Soms kunnen wij zo genieten, opgaan in iets moois, in reizen, in samenzijn met vrienden bij voorbeeld, dat wij wel zouden willen dat de tijd even bleef stil staan, dat die goede momenten wat langer zouden duren.’t Is hier de hemel op aarde’, klinkt het dan. Zalig! Laten we die dingen koesteren en er van blijven genieten zolang het nog kan.
Als het jaar ten einde loopt, als de bomen hun bladeren verliezen en de dagen korter worden, dan viert de Kerk Allerheiligen en Allerzielen. Op vele plaatsen wordt St-Maarten gevierd en die dagen geven ons een verbondenheid met mensen uit het verleden. Mensen uit een vér verleden en mensen uit ons eigen verleden. Mensen die ooit heilig zijn verklaard en mensen die voor ons zalig zijn ‘geweest’. Het zijn dagen van verbondenheid met elkaar, want juist in deze dagen zoeken wij elkaar op om in herinnering te brengen wat de doden voor ons betekend hebben.
Iedereen kent wel iemand in zijn nabije omgeving die gestorven is. In ieder huis staat of ligt wel ergens een prentje met daarop het levensverhaal van zo'n gestorven mens.
Een paar dagen geleden zei iemand tegen me dat ze ontdaan was door alles wat er de laatste tijd in de wereld gebeurt. Ze zei: “het is allemaal te erg, ik kan er niet meer tegen en de gedachte was in haar opgekomen dat helemaal geen wereld misschien nog beter zou zijn dan de wereld zoals die nu in elkaar zit.”
Ik begreep haar hartenkreet wel. Maar wij zijn de eersten niet die de weg gaan tussen hoop en vrees, die tegen de klippen op proberen te leven uit de hoop, die soms de moed opgeven, maar weer nieuwe moed kunnen putten uit ervaringen van anderen, juist ook van hen die ons zijn voorgegaan.
Jaren geleden woonden bij ons in de geburen mensen die me zeer dierbaar werden en nog altijd zijn. Die mensen hebben me altijd gesteund en de christelijke waarden meegegeven voor het leven. Niet dat ik nu een kerkpilaar ben geworden, verre van dat maar ik moet er steeds aan terug denken als ik een paar keer per jaar langs hun graf passeer. Ze komen me dan nog zo levendig voor de geest en ieder woord en gebaar die in mijn herinnering bleef nahangen komt naar boven. De tijd heeft dan geen vat gevat op die mooie momenten die ik mocht beleven met die ganse familie. Eén van die kinderen is missionaris geworden en verblijft al jaren in Taiwan onder de verdreven Chinezen van Mao. Om de zoveel jaren komt hij naar België met een dansgroep die iedere keer groter wordt en een schat van cultuur bij heeft. Omdat het naar China gaan, voor ons er niet inzit, wachten we dus zijn bezoek af aan ons landje met iedere keer weer met dezelfde spanning, hoe zou hij deze keer weer eruit zien, zou hij nog dezelfde gezichten meebrengen als voorheen?
Als ik dan de kans krijg ga ik naar een optreden kijken en telkenmale verbaas ik me dan weer: hoe krijgt hij het in Godsnaam voor elkaar. Prachtige blinkende kostuums en nieuwe met gemengde oude volksdansen vanuit zijn streek want hij noemt het zijn ‘thuis’, zijn thuis is nu ginder bij die voor ons vreemde mensen.
De laatste keer dat ik hem terug zag, was verleden jaar in Eisden in het Cultuur Centrum en het ganse dorp dat vroeger hem zo dierbaar was, scheen aanwezig te zijn. Maar in zijn ogen zag ik tranen als me ons in de armen vlogen, ik was dan ook altijd kind aan huis geweest bij hem. Hij was niet meer dezelfde alleen zijn enthousiasme was niet weg, hij had nog altijd dezelfde bezetenheid voor zijn Taiwanese Groep maar zijn ogen verraden mij dat hij erg ziek was. Natuurlijk wimpelde hij dat direct ter zijde, ziek zijn stond niet in zijn woordenschat. “The show must go on”, zei hij dan. Zijn blik kon ik echter niet vergeten en verleden week kreeg ik dan zijn mailke waarin hij me zijn dierbare vriendin noemde. Niet op die aardse manier waar sommige dan aan denken, helemaal niet, hij bedoelde gewoon, ‘mijn kleine zus’.
Hij liet me weten dat ik juist geraden had, hij had longkanker zoals zijn vader die eraan overleden is. Het leek wel een afscheidsbrief van hem aan mij gericht waarin hij nog vlug wilde vertellen over zijn zoveelste chemo die hij reeds gehad zou hebben en die niks uithaalde. Langs deze weg wilde hij nog heel even mijn grote broer zijn en in gedachten onze apenstreken bovenhalen. En ik liet hem weten, dat ik hem verstond, dat hij weldra bij ons vader zou zijn hierboven en als hij dan daar zou komen om hem de groeten te willen overbrengen van dat kleine meisje dat zoveel van hun gehouden heeft en iedere keer weer opnieuw hun graf bezoekt. Mijn lieve missionaris ‘het ga je goed’!
