623 en opgebouwd uit mergel en baksteen. In 1766 werd er om de molen een belt aangelegd en tijdens de laatste oorlog brandde de molen als gevolg van een granaatinslag uit. Restauraties uit 1959 en 1972 bepaalden grotendeels het huidige uiterlijk. Inwendig heeft de molen twee in de muur uitgespaarde trappen en twee open haarden in de tweede zolder die diende voor het personeel. De eerste zolder fungeerde als opslagruimte, terwijl de derde zolder (ook steenzolder genoemd) plaats bood aan het kruiwerk. De molen bezit bijzondere cultuurhistorische waarde door de ouderdom, als object van landelijke bouwkunst en als object van agrarische industrie en bovendien als vertegenwoordiger van een molentype dat in Nederland nog slechts sporadisch voorkomt.
***********

Gronsveld, torenmolen: In Nederland zijn momenteel nog vier torenmolens aanwezig, te Lienden, Zevenaar, Zeddam en Gronsveld. Dit type molen is zeer oud en zeer stevig van structuur. De molen te Gronsveld is gebouwd tussen 1618 en 1623 en opgebouwd uit mergel en baksteen. In 1766 werd er om de molen een belt aangelegd en tijdens de laatste oorlog brandde de molen als gevolg van een granaatinslag uit. Restauraties uit 1959 en 1972 bepaalden grotendeels het huidige uiterlijk. Inwendig heeft de molen twee in de muur uitgespaarde trappen en twee open haarden in de tweede zolder die diende voor het personeel. De eerste zolder fungeerde als opslagruimte, terwijl de derde zolder (ook steenzolder genoemd) plaats bood aan het kruiwerk. De molen bezit bijzondere cultuurhistorische waarde door de ouderdom, als object van landelijke bouwkunst en als object van agrarische industrie en bovendien als vertegenwoordiger van een molentype dat in Nederland nog slechts sporadisch voorkomt.
***********

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Doesburgermolen
*******
Geschiedenis
De Doesburgermolen is genoemd naar het buurtschap Doesburgerbuurt (halverwege Ede en Lunteren) waar hij staat en geldt als één van de oudste molens in Nederland.
In de eikenhouten spil is het jaartal 1507 ingekrast. Dit kan duiden op het bouwjaar van deze molen of een voorganger. Zekerheid is hierover niet te krijgen. Wel is vastgesteld dat in 1595 de molen of een voorganger zich in handen bevond van Ceelman van Ommeren (schout te Ede van 1584 tot 1628) en Gijsbert Barner bevond. Nadien werd het eigendomsrecht over de molen in parten verdeeld. Rond 1765 lukte het de uit Garderen afkomstige Jan Danielsen om alleen eigenaar van de De Walderveense Molen (1912) in Walderveen
molen te worden. In 1788 komt de molen in bezit van Hermen Teisseling en zijn nazaten (sinds 1800 als Tijsseling vermeld). Tussen 1869 en 1919 kwam de molen in bezit van de familie Van de Craats, die ook de twee molens in de bebouwde kom van Ede in bezit had. Via G. van de Wetering kwam de molen tot 1950 in bezit van C. Roelofsen. In dat jaar kwam de molen in bezit van de gemeente Ede.
Deze molen heeft nog een oude staartconstructie en is in 1935, in 1952, in 1969 en in 1983 gerestaureerd. Ook uniek is tegenwoordig de nog houten bovenas uit 1851 en het houten wiekenkruis, z.g.n. "borstroeden".
************************************
De Hoop (1855) in Lunteren
Geschiedenis
In 1855 liet A.J. Ross achter het toenmalige dorp op een natuurlijke hoogte een korenmolen bouwen. Gezien de naamgeving aan de molen had hij hoge verwachtingen om als molenaar in Lunteren de kost te kunnen verdienen. Die hoop werd abrupt afbroken door zijn emigratie naar Amerika.
In 1973 is er een restauratie van de molen geweest
**********************
De Keetmolen (1858) in Ede
Geschiedenis
De naam van de molen is ontstaan tijdens de aanleg van de naast gelegen spoorlijnen Arnhem - Utrecht en Ede - Barneveld, rond 1845 door de toenmalige Maanderheide.
Nabij de molen stond toen een keet, die gebruikt werd door de arbeiders die daarbij werkzaam waren. Het was gebruikelijk in die tijd dat spoorwegmaatschappijen keten in gebruik namen als voorlopig stationsgebouw. In 1878 werd een nieuw eilandstation in gebruik genomen.
De molen, die een opvallende stenen achtkant is, is in opdracht van de fam. Van de Craats gebouwd als stellingmolen voor het malen van graan, persen van olie en pellen van gerst, met een houten achtkant bedekt door riet. Op 12 juli 1865 verbrandde door blikseminslag de houten bovenbouw. Bij de herbouw in 1866 werd op de resterende stenen onderbouw een stenen achtkant opgetrokken en werd de belt (= aarden wal) opgeworpen voor de bediening van het gevlucht.
De fam. Van de Craats was ook eigenaar van de Doesburgse molen (halverwege Ede en Lunteren) en de molen `Concordia` in het centrum van Ede. De molenaars van de drie molens waren werknemers in dienst van de fam. Van de Craats. In het najaar van 1944 hebben in deze molen acht Engelse soldaten na de Slag om Arnhem een tijdje ondergedoken gezeten. In de jaren `50 kwam een einde aan het maalbedrijf in de molen.
Op 18 augustus 1971 kwam de molen in eigendom van de gemeente Ede en werd op initiatief van de Juniorenkamer in 1978 gerestaureerd en is geregeld in werking
*********************
Concordia (1865) in Ede
***
Geschiedenis
Deze molen kwam in de plaats van een in 1865 afgebrande standerd- molen, gelegen aan de Muelsteeg, de tegenwoordige Molenstraat, ongeveer op dezelfde plaats staande als de huidige molen.
In 1868 kwam de molen in bezit van de familie Van de Craats.
De molen was nog steeds tot januari 1999 in bezit van de fam. Van de Craats die ook de andere Edese molen en de Doesburgermolen, halverwege Ede en Lunteren in bezit had. In 1962 werd het wiekenkruis van de molen verwijderd. Sindsdien staat de molen haveloos tussen hoge silogebouwen. Er zijn gelukkig vergevorderde plannen om de molen en de boerderij ernaast, die nabij het huidige centrum staan, de komende jaren weer in oude luister te herstellen.
*******************************
De Walderveense Molen (1912) in Walderveen
*************************************
Geschiedenis
Voor 1895 stond op deze plaats een standerdmolen. Toen de grootvader van de tegenwoordige eigenaar zich hier in 1895 als molenaar vestigde, sloopte hij de bouwvallige standerdmolen en bouwde een stellingmolen. Door blikseminslag brandde deze molen in 1911 af; alleen het stenen voetstuk bleef intact. Op deze onderbouw is in 1912 een nieuwe molen gebouwd, waarbij onderdelen van een mogelijk uit Noord-Holland afkomstige molen werden gebruikt. Het is niet uitgesloten dat deze molen in Friesland heeft gestaan.
In de oorlogsjaren fungeerde de molen als militaire uitkijkpost voor de Duitsers en later de Canadezen.
De molen is in 1962 en in 1980 gerestaureerd en is geregeld in werking voor het malen van veevoer.
********************************

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
De Sint-Niklaaskerk in Gent is een vroeggotische kerk uit de 13e eeuw. Het gebouw is opmerkelijk omdat het een vrij gaaf bewaard voorbeeld is van de Scheldegotiek. Uniek is de vieringstoren, die een lantaarntoren is waardoor het licht via de toren de dwarsbeuk binnenvalt.
De kerk is momenteel (2005) nog steeds in restauratie. Deze restauratiecampagne startte in 1960, na eerdere ingrepen in 1912-1913 en 1939-1943. Tot nu toe zijn het koor en de dwarsbeuk voltooid en weer open voor eredienst en publiek.
Een eerste kerk werd op dezelfde plaats opgericht in de 11e eeuw in romaanse stijl door de Sint-Pietersabdij.
Typische kenmerken van de Scheldegotiek in de Sint-Niklaaskerk zijn:
Het gebruik van Doornikse "blauwe" steen
De vieringstoren (op de kruising staat van hoofdbeuk en zijbeuk), in plaats van boven de ingang aan de westkant
Het gebruik van zogenaamde "flankeertorentjes" aan de eindgevels, om stabiliteitsredenen
De zuilen aan de binnenkant met zgn. "knolkapitelen" (te wijten aan de moeilijk bewerkbare Doornikse steen)
In de late Middeleeuwen werden de zijkapellen toegevoegd en de oorspronkelijk vlakke koorafsluiting vervangen door laatgotische kranskapellen. De toren had oorspronkelijk een veel hogere spits, die bijdroeg aan de opvallende hoogtestreving van het gebouw
****************************
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
De Virga-Jessebasiliek in Hasselt staat op de plaats waar in 1334 een lid van het Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw de Clerkenkapel bouwde. In 1727 werd ze vervangen door een kerk in laat-barokke en vroeg-classicistische stijl.
In 1944 werden de kerk en de aanpalende huizen zwaar geteisterd door een V-1. Zestien mensen verloren daarbij het leven. De wederopgebouwde kerk werd in 1951 opnieuw in gebruik genomen.
Op 6 mei 1998 verhief Paus Johannes Paulus II de kerk tot basiliek, een eretitel die bijvoorbeeld aan bedevaartsoorden wordt verleend. De eretekens van de basiliek staan op het koor, nl. een conopeum, een parasolvorig baldakijn in rode-gele pauselijke kleuren, en een tintinnabulum, een klokje in een mooie houder.

