Goeiedag,
Tot lang na de oorlog bestonden er in de stad wel snoepwinkeltjes, altijd ergens in de buurt van een school gelegen. Vlakbij St Edward in Merksem was er zo een, ze hadden altijd nog wel een bijfunctie, zoals verkoop van groenten en fruit of van kranten en kinderboekjes.
Tijdens de oorlog hadden we geen chocolade, geen volle melk of eieren, en in plaats van koffie dronken de mensen gebrande gerst of bitterpee of iets anders en dat noemde men dan ersatz (=vervang) of kneip. Als er ergens koffie kon bekomen worden dan was die peperduur. Ook tabak was raar.
Brood was gerantsoeneerd, en soms, niet altijd, heel slecht. Aardappelen waren er voor ons te weinig, ik heb nog raapkolen moeten eten, zelfs bevroren aardappelen en bevroren raapkolen; dat was bijna niet te eten. Mijn moeder maakte soms van de bevroren aardappelen een taart of een soort gebak, en met wat amandel-essence was dat nog best te eten. Vlees aten we bijna nooit. Vis af en toe, het schijnt dat de vissers het klaar speelden om toch nog wat vis op de Noordzee te verschalken.
Ja we hebben honger gehad, ik durf niet zeggen honger geleden, want uiteindelijk is die honger niets in vergelijking met de honger hier en daar in Afrika, waarover ik vandaag weer een bedelbrief heb gekregen.
Er waren ook dingen die niet gerantsoeneerd waren. Zo meen ik dat er suiker genoeg was, met al die suikerbieten en suikerfabrieken in Tienen; siroop en suikersnoep genoeg dus. En bouillonblokjes, daar maakte mijn moeder heerlijk saus van, met het onderste van het petattenwater.
Van Winterhulp kregen wij op school nogal dikwijls iets: een pilleke vitaminen of een gelulleke levertraan, of een sojakoek, of een zeldzame keer een zoute haring met bonen of zelfs een appelsien.
En dan was er de dagelijkse soep, die was heelemaal niet slecht. Tegen de middag kwam een camionetje een paar ketels soep brengen. Samen met de Flor werd ik aangeduid om voor enkele klassen de soep uit te delen, waren wij dat moesten doen, wat hadden geen van beiden soep-ervaring noch in het maken ervan, noch in het uitdelen. Ik neem aan dat men in ons enig talent had vermoed. De Flor was wel bijna 2 meter lang, hetgeen bijdroeg tot wat uitstraling van autoriteit, en dat kon helpen. Ikzelf was maar 1m80, in die tijd was ik nog bij de langen, nu niet meer.
Hoe dan ook wij hebben dat 2 jaar volgehouden; met een grote pollepel. 4 klassen schoven voor ons aan, wij maar roeren in de soep, maar niet te diep, tot ongeveer 5 cm van de bodem. Als laatst kwam onze eigen klas; heelemaal op den bodem zaten er zowaar nogal wat stukjes vlees.
Heb ik dat al niet eens verteld???
Winterhulp richtte ook vacantiekampen in voor stadskinderen, en ik heb daar ooit eens mogen bij helpen. In Mechelen was dat, ik geloof in het klein seminarie. Ze moesten de rantsoenzegeltjes inleveren voor de periode dat ze op vacantie waren en mochten eten zoveel ze wilden. Mensen lief, daar werd nogal gegeten, ikzelf ook nqtuurlijk.
Tot zover.
nog een prettige dag.
amadee
------------------------
de soep wordt nooit zo heet gegeten als dat ze wordt opgediend.