Het veelvuldig fietsen begint bij iedereen stilaan zijn sporen na te laten. Waarschijnlijk zit het slechte weer er voor iets tussen dat de mensen niet meer kunnen lachen. Overal rondom waar je ook maar kijkt, zie je triestige blikken. Niemand kan er nog mee lachen als ze uitgewaaierd en letterlijk uitgeregend terug binnen komen van een vermoeiende fietstocht. Bij de suikermannen in Tienen liepen de eerste 10 km vlotjes onder de wielen maar eenmaal je Landen uit was begon de ellende. Echte ellende kon je het nog niet noemen want we wisten immers niet wat ons nog te wachten zou staan enkele dagen later. Overal probeerde je je te verstoppen waar je ook maar de kans kreeg. Terwijl er toch nog grote groepen aan je voorbij vlogen laveerden wij van groepje naar groepje om ergens aan te pikken maar volgen was iets anders. Het leek wel alsof we meer achteruit en opzij gingen, waggelend gelijk een eend stilaan naar boven. Elke heuvel die we opgingen leek een heuse berg, nochtans was het parcours niet zo moeilijk. Eindelijk zagen we het bord van de controle staan. Ik denk dat iedereen opgelucht was dat we al halfweg zaten en dat we eens van de fiets af mochten. Gretig ga je naar de tafel, je neemt je stukje cake, een halve banaan, wat drinken. Nergens zaten er slokkoppen op de loer, iedereen hield zich keurig aan de opgelegde voorraadverdeling. Duidelijk merkte je dat het een beetje te veel van alles aan het worden was. Er was geen rust meer tussenin. Eerder is het een afmattingrace geworden tegen de tijd, wie het eerste ten onder gaat door de stress valt uit de boot. Terug op de fiets vergeet je even dat je ver van huis bent, dat je wind in de fokke hebt gehad. Vanaf het punt dat we de bevoorradingstafel verlieten, liep alles gelijk een klok. De wind keerde zich en hielp ons de zeilen in de rug blazen. Wat we eerst bergop mochten presteren werd nu een daalfestijn. Je hoefde niet meer mee te trappen, de fiets ging van alleen vooruit. Echter opgepast als we Landen terug naderden. Op enkele meters van elkaar stond rechtdoor en plots linksaf. Als een bezetene gooide iedereen het stuur om in de goede richting en op het nippertje konden enkelen de auto vermijden die van rechts kwam. Later hoorden we dat in die zelfde bocht enkelen over kop gegaan zijn, jammer. Dralen zat er vandaag niet in, we moesten verder, naar huis. Als trofee kregen we suikerklontjes mee naar huis, koffiezoetjes voor onderweg.
De volgende dag sta je ondanks de hevige wind wat je ontmoet hebt, terug vertrekkens klaar. Geen drup regen gezien en bijna geen wind in Wijgmaal. Deze keer vlogen we de glooiingen over. De streek is ons bekend en als je weet hoe hier en daar een helling uitziet, durf je je remmen al eens los te laten wanneer het bergaf gaat. Nieuwrode en Gelrode, zusterlijk langs elkaar met hun pittige straten, het lukte allemaal prima. Voordat we op ’t Rot onze stempel kregen moesten we rechtstaan op de pedalen, goed voor de lijn dacht ik. De MTB-kers kwamen ons tegen boven aan de heuvel. Eentje had de grond gekust, recht in een poel water. Heinde en ver niks te zien en juist in die poel viel hij zolang als hij gewassen was. Zo kon hij meteen met fiets en al in de afspuitzone. We hoefden niet te stempelen, geen kaartje binnen deponeren. Onze benen voelden niet vermoeid aan maar rusten zat er niet in.