In 1944 werden de kerk en de aanpalende huizen zwaar geteisterd door een V-1. Zestien mensen verloren daarbij het leven. De wederopgebouwde kerk werd in 1951 opnieuw in gebruik genomen.
Op 6 mei 1998 verhief Paus Johannes Paulus II de kerk tot basiliek, een eretitel die bijvoorbeeld aan bedevaartsoorden wordt verleend. De eretekens van de basiliek staan op het koor, nl. een conopeum, een parasolvorig baldakijn in rode-gele pauselijke kleuren, en een tintinnabulum, een klokje in een mooie houder.

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Beschrijving / geschiedenis
Deze stenen bergmolen werd opgericht voor 1818. Oorspronkelijk diende hij enkel om olie te slaan, later werd graan gemalen tot in 1932. In 1943 werd op het gelijkvloers een elektriche maalderij geplaatst. Deze bleef in werking tot in 1963. In 1971 onderging de molen een uitwendige restauratie. Helaas werd de molen niet in werking gebracht. Ook de dan aangebrachte betonnen sokkels waarop de moerbalken nu rusten, oogstten kritiek. De huidige eigenaar liet de buitenmuur, die fel afbrokkelde, herstellen. Tot een maalvaardige restauratie is het evenwel nog niet gekomen.
BIJLAGE. Bezwaarschrift tegen het optrekken van een appartement naast het beschermd monument “molen van Zwijnaarde”, afdeling 24, sectie B nr. 175 H
Zwijnaarde, 4 april 2005
Geachte,
Sinds kort hangt een bekendmaking uit voor een aanvraag tot stedebouwkundige vergunning voor de oprichting van 10 appartementen of kantoorruimte met 8 appartementen + ondergrondse garages (totaal 4768 m3) voor het perceel Tramstraat ZN, 9052 Zwijnaarde, met als kadastrale omschrijving afdeling 24, sectie B nr. 175 H.
Dit perceel maakt deel uit van de site van de molen van Zwijnaarde, geklasseerd als monument bij Koninklijk Besluit van 30 april 1945.
Als omwonenden zijn wij zeer bezorgd om die plannen en zien wij niet graag gebeuren dat de historische site rond de molen van Zwijnaarde volledig verdwijnt.
Vandaar dat wij wensen bezwaar aan te tekenen voor deze plannen op grond van de volgende zaken :
· Het appartementsgebouw waar sprake van is, wordt gepland op het perceel grond (momenteel gebruikt als schapenweide) onmiddellijk grenzend aan het beschermd monument “molen van Zwijnaarde”.
De nota bij de bouwaanvraag vermeldt niets over de intergratie van dergelijke bouwwerken t.o.v.de unieke en reeds minimale open ruimte rond de molen.
De molen zal door de aanleg van het appartement volledig zijn sfeer en ziel kwijt zijn en de aanleg van het appartementsgebouw zal voor de molen al de mogelijkheden wegnemen om ooit nog te kunnen in bedrijf gesteld worden wegens onvoldoende windvang, vooral omdat het gebouw zich bevindt te westen van de molen.
· Het perceel is op een kadastraal plan aangeduid als een perceel waarnaar bijzondere aandacht moet gaan overeenkomstig het natuurdecreet van 21 oktober 1997 (de "zorgplicht" in art. 14 en 16 van dit decreet). Helaas is in de afgelopen jaren een deel van de boomgaard vernietigd alsook een meidoornhaag aan de westkant van het perceel. Eveneens worden de randen met herbiciden behandeld. In de nota bij de bouwaanvraag wordt niets vermeld over de toepassing van het natuurdecreet.
Ons insziens moet er advies gevraagd worden bij de afdeling natuur van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap omdat de schapenweide met boomgaard en resterende houtkant/haag een biologische waarde heeft en hier de zorgplicht uit het natuurdecreet op van toepassing is.
· Het perceel waar sprake van is, is ingetekend als woonzone. In een woonzone dient echter ook plaats voorzien te worden voor groene ruimten; een woonzone volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone staat niet gelijk met een bouwzone. (art.5 van het K.B. 28 december 1972 betreffende de toepassing van de gewestplannen). Het perceel naast de molen is het laatste beetje groen dat resteert in dat gedeelte van de Tramstraat.
· In de nota bij de bouwaanvraag wordt geen melding gemaakt over de verenigbaarheid van het appartementsgebouw met de omgeving qua bouwstijl en schaal. We zijn echter van mening daar hier sprake is van “schaalbreuk” door de wanverhouding tussen de aangevraagde constructie enerzijds en de bescheiden woningen aan de Tramstraat en de molen anderzijds.
· Door de ligging van het appartementsgebouw (centraal op het perceel, 17,90m breed, bouwdiepte 54m) zullen een aantal aanpalende woningen veel zon en licht verliezen. Daarnaast betekent de hoogte (10m40) van het appartement (gelijkvloers, 2 verdiepingen en een verdiep onder de pannen) verlies van privacy van veel omwonenden; aan de zijgevel rechts (gericht op de tuinen van de woningen uit de Tramstraat en de Mantelhof) bevinden zich een 14-tal grote vensters en deuren die volledige inkijk veroorzaken in deze tuinen.
Op basis van al deze bezwaren vragen wij deze bouwaanvraag geheel te weigeren en de historische site rond de molen van Zwijnaarde te bewaren zoals ze vandaag is

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Sint-Lambrechts-Woluwe, Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Beschrijving / geschiedenis
De geschiedenis van de windmolen van Sint-Lambrechts-Woluwe vangt aan voor 1767. Toen werd hij opgetrokken of herbouwd te Esplechin, een dorp op zeven kilometer ten zuidwesten van Doornik. Men weet dat in Esplechin reeds in 1279 een windmolen bestond die eigendom was van de abdij van Saint-Martin te Doornik. Hij werd door Engelse troepen vernield in 1340 bij de belegering van deze stad. Nadien werd hij hersteld en was misschien de voorloper van de molen die we hier beschrijven.
De staakmolen in Esplechin stond op een heuvel op ongeveer 1300 meter ten noordwesten van de kerk. In 1833 werd hij als graanmolen beschreven met twee steenkoppels. Na de eerste wereldoorlog, in 1919, werd de molen grondig hersteld door molenmaker Wilfried Cornu uit Mourcourt. De toenmalige eigenaar Charles Demuliez verhuurde hem aan molenaar G. Maquest die hem nog sporadisch gebruikte tot 1927. Toen werd de molen praktisch aan zijn lot overgelaten.
Aan dokter Raoul Duthoit komt de eer toe de molen van Esplechin te hebben gered. Hij was een befaamd kinderarts, die in 1911 het werk stichtte ter voorkoming van tuberculose bij de jeugd en in 1935 een preventorium oprichtte te Arc-Ainières, halfweg tussen Leuze en Ronse. Dokter Duthoit besliste om op de nabije heuvel een molen op te richten. Zijn keuze viel op de molen van Esplechin die hij in 1935 aankocht voor de prijs van het hout. Hij liet de molen herstellen en wederoprichten door de reeds vermelde Wilfried Cornu.
Vanaf de jaren 1950 raakte de molen sterk in verval. Dokter Duthoit drong echter tevergeefs bij de minister aan op subsidies voor de nodige herstellingswerken. Ondertussen was de molen van een paar wieken ontdaan en de molenkast begon sterk te verzakken. In 1959 overwoog men zelfs om de wettelijke bescherming van 1943 ongedaan te maken.
In 1960 schonk de weduwe van dokter Duthoit de molen aan de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe. De molen werd ontmanteld, hersteld en wederopgericht in 1962-1963 door molenmaker Florent Jansen uit Geel, onder de hoede van Charles Peel, molenmaker te Gistel. De molen werd opgetrokken in de Woluwevallei. Gedurende een zekere tijd was hij een begeerde trekpleister voor het publiek, maar de molen draaide niet meer en de publieke belangstelling zakte. Op een vroege ochtend van februari 1980 werd de molen in brand gestoken. Er werd besloten de molen over enige afstand te verplaatsen, op een aangelegde heuvel nabij het Hof ter Musschen. De restauratie gebeurde door het bedrijf Cottenier uit Aalbeke. De molen werd in juni 1988 ingehuldigd. Sindsdien brak een houten pestelroede. Gelukkig werden die vervangen door de meer duurzame gelaste roeden. De molen staat momenteel stil, maar momenteel volgt een persoon de molenaarscursus met de bedoeling de Verbrande Molen te laten draaien.
***********

