ZOTTEGEM .
***
***
Aan de voet van de Vlaamse Ardennen bevindt zich dit schitterende stukje Vlaanderen. Een uitgestrekte streek van beboste heuvels, verrassende panorama's met zichten op molens en kastelen, pittoreske dorpen, de Zwalmvallei en de steden Oudenaarde, Ronse en Zottegem. Dit dorpje wordt ook wel eens, naar de welbekende Graaf van Egmont, ‘Egmontstad’ genoemd.
*****
MUSEUM VOOR FOLKLORE (ZOTTEGEM)
***
Dit museum was eerst gehuisvest in het kasteeltje op het Domein van Breivelde maar is sinds januari 1997 gevestigd in de Grotenbergestraat. Dit was in de 19de eeuw een pastorie. Verscholen achter een muur komt men langs een smal poortje op een binnenpleintje met daarop het gebouw, compleet met klokkentorentje en haan.
Het museum geeft een beeld van de preïndustriële samenleving met oud huisraad, landbouw- en ambachtenalaam en souvenirs van het vroegere verenigingsleven. Daarnaast treft u in dit museum de beroemde handschoenkamer aan. De familie Schollaert, van Sint-Maria-Oudenhove, schonk aan de stad Zottegem een collectie handschoenen, die een beeld geeft van de handschoennijverheid vanaf het einde van de 19de eeuw tot pakweg de jaren ’50-‘60. Een deel van deze collectie wordt nu tentoongesteld in het Museum van Folklore.
De verzameling, door de familie Schollaert geschonken, geeft een overzicht van de diverse bewerkingen om van leder - of een andere stof - tot een handschoen te komen. Typerend voor de streek was het getrapte systeem, met de fabrikant, de uitgever en de thuiswerkster. Het snijden van de handschoen gebeurde bij de fabrikant. De Belgische fabrikanten woonden vooral in Brussel. Buitenlandse fabrikanten waren voor de Tweede Wereldoorlog vooral Duitsers. Later kwamen ze uit Nederland, Frankrijk en de Verenigde Staten en, na het koelen van de oorlogsweeën, opnieuw uit Duitsland.
De fabrikant zond de gesneden handschoenen naar een naaiatelier. Ze werden ter plaatse genaaid of uitgegeven aan thuiswerksters, die van de uitgever de nodige machines kregen. Thuiswerksters waren typisch voor onze streek. Aanvankelijk naaiden zowel mannen als vrouwen handschoenen, maar na de aanleg van de spoorweg naar Henegouwen, verlieten de meeste mannen de handschoennijverheid om te gaan werken in de mijnen of de staalfabrieken, vooral bij de Usines Gustave Boël.
De naaisters waren gespecialiseerd in handbroderie, fantasie met de machine, stepnaadwanten, oversteeknaadwanten of Celliernaadwanten. Elke naaister had een specialiteit. Dat betekent dat aan één paar handschoenen door verscheidene thuiswerksters werd gewerkt. Bij elke tussenstap werden de handschoenen terug naar de uitgever gebracht, die ze dan verder verdeelde, tot de handschoen helemaal af was.
In de handschoenkamer ziet u vertrekkend van de diverse soorten leder en stof, hoe een handschoen werd gesneden en hoe dan die verschillende onderdelen aan elkaar werden genaaid. Aanvankelijk gebeurde dat met de hand, later met het zogenaamde kleine mechaniek, om omstreeks 1865 over te schakelen op naai- en stepmachines. Van al deze toestellen zijn er voorbeelden te zien.
Een belangrijk onderdeel van de handschoennijverheid was de broderie en fantaisie. Het eerste slaat op de met de hand genaaide versieringen; de tweede term wordt gebruikt voor machinaal aangebrachte versieringen. Een opvallend instrument is het broderie-ijzer. Om aan te geven waar de broderie moest komen, werd de handschoen eerst voorzien van merktekens. Deze werden in het leder geklopt met specifieke ijzers, de broderie-ijzers. Bij het snijden van de handschoen was het beginpunt van de broderie al aangebracht onder de vorm van een gaatje.
