Deze topic is op sterven na dood maar toch wil ik nog een poging wagen om er wat nieuw leven in te blazen. Naar aanleiding van moederdag heb ik nog eens gedacht aan mijn GROOT moeder.
Mathileke vis
De pastoor verschiet geen klein beetje wanneer hij hoort dat ze opnieuw wil gaan trouwen. Na de vroegmis houdt hij haar staande en valt dadelijk met de deur in huis.
‘Wat hoor ik nu Mathileke,’ zegt hij berispend, ‘uwe man is nog geen drie maanden gestorven en gij wilt al opnieuw gaan trouwen!’
‘Luister eens hier meneer pastoor,’ zegt ze bedaard, ‘van een dood varken kunt ge eten maar van een dode man niet.’ Die zit!
Een stoute tong heeft ze altijd al gehad, dat weet hij. Toch beseft ook hij dat ze met de opbrengst van haar vishandeltje met moeite haar vier kinderen kan grootbrengen. Maar nu al voor de derde keer gaan trouwen? 't Is toch rap.
Mathileke blijft nochtans niet bij de pakken zitten want na de dood van haar eerste man zoekt ze dadelijk een inkomen door thuis vis te verkopen. Haar kinderen, Victor en Lisa, zijn nog te klein om alleen gelaten te kunnen worden.
Uit haar tweede huwelijk worden Jef en Louis geboren maar ondertussen heeft ze een jong meisje bereid gevonden om op de kinderen te passen terwijl zij haar viskarretje door de straten van Kraainem en de omliggende dorpen stoot.
‘Vis! Verse vis!’ Al van ver herkenen de mensen haar schelle stem.
Het duurt echter nog lang voor ze van haar spaarcentjes het huisje kon inkopen dat ze tot nu toe gehuurd heeft. Dan sterft haar tweede...
Weer staat ze er alleen voor maar ze is er de vrouw niet naar om lang te treuren.
Met dubbele ijver duwt ze haar kar en schreeuwt luider dan ooit.
‘Vis! Verse vis!’
Op één van haar rondes leert ze Mon, de steenbakker, kennen.
Mon Vitesse, zoals de mensen hem noemen, is een harde werker die goed geld verdient.
Meer moet Mathileke niet weten.
Toch blijft ze, eens opnieuw getrouwd, verder haar vis verkopen.
Pas als alles verkocht is gaat ze naar huis. Wanneer er iets overblijft moeten zij of de kinderen het opeten. Haar derde vent lust gene vis.
Toch krijgt ze bij hem opnieuw twee kinderen, Yvonne en Julia.
Mon Vitesse was mijn dooppeter.
Het enige wat ik me van hem kan herinneren was die blik waarmee hij me roerloos zat aan te staren als ik mijn Nieuwjaarsbrief voorlas.
Daarna diepte hij twee vijffrankstukken op uit zijn vestzakje en gaf ze met een plechtig gebaar. ‘Hier zie, en niet op doen hé!’ ‘Nee peter. Dank U peter.’
Ieder jaar hertzelfde ritueel. Ik hield er minstens de helft aan over want de brief koste nooit meer dan vijf frank.
Eén keer, ik weet niet wat mij bezielde, had ik een heel mooie brief gekocht van acht frank! Die dag was hij viesgezind of dronken want ik kreeg slechts één geldstuk.
Toen ik mijn hand opendeed moest ik op mijn onderlip bijten om niet te huilen van spijt: Drie frank verlies!
Wat peinst gij wel wat dat is, als ge maar twee frank zondag krijgt?
Het was meteen de laatste Nieuwjaarsbrief die hij gekregen heeft.
Ondanks het harde werken leefde mijn grootmoeder nog vijftien jaar langer dan haar derde man.
‘Het moet toch een sterke vrouw geweest zijn,’ zegden de mensen bij haar begrafenis, ‘zes kinderen groot brengen en daarbij nog drie mannen te kunnen verslijten.’