Beschrijving / geschiedenis
De geschiedenis van de windmolen van Sint-Lambrechts-Woluwe vangt aan voor 1767. Toen werd hij opgetrokken of herbouwd te Esplechin, een dorp op zeven kilometer ten zuidwesten van Doornik. Men weet dat in Esplechin reeds in 1279 een windmolen bestond die eigendom was van de abdij van Saint-Martin te Doornik. Hij werd door Engelse troepen vernield in 1340 bij de belegering van deze stad. Nadien werd hij hersteld en was misschien de voorloper van de molen die we hier beschrijven.
De staakmolen in Esplechin stond op een heuvel op ongeveer 1300 meter ten noordwesten van de kerk. In 1833 werd hij als graanmolen beschreven met twee steenkoppels. Na de eerste wereldoorlog, in 1919, werd de molen grondig hersteld door molenmaker Wilfried Cornu uit Mourcourt. De toenmalige eigenaar Charles Demuliez verhuurde hem aan molenaar G. Maquest die hem nog sporadisch gebruikte tot 1927. Toen werd de molen praktisch aan zijn lot overgelaten.
Aan dokter Raoul Duthoit komt de eer toe de molen van Esplechin te hebben gered. Hij was een befaamd kinderarts, die in 1911 het werk stichtte ter voorkoming van tuberculose bij de jeugd en in 1935 een preventorium oprichtte te Arc-Ainières, halfweg tussen Leuze en Ronse. Dokter Duthoit besliste om op de nabije heuvel een molen op te richten. Zijn keuze viel op de molen van Esplechin die hij in 1935 aankocht voor de prijs van het hout. Hij liet de molen herstellen en wederoprichten door de reeds vermelde Wilfried Cornu.
Vanaf de jaren 1950 raakte de molen sterk in verval. Dokter Duthoit drong echter tevergeefs bij de minister aan op subsidies voor de nodige herstellingswerken. Ondertussen was de molen van een paar wieken ontdaan en de molenkast begon sterk te verzakken. In 1959 overwoog men zelfs om de wettelijke bescherming van 1943 ongedaan te maken.
In 1960 schonk de weduwe van dokter Duthoit de molen aan de gemeente Sint-Lambrechts-Woluwe. De molen werd ontmanteld, hersteld en wederopgericht in 1962-1963 door molenmaker Florent Jansen uit Geel, onder de hoede van Charles Peel, molenmaker te Gistel. De molen werd opgetrokken in de Woluwevallei. Gedurende een zekere tijd was hij een begeerde trekpleister voor het publiek, maar de molen draaide niet meer en de publieke belangstelling zakte. Op een vroege ochtend van februari 1980 werd de molen in brand gestoken. Er werd besloten de molen over enige afstand te verplaatsen, op een aangelegde heuvel nabij het Hof ter Musschen. De restauratie gebeurde door het bedrijf Cottenier uit Aalbeke. De molen werd in juni 1988 ingehuldigd. Sindsdien brak een houten pestelroede. Gelukkig werden die vervangen door de meer duurzame gelaste roeden. De molen staat momenteel stil, maar momenteel volgt een persoon de molenaarscursus met de bedoeling de Verbrande Molen te laten draaien.
***********

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Kloosterkerk (Den Haag)
De Kloosterkerk is een protestantse kerk aan het Lange Voorhout in het centrum van Den Haag. De kerk is onder meer bekend als de kerk waar het Koninklijk Huis regelmatig de zondagse kerkdienst bezoekt
Geschiedenis gebouw
In 1393 schonk Graaf Aalbrecht de grond waarop de Kloosterkerk later gebouwd zou worden aan het Amsterdamse St. Andriesklooster. De monniken verkochten op hun beurt de grond een jaar later aan de Heer Van Arkel, die er een kasteel bouwde. Graaf Aalbrecht en de Heer Van Arkel kregen echter kort na de bouw van het kasteel een conflict, waarna Graaf Aalbrecht het land in beslag nam en de bebouwing liet afbreken.
Graaf Aalbrecht schonk de grond nu aan de Dominicaner Paters uit Utrecht. Zij begonnen met de bouw van een klooster. Bij dit klooster, dat het St. Vincentius of Predikheerenklooster zou gaan heten, werden tuinen en een kerk gebouwd.
In 1574, na het verdrijven van de Spanjaarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog, moesten de Dominicanen het klooster verlaten. De Staten van Holland wilden het klooster en kerk laten afbreken, maar de inwoners van Den Haag protesteerden hier tegen. Het protest was zo hevig dat de Staten van Holland in 1576 besloten dat de kerk en het klooster mochten blijven staan.
Niet veel later begon de Haagse bevolking echter zelf met de sloop van het klooster en de kerk, omdat er door de oorlog een groot tekort was aan hout en stenen. De Staten van Holland grepen echter in en namen de kerk in beslag. In 1588 werd de kerk een grote paardenstal, en in 1589 een gieterij voor de productie van bronzen kanonnen.
Vanaf 1617 ging de Kloosterkerk weer gedeeltelijk dienst doen als kerk. Op het moment dat de Nederlanden verdeeld raakten tussen de remonstranten en de contra-remonstranten, schonk Prins Maurits de kerk aan de contra-remonstranten en kwam hij op 23 juli persoonlijk luisteren naar de preek van dominee Rosaeus. Iedereen wist vanaf dat moment dat Prins Maurits in het conflict partij had gekozen voor de contra-remonstranten.
In 1625 was de Kloosterkerk de locatie van het huwelijk van Frederik Hendrik met Amalia van Solms.
Na het vertrek van de gieterij in rond 1660 deed de Kloosterkerk weer volledig dienst als (ditmaal protestantse) kerk. Het klooster bleef dienst doen als opslagplaats voor kruit en munitie. Op 3 november 1690 ontplofte het kruithuis, waardoor het klooster werd vernietigd. Er bleef slechts een muur staan, die tot op de dag van vandaag overeind staat. De Kloosterkerk zelf bleef, dankzij dikke muren, gespaard
*************
Gemeente
In tegenstelling tot veel protestantse gemeentes, is de Kloosterkerk geen wijkgemeente. Dat betekent dat het werkterrein van de Kloosterkerk niet beperkt is tot een enkele wijk of een plaats, maar dat de kerk een regionale functie vervult.
Oorspronkelijk was de gemeente vooral afkomstig uit de Haagse wijken Statenkwartier en Duinoord. In de jaren '20 van de 20e eeuw waren deze gebieden in ontwikkeling. Omdat in dit deel van de stad nog geen kerkgebouw te vinden was, werd besloten tot de bouw van een kerk in de wijk Duinoord. Deze kerk (de Duinoordkerk) werd ingewijd in 1920. In 1942 werd deze kerk echter gesloten en afgebroken op last van de Duitse bezetters, aangezien de kerk in het gebied lag dat moest worden ontruimd in het kader van de bouw van de Atlantikwall. De gemeente vond onderdak in de Kloosterkerk in het centrum, die op dat moment nauwelijks werd gebruikt. Na de oorlog werd besloten om definitief de Kloosterkerk te gebruiken. De kerk werd in de jaren '50 volledig gerestaureerd. Tot de kerkfusie op 1 mei 2004 maakte de Kloosterkerk deel uit van de Nederlands Hervormde Kerk.
Van 1983 tot 1999 was Carel ter Linden predikant van de Kloosterkerk
*************************
De Kloosterkerk is een protestantse kerk aan het Lange Voorhout in het centrum van Den Haag. De kerk is onder meer bekend als de kerk waar het Koninklijk Huis regelmatig de zondagse kerkdienst bezoekt
Geschiedenis gebouw
In 1393 schonk Graaf Aalbrecht de grond waarop de Kloosterkerk later gebouwd zou worden aan het Amsterdamse St. Andriesklooster. De monniken verkochten op hun beurt de grond een jaar later aan de Heer Van Arkel, die er een kasteel bouwde. Graaf Aalbrecht en de Heer Van Arkel kregen echter kort na de bouw van het kasteel een conflict, waarna Graaf Aalbrecht het land in beslag nam en de bebouwing liet afbreken.
Graaf Aalbrecht schonk de grond nu aan de Dominicaner Paters uit Utrecht. Zij begonnen met de bouw van een klooster. Bij dit klooster, dat het St. Vincentius of Predikheerenklooster zou gaan heten, werden tuinen en een kerk gebouwd.
In 1574, na het verdrijven van de Spanjaarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog, moesten de Dominicanen het klooster verlaten. De Staten van Holland wilden het klooster en kerk laten afbreken, maar de inwoners van Den Haag protesteerden hier tegen. Het protest was zo hevig dat de Staten van Holland in 1576 besloten dat de kerk en het klooster mochten blijven staan.
Niet veel later begon de Haagse bevolking echter zelf met de sloop van het klooster en de kerk, omdat er door de oorlog een groot tekort was aan hout en stenen. De Staten van Holland grepen echter in en namen de kerk in beslag. In 1588 werd de kerk een grote paardenstal, en in 1589 een gieterij voor de productie van bronzen kanonnen.
Vanaf 1617 ging de Kloosterkerk weer gedeeltelijk dienst doen als kerk. Op het moment dat de Nederlanden verdeeld raakten tussen de remonstranten en de contra-remonstranten, schonk Prins Maurits de kerk aan de contra-remonstranten en kwam hij op 23 juli persoonlijk luisteren naar de preek van dominee Rosaeus. Iedereen wist vanaf dat moment dat Prins Maurits in het conflict partij had gekozen voor de contra-remonstranten.
In 1625 was de Kloosterkerk de locatie van het huwelijk van Frederik Hendrik met Amalia van Solms.
Na het vertrek van de gieterij in rond 1660 deed de Kloosterkerk weer volledig dienst als (ditmaal protestantse) kerk. Het klooster bleef dienst doen als opslagplaats voor kruit en munitie. Op 3 november 1690 ontplofte het kruithuis, waardoor het klooster werd vernietigd. Er bleef slechts een muur staan, die tot op de dag van vandaag overeind staat. De Kloosterkerk zelf bleef, dankzij dikke muren, gespaard
*************
Gemeente
In tegenstelling tot veel protestantse gemeentes, is de Kloosterkerk geen wijkgemeente. Dat betekent dat het werkterrein van de Kloosterkerk niet beperkt is tot een enkele wijk of een plaats, maar dat de kerk een regionale functie vervult.
Oorspronkelijk was de gemeente vooral afkomstig uit de Haagse wijken Statenkwartier en Duinoord. In de jaren '20 van de 20e eeuw waren deze gebieden in ontwikkeling. Omdat in dit deel van de stad nog geen kerkgebouw te vinden was, werd besloten tot de bouw van een kerk in de wijk Duinoord. Deze kerk (de Duinoordkerk) werd ingewijd in 1920. In 1942 werd deze kerk echter gesloten en afgebroken op last van de Duitse bezetters, aangezien de kerk in het gebied lag dat moest worden ontruimd in het kader van de bouw van de Atlantikwall. De gemeente vond onderdak in de Kloosterkerk in het centrum, die op dat moment nauwelijks werd gebruikt. Na de oorlog werd besloten om definitief de Kloosterkerk te gebruiken. De kerk werd in de jaren '50 volledig gerestaureerd. Tot de kerkfusie op 1 mei 2004 maakte de Kloosterkerk deel uit van de Nederlands Hervormde Kerk.
Van 1983 tot 1999 was Carel ter Linden predikant van de Kloosterkerk
*************************
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Waalwijk is een stad en gemeente in de provincie Noord-Brabant. De gemeente telt 45.724 inwoners (1 juni 2005) en heeft een oppervlakte van 68,15 km².
Waalwijk was oorspronkelijk een dorp in de Langstraat langs de weg van Geertruidenberg naar 's-Hertogenbosch en lag op het grondgebied van Holland. In 1232 werd de plaats verkocht aan Brabant. De buurdorpen Besoyen en Baardwijk bleven Hollands. In het jaar 1303 kreeg Waalwijk stadsrechten. De stad werd echter nooit versterkt.
In de 15e eeuw werd een kerk gebouwd op de grens tussen Waalwijk en het Hollandse buurdorp Besoyen. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd de kerk beschadigd, en tijdens het Twaalfjarig Bestand werd alleen het deel dat in Waalwijk stond hersteld.
In 1815 werd de hele Langstraat bij Noord-Brabant gevoegd. In 1922 werden de dorpen Besoyen en Baardwijk bij Waalwijk gevoegd.
In de 19e eeuw ontwikkelde Waalwijk zich tot een belangrijk centrum van de leer- en schoenenindustrie.
De gemeente Waalwijk anno 2005 bezig met de ontwikkeling van de nieuwste woonwijk Landgoed Driessen
St. Janskerk: katholieke kerk uit 1924-1925, ontworpen door H.W. Valk in Expressionistische stijl.