De derde dag op rij traden we aan. Een dag die geschiedenis zou schrijven. Vanaf het eerste moment dat we vertrokken kregen we Gods zegen mee. Hij begeleidde ons 85 km. Hoe we ook om genade smeekten, hij gaf ons hemelwater. Het Maasland had haar naam niet gestolen, het was er inderdaad nat. Toch zag het er eventjes naar uit alsof we de regenjas mochten uitdoen. Fout gedacht! We deden hem uit, daalden af langs het Preventorium in Rekem, langs het Psychiatrisch ziekenhuis recht naar Opgrimbie. Richting Boorsem stond aangegeven dat ons bij de hand nam naar Kotem en wie Kotem denkt, denkt aan de Maas. Een stukje van de Maas mochten we achter de winterbedding aanschouwen. Langs het kanaal van Maasmechelen vlieden we naar Vucht. Kris-kras door de veldwegen belandden we in de armen van moeder Leut. Eerste stempel genomen en een reep. De Dreef was bedoeld voor de groep die de grote ronde nam. Wij mochten naar Meeswijk richting Stokkem en Dilsen nemen. Opgepast, de afpijling was hier en daar onzichtbaar geworden en je kan je zo goed vergissen van weg. Juist op tijd zagen we de pijlen naar rechts draaien. Het kanaal naderde, we staken de brug over naar de kapel van de Weerstand. Nog een paar kilometer en we zaten halfweg. De tweede bevoorrading in Dorne gaf meer te bieden. Ach, zie ik daar fragipannekes liggen? De cake was nog niet naar beneden of Gods sluizen gingen verder openstaan en zouden niet meer dicht gaan tot aan het einde. Vlug de regenjasjes terug aan getrokken, even geschuild onder de eikenbomen die dicht tegen elkaar stonden en maar weer verder door Niel dat ons naar het stationneke van As bracht om de oversteek te wagen naar de Heiwijk waar ze een tijdje geleden die fietser dood gereden hebben. Op de hoek van de Heiwijk stonden tafels maar de Franse stemmen bevestigden iedereen dat het niet voor ons was: pas pour vous. Recht tegenover de Heiwijk ligt het Koninklijk domein. Ook dit ligt er denkelijk op dit ogenblik maar zielig bij. Geen enkele non kwam ons tegen, geen mediterenden in lange pijen. Zutendaal met zijn FN, het liet ons koud want we hadden het op ons eigen al koud genoeg. Voeten begonnen tegen te pruttelen en de drankbus smaakte naar slijk. Toch moesten we verder, terug aan de finish komen. Nog even doorduwen, volhouden is nu de boodschap. Oef, Gellik kwam in zicht, de kilometers werden afgeteld. Eindelijk het kanaal in Eigenbilzen dat ons naar de brug van Genk bracht als we ze nog herkenden. Zien deed je allang niet meer door je bril. Kleren die door en door nat waren voelde je zelfs niet meer om je lijk zitten. Je voeten zaten vast geplakt aan je klickers, je tenen lieten het afweten. Nog vijf kilometers te gaan. Nu niet de verkeerde richting indraaien, Schoonbeek roken we al vanop een paar km. Nog twee te gaan, even nog doorbijten. Daar zagen we de parking in zicht komen. Nog nooit zo blij geweest als die dag dat we terug binnen liepen. Iedereen morde, té slecht weer, te rot voor de tijd van het jaar. We komen hier niet meer zeiden anderen, de pijlen waren uit- en weg geregend. Moddersporen en grassprieten zaten overal aan ons vast, weg propere fiets. In zeven haasten sprong iedereen in zijn auto en zonder ook nog een woord of groet waren allen ribbedebie. Blij dat we eindelijk mochten rusten gaan en rust verdienden we allen. Geen gefietst meer voor ons deze week, geen regenbuien over ons af, we kunnen geen water meer zien of ruiken.
De volgende dag sta je ondanks de hevige wind wat je ontmoet hebt, terug vertrekkens klaar. Geen drup regen gezien en bijna geen wind in Wijgmaal. Deze keer vlogen we de glooiingen over. De streek is ons bekend en als je weet hoe hier en daar een helling uitziet, durf je je remmen al eens los te laten wanneer het bergaf gaat. Nieuwrode en Gelrode, zusterlijk langs elkaar met hun pittige straten, het lukte allemaal prima. Voordat we op ’t Rot onze stempel kregen moesten we rechtstaan op de pedalen, goed voor de lijn dacht ik. De MTB-kers kwamen ons tegen boven aan de heuvel. Eentje had de grond gekust, recht in een poel water. Heinde en ver niks te zien en juist in die poel viel hij zolang als hij gewassen was. Zo kon hij meteen met fiets en al in de afspuitzone. We hoefden niet te stempelen, geen kaartje binnen deponeren. Onze benen voelden niet vermoeid aan maar rusten zat er niet in.