Een eerste persoon, de klopper, zette hier het begin van het ijzer. De onderkant werd aangepast door de handschoen iets verder of iets korter op de blok te leggen. Een tweede persoon klopte dan met een houten hamer het ijzer in het leder. De blok was meestal uit lindehout, of uit een andere zachte houtsoort. De vorm van de ijzers wisselde naargelang het gewenste patroon. Er bestonden honderden soorten, die de mode volgden. Gespecialiseerde smeden maakten de ijzers ter plaatse. Elk ijzertype had een specifieke naam, bijvoorbeeld de broderie grecque.
De allerlaatste bewerking van de handschoen was het opkuisen. Dit werd gewoonlijk gedaan op het atelier van de uitgever. Eerst werden de vingers en de duim nagekeken met de baget. Met dit instrument kon men de vingers uitrekken om na te gaan of er geen steken gevallen waren, dat wil zeggen dat alle steken gedaan waren en er geen gaten vielen. Vervolgens werd het patroon bovengehaald. Dit is een kartonnen mal van de juiste grootte. De handschoen werd erop gelegd en uitgetrokken tot ze de vereiste grootte had. Bij werksters die een te grote boord naaiden, kon de handschoen wel eens krimpen. Deze kartonnen mal werd later vervangen door de houten handen.
***
Nu werd de maat van de handschoen in het leder gestempeld. Dan koppelde men de linker handschoen aan de rechter, dit met een speciale steek aan de zijkant, ongeveer 5 cm van de bovenboord, de duimen naar binnen. Als laatste bewerking werden de glacé handschoenen nog een extra gepolijst op een fluwelen draaiende rol. De suède handschoenen werden met een fijn metalen borsteltje geborsteld. Ieder paar handschoenen werd dan verpakt in een plastic of mica zakje, waarop de naam van de fabrikant. Alles werd nu ingepakt en naar de fabrikant teruggezonden. Hij stond in voor de verdeling naar de winkels. Al die toestellen en machines, samen met een schitterende collectie handschoenen kan je gaan bekijken in dit schitterende Museum voor Folklore.
****
OUDENAARDE.
***
Oudenaarde ligt in het hart van de Vlaamse Ardennen, in de provincie Oost-Vlaanderen. Oudenaarde is de tweede kunststad naast Gent, van Oost-Vlaanderen. Het is gelegen aan de linkeroever van de Schelde. De geschiedenis gaat terug tot rond het jaar 900. Links van de Schelde lag het Franse Rijk met het graafschap Vlaanderen en rechts lag het Duitse Rijk. Rond het jaar 1000 groeide de Scheldevallei uit tot een conflictzone, want Vlaanderen wilde zich uitbreiden. Om dit te verhinderen had het Duitse Rijk langs de Schelde drie verdedigingszones uitgebouwd: Antwerpen, Valenciennes en Ename (gelegen op drie kilometer van Oudenaarde).
Doch Ename werd ingenomen door Vlaanderen, de groei van Ename werd gestopt, en er werd een abdij gebouwd. De twee andere verdedigingspunten van het Duitse Rijk bleven stand houden en werden grote steden, namelijk Antwerpen en Valenciennes. Door de inname van Ename werd Oudenaarde een belangrijke stad en groeide verder uit. De welvaart kwam er van de 14de tot de 17de eeuw door zijn tapijtnijverheid. In die tijd kwamen ook de voornaamste bouwwerken tot stand. In de 18de eeuw brak deze nijverheid af.
****
Bezienswaardigheden in Oudenaarde zijn onder andere het laatgotische huis van Margaretha van Parma. Naast dit schitterende huis staat de Bouwdewijnstoren, een zeldzaam voorbeeld van een middeleeuwse, stedelijke patriciërstoren. Zuiver en alleen gebouwd als prestige, een getuigenis van de hoogmoed van de stedelingen. De Sint-Walburgakerk is de hoofdkerk van Oudenaarde. De bouw is gestart in 1420, doch nooit afgewerkt. Het interieur is grandioos maar toch ook sober. Achter deze kerk ligt het Onze Lieve Vrouwenziekenhuis. Hier staan nog zeer oude gebouwen die in een zeer goede staat verkeren zoals de Gotische hospitaalkapel, het 18de eeuws kloosterhospitaal met een pracht van wandtapijten en de 17de eeuws Bisschoppenhof met de zeer luxueuze afwerking.