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Geschiedenis
In het kort
Oliemolen ‘t Pink, gebouwd in 1620, is de oudste van de overgebleven Zaanse molens. Oorspronkelijk was de molen kleiner, met een bovenbouw van het type wipmolen, en had hij slechts één oliepers, een zg. enkelwerks oliemolen. In 1751 kreeg de molen zijn huidige vorm en werd het een dubbele oliemolen. Vanaf 1779 tot 1935 was de molen eigendom van de familie Honig, die circa 20 oliemolens in bedrijf had. In November 1792 raakte de kap van de molen in brand door stormweer, maar hij kon worden behouden. 15 Maart 1876 brak de bovenas tijdens malen met storm af. Dit veroorzaakte veel schade. In 1903 brak de molen beide roeden. 25 Juni 1915 sloeg de bliksem in waardoor een kleine brand ontstond. 11 September 1926 brak de bovenas weer af. De molen verwerkte toen al jaren cacaoafval tot cacaoboter. Nieuwe bovenas kwam uit molen de Jonker die ook van Honig was, deze molen is toen gelijk onttakeld. Omstreeks 1929 kwam de molen tot stilstand. In 1935 werd hij geschonken aan de Zaanse VVV die pogingen deed de molen over te plaatsen. Vervolgens ging de molen in ’39 over naar Ver. De Zaansche Molen die hem geheel liet restaureren. In de winter ‘44/’45 is de molen gebruikt om drukpersen aan te drijven. De oorspronkelijk in een weidegebied gelegen molen is sinds het eind van de jaren dertig geleidelijk ingebouwd geraakt. Hierdoor is zijn landschappelijke functie thans beperkt.
***********
Als kokermolen gebouwd
De eerste vermelding van deze molen dateert van 1620. Op 3 oktober van dat jaar werd verleend het Consent van de Windt tot een houtsaegersmolentgen omme Jan Jansz. buyerman tot Oostzaenen met sijnen medestanders op hun eygen lant op de Coogh in den banne van Oostzaenen voorsz. ad 3 pond met Kerstmis toecomende.
Uit archiefonderzoek blijkt dat de Secretaris van de Rekenkamer zich vergiste door Oostzaenen te schrijven in plaats van Westzaenen, maar dat dit niet anders dan betrekking kan hebben gehad op molen Het Pink. Aangenomen wordt dat dit een wipmolen was, in Noord-Holland ook wel kokermolen genoemd. In dit geval een wipmolen op een vrij hoge vierkante onderbouw
In het voormalige, in 1751 gebouwde huis van de familie Honig in de Dubbele Buurt te Koog aan de Zaan, kwam aan de achterzijde een in hout gesneden versiering voor met daarin een schild met de afbeelding van een wipmolen. Dit schild, dat volgens de overlevering Het Pink voorstelde, bevindt zich nu in de Oosterschuur van de molen.
Het jaartal 1751 werd bij de restauratie van 1939 op de baard van de molen gevonden. Zeer waarschijnlijk is in dat jaar de wipmolen door de huidige achtkantige bovenkruier vervangen. Wellicht is dit voor de familie Honig die de molen in 1749 in bezit kreeg, aanleiding geweest om genoemd schild te laten maken aan het in diezelfde periode gebouwde nieuwe huis. De naam van de molen dateert blijkbaar al uit de begintijd, want al in 1653 wordt gesproken over de pinckmolen. Later stond de molen te boek als De Pink wat in deze eeuw pas schijnt te zijn veranderd in Het Pink.
Hoewel het kennelijk de bedoeling was dat hij tot zaagmolen zou worden ingericht, schijnt dit niet of hoogstens voor korte tijd het geval te zijn geweest. In 1638 was hij in ieder geval al in bedrijf als oliemolen want in dat jaar verkocht Jan Jansz. te Coogh een vierde part (eigendomsdeel) van een olymolen en erff, leggende en staende bewesten die Coogh.
*******************
Diverse rampen overleefd
Op 15 november 1792 raakte de kap van de molen in brand als gevolg van het breken van de pensteen tijdens het harde malen met storm uit het zuidwesten, maar de molen kon worden behouden.
Verscheidene rampen hebben de molen nog getroffen. Op 15 maart 1876, toen de molen met stormweer zonder zeil en met acht borden uit stond te malen, brak de bovenas waardoor askop en wiekenkruis naar beneden stortten. Niet alleen werd de kap opgelicht en opzij geschoven, zodat er niet veel van heel bleef, maar ook werd door de val van het wiekenkruis zware schade aan de stelling en aan een van de schuren aangericht. Op 19 mei daaropvolgend was de schade hersteld en kon weer worden gemalen. De groen geverfde houten kapbedekking was hierbij vervangen door een rieten kap. Op 16 november 1903 stond de molen door roebreuk weer zonder wieken. Hij werd hersteld met iets te korte roeden uit de oliemolen De Haan te Zaandam, die toen in afbraak was.
Op 25 juni 1915 werd de molen door de bliksem getroffen maar een begin van brand kon tijdig worden geblust. 19 November 1922 ontstond wederom brand, dit maal in de molenschuur, deze kon echter snel geblust worden
Op 11 september 1926 brak voor de tweede keer tijdens het malen de bovenas. Askop en wiekenkruis bleven echter hangen, waardoor de schade beperkt bleef. Ook nu werd de schade weer hersteld, door aankoop van de bovenas van oliemolen De Jonker te Zaandam (hetgeen voor die molen het begin van het einde betekende). Het Pink kwam weer in bedrijf maar het was maar voor een korte tijd. De in 1926 afgebroken askop ligt nu voor het Molenmuseum.
Na enige jaren van stilstand werd hij in 1935 ten geschenke aangeboden aan de Zaanse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer die vergeefse pogingen ondernam om hem door middel van verplaatsing naar elders te behouden. In 1939 deed zij de leeggeplunderde en zwaar gehavende molen over aan de Vereniging De Zaansche Molen, die kans zag hem in dat jaar geheel te restaureren. Sindsdien is de molen regelmatig, op vrijwillige basis in werking gesteld. In de periode van 12 oktober 1944 tot 2 juli 1945 is de molen verhuurd geweest aan de Zaanlandsche Stoomdrukkerij v/h E.N. Smit Wz te Koog aan de Zaan. Met twee in de molen geplaatste drukpersen kon zo, bij gebrek aan elektriciteit, toen nog drukwerk worden vervaardigd. Er werden o.a. bonkaarten gedrukt.
In 1983 is de fundering van de molen volledig vernieuwd. Onder de vloer van het vierkant kwam een betonplaat met pulspalen volgens systeem "De Waal". Daarna werd het ondervierkant weer recht getrokken en verstijfd met glasvezelstaven aangegoten met kunsthars. Dit was de eerste restauratiefase om de molen weer bedrijfsvaardig te maken. In 1989 kreeg de molen nieuwe roeden van de fa. Buurma. 2e fase was het vernieuwen van de wegen aan de west- en zuidkant in 1992. Daarbij werd ook het in 1939 gesloopte pothok weer aangebouwd. In de jaren ‘95/’96 volgde het 3e deel van de restauratie, het maalvaardigmaken van het oliewerk. Sindsdien wordt er weer regelmatig oliegeslagen.
***************
Constructie
Op de vierkante grenen onderbouw staat een grenen bovenachtkant. De onderbouw dateert waarschijnlijk uit 1620 en het bovenachtkant naar alle waarschijnlijkheid uit 1751. De kap was voorheen voorzien van zware ijzeren haken die aan de voeghouten waren bevestigd. Waarschijnlijk zijn ze aangebracht om te voorkomen dat de kap onder extreme omstandigheden van het achtkant zou afwaaien. Aan de wijze waarop ze zijn verbogen is te zien dat ze voor dit doel al eens dienst hebben gedaan!
De molen is op een voor een oliemolen gebruikelijke wijze ingericht met een voor- en naslag en een koppel kantstenen, maar in zoverre weer afwijkend dat de wentelas diagonaalsgewijs in de vierkante onderbouw is geplaatst en beneden het niveau van de stelling is gelegen. De huidige ijzeren wentelas is omstreeks 1913 aangebracht ter vervanging van de vroegere houten as en is afkomstig uit de voormalige oliefabriek 't Hart te Zaandam. Opmerkelijk is dat de steenschijfloop voorzien is van ijzeren staven. Bij de restauratie in 1939 is het interieur weer gecompleteerd met onderdelen uit andere, toen al buiten bedrijf zijnde Zaanse oliemolens. Eerder genoemde afbeelding van de wipmolen laat duidelijk zien dat de molenschuren in de loop der tijd veranderd zijn. De noorderschuur was oorspronkelijk korter en is later verlengd naar het noorden. Het eindbint van de oude schuur is nog terug te vinden. De oosterschuur was vroeger klein en eerst geheel en later gedeeltelijk als oliehuis in gebruik. Een overblijfsel hiervan in de vorm van een bovenbintje in de oorspronkelijke oostergevel is nog op de oude plaats aanwezig. De geringe bergruimte voor zaad, olie en koeken die er vroeger geweest moet zijn wijst erop, dat Het Pink in het begin van zijn bestaan een zogenaamde enkele oliemolen was.
Later, niet bekend is wanneer, en misschien wel toen hij nog wipmolen was, heeft de molen een dubbel werk (voor- en naslag) gekregen. Maar omdat de ruimte in de onderbouw niet toeliet het oliewerk - een rij stampers en heien - naar behoren en dus dwars te plaatsen, is het diagonaalsgewijs opgesteld. Deze verbouwing en de vergroting van de schuur zal wel gelijktijdig plaats hebben gehad.
*************
de jaren '30 buiten gebruik gesteld
*****
na de restauratie van 1939.
*****