De derde dag op rij traden we aan. Een dag die geschiedenis zou schrijven. Vanaf het eerste moment dat we vertrokken kregen we Gods zegen mee. Hij begeleidde ons 85 km. Hoe we ook om genade smeekten, hij gaf ons hemelwater. Het Maasland had haar naam niet gestolen, het was er inderdaad nat. Toch zag het er eventjes naar uit alsof we de regenjas mochten uitdoen. Fout gedacht! We deden hem uit, daalden af langs het Preventorium in Rekem, langs het Psychiatrisch ziekenhuis recht naar Opgrimbie. Richting Boorsem stond aangegeven dat ons bij de hand nam naar Kotem en wie Kotem denkt, denkt aan de Maas. Een stukje van de Maas mochten we achter de winterbedding aanschouwen. Langs het kanaal van Maasmechelen vlieden we naar Vucht. Kris-kras door de veldwegen belandden we in de armen van moeder Leut. Eerste stempel genomen en een reep. De Dreef was bedoeld voor de groep die de grote ronde nam. Wij mochten naar Meeswijk richting Stokkem en Dilsen nemen. Opgepast, de afpijling was hier en daar onzichtbaar geworden en je kan je zo goed vergissen van weg. Juist op tijd zagen we de pijlen naar rechts draaien. Het kanaal naderde, we staken de brug over naar de kapel van de Weerstand. Nog een paar kilometer en we zaten halfweg. De tweede bevoorrading in Dorne gaf meer te bieden. Ach, zie ik daar fragipannekes liggen? De cake was nog niet naar beneden of Gods sluizen gingen verder openstaan en zouden niet meer dicht gaan tot aan het einde. Vlug de regenjasjes terug aan getrokken, even geschuild onder de eikenbomen die dicht tegen elkaar stonden en maar weer verder door Niel dat ons naar het stationneke van As bracht om de oversteek te wagen naar de Heiwijk waar ze een tijdje geleden die fietser dood gereden hebben. Op de hoek van de Heiwijk stonden tafels maar de Franse stemmen bevestigden iedereen dat het niet voor ons was: pas pour vous. Recht tegenover de Heiwijk ligt het Koninklijk domein. Ook dit ligt er denkelijk op dit ogenblik maar zielig bij. Geen enkele non kwam ons tegen, geen mediterenden in lange pijen. Zutendaal met zijn FN, het liet ons koud want we hadden het op ons eigen al koud genoeg. Voeten begonnen tegen te pruttelen en de drankbus smaakte naar slijk. Toch moesten we verder, terug aan de finish komen. Nog even doorduwen, volhouden is nu de boodschap. Oef, Gellik kwam in zicht, de kilometers werden afgeteld. Eindelijk het kanaal in Eigenbilzen dat ons naar de brug van Genk bracht als we ze nog herkenden. Zien deed je allang niet meer door je bril. Kleren die door en door nat waren voelde je zelfs niet meer om je lijk zitten. Je voeten zaten vast geplakt aan je klickers, je tenen lieten het afweten. Nog vijf kilometers te gaan. Nu niet de verkeerde richting indraaien, Schoonbeek roken we al vanop een paar km. Nog twee te gaan, even nog doorbijten. Daar zagen we de parking in zicht komen. Nog nooit zo blij geweest als die dag dat we terug binnen liepen. Iedereen morde, té slecht weer, te rot voor de tijd van het jaar. We komen hier niet meer zeiden anderen, de pijlen waren uit- en weg geregend. Moddersporen en grassprieten zaten overal aan ons vast, weg propere fiets. In zeven haasten sprong iedereen in zijn auto en zonder ook nog een woord of groet waren allen ribbedebie. Blij dat we eindelijk mochten rusten gaan en rust verdienden we allen. Geen gefietst meer voor ons deze week, geen regenbuien over ons af, we kunnen geen water meer zien of ruiken.
Laatst gewijzigd door Gast op 22 jul 2008, 09:32, 1 keer totaal gewijzigd.