PS: Bij haar heb ik altijd die koperen plaat aan de muur zien hangen met als opschrift:
Mathileke vis
De pastoor verschiet geen klein beetje wanneer hij hoort dat ze opnieuw wil gaan trouwen. Na de vroegmis houdt hij haar staande en valt dadelijk met de deur in huis.
‘Wat hoor ik nu Mathileke,’ zegt hij berispend, ‘uwe man is nog geen drie maanden gestorven en gij wilt al opnieuw gaan trouwen!’
‘Luister eens hier meneer pastoor,’ zegt ze bedaard, ‘van een dood varken kunt ge eten maar van een dode man niet.’ Die zit!
Een stoute tong heeft ze altijd al gehad, dat weet hij. Toch beseft ook hij dat ze met de opbrengst van haar vishandeltje met moeite haar vier kinderen kan grootbrengen. Maar nu al voor de derde keer gaan trouwen? 't Is toch rap.
Mathileke blijft nochtans niet bij de pakken zitten want na de dood van haar eerste man zoekt ze dadelijk een inkomen door thuis vis te verkopen. Haar kinderen, Victor en Lisa, zijn nog te klein om alleen gelaten te kunnen worden.
Uit haar tweede huwelijk worden Jef en Louis geboren maar ondertussen heeft ze een jong meisje bereid gevonden om op de kinderen te passen terwijl zij haar viskarretje door de straten van Kraainem en de omliggende dorpen stoot.
‘Vis! Verse vis!’ Al van ver herkenen de mensen haar schelle stem.
Het duurt echter nog lang voor ze van haar spaarcentjes het huisje kon inkopen dat ze tot nu toe gehuurd heeft. Dan sterft haar tweede...
Weer staat ze er alleen voor maar ze is er de vrouw niet naar om lang te treuren.
Met dubbele ijver duwt ze haar kar en schreeuwt luider dan ooit.
‘Vis! Verse vis!’
Op één van haar rondes leert ze Mon, de steenbakker, kennen.
Mon Vitesse, zoals de mensen hem noemen, is een harde werker die goed geld verdient.
Meer moet Mathileke niet weten.
Toch blijft ze, eens opnieuw getrouwd, verder haar vis verkopen.
Pas als alles verkocht is gaat ze naar huis. Wanneer er iets overblijft moeten zij of de kinderen het opeten. Haar derde vent lust gene vis.
Toch krijgt ze bij hem opnieuw twee kinderen, Yvonne en Julia.
Mon Vitesse was mijn dooppeter.
Het enige wat ik me van hem kan herinneren was die blik waarmee hij me roerloos zat aan te staren als ik mijn Nieuwjaarsbrief voorlas.
Daarna diepte hij twee vijffrankstukken op uit zijn vestzakje en gaf ze met een plechtig gebaar. ‘Hier zie, en niet op doen hé!’ ‘Nee peter. Dank U peter.’
Ieder jaar hertzelfde ritueel. Ik hield er minstens de helft aan over want de brief koste nooit meer dan vijf frank.
Eén keer, ik weet niet wat mij bezielde, had ik een heel mooie brief gekocht van acht frank! Die dag was hij viesgezind of dronken want ik kreeg slechts één geldstuk.
Toen ik mijn hand opendeed moest ik op mijn onderlip bijten om niet te huilen van spijt: Drie frank verlies!
Wat peinst gij wel wat dat is, als ge maar twee frank zondag krijgt?
Het was meteen de laatste Nieuwjaarsbrief die hij gekregen heeft.
Ondanks het harde werken leefde mijn grootmoeder nog vijftien jaar langer dan haar derde man.
‘Het moet toch een sterke vrouw geweest zijn,’ zegden de mensen bij haar begrafenis, ‘zes kinderen groot brengen en daarbij nog drie mannen te kunnen verslijten.’
PS: Bij haar heb ik altijd die koperen plaat aan de muur zien hangen met als opschrift:
Wie tevreden is met wat hij heeft,
is de rijkste die er leeft.
is de rijkste die er leeft.