In het kort
Oliemolen ‘t Pink, gebouwd in 1620, is de oudste van de overgebleven Zaanse molens. Oorspronkelijk was de molen kleiner, met een bovenbouw van het type wipmolen, en had hij slechts één oliepers, een zg. enkelwerks oliemolen. In 1751 kreeg de molen zijn huidige vorm en werd het een dubbele oliemolen. Vanaf 1779 tot 1935 was de molen eigendom van de familie Honig, die circa 20 oliemolens in bedrijf had. In November 1792 raakte de kap van de molen in brand door stormweer, maar hij kon worden behouden. 15 Maart 1876 brak de bovenas tijdens malen met storm af. Dit veroorzaakte veel schade. In 1903 brak de molen beide roeden. 25 Juni 1915 sloeg de bliksem in waardoor een kleine brand ontstond. 11 September 1926 brak de bovenas weer af. De molen verwerkte toen al jaren cacaoafval tot cacaoboter. Nieuwe bovenas kwam uit molen de Jonker die ook van Honig was, deze molen is toen gelijk onttakeld. Omstreeks 1929 kwam de molen tot stilstand. In 1935 werd hij geschonken aan de Zaanse VVV die pogingen deed de molen over te plaatsen. Vervolgens ging de molen in ’39 over naar Ver. De Zaansche Molen die hem geheel liet restaureren. In de winter ‘44/’45 is de molen gebruikt om drukpersen aan te drijven. De oorspronkelijk in een weidegebied gelegen molen is sinds het eind van de jaren dertig geleidelijk ingebouwd geraakt. Hierdoor is zijn landschappelijke functie thans beperkt.
***********
Als kokermolen gebouwd
De eerste vermelding van deze molen dateert van 1620. Op 3 oktober van dat jaar werd verleend het Consent van de Windt tot een houtsaegersmolentgen omme Jan Jansz. buyerman tot Oostzaenen met sijnen medestanders op hun eygen lant op de Coogh in den banne van Oostzaenen voorsz. ad 3 pond met Kerstmis toecomende.
Uit archiefonderzoek blijkt dat de Secretaris van de Rekenkamer zich vergiste door Oostzaenen te schrijven in plaats van Westzaenen, maar dat dit niet anders dan betrekking kan hebben gehad op molen Het Pink. Aangenomen wordt dat dit een wipmolen was, in Noord-Holland ook wel kokermolen genoemd. In dit geval een wipmolen op een vrij hoge vierkante onderbouw
In het voormalige, in 1751 gebouwde huis van de familie Honig in de Dubbele Buurt te Koog aan de Zaan, kwam aan de achterzijde een in hout gesneden versiering voor met daarin een schild met de afbeelding van een wipmolen. Dit schild, dat volgens de overlevering Het Pink voorstelde, bevindt zich nu in de Oosterschuur van de molen.
Het jaartal 1751 werd bij de restauratie van 1939 op de baard van de molen gevonden. Zeer waarschijnlijk is in dat jaar de wipmolen door de huidige achtkantige bovenkruier vervangen. Wellicht is dit voor de familie Honig die de molen in 1749 in bezit kreeg, aanleiding geweest om genoemd schild te laten maken aan het in diezelfde periode gebouwde nieuwe huis. De naam van de molen dateert blijkbaar al uit de begintijd, want al in 1653 wordt gesproken over de pinckmolen. Later stond de molen te boek als De Pink wat in deze eeuw pas schijnt te zijn veranderd in Het Pink.
Hoewel het kennelijk de bedoeling was dat hij tot zaagmolen zou worden ingericht, schijnt dit niet of hoogstens voor korte tijd het geval te zijn geweest. In 1638 was hij in ieder geval al in bedrijf als oliemolen want in dat jaar verkocht Jan Jansz. te Coogh een vierde part (eigendomsdeel) van een olymolen en erff, leggende en staende bewesten die Coogh.
*******************
Diverse rampen overleefd
Op 15 november 1792 raakte de kap van de molen in brand als gevolg van het breken van de pensteen tijdens het harde malen met storm uit het zuidwesten, maar de molen kon worden behouden.
Verscheidene rampen hebben de molen nog getroffen. Op 15 maart 1876, toen de molen met stormweer zonder zeil en met acht borden uit stond te malen, brak de bovenas waardoor askop en wiekenkruis naar beneden stortten. Niet alleen werd de kap opgelicht en opzij geschoven, zodat er niet veel van heel bleef, maar ook werd door de val van het wiekenkruis zware schade aan de stelling en aan een van de schuren aangericht. Op 19 mei daaropvolgend was de schade hersteld en kon weer worden gemalen. De groen geverfde houten kapbedekking was hierbij vervangen door een rieten kap. Op 16 november 1903 stond de molen door roebreuk weer zonder wieken. Hij werd hersteld met iets te korte roeden uit de oliemolen De Haan te Zaandam, die toen in afbraak was.
Op 25 juni 1915 werd de molen door de bliksem getroffen maar een begin van brand kon tijdig worden geblust. 19 November 1922 ontstond wederom brand, dit maal in de molenschuur, deze kon echter snel geblust worden
Op 11 september 1926 brak voor de tweede keer tijdens het malen de bovenas. Askop en wiekenkruis bleven echter hangen, waardoor de schade beperkt bleef. Ook nu werd de schade weer hersteld, door aankoop van de bovenas van oliemolen De Jonker te Zaandam (hetgeen voor die molen het begin van het einde betekende). Het Pink kwam weer in bedrijf maar het was maar voor een korte tijd. De in 1926 afgebroken askop ligt nu voor het Molenmuseum.
Na enige jaren van stilstand werd hij in 1935 ten geschenke aangeboden aan de Zaanse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer die vergeefse pogingen ondernam om hem door middel van verplaatsing naar elders te behouden. In 1939 deed zij de leeggeplunderde en zwaar gehavende molen over aan de Vereniging De Zaansche Molen, die kans zag hem in dat jaar geheel te restaureren. Sindsdien is de molen regelmatig, op vrijwillige basis in werking gesteld. In de periode van 12 oktober 1944 tot 2 juli 1945 is de molen verhuurd geweest aan de Zaanlandsche Stoomdrukkerij v/h E.N. Smit Wz te Koog aan de Zaan. Met twee in de molen geplaatste drukpersen kon zo, bij gebrek aan elektriciteit, toen nog drukwerk worden vervaardigd. Er werden o.a. bonkaarten gedrukt.
In 1983 is de fundering van de molen volledig vernieuwd. Onder de vloer van het vierkant kwam een betonplaat met pulspalen volgens systeem "De Waal". Daarna werd het ondervierkant weer recht getrokken en verstijfd met glasvezelstaven aangegoten met kunsthars. Dit was de eerste restauratiefase om de molen weer bedrijfsvaardig te maken. In 1989 kreeg de molen nieuwe roeden van de fa. Buurma. 2e fase was het vernieuwen van de wegen aan de west- en zuidkant in 1992. Daarbij werd ook het in 1939 gesloopte pothok weer aangebouwd. In de jaren ‘95/’96 volgde het 3e deel van de restauratie, het maalvaardigmaken van het oliewerk. Sindsdien wordt er weer regelmatig oliegeslagen.
***************
Constructie
Op de vierkante grenen onderbouw staat een grenen bovenachtkant. De onderbouw dateert waarschijnlijk uit 1620 en het bovenachtkant naar alle waarschijnlijkheid uit 1751. De kap was voorheen voorzien van zware ijzeren haken die aan de voeghouten waren bevestigd. Waarschijnlijk zijn ze aangebracht om te voorkomen dat de kap onder extreme omstandigheden van het achtkant zou afwaaien. Aan de wijze waarop ze zijn verbogen is te zien dat ze voor dit doel al eens dienst hebben gedaan!
De molen is op een voor een oliemolen gebruikelijke wijze ingericht met een voor- en naslag en een koppel kantstenen, maar in zoverre weer afwijkend dat de wentelas diagonaalsgewijs in de vierkante onderbouw is geplaatst en beneden het niveau van de stelling is gelegen. De huidige ijzeren wentelas is omstreeks 1913 aangebracht ter vervanging van de vroegere houten as en is afkomstig uit de voormalige oliefabriek 't Hart te Zaandam. Opmerkelijk is dat de steenschijfloop voorzien is van ijzeren staven. Bij de restauratie in 1939 is het interieur weer gecompleteerd met onderdelen uit andere, toen al buiten bedrijf zijnde Zaanse oliemolens. Eerder genoemde afbeelding van de wipmolen laat duidelijk zien dat de molenschuren in de loop der tijd veranderd zijn. De noorderschuur was oorspronkelijk korter en is later verlengd naar het noorden. Het eindbint van de oude schuur is nog terug te vinden. De oosterschuur was vroeger klein en eerst geheel en later gedeeltelijk als oliehuis in gebruik. Een overblijfsel hiervan in de vorm van een bovenbintje in de oorspronkelijke oostergevel is nog op de oude plaats aanwezig. De geringe bergruimte voor zaad, olie en koeken die er vroeger geweest moet zijn wijst erop, dat Het Pink in het begin van zijn bestaan een zogenaamde enkele oliemolen was.
Later, niet bekend is wanneer, en misschien wel toen hij nog wipmolen was, heeft de molen een dubbel werk (voor- en naslag) gekregen. Maar omdat de ruimte in de onderbouw niet toeliet het oliewerk - een rij stampers en heien - naar behoren en dus dwars te plaatsen, is het diagonaalsgewijs opgesteld. Deze verbouwing en de vergroting van de schuur zal wel gelijktijdig plaats hebben gehad.
*************
de jaren '30 buiten gebruik gesteld
*****
na de restauratie van 1939.
*****