Als het jaar ten einde loopt, als de bomen hun bladeren verliezen en de dagen korter worden, dan viert de Kerk Allerheiligen en Allerzielen. Op vele plaatsen wordt St-Maarten gevierd en die dagen geven ons een verbondenheid met mensen uit het verleden. Mensen uit een vér verleden en mensen uit ons eigen verleden. Mensen die ooit heilig zijn verklaard en mensen die voor ons zalig zijn ‘geweest’. Het zijn dagen van verbondenheid met elkaar, want juist in deze dagen zoeken wij elkaar op om in herinnering te brengen wat de doden voor ons betekend hebben.
Iedereen kent wel iemand in zijn nabije omgeving die gestorven is. In ieder huis staat of ligt wel ergens een prentje met daarop het levensverhaal van zo'n gestorven mens.
Een paar dagen geleden zei iemand tegen me dat ze ontdaan was door alles wat er de laatste tijd in de wereld gebeurt. Ze zei: “het is allemaal te erg, ik kan er niet meer tegen en de gedachte was in haar opgekomen dat helemaal geen wereld misschien nog beter zou zijn dan de wereld zoals die nu in elkaar zit.”
Ik begreep haar hartenkreet wel. Maar wij zijn de eersten niet die de weg gaan tussen hoop en vrees, die tegen de klippen op proberen te leven uit de hoop, die soms de moed opgeven, maar weer nieuwe moed kunnen putten uit ervaringen van anderen, juist ook van hen die ons zijn voorgegaan.
Jaren geleden woonden bij ons in de geburen mensen die me zeer dierbaar werden en nog altijd zijn. Die mensen hebben me altijd gesteund en de christelijke waarden meegegeven voor het leven. Niet dat ik nu een kerkpilaar ben geworden, verre van dat maar ik moet er steeds aan terug denken als ik een paar keer per jaar langs hun graf passeer. Ze komen me dan nog zo levendig voor de geest en ieder woord en gebaar die in mijn herinnering bleef nahangen komt naar boven. De tijd heeft dan geen vat gevat op die mooie momenten die ik mocht beleven met die ganse familie. Eén van die kinderen is missionaris geworden en verblijft al jaren in Taiwan onder de verdreven Chinezen van Mao. Om de zoveel jaren komt hij naar België met een dansgroep die iedere keer groter wordt en een schat van cultuur bij heeft. Omdat het naar China gaan, voor ons er niet inzit, wachten we dus zijn bezoek af aan ons landje met iedere keer weer met dezelfde spanning, hoe zou hij deze keer weer eruit zien, zou hij nog dezelfde gezichten meebrengen als voorheen?
Als ik dan de kans krijg ga ik naar een optreden kijken en telkenmale verbaas ik me dan weer: hoe krijgt hij het in Godsnaam voor elkaar. Prachtige blinkende kostuums en nieuwe met gemengde oude volksdansen vanuit zijn streek want hij noemt het zijn ‘thuis’, zijn thuis is nu ginder bij die voor ons vreemde mensen.
De laatste keer dat ik hem terug zag, was verleden jaar in Eisden in het Cultuur Centrum en het ganse dorp dat vroeger hem zo dierbaar was, scheen aanwezig te zijn. Maar in zijn ogen zag ik tranen als me ons in de armen vlogen, ik was dan ook altijd kind aan huis geweest bij hem. Hij was niet meer dezelfde alleen zijn enthousiasme was niet weg, hij had nog altijd dezelfde bezetenheid voor zijn Taiwanese Groep maar zijn ogen verraden mij dat hij erg ziek was. Natuurlijk wimpelde hij dat direct ter zijde, ziek zijn stond niet in zijn woordenschat. “The show must go on”, zei hij dan. Zijn blik kon ik echter niet vergeten en verleden week kreeg ik dan zijn mailke waarin hij me zijn dierbare vriendin noemde. Niet op die aardse manier waar sommige dan aan denken, helemaal niet, hij bedoelde gewoon, ‘mijn kleine zus’.
Hij liet me weten dat ik juist geraden had, hij had longkanker zoals zijn vader die eraan overleden is. Het leek wel een afscheidsbrief van hem aan mij gericht waarin hij nog vlug wilde vertellen over zijn zoveelste chemo die hij reeds gehad zou hebben en die niks uithaalde. Langs deze weg wilde hij nog heel even mijn grote broer zijn en in gedachten onze apenstreken bovenhalen. En ik liet hem weten, dat ik hem verstond, dat hij weldra bij ons vader zou zijn hierboven en als hij dan daar zou komen om hem de groeten te willen overbrengen van dat kleine meisje dat zoveel van hun gehouden heeft en iedere keer weer opnieuw hun graf bezoekt. Mijn lieve missionaris ‘het ga je goed’!
Laatst gewijzigd door Gast op 25 feb 2006, 16:14, 1 keer totaal gewijzigd.