1975-’81: begin van de (olie-)crisis
In 1975 breekt voor België de crisis door.
Tijdens dat jaar kent de werkloosheid bijna een verdubbeling: van 96.933 naar 174.484.
Tussen 1974 en 1983 groeit de werkloosheid in België van 96.933 naar 545.109.
Bij de overheid worden in deze periode – van ’74 tot midden jaren ’80 – bijna 200.000 jobs bijgecreëerd.
Er wordt massaal geld geleend om “tewerkstellingsprogramma’s” te financieren en industrieën in crisis te subsidiëren. Al deze maatregelen zorgden echter niet voor een daling van de werkloosheid.
Ze voorkwamen een nog groter drama.
Maatregel tegen de werkloosheid waren de gesubsidieerde tewerkstellingsprogramma’s:
stages voor jongeren (vanaf ’76),
Bijzonder Tijdelijk Kader (’77),
Derde Arbeidscircuit (’83),
loonkostensubsidies voor KMO’s,
Gesco,…
Ook de invoering van verschillende stelsels van brugpensioen moest de werkloosheid aanpakken.
Al deze maatregelen zorgden niet voor een daling van de werkloosheid.
Zelfs tijdens de sterkere economische groei van ’86-’89 blijft de reële werkloosheid op hetzelfde niveau (“jobless growth”).
De regering vervalst echter de statistieken door schorsing van uitkeringen (bijna 110.000 tijdelijke en definitieve tussen ’83 en ’85) en door oudere werklozen, schoolverlaters, bruggepensioneerden, onvrijwillig deeltijds werklozen, loopbaanonderbrekers,… niet meer in de statistieken op te nemen.
De val van de Berlijnse muur
Rond tewerkstelling is het Jongerenbanenplan opgenomen.
Net als latere plannen (Rosetta, Activa-plan,…) gaat dit verder in het koppelen van jobs aan vermindering van de “patronale” bijdragen aan de sociale zekerheid.
Het openstellen van het voormalige Oostblok en Rusland zorgde voor een economische boom.
Maar ook tijdens de boom van de jaren ’90 bleven de uitgaven van de RVA stijgen en daalde de reële werkloosheid nauwelijks.
In ’98 werkt 17,8% van de loontrekkenden deeltijds, tegenover 3% in ’73.
Nog maar de helft van de voltijdse aanwervingen is van onbepaalde tijd.
Bedrijven werken massaal met interimmers.
Tussen ’93 en ’97 werden 130.000 mensen, vooral vrouwen, definitief van hun werkloosheidsuitkering geschorst.
Na het crisisjaar 2001 groeit het aantal mensen dat op een of andere manier werkloos is weer tot boven het miljoen: 25% van de beroepsbevolking.
In 1970 was dat bijna 71.000… of 1,9%.
De “actieve welvaartstaat” (’99): werken voor je uitkering
Met de paarsgroene regering wordt het laten werken van langdurig werklozen en bestaansminimumtrekkers voor hun uitkering – daarvoor reeds ingevoerd met de Smet-banen en PWA’s – een principe.
Op die manier moeten hun “beschikbaarheid voor de markt” en hun “arbeidsdiscipline” worden aangescherpt.
Er wordt ook gehamerd op “levenslang leren” en allerlei opleidingen.
De indruk wordt gewekt dat het een kwestie is van aan jezelf werken om een job te vinden.
De VDAB stelt, in 2003, echter zelf dat er voor elke vacature 6 (officiële) werkzoekenden zijn.
De recepten voor de werkloosheid hebben niets opgelost :
Loonlastverlagingen voor de patroons, tewerkstellingsmaatregelen, opgedreven flexibiliteit, competiviteitswetten, het drukken van de nettolonen en uitkeringen, vorming en begeleiding langs alle kanten,…
In de jaren ’60 was de gemiddelde reële economische groei 4,8%.
In de jaren ’70 was dat 3,4%;
in de jaren ’80 2% – ondanks de aangroeiende overheidsschuld;
in de jaren ’90 zakte dit onder de 2%.
Sinds 2014 zijn de groeipercentages voor de Belgische economie er nog erger aan toe.
Ze zijn de laagste van alle Oeso landen en zakte tot 1%.