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
De Noordermolen te Akersloot
Geschiedenis
'De Noordermolen' is een zeer waarschijnlijk in 1589 gebouwde achtkante binnenkruier. Hij bemaalt tezamen met een elektrisch vijzelgemaal de 1476 ha grote Groot-Limmerpolder op de Schermerboezem.
Al kort voor 1544 is het gebied van deze polder van de Schermer afgekaad en onder bemaling gebracht.
De Spaanse legerbenden die deze streken doortrokken om in 1573 Alkmaar te belegeren, hebben naast veel andere gebouwen ook deze molens vernield. Nadat de uitwateringssluis na hun aftocht was herbouwd en de sluistochten waren verruimd, bleek toch weer behoefte aan bemaling. Bij besluit van 13 oktober 1588 verklaarden de Staten dat de oprichting van twee achtkante molens nodig was en dat hiervoor toestemming werd verleend. Vrij spoedig hierna moet met de uitvoering van de plannen zijn begonnen. Al in het daarop volgende jaar werd te kennen gegeven dat de molens waren geplaatst en in de zomer van 1591 verzochten de molenmeesters van de twee poldermolens voor de polder van Limmen, Bakkum en Akersloot om de algemene rekening van de oprichting te mogen doen.
Na de droogmaking van de grote meren konden de beide molens als gevolg van de hieruit voortvloeiende hogere opmaling en de verminderde lozing van de sluis de polder op zeker moment niet meer voldoende op peil houden.
Bij octrooi van 14 maart 1651 werd daarom door de Staten vergunning verleend om nog een derde molen te bouwen. Er zijn echter geen aanwijzingen dat deze derde molen ook inderdaad is gebouwd. Op een in 168o verschenen kaart is hij in elk geval niet aangegeven. Zo werd de polder bemalen door twee molens, 'De Noordermolen' en 'De Zuidermolen', welke laatste in 1863 nog met een scheprad werkte. Op de plaats van deze molen werd in 1879 een stoomvijzelgemaal gebouwd, dat in 1919 is geëlektrificeerd. De 'Noordermolen' is nog regelmatig voor de bemaling in gebruik
***********************