****
RONSE
******
Ronse is de koningin van de Vlaamse Ardennen. Hier klopt het hart van deze prachtige streek. Evenals in de andere steden in de omgeving kan Ronse verwijzen naar een woelige geschiedenis. Destijds bloeide hier de lakennijverheid.
Ronse ligt op de taalgrens en heeft bijgevolg het statuut van taalgrensgemeente met faciliteiten voor de Franstaligen. De meeste Ronsenaars zijn tweetalig en spreken uiteraard ook het plaatselijke dialect dat merkwaardig genoemd kan worden. Door de Franstalige invloeden (de "huig-r") en de grote inwijking van Gentse arbeiders in de vorige eeuw lijkt het "Ronsies" eerder op het Gentse dialect dan op de andere spreektalen uit de buurt. Niets is beter dan een bezoekje aan een volkscafé om dit sappige taaltje eens in het echt te aanhoren.
De plaats van Ronse was reeds tijdens de Romeinse tijd bewoond (vele vondsten van oude Romeinse dakpannen en stenen vindt u in de St-Hermescrypte). Voor het eerst zou een klooster gesticht zijn door de H.Amandus rond 650-660 n.Chr. Lodewijk de Vrome, de kleinzoon van Karel de Grote, schonk dit domein aan de Abdij van Kornelimunster. Hierdoor kwam de relikwie van een Romeins martelaar naar hier, namelijk de Heilige Hermes (6 juli 860). Voor de verdere uitbouw van de stad is dit zeer belangrijk geweest.
Ter ere van St-Hermes werd er in 1089 een crypte gebouwd onder de St-Hermeskerk. Een crypte met 32 zuilen is uniek en vormt dan ook het toeristisch hoogtepunt van Ronse. Het is een belangrijke bedevaartplaats geworden. De St-Hermeskerk dateert uit de 15de/16de eeuw en heeft een mooi interieur en bevat een waardevolle kerkschat. De stijl is laatgotisch. Deze kerk werd gebouwd door de kerkelijke overheid ter ere van St-Hermes en zijn bedevaarders. St-Hermes is de genezer van de krankzinnigen.
Van eind de 19de eeuw tot 1960 kende Ronse een bloeiende textielnijverheid. Na 1960 ging de textielbranche achteruit mede door de concurrentie van Engeland. Een andere belangrijke oorzaak was de berusting. Het Textielmuseum wil deze geschiedenis levendig houden met nog in werking zijnde machines. Het Museum voor Folklore is ook in dezelfde hoek van het centrum gelegen. Ronse is een rijke stad geweest door zijn textielnijverheid. In dit museum probeert men die geschiedenis voor te stellen.
*****
MUSEUM VOOR FOLKLORE (RONSE)
Het folkloremuseum van Ronse is sinds 1952 gevestigd in een voormalige kanunnikenwoning, gelegen aan het Bruulpark, achter de Sint-Hermeskerk. Het museum schetst een beeld van het rijke stadsleven. In het museum treft u Louis XV en Louis XVI meubilair en werken van locale kunstenaars aan. Een aantal verdienstelijke stadsgenoten worden in het licht gesteld: taal- en letterkundigen, ingenieurs, geologen, archeologen en pedagogen. In de gildezaal vindt u de rijke verzameling van de schuttersgilden en er word ook een ruimte voorbehouden voor prehistorische vondsten uit de streek.
In de andere afdeling van het museum vindt u de reconstructie van een aantal oude ambachtsateliers met uiteraard een weverskamer, immers textiel was van oudsher van groot belang voor Ronse. Een gerelateerde tentoonstelling in dit verband vindt u in het vlakbij gelegen textielmuseum. Het bezoek eindigt in het estaminet "In den Dragonder".
*****
http://www.ardennen.nl/bezienswaardig/dorpen.php