Geschiedenis
'De Noordermolen' is een zeer waarschijnlijk in 1589 gebouwde achtkante binnenkruier. Hij bemaalt tezamen met een elektrisch vijzelgemaal de 1476 ha grote Groot-Limmerpolder op de Schermerboezem.
Al kort voor 1544 is het gebied van deze polder van de Schermer afgekaad en onder bemaling gebracht.
De Spaanse legerbenden die deze streken doortrokken om in 1573 Alkmaar te belegeren, hebben naast veel andere gebouwen ook deze molens vernield. Nadat de uitwateringssluis na hun aftocht was herbouwd en de sluistochten waren verruimd, bleek toch weer behoefte aan bemaling. Bij besluit van 13 oktober 1588 verklaarden de Staten dat de oprichting van twee achtkante molens nodig was en dat hiervoor toestemming werd verleend. Vrij spoedig hierna moet met de uitvoering van de plannen zijn begonnen. Al in het daarop volgende jaar werd te kennen gegeven dat de molens waren geplaatst en in de zomer van 1591 verzochten de molenmeesters van de twee poldermolens voor de polder van Limmen, Bakkum en Akersloot om de algemene rekening van de oprichting te mogen doen.
Na de droogmaking van de grote meren konden de beide molens als gevolg van de hieruit voortvloeiende hogere opmaling en de verminderde lozing van de sluis de polder op zeker moment niet meer voldoende op peil houden.
Bij octrooi van 14 maart 1651 werd daarom door de Staten vergunning verleend om nog een derde molen te bouwen. Er zijn echter geen aanwijzingen dat deze derde molen ook inderdaad is gebouwd. Op een in 168o verschenen kaart is hij in elk geval niet aangegeven. Zo werd de polder bemalen door twee molens, 'De Noordermolen' en 'De Zuidermolen', welke laatste in 1863 nog met een scheprad werkte. Op de plaats van deze molen werd in 1879 een stoomvijzelgemaal gebouwd, dat in 1919 is geëlektrificeerd. De 'Noordermolen' is nog regelmatig voor de bemaling in gebruik
***********************

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
De Sint-Leonarduskerk
Algemeen
In 1125 liet de abdij van Vlierbeek (Leuven) een romaanse kapel ter ere van de Heilige Leonardus van Noblac bouwen binnen de stadswallen van Leeuw. Deze kapel werd in 1231 verheven tot parochiekerk en kende sindsdien een lange bouwgeschiedenis: het monumentaal gotisch gebouw werd grotendeels opgetrokken tussen de 13de en de 16de eeuw.
De Sint-Leonarduskerk is rijk aan kunstschatten en dankt voornamelijk daaraan haar internationale bekendheid. De Beeldenstorm in 1566 en de Franse Revolutie gingen vrijwel ongemerkt aan de kerk voorbij, waardoor het indrukwekkende kunstpatrimonium dat gedurende eeuwen is opgebouwd voor het grootste deel bewaard bleef: retabels, schilderijen, heiligenbeelden, koper- en zilverwerk, misgewaden en andere devote voorwerpen. In wat volgt worden een aantal van de pronkstukken weergegeven.
**********
De Sacramentstoren
Dit tabernakel in witte steen van Avesnes is zonder twijfel hét pronkstuk van de kerk. Het kunstwerk werd gemaakt in de ateliers van Cornelis Floris de Vriendt, te Antwerpen en in 1552 opgericht in Zoutleeuw. De toren is 18 meter hoog, heeft negen verdiepingen en bevat ongeveer 200 beeldjes met taferelen uit het Oude en het Nieuwe Testament.
Bij het verlaten van de Sacramentskapel staat een houten Piëta uit de 15de eeuw: Maria zit te wenen, het dode lichaam van haar zoon rust op haar schoot: dit beeld sluit aan bij de vernieuwde benadrukking van Christus lijden in de 15de eeuw
************
De Paaskandelaar
Deze koperen kandelaar is 5.68m hoog en weegt ongeveer 950 kg. Hij werd gegoten door Renier van Thienen, naar een ontwerp van Jan Bornam en in 1483 door de gieter zelf opgesteld in het koor. Het is de op één na grootste paaskandelaar van Europa
************
Marianum
Bij het binnenkomen valt in de eerste plaats het Marianum op: dit dubbele beeld (1533) dient gesitueerd te worden in de 15de eeuwse Mariaverering, die de Heilige Maagd voorstelde als de apocalyptische vrouw en middelares van genade
********
Koor en kooromgang
Het koor en de kooromgang behoren tot het oudste gedeelte van de kerk. De kooromgang toont een mooie verzameling van heiligenbeelden uit de 13de, 14de, 15de en 16de eeuw, alsook een ‘Sedes Sapientia’ uit de 12de eeuw
Op het koor valt ook de arendlezenaar in geel koper op: de adelaar is het zinnebeeld van Johannes, de meest mystieke evangelist.
**********
Zijkapellen met retabels
De zijkapellen werden in de 16de eeuw bijgebouwd door de gilden en bevatten een schat aan retabels: Sint-Anna-retabel, 16de eeuw, Sint-Rochus-retabel, 15de en 16de eeuw, Retabel van Onze-Lieve-Vrouw, 16de eeuw, Sint-Leonardusretabel, 15de eeuw: zij vertellen elk hun bijzondere verhaal aan de bezoeker…
Zoals eerder gezegd is dit slechts een greep uit het enorme aanbod van kunstschatten in de Sint-Leonarduskerk: het is een waar museum van religieuze kunst
***************

Algemeen
In 1125 liet de abdij van Vlierbeek (Leuven) een romaanse kapel ter ere van de Heilige Leonardus van Noblac bouwen binnen de stadswallen van Leeuw. Deze kapel werd in 1231 verheven tot parochiekerk en kende sindsdien een lange bouwgeschiedenis: het monumentaal gotisch gebouw werd grotendeels opgetrokken tussen de 13de en de 16de eeuw.
De Sint-Leonarduskerk is rijk aan kunstschatten en dankt voornamelijk daaraan haar internationale bekendheid. De Beeldenstorm in 1566 en de Franse Revolutie gingen vrijwel ongemerkt aan de kerk voorbij, waardoor het indrukwekkende kunstpatrimonium dat gedurende eeuwen is opgebouwd voor het grootste deel bewaard bleef: retabels, schilderijen, heiligenbeelden, koper- en zilverwerk, misgewaden en andere devote voorwerpen. In wat volgt worden een aantal van de pronkstukken weergegeven.
**********
De Sacramentstoren
Dit tabernakel in witte steen van Avesnes is zonder twijfel hét pronkstuk van de kerk. Het kunstwerk werd gemaakt in de ateliers van Cornelis Floris de Vriendt, te Antwerpen en in 1552 opgericht in Zoutleeuw. De toren is 18 meter hoog, heeft negen verdiepingen en bevat ongeveer 200 beeldjes met taferelen uit het Oude en het Nieuwe Testament.
Bij het verlaten van de Sacramentskapel staat een houten Piëta uit de 15de eeuw: Maria zit te wenen, het dode lichaam van haar zoon rust op haar schoot: dit beeld sluit aan bij de vernieuwde benadrukking van Christus lijden in de 15de eeuw
************
De Paaskandelaar
Deze koperen kandelaar is 5.68m hoog en weegt ongeveer 950 kg. Hij werd gegoten door Renier van Thienen, naar een ontwerp van Jan Bornam en in 1483 door de gieter zelf opgesteld in het koor. Het is de op één na grootste paaskandelaar van Europa
************
Marianum
Bij het binnenkomen valt in de eerste plaats het Marianum op: dit dubbele beeld (1533) dient gesitueerd te worden in de 15de eeuwse Mariaverering, die de Heilige Maagd voorstelde als de apocalyptische vrouw en middelares van genade
********
Koor en kooromgang
Het koor en de kooromgang behoren tot het oudste gedeelte van de kerk. De kooromgang toont een mooie verzameling van heiligenbeelden uit de 13de, 14de, 15de en 16de eeuw, alsook een ‘Sedes Sapientia’ uit de 12de eeuw
Op het koor valt ook de arendlezenaar in geel koper op: de adelaar is het zinnebeeld van Johannes, de meest mystieke evangelist.
**********
Zijkapellen met retabels
De zijkapellen werden in de 16de eeuw bijgebouwd door de gilden en bevatten een schat aan retabels: Sint-Anna-retabel, 16de eeuw, Sint-Rochus-retabel, 15de en 16de eeuw, Retabel van Onze-Lieve-Vrouw, 16de eeuw, Sint-Leonardusretabel, 15de eeuw: zij vertellen elk hun bijzondere verhaal aan de bezoeker…
Zoals eerder gezegd is dit slechts een greep uit het enorme aanbod van kunstschatten in de Sint-Leonarduskerk: het is een waar museum van religieuze kunst
***************

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Beschrijving / geschiedenis
De molen is de enige overgebleven houten achtkante bovenkruier en zetelkruier van de provincie Antwerpen. Hij is ook uniek als graan- en oliemolen in een houten achtkant.
De molen werd in 1809 op zijn huidige standplaats opgericht met onderdelen van een omgewaaide standaardmolen die sinds 1435 in de Madritten, elders in Arendonk, stond. In 1854 verwierf de molenaarsfamilie Raeymaekers deze molen. Deze familie bezat verschillende molens en had in het dorp de bijnaam "die van de Toreman". Na verloop van tijd werd de molen dan ook "Toremansmolen" genoemd.
In 1859 werd er in de kelderruimte een olieslagerij ondergebracht. Deze was afkomstig van boerderij de Blauwhoef op de Wampenberg. De olieslagmolen deed dienst tot 1946 en de graanmolen tot 1951, na de dood van de laatste beroepsmolenaar Laurent Raeymaekers
In 1957 en 1970 werden pogingen ondernomen om de molen te herstellen. Het Arendonks gemeentebestuur kocht de molen in 1980 aan en liet in 1987-1988 een maalvaardige restauratie uitvoeren door molenbouwer Caers uit Retie, onder toezicht van architect Paul Gevers uit Kasterlee. De Arendonkse Heemkundige Kring "Als Ice Can" vzw beheert de molen. Een bittere vaststelling is dat deze unieke koffiepotmolen in 1995, ondanks hevig verzet, volledig werd ingebouwd en van windvang beroofd.
De molen heeft twee koppels kunststenen (1,6 en 1,4 m) met concentrisch zwaaipandscherpsel (overbrenging: 1 op 5) en een sleepluiwerk. De kollergang is van blauwe steen (arduin) en heeft een diameter van 1,5 m. De eiken slagbank is 2,6 m lang. De gelaste stalen roeden van 26,30 meter lengte werden gemaakt door Claessen uit Arendonk.
De combinatie van graan- en olieslagmolen, in dit type van houten achtkante grondzeiler, maakt de Toremansmolen uniek in de wereld. Een bezoek overwaard! Vlakbij staat het Arendonkse Heemhuis.
**************
De combinatie van graan- en olieslagmolen, in dit type van houten achtkante grondzeiler, maakt de Toremansmolen uniek in de wereld. Een bezoek overwaard! Vlakbij staat het Arendonkse Heemhuis

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Beschrijving / geschiedenis
Algemene molengeschiedenis
In 1349 wordt melding gemaakt van de eerste molen van Baarle. Deze molen is eigendom van de heer van Breda en is gelegen aan de weg naar Oordel op het Oosteinde. Omstreeks 1400 is er sprake van de 'nieuwe molen' te Baarle-Hertog om een onderscheid te maken met de molen van de heren van Breda die al in 1349 genoemd wordt.
De pachters van de molens van de heer van Breda deden in 1710 hun beklag over het teruglopen van het maalwerk tot ongeveer 30% tengevolge van het aantal grote handmolens dat in het Land van Breda voorkomt. Zij klagen dat zij zo hun pacht niet kunnen opbrengen en eisen drastische maatregelen tegen de handmolens. Baarle telt in 1710 65 handmolens op 568 huishoudens
De molen van Baarle-Hertog wordt door de Nassause Domeinen aangekocht. Aldus kunnen de twee middeleeuwse molenbannen van Baarle verenigd worden. Vanaf 1745 kent Baarle dan nog slechts één molenban.
De huidige molenromp van Loots
Op 17 april 1834 wordt aan de Molenstraat 161 de molen van Frans Loots in gebruik genomen. J.F. Loots werd op 25 december 1801 te Casteren (NB) geboren. Zijn zoon Willem (geboren 26 oktober 1826 te Baarle-Nassau) neemt later de molen over. De molen zal generaties lang in het bezit van de familie Loots blijven. In 1952 werd de molen ontdaan van kap en gevlucht. De familie Loots bleef enkele decennia verder elektrisch malen in de romp. Het interieur van de molen is geheel verloren gegaan door enkele branden. De weg waaraan de molen ligt, heet sinds 1990 heel toepasselijk Wiekenweg.
*****
****************

als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet
-
majke - Lid geworden op: 01 jan 2005, 00:20
- Locatie: europa
Emmen is een dorp met een stedelijk karakter, ontstaan aan de oostkant van de Hondsrug langs de weg van Coevorden naar Groningen. Het esdorp kent vanaf het einde van de twaalfde eeuw een zelfstandige parochie. De plaats Emmen wordt voor het eerst in 1137 genoemd in verband met een aldaar gelegen herenhof van de bisschop van Utrecht. Deze werd begin veertiende eeuw opgeheven. Emmen was het centrale kerkdorp van enkele middeleeuwse dochternederzettingen: Westenesch, Angelslo, Zuidbarge, en Weerdinge. De ontwikkeling bleef bescheiden tot in de vroege negentiende eeuw toen het oostelijker gelegen kerkdorp Roswinkel nog altijd groter was.
Na de Tweede Wereldoorlog werd de economisch zwakke Drentse zuidoosthoek uitgeroepen tot ontwikkelingsgebied. De rol van verzorgingscentrum voor de regio heeft als gevolg gehad dat in de dorpkern veel oude bebouwing plaats heeft moeten maken voor een meer stedelijke ontwikkeling. Van de brinkachtige structuur van het dorp resteert enkel de kerkbrink (Markt).
Kerk
De Grote kerk is een kruiskerk voorzien van een forse toren met achtkantige lantaarn en gedrongen spits. De romaanse toren stamt uit het einde van de twaalfde eeuw en heeft een onderbouw van behakte zwerfstenen. De bakstenen opbouw wordt geleed door langwerpige spaarvelden die worden afgesloten door gekoppelde rondbogen.
****
Toren
De toren werd gebouwd aan het einde van de twaalfde eeuw en is rond 1456 verhoogd. Het benedengedeelte bestaat uit granieten zwerfkeien, vergelijkbaar met het koor van de kerk van Odoorn. Erboven staat een opbouw met bakstenen. In 1855-’56 heeft men de torenspits vervangen door de huidige bekroning en de toren gepleisterd. In 1907 werd de bepleistering verwijderd en werd de toren, met uitzondering van de noordzijde, ommetseld. Bij de restauratie in 1972-’76 is de spits vernieuwd. In de toren hangt een in 1877 door de gebroeders Van Bergen uit Midwolda hergoten bronzen klok uit 1456. Oudere klokken zijn in de loop van de tijd verdwenen. Onder de toren zijn drie grafzerken neergelegd, waarvan de oudste uit 1635 stamt.
Geschiedenis
De middeleeuwse kerk, een drieschepig gotisch gebouw, heeft men in 1855-’56 gesloopt en vervangen door het huidige gebouw in neoclassicistische vormen met pilasters en spitsboogvensters. De oude kerk was versierd geweest met muur- en gewelfschilderingen, onder andere van Het Laatste Oordeel en de lijdensvoorstellingen van Christus. Bij opgravingen in 1965 bleek uit de fundamenten dat het koor ouder was dan het schip. Ook werden sporen gevonden van een houten voorganger.
Binnenkant
De gepleisterde binnenkant van de kerk wordt gedekt door een gestukadoord houten tongewelf. Het interieur is gerestaureerd in 1964-’65. Tot de inventaris behoort een doopvont van bentheimer zandsteen uit de eerste helft dertiende eeuw. De kuip ervan rust op vier leeuwen; de friezen zijn gesierd met wijnranken. Het vont verdween in 1855 bij de afbraak van de kerk. Nadat het lange tijd als bloembak dienst had gedaan belandde het uiteindelijk in Drents Museum, die het de kerk uiteindelijk in bruikleen terugschonk.
In de kerk bevinden zich een aantal negentiende eeuwse tekeningen, waaronder een aquarel van de ‘OUDE KERK TE EMMEN’ uit 1887 van J. Reynders Sr. (1823-1889) met gezicht op kansel en interieur van het gesloopte middeleeuwse gebouw. Van zijn hand bevindt zich ook een potloot- en pentekening van ‘De in 1855 gesloopte kerk van Emmen, inwendig’ in het Drents Museum in Assen.
Het orgel aan de westwand van het gebouw werd gebouwd door Roelft Meyer uit Veendam (1872-’73).
***********
als je je zelf niet helpt
een ander kan dat niet
een ander kan